Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ0380

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
12-00213
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:782, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en haar partner wonen in het Verenigd Koninkrijk. Haar partner werkt in Nederland; hij is voor zijn Nederlandse salaris belasting- en premieplichtig in Nederland. Artikel 8.9a, tweede lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat belanghebbende, als niet premieplichtige niet-inwoner van een EU-lidstaat, recht heeft op verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de gecombineerde heffingskorting waarop een premieplichtige inwoner van Nederland recht heeft. Een premieplichtige inwoner die verkeert in een situatie als die van belanghebbende (te weten: een eigen inkomen uit werk en woning van € 6.001 en een partner met een inkomen uit werk en woning van € 22.913) zou recht hebben op een gecombineerde heffingskorting van € 3.039. Belanghebbende heeft dus recht op een verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting tot dat bedrag. Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur dat de bijzondere verhoging moet worden verminderd met het bedrag dat belanghebbende, ware zij premieplichtig in Nederland, aan premies volksverzekeringen verschuldigd zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/342
V-N 2013/32.2.2
FutD 2013-0429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00213

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Limburg van de rijksbelastingdienst

(hierna, evenals de directeur van het onderdeel Belastingregio Belastingdienst/Limburg van die dienst, die met ingang van 1 januari 2011 te dezen bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 april 2012, nummer AWB 10/5369 in het geding tussen

mevrouw X,

wonende te Y, domicilie kiezend te Z,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

inzake na te noemen aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.001, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd met het bedrag van de premie volksverzekeringen tot nihil, de beschikking heffingsrente vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 874 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 december 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar de uitspraak van de Rechtbank. Partijen hebben de door de Rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep niet bestreden, zodat het Hof van de juistheid daarvan uitgaat.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Inspecteur premies volksverzekeringen geheven van belanghebbende?

II. Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op heffingskortingen? Meer in het bijzonder is in geschil de toepassing van artikel 8.9a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet of Wet IB 2001).

3.2. Belanghebbende is van mening dat vraag I bevestigend moet worden beantwoord; de Inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen; het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of de inrichting van het aanslagbiljet, en de wijze waarop daarop een bedrag aan premies wordt vermeld, betekent dat, ondanks de afwezigheid van premieplicht, niettemin premies volksverzekeringen zijn geheven.

3.3. Belanghebbende beantwoordt vraag II aldus, dat zij stelt recht te hebben op een bedrag aan heffingskortingen van in totaal € 3.039. De Inspecteur bepleit een bedrag van in totaal € 1.023.

3.4. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingediende beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1. Het aanslagbiljet bevat op pagina 2 een gespecificeerde berekening van het verschuldigde bedrag. Deze berekening vermeldt expliciet een bedrag van € 1.869 aan verschuldigde premie volksverzekeringen. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat daarmee bij deze aanslag premie volksverzekeringen tot een bedrag van € 1.869 van belanghebbende is geheven. De omstandigheid dat belanghebbende het aldus geheven bedrag door toepassing van de heffingskorting uiteindelijk niet verschuldigd is, maakt dat niet anders.

4.2. Het gelijk met betrekking tot vraag I is derhalve aan belanghebbende.

Vraag II

4.3. Het Hof merkt allereerst op, dat de Rechtbank een onjuiste versie van de tekst van artikel 8.9 Wet IB 2001 in haar uitspraak heeft opgenomen. De in 2008 geldende tekst van artikel 8.9 bevatte nog niet de beperking tot het zogenoemde "toetsniveau".

4.4. De juiste teksten van de verschillende relevante artikelen luidden voor het jaar 2008 als volgt:

Artikel 8.1. Definities

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

d.gecombineerde heffingskorting: het gezamenlijke bedrag van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting, de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering, de heffingskorting voor de nabestaandenverzekering en de heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten.

Artikel 8.8. Maximum gecombineerde heffingskorting

De gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing.

Artikel 8.9. Verhoging maximum gecombineerde heffingskorting bij minstverdienende partner

1. Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 zou worden beperkt tot een niveau beneden het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, combinatiekorting, aanvullende combinatiekorting, ouderschapsverlofkorting en levensloopverlofkorting wordt indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de combinatiekorting, de aanvullende combinatiekorting, de ouderschapsverlofkorting en de levensloopverlofkorting.

2. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.

3. De verhoging van de gecombineerde heffingskorting wordt verlaagd met het bedrag van de belastingvermindering volgens regelingen ter voorkoming van dubbele belasting.

(...)

Artikel 8.9a. Bijzondere verhoging heffingskorting voor de inkomstenbelasting voor niet-inwoners

1. De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting geldt voor de belastingplichtige die recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9, maar die deze verhoging als niet-premieplichtige niet-inwoner niet volledig kan effectueren. De bijzondere verhoging geldt uitsluitend voor inwoners van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen.

2. De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is gelijk aan de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, voorzover de belastingplichtige daarop als niet-premieplichtige niet-inwoner geen recht heeft, maar hij daarop wel recht zou hebben indien hij premieplichtig inwoner van Nederland zou zijn.

