Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ1434

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2013
Datum publicatie
19-02-2013
Zaaknummer
20-004306-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BU3372, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:953, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 287 Sr: Hof legt gevangenisstraf van 8 jaren op wegens doodslag na eerdere vrijspraak door rechtbank Middelburg.

De officier van justitie ging in hoger beroep. De advocaat-generaal was het met de rechtbank eens en vorderde voor het hof vrijspraak.

Verdachte heeft de doodslag aanvankelijk in verscheidene verhoren bekend en details van de toedracht gegeven, maar op enig moment is zij op die verklaringen teruggekomen, zonder daarvoor een reden te geven en zonder een andere verklaring af te leggen. Het hof houdt verdachte aan de verklaringen, waarin zij het feit heeft bekend. Die verklaringen zijn niet onder ongeoorloofde druk tot stand gekomen, zij zijn gedetailleerd en komen overeen met de aangetroffen sporen. Voor de intrekking ervan heeft verdachte geen aannemelijke uitleg gegeven. Het hof acht de verklaringen dan ook betrouwbaar en bezigt ze voor het bewijs.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004306-11

Uitspraak : 19 februari 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 4 november 2011 in de strafzaak met parketnummer 12-700325-10 tegen:

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [...] 1985,

wonende te [adres].

Hoger beroep

De verdachte is bij vonnis waarvan beroep van de gehele tenlastelegging vrijgesproken.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Namens verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te [pleegplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, nadat zij bij die [slachtoffer] een snoer rond de nek/hals had gedaan en/of dit snoer had aangetrokken en die [slachtoffer] haar, verdachte, de woorden toevoegde "Ik doe niets, dat hoeft niet", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

- het bovengenoemde snoer verder heeft aangetrokken, althans aangetrokken heeft gehouden, en/of

- die [slachtoffer] onderuit heeft getrapt, dan wel ten val heeft gebracht, en/of twee, althans één, knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] heeft gezet/gedrukt (om zodoende enig verzet van die [slachtoffer] te pareren en de door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien),

mede tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te [pleegplaats], ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg , in elk geval opzettelijk, nadat zij, verdachte, bij die [slachtoffer] een snoer en/ of kabel rond de nek / hals had gedaan/ of dit snoer en/ of die kabel had aangetrokken en die [slachtoffer] haar, verdachte de woorden had toegevoegd "Ik doe niet, dat hoeft niet", althans woorden van gelijke aard en/ of strekking,

- het bovengenoemde snoer en/ of de kabel verder heeft aangetrokken, althans aangetrokken heeft gehouden, en/ of

- die [slachtoffer] onderuit heeft getrapt , dan wel ( verder) ten val heeft gebracht, en/ of twee, althans één knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] heeft gezet/ gedrukt ( om zodoende enig verzet van die [slachtoffer] te pareren en de door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien ),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

zij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en na rustig overleg, in elk geval met dat opzet, bij die [slachtoffer] een snoer en/ of kabel rond de nek/ hals heeft gedaan en/ of / dit snoer en/of die kabel heeft aangetrokken en/of aangetrokken heeft gehouden, en/of die [slachtoffer] (verder) onderuit heeft getrapt, dan wel ten val heeft gebracht, en/of twee, althans een knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] te pareren en de door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

meest subsidiair:

zij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te [pleegplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend een persoon, te weten

[slachtoffer], na kalm beraad en rustig overleg een snoer en/of kabel rond de nek/ hals heeft gedaan en/of dit snoer en/of kabel heeft aangetrokken en/of aangetrokken heeft gehouden, en/of die [slachtoffer] (verder) onderuit heeft getrapt, dan wel ten val heeft gebracht, en/of twee althans één, knie(ën) in de rug van die [slachtoffer] heeft gezet/ gedrukt (om zodoende enig verzet van die [slachtoffer] te pareren en door haar, verdachte, ingezette handeling te kunnen voltooien), mede ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden, althans waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw, op gronden zoals verwoord in de door haar overgelegde pleitnota, vrijspraak van al het ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De verklaringen die verdachte op 2, 3 en 11 december 2010 heeft afgelegd, waarin zij heeft bekend [slachtoffer] van het leven te hebben beroofd, dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat deze verklaringen zijn verkregen in strijd met het pressieverbod , opgenomen in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, en in strijd met de artikelen 3 en 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Verdachte is door een ongeoorloofde, sympathiserende, vorm van pressie verleid tot het afleggen van een bekentenis .

