Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ0317

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
HV 200.111.296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht; zuivere tussenbeschikking; appellant mocht er niet vanuit gaan dat aan de mededeling op de laatste pagina van de beschikking een beslissing van de rechter ten grondslag lag; vergelijk HR 27 september 2002, LJN AE4041.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 31 januari 2013

Zaaknummer: HV 200.111.296/01

Zaaknummer eerste aanleg: 218058 FA RK 10-5171 TB2

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellant]

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.M. Koopman,

tegen

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: voorheen mr. A.J. de Bie, thans zonder advocaat.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 mei 2012 en 6 december 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2012, heeft de man verzocht voormelde beschikking van 8 mei 2012 wat betreft bepaalde eindbeslissingen te vernietigen en bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de verrekenplicht tussen partijen is geëindigd op 7 januari 2009 en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen op de wijze zoals de man in de toelichting op de grieven heeft verzocht.

2.2. Er is geen verweerschrift van de vrouw ter griffie ingekomen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013. Bij die gelegenheid is gehoord mr. C.J. Rouwet, kantoorgenote van mr. Koopman, de advocaat van de man. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 22 november 2011.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank heeft in het dictum van de bestreden beschikking geen beslissing genomen die een definitief einde maakt aan (een deel van) het verzochte. Er is dan ook sprake van een zuivere tussenbeschikking, waarvan ingevolge artikel 358 lid 4 Rv geen tussentijds hoger beroep mogelijk is, tenzij de rechtbank anders heeft bepaald.

3.2. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank toestemming gegeven heeft voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de tussenbeschikking. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op de laatste pagina van de bestreden beschikking staat vermeld, dat tegen deze beschikking, voor zover het een eindbeslissing betreft, hoger beroep kan worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. Deze vermelding is alleen zinvol indien zij ziet op de eindbeslissingen in de overwegingen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat op een eerdere tussen partijen gegeven tussenbeschikking een soortgelijke vermelding ontbreekt. Hieruit kan worden afgeleid dat de rechtbank welbewust tussentijds hoger beroep heeft opengesteld van de bestreden beschikking, aldus de man.

3.3. Het standpunt van de man kan niet worden gevolgd. Vooropgesteld dient te worden dat alleen de rechter kan bepalen dat van zijn uitspraak tussentijds hoger beroep openstaat.

Op blad 23 van de bestreden beschikking is het dictum opgenomen en is de beschikking getekend door de griffier en door de rechter. Op blad 24 staat alleen een mededeling, in kleinere letters. Onduidelijk is van wie de mededeling afkomstig is. Noch in de overwegingen, noch in het dictum van de bestreden beschikking wordt met enig woord gerept over de mogelijkheid van tussentijds appel. In deze omstandigheden mocht de man er niet van uitgaan dat aan de mededeling een beslissing van de rechter ten grondslag lag; vergelijk HR 27 september 2002, NJ 2004, 100. Van het tussentijds openstellen van hoger beroep door de rechtbank is niet gebleken.

Het feit dat op een andere tussen partijen gewezen tussenbeschikking de vermelding niet is gedaan, doet aan het voorgaande niet af.

3.4. Conclusie is dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.J.M. van Etten, M.J. van Laarhoven en A.R. Autar en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2013.