Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9872

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
20-004145-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens verduistering uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking. Verdachte was vennoot in B.V.1. Deze B.V.1 voerde krachtens overeenkomst met Stichting R de financiële administratie van Stichting R. Een werknemer van B.V.1 was belast met het beheer van de bankrekening van Stichting R. Verdachte hield toezicht op deze werknemer en heeft hem tijdens diens ziekte vervangen. Zowel voor als tijdens deze ziekte worden overboekingen gedaan van de bankrekening van Stichting R naar een rekening van (een vennootschap van) verdachte. Verdachte stelt dat deze overboekingen met toestemming van het bestuur van de Stichting R zijn geschied omdat er een geldleenovereekomst zou zijn gesloten krachtens welke verdachte EUR 84.000 kon lenen van de Stichting R. Stichting R betwist deze geldlening. Het hof concludeert dat verdachte zonder toestemming heeft gehandeld, nu het tot stand komen van een geldleenovereenkomst niet aannemelijk is geworden en verdachte moet hebben geweten dat hij geen overeenkomst had gesloten. Tevens was naar het oordeel van het hof de hoedanigheid waarin verdachte handelde zozeer verknocht met zijn dienstbetrekking bij B.V.1 dat kan worden gesteld dat verdachte de gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had ex artikel 322 Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004145-11

Uitspraak : 28 januari 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-016199-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van “verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig geweest en heeft zich laten verdedigen door zijn gevolmachtigde raadsman.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 13 september 2009 te Uden, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen (tot een totaal beloop van ongeveer EUR 88.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de [Stichting R], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als secretaris/(financieel) medewerker/administrateur, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 3008 tot en met 13 september 2009 te Uden, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen (tot een totaal beloop van ongeveer EUR 88.000,-), in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan de [Stichting R], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 13 september 2009 te Uden, althans in Nederland, telkens opzettelijk geldbedragen (tot een totaal beloop van EUR 82.048,50), die toebehoorden aan de [Stichting R], en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, anders dan door misdrijf onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van verduistering nu verdachte zich de geldbedragen niet opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte veronderstelde dat hij toestemming had gekregen voor een lening van de [Stichting R] (hierna: [Stichting R]). Verdachte heeft de term lening ook opgenomen als omschrijving bij de overboekingen. Voorts is geen sprake van ‘persoonlijke dienstbetrekking’ in de zin van artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen van het hof

Van opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen in de zin van artikel 321 en artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van een zodanig beschikken kan - afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval - onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt (vgl. HR 11 december 2012, LJN BX3520).

Uit het verhandelde ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken.

[B.V. 1] (hierna [B.V. 1]), waarin verdachte een van de drie aandeelhouders was en verantwoordelijk was voor de account (ondersteuning) van de [Stichting R], voerde tegen betaling het secretariaat (waaronder begrepen de financiële administratie) van de [Stichting R]. Gebleken is dat in 2008 en 2009 overboekingen zijn gedaan van de bankrekeningen van [Stichting R], welke rekening beheerd werd door [B.V. 1] in de persoon van de heer [getuige 2] of verdachte, naar de bankrekening van [B.V. 2], zijnde een besloten vennootschap waarvan verdachte enig bestuurder en aandeelhouder was.

Het gaat om de volgende overboekingen:

04-07-2008.1 [Stichting R] EUR 20.000 o.v.v. “voorschot extra certificaten H”

15-09-2008 EUR 3180,16 o.v.v. “extra certificaten maanden juli en augustus”

29-09-2008 EUR 5652, 50 o.v.v. “extra certificaten tot en met”

23-10-2008 EUR 25.167,34 o.v.v. “omzetting voorschot 29-09, 15-0 (het hof leest 15-09) 04-07 5652,50 3180,16 20.000 totaal lening 54.000 54M”

Totaal bedrag in 2008 EUR 54.000.

13-02-2009 EUR 1500 o.v.v. “aflossing lening 60.000 minimaal per maand”

07-05-2009 EUR 12.000 o.v.v. “aflossing lening 72.000”

29-06-2009 EUR 5000 o.v.v. “77K”

Bovendien zijn er de volgende afboekingen van de rekening van [Stichting R]:

13-02-2009 EUR 4500 naar rekeningnummer [persoon 1] o.v.v. “spoedoverboeking 02130072000020”

22-06-2009 EUR 5048,50 naar rekeningnummer [Reisburo 1] o.v.v. “4564/13426

Totaal bedrag in 2009 EUR 28.048,50.