3. De bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting is echter niet hoger dan het gezamenlijke bedrag van de belasting na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, en de premie voor de volksverzekeringen die zijn partner is verschuldigd over het belastbare inkomen uit werk en woning, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil, dat belanghebbende recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in artikel 8.9, lid 1, en op de bijzondere verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 8.9a, lid 1, van de Wet. Het geschil draait in essentie om de uitleg van het tweede lid van artikel 8.9a van de Wet.

4.6. Artikel 8.9a, tweede lid, van de Wet bepaalt dat belanghebbende, als niet-premieplichtige niet-inwoner van een EU-lidstaat, recht heeft op verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de gecombineerde heffingskorting waarop een premieplichtige inwoner van Nederland recht heeft. Een premieplichtige inwoner die verkeert in een situatie als die van belanghebbende (te weten: een eigen inkomen uit werk en woning van € 6.001 en een partner met een inkomen uit werk en woning van € 22.913) zou recht hebben op een gecombineerde heffingskorting van € 3.039. Belanghebbende heeft dus recht op een verhoging van de heffingskorting voor de inkomstenbelasting tot dat bedrag.

4.7. Het voorgaande leidt volgende cijfermatige conclusie. De verhoging waarop belanghebbende recht heeft op grond van artikel 8.9 van de Wet bedraagt € 221 minus € 147 is € 74. De bijzondere verhoging waarop belanghebbende recht heeft op grond van artikel 8.9a van Wet bedraagt derhalve € 3.039 minus € 221 = € 2.818.

4.8. De Inspecteur bepleit dat de aldus berekende bijzondere verhoging van € 2.818 verminderd moet worden met het bedrag dat belanghebbende, ware zij premieplichtig in Nederland, aan premies volksverzekeringen verschuldigd zou zijn. Dit bedrag van, in de woorden van de Inspecteur, "fictief" verschuldigde premies volksverzekeringen beloopt € 1.869. Per saldo heeft belanghebbende dan ook, aldus de Inspecteur, recht op een bijzondere verhoging van € 2.818 minus € 1.869, ofwel € 949.

4.9. De Inspecteur onderbouwt zijn standpunt als volgt. Artikel 8.9a van de Wet heeft tot doel niet-inwoners van lidstaten gelijk te behandelen als inwoners. Zou men de fictief verschuldigde premies niet in mindering brengen op de bijzondere verhoging, dan zou dat leiden tot de situatie dat een niet-inwoner juist niet behandeld wordt als ware hij inwoner van Nederland, aangezien die niet-inwoner gunstiger zou worden behandeld dan een inwoner. De niet-inwoner zou immers de premievolksverzekeringdelen krijgen van de toepasselijke heffingskortingen zónder dat rekening wordt gehouden met fictieve premie volksverzekeringen, terwijl bij de inwoner wél rekening wordt gehouden met eventueel verschuldigde premie volksverzekeringen.

4.10. Het Hof verwerpt dit standpunt. Voor zover de Inspecteur stelt, dat zijn uitleg overeenstemt met de tekst van artikel 8.9a van de Wet, kan het Hof hem niet volgen. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de tekst van de Wet niet anders kan worden gelezen dan hierboven in onderdeel 4.6 uiteengezet. De Wet zegt niet dat het per saldo verschuldigde bedrag voor inwoners en niet-inwoners gelijk moet zijn, maar dat, kort gezegd, het bedrag van de heffingskorting gelijk moet zijn.

4.11. Voor zover de Inspecteur betoogt dat de door belanghebbende bepleite uitleg in strijd komt met doel en strekking van de Wet, omdat een heffingskorting voor het premiedeel volgens het systeem van de Wet slechts kan worden toegekend voor zover premie wordt betaald, terwijl in belanghebbendes uitleg recht zou bestaan op een heffingskorting voor het premiedeel zonder dat (fictief) premie wordt betaald, is het Hof van oordeel, dat het nu juist de bedoeling is van artikel 8.9a om (in de inkomstenbelasting) een heffingskorting ter grootte van het premiedeel toe te kennen aan niet-premieplichtigen casu quo niet-premiebetalenden.

4.12. Voor zover de Inspecteur betoogt dat het aldus door artikel 8.9a aan niet-inwoners verstrekte voordeel verder gaat dan waartoe het EU-recht noopt, faalt deze stelling, omdat, zelfs als zij waar zou zijn, dat niet afdoet aan de rechten die belanghebbende kan ontlenen aan artikel 8.9a van de Wet.

4.13. Nu, ten slotte, tussen partijen in confesso is dat belanghebbendes partner voldoende inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd is, zodat de in het derde lid van artikel 8.9a genoemde beperking geen rol speelt, is de eindconclusie dat belanghebbende recht heeft op de verhogingen als hierboven berekend. Het totale bedrag van de gecombineerde heffingskorting waarop zij recht heeft bedraagt derhalve € 3.039.

Slotsom

4.14. Uit het voorgaande volgt, dat het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet, onder verbetering van de gronden, worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 466.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 944.

5. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- bepaalt dat van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 466

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 24 januari 2013 Door W.E.M van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, G.J. van Muijen en P. Fortuin, leden, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.