Diezelfde verklaringen van verdachte dienen op grond van de in de in de pleitnota genoemde feiten en omstandigheden ook wegens onbetrouwbaarheid te worden uitgesloten van het bewijs.

Bovendien kan de doodsoorzaak van het slachtoffer [slachtoffer] niet eenduidig worden vastgesteld. Naar aanleiding van de sectiebevindingen en de verklaringen van de deskundigen zijn er twee oorzaken mogelijk voor het intreden van de dood, te weten een fataal verlopend samendrukkend geweld op de hals of een fatale concentratie van morfine al dan niet in combinatie met een werkzame concentratie van cocaïne. Ieder van deze mogelijkheden kan zelfstandig de dood hebben veroorzaakt. Indien het hof niet met zekerheid kan vaststellen dat het slachtoffer is overleden door of mede door toedoen van verdachte, dient het hof verdachte in ieder geval vrij te spreken van het primair en meest subsidiair ten laste gelegde, nu deze feiten ten onrechte uitgaan van een oorzakelijk verband tussen de handelingen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Pressieverbod c.a.

Verdachte is diverse malen verhoord. In het zevende verhoor legde zij voor het eerst een bekentenis af. Deze herhaalde zij in het achtste verhoor, dat een dag later volgde, en in het negende verhoor, twaalf dagen later.

Het hof stelt vast dat de verdenking ziet op een zeer ernstig feit, te weten een levensdelict. In een dergelijk geval is een indringende ondervraging toegestaan. Aannemelijk is dat door het onderzoeksteam is gekozen voor een bepaalde, door de verdediging als sympathiserend aangeduide, benadering van verdachte. In deze wijze van benadering en gelet op de inhoud en het verloop van de bij verdachte afgenomen verhoren ziet het hof, mede gezien het belang van waarheidsvinding met betrekking tot het ernstige feit waarvan de verdenking bestond, evenmin als de rechtbank een grond voor de conclusie dat verdachte tegen haar wil is gedwongen een verklaring af te leggen zoals zij heeft gedaan. Er zijn geen aanwijzingen dat sprake is geweest van misleiding of andere ongeoorloofde verhoormethoden.

Daarbij komt dat de verbalisanten in de verhoren na het zevende verhoor verschillende malen hebben uitgesproken dat zij een ‘onderbuikgevoel’ hadden dat de verklaring van verdachte mogelijk niet zou kloppen. Zij hebben verdachte hier ook op bevraagd en hebben hierbij specifieke onderdelen van haar verklaring genoemd. Verdachte is echter nadrukkelijk bij haar bekentenis gebleven. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van schending van het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 3 en 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het verweer wordt verworpen.

De betrouwbaarheid van de bekentenis

Zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie heeft er op gewezen dat de [medeverdachte] zich tegenover derden heeft uitgelaten in die zin, dat hij iemand had gedood (“omgelegd”), en in verband daarmee gememoreerd dat het door deze [medeverdachte] opgegeven alibi: hij zou ten tijde van de gebeurtenissen in zijn woning wiet zijn gaan kopen bij zijn vaste leverancier, geen geloof verdient, aangezien de coffeeshop waar hij die wiet placht te kopen, -naar uit het onderzoek is gebleken- al gesloten was.

Naar het oordeel van het hof is evenwel niet ondenkbaar, dat [medeverdachte], die (zoals inmiddels onherroepelijk door de rechter is vastgesteld) heeft meegewerkt aan het wegmaken van sporen, zich daardoor medeschuldig heeft gevoeld en kan het zijn dat hij toen van zijn kant (in elk geval tegenover de betrokken derden) de schuld van verdachte op zich heeft willen nemen. Als getuige gehoord ter terechtzitting in beroep heeft [medeverdachte] zich op zijn zwijgrecht beroepen.

De verdediging heeft als “alternatief scenario” geopperd, dat verdachte op de gedachte is gebracht dan wel in de gedachte verkeerde, dat wanneer zij de schuld op zich nam, haar - gezien haar misbruikachtergrond, in combinatie met de beweerde aanranding door het slachtoffer - slechts een korte straf te wachten stond, zodat zij spoedig weer met haar vriend [medeverdachte] zou kunnen worden verenigd.