Totaal bedrag 2008 + 2009 = EUR 82.048,50.

Verdachte (pag. 91 en 93) heeft bij de politie onder meer het volgende verklaard, kort samengevat.

Verdachte heeft in 2008, na de zomer, zijn persoonlijke situatie besproken met [getuige 1], de voorzitter van de [Stichting R]. Verdachte had toentertijd een belastingschuld ter hoogte van ongeveer EUR 75.000,- en op advies van [getuige 3] - accountant van [B.V. 2], [B.V. 1] en de [Stichting R] - heeft verdachte [getuige 1] om een lening van de [Stichting R] gevraagd. [getuige 1] zou begrip voor de situatie hebben gehad en wilde proberen verdachte te helpen. [getuige 1] moest het verzoek echter eerst afstemmen met de twee andere bestuursleden van de [Stichting R]. Na ongeveer drie weken maakte [getuige 1] een afspraak met verdachte en stelde hij verdachte twee mogelijke oplossingen voor. Na het bespreken van die twee mogelijke oplossingen, zou zijn gekozen voor een lening van [Stichting R] aan verdachte. Deze lening zou in 2008 EUR 54.000,- bedragen en in 2009 EUR 30.000,-. Verdachte en [getuige 1] zouden met [getuige 3] hebben afgesproken om een leningovereenkomst op te stellen. Omdat de (door [B.V. 1] aan [Stichting R] uitgeleende) ambtelijk secretaris - [getuige 2] - toegang had tot de financiële administratie van [Stichting R], heeft de verdachte op 22 oktober 2008 om 17.00 uur een gesprek gehad met [getuige 2] om hem over de lening op de hoogte te stellen. De mondelinge toestemming voor de lening zou door [getuige 1] aan verdachte op 22 oktober 2008 in café Stempels te Haarlem zijn verleend.

Het hof moet constateren dat de voorgaande verklaring van verdachte in strijd is met de verklaringen van [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3].

[getuige 2] (pag. 2) heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij in 2008 door verdachte is gevraagd om naar het Van der Valk te Utrecht te komen. Verdachte zou daar aan [getuige 2] hebben verteld dat hij met [getuige 1] gesproken had over een lening van [Stichting R] aan verdachte. [getuige 2] heeft vervolgens met [getuige 1] gesproken over het feit dat verdachte geld wilde lenen van [Stichting R]. [getuige 2] zou min of meer bij [getuige 1] geverifieerd hebben of er geld geleend ging worden. [getuige 1] heeft hierop aangegeven dat hij er met het bestuur over zou spreken, want hij wilde geen persoonlijke beslissingen nemen. Uiteindelijk heeft [getuige 2] van verdachte te horen gekregen dat er afspraken gemaakt waren over de lening. [getuige 2] heeft van het bestuur van [Stichting R] niet vernomen of zij akkoord zijn gegaan met het verstrekken van de lening.

[getuige 1] (pag. 24) heeft bij de politie verklaard dat hij op 22 oktober 2008 in café Stempels te Haarlem een gesprek heeft gehad met verdachte. Verdachte zou aldaar hebben verzocht om een persoonlijke lening van [Stichting R] ten bedrage van ongeveer EUR 50.000. [getuige 1] heeft hierop aangegeven dat hij dit met het bestuur moest overleggen. In dit bestuursoverleg is besloten dat de [Stichting R] geen persoonlijke lening zou verstrekken aan verdachte. [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte toen ook heeft gewezen op de mogelijkheid dat [Stichting R] een gedeelte van het bedrag waarvoor [Stichting R] de diensten van [B.V. 1] afneemt vooruit kon betalen zodat verdachte dat bedrag van zijn medevennoten in [B.V. 1] ter beschikking zou kunnen krijgen.

Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 1] (pag. 2, 3 en 5) verklaard dat verdachte hem op 22 oktober 2008 heeft gebeld met het verzoek om [getuige 1] te spreken over een privézaak. Verdachte vroeg [getuige 1] bij die gelegenheid om een lening. Dit was het eerste contact over een lening, aldus [getuige 1]. [getuige 1] zou aan verdachte hebben medegedeeld dat hij namens [Stichting R] geen geld kon uitlenen. [getuige 1] deelde aan verdachte mede dat hij het verzoek in het bestuur zou bespreken en daarover contact zou opnemen met verdachte. De volgende dag heeft [getuige 1] contact opgenomen met de twee bestuursleden [bestuurslid 1] en [bestuurslid 2]. De beslissing van het bestuur om de verdachte geen lening te verstrekken, is vervolgens aan verdachte teruggekoppeld. Zij raadden verdachte aan om contact op te nemen met zijn collega’s en hen om een lening te vragen. Tevens gaven ze aan dat verdachte aan zijn collega’s kon vragen of [Stichting R] een half jaar van hun financiële verplichtingen eerder aan [B.V. 1] konden betalen, zodat verdachte het geld van [B.V. 1] kon lenen. De [Stichting R] zou geen persoonlijke lening geven aan verdachte. [getuige 1] heeft het verzoek van verdachte besproken met [getuige 2]. [getuige 2] was ervan op de hoogte dat verdachte aan zijn partners om de lening zou kunnen vragen.

[getuige 3] (pag. 40 en 41) heeft bij de politie verklaard dat hij met verdachte rond de jaarwisseling 2008/2009 heeft gesproken over een lening van EUR 54.000,-. [getuige 3] heeft, omdat, hij in de administratie van [Stichting R] in 2008 een onbekend bedrag aantrof, toen aan verdachte aangegeven dat een leningovereenkomst opgesteld moest worden om de desbetreffende EUR 54.000,- op papier te verantwoorden. Zonder een dergelijke overeenkomst zou over 2008 geen definitieve jaarberekening kunnen worden gemaakt. [getuige 3] heeft diverse malen contact gehad met verdachte over de concept-jaarberekening van de [Stichting R]. In het begin gaf verdachte aan dat hij de leningovereenkomst zelf zou opstellen. In augustus 2009 werd [getuige 3] echter door verdachte benaderd met het verzoek de leningovereenkomst op te maken. Dit heeft [getuige 3] toen gedaan. [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte met de door [getuige 3] opgestelde leningovereenkomst naar [getuige 1] is gegaan. [getuige 1] bleek achteraf niet op de hoogte te zijn geweest van een lening van EUR 54.000,- door de [Stichting R], aldus [getuige 3]. Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 3] (pag. 2) verklaard dat hij nooit met [getuige 1] over een dergelijke leningovereenkomst met verdachte heeft gesproken.

Uit productie 7 (e-mail van [getuige 1] aan verdachte d.d. 22 februari 2009) van de door verdachte overlegde stukken volgt dat [getuige 1] niet alleen plachte te handelen, maar eerst na overeenstemming binnen het bestuur van de [Stichting R]. Voorts blijkt uit de e-mail dat een uitgave van EUR 18.000,- gelet op het budget van [Stichting R] volgens [getuige 1] fors was.

Deze e-mail maakt met de verklaringen van [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] dat het hof het onaannemelijk acht dat [getuige 1] zonder toestemming van de medebestuursleden van de [Stichting R] aan de verdachte een lening zou hebben verstrekt van EUR 54.000,-, laat staan een lening van EUR 84.000,-Uit het onderzoek ter terechtzitting is slechts gebleken dat op verzoek van de verdachte tussen verdachte en [getuige 1] gesproken is over een lening van de [Stichting R] aan verdachte van kennelijk ongeveer EUR 50.000,- en dat dit verzoek na overleg door [getuige 1] met de overige bestuursleden is afgewezen, wat ook aan verdachte is medegedeeld.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen leningovereenkomst tussen verdachte en [Stichting R] tot stand is gekomen. Tevens is het hof van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat verdachte te goeder trouw kon aannemen dat hij met [getuige 1] een leningoverkomst had gesloten tussen hemzelf en de [Stichting R]. Daarbij heeft het hof gelet op de discrepanties van belangrijke onderdelen van de verklaring van verdachte met de verklaringen van [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3]. Voorts is het, mede gelet op de door verdachte genoemde bedragen van EUR 54.000,- en EUR 30.000,- , onaannemelijk dat een geldlening van deze omvang, niet van meet af aan schriftelijk wordt vastgelegd met inbegrip van een eventuele rentevergoeding