Dienaangaande overweegt het hof dat indien de verdachte (al dan niet na afspraak met [medeverdachte]) de schuld (voor hem) op zich heeft willen nemen, dit idee al enige tijd vóór haar aanhouding bij haar moet zijn opgekomen, aangezien zij zich toen, tegenover derden, als dader heeft gepresenteerd.

Het is in dit scenario dan onverklaarbaar waarom zij bij de eerste zes verhoren, die van haar zijn afgenomen, haar onschuld is blijven volhouden en pas na een ruime bedenktijd alsnog een bekennende verklaring heeft afgelegd.

De bekennende verklaringen zijn over een periode van meerdere dagen tweemaal herhaald, zijn gedetailleerd en sluiten (anders dan de verdediging heeft gesuggereerd) goed aan op de aangetroffen sporen. Zo heeft verdachte onder meer verklaard dat er bloed uit de oren van het slachtoffer kwam Dat wordt bevestigd door de waarnemingen van de verbalisanten in het onderzoek op de plaats delict en de sectiebevindingen.

Bij bestudering van de opnamen, die van de verklaringen zijn gemaakt, moet worden vastgesteld dat zij op hoofdpunten authentiek overkomen en bepaald niet de indruk wekken van een vooraf ingestudeerd verhaal. Dit geldt ook voor de wijze waarop verdachte voordoet hoe zij het usb-snoer, waarmee het slachtoffer zou zijn gewurgd, heeft vastgehouden (met een slag om de polsen).

Voorts acht het hof het van betekenis dat de verdachte haar bekennende verklaringen, nadat zij die bij monde van haar raadsvrouw had ingetrokken, niet heeft vervangen door een andere, en vooral dat zij voor deze wijziging in haar opstelling geen enkele verklaring heeft gegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging gesuggereerd dat zij thans uit angst voor [medeverdachte] geen openheid van zaken meer durft te geven. De relatie met hem is verbroken en hij zou zich aan ernstige bedreigingen schuldig hebben gemaakt. Wat daar ook van zij, van angst kan op het moment van de intrekking nog geen sprake zijn geweest, omdat toch die relatie toen nog bestond.

Er zijn ten slotte door de verdachte gemaakte dagboekaantekeningen en brieven aan [medeverdachte] in het debat gebracht, waarin sprake is van iets wat de verdachte voor [medeverdachte] heeft gedaan en waarvoor deze haar dankbaar zou moeten zijn. Daargelaten of deze aantekeningen en brieven geloofwaardig zijn (verdachte moet zich immers hebben gerealiseerd dat grote kans bestond dat haar dagboek en de brieven aan [medeverdachte] in handen van de justitie zouden raken) zijn deze uitlatingen voor meerdere uitleg vatbaar. De meest voor de hand liggende uitleg is naar het oordeel van het hof niet, dat zij onschuldig is, maar dat zij de rol van [medeverdachte] heeft verzwegen. Er zijn echter nog veel meer mogelijkheden. Aan de dagboekaantekening en brieven kunnen daarom geen conclusies worden verbonden.

Samenvattend: er is geen reden om de verdachte niet aan haar bekennende verklaringen te houden. Die zijn uit vrije wil afgelegd, bevatten op zichzelf (behoudens op een hieronder nader te bespreken punt) niets dat aan hun geloofwaardigheid doet twijfelen en voor haar intrekking is geen aannemelijke uitleg gegeven. Het hof acht die verklaringen, mede in aanmerking genomen dat het ingestelde technische onderzoek geen daarmee strijdige resultaten heeft opgeleverd, betrouwbaar en bezigt deze dan ook ten bewijs.

Causaliteit

De verdediging heeft gesteld dat een aanwijsbaar causaal verband tussen het gedrag, waarvan de verdachte wordt beticht, en de dood van het slachtoffer ontbreekt; hij zou ook aan een overdosis verdovende middelen kunnen zijn overleden.

Dit verweer wordt door het hof verworpen, nu is vastgesteld dat het slachtoffer bij leven aan op zichzelf potentieel dodelijk samendrukkend geweld aan de hals is blootgesteld en kort daarna is overleden. Onder deze omstandigheden kan de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan het uitgeoefende geweld worden toegerekend.

De mogelijkheid dat druggebruik of een zwakke lichamelijke conditie hierbij een rol hebben gespeeld, is niet van zodanige aard dat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijze niet meer als gevolg van het samendrukkend geweld aan de hals aan de dader zou kunnen worden toegerekend.

Ambtshalve overweegt het hof nog het volgende.

Voorbedachte raad?

Het hof zal de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord. Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend komen vast te staan dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvoor is in het voorhanden materiaal geen concreet aanknopingspunt te vinden.

Het onderzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat-generaal – naar aanleiding van vragen van de verdediging – medegedeeld dat eind 2012 in het onderzoek naar het overlijden van [slachtoffer] door de politie Zeeland een vervolgonderzoek is gestart jegens de medeverdachte [medeverdachte]. In dat kader zijn de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] gehoord. De verdediging noch de advocaat-generaal zijn hiervan op de hoogte gesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de processen-verbaal van deze verhoren aan het hof en de verdediging ter beschikking gesteld. Het hof heeft zich de vraag gesteld of hier sprake is van een vormverzuim en zo ja, welke consequentie hieraan dient te worden verbonden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zodra het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, moet het ontoelaatbaar worden geacht om buiten de rechter om, in een parallel onderzoek, getuigen te horen zonder dat op zijn minst de verdediging hierin wordt betrokken. Het criterium is dan niet tegen welke verdachte dit onderzoek zich richt, maar of de door de getuigen af te leggen verklaringen rechtstreeks van belang kunnen zijn voor de uitkomst van het door de rechter uitgevoerde onderzoek. Er is in deze dus sprake van een vormverzuim, waaraan echter geen consequenties hoeven te worden verbonden, aangezien in casu geen verdedigingsbelang is geschaad; de verdediging heeft over deze handelwijze van de politie ook niet geklaagd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de nacht van 7 op 8 oktober 2010 te [pleegplaats] opzettelijk

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, met dat opzet, nadat zij bij die [slachtoffer] een snoer rond de nek/hals had gedaan en dit snoer had aangetrokken, en die [slachtoffer] haar, verdachte, de woorden toevoegde "Ik doe niets, dat hoeft niet", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

het snoer verder aangetrokken althans aangetrokken gehouden en die [slachtoffer] onderuit getrapt en een knie in de rug van die [slachtoffer] gezet,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

In haar bekennende verklaring heeft de verdachte zich er op beroepen – zo begrijpt het hof –

dat zij zich heeft verdedigd tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer, althans dat zij door zulk een aanranding in een zo hevige gemoedsbeweging is geraakt, dat zij hem heeft gedood. Het hof acht dit onaannemelijk. Het slachtoffer was een invalide en door zijn verslaving ernstig verzwakte man. Ook wanneer hij zich werkelijk aan de verdachte zou hebben proberen te vergrijpen – waarvoor, behalve de verklaring van de verdachte zelf, geen enkel bewijs voorhanden is; sterker nog, waarvoor aan omtrent de persoon van het slachtoffer afgelegde getuigenverklaringen slechts tegenaanwijzingen zijn te ontlenen - zou diens verwurging een in zo verregaande mate excessieve reactie zijn, dat het hof aan verdachtes verklaring op dit punt geen geloof hecht.

Aldus zijn de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden zodat het hof dat verwerpt.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof overweegt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste commune delicten, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is. Naar het oordeel van het hof kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof in de eerste plaats rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voorts met de omstandigheid dat verdachte met het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer] een onomkeerbaar verlies teweeg heeft gebracht en groot leed heeft toegebracht aan onder meer de nabestaanden van het slachtoffer, die zich geconfronteerd hebben gezien met de gewelddadige dood van een dierbare.

Het hof rekent verdachte bovendien zwaar aan dat zij door haar handelen blijk heeft gegeven van een zeer beperkt normbesef en grote gewetenloosheid.

Omdat verdachte niet heeft willen meewerken aan enige vorm van onderzoek door gedragsdeskundigen en het hof overigens geen aanwijzingen heeft dat verdachte zou lijden aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die ten tijde van het delict op haar handelen van invloed zou zijn geweest houdt het hof het ervoor dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit volledig toerekeningsvatbaar was.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval de oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Bevel gevangenneming

Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van lange duur. Gelet hierop zal het hof de gevangenneming van de verdachte bevelen. Dit bevel zal afzonderlijk worden geminuteerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.C. Silanoe-Lemmers, griffier,

en op 19 februari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Reijntjes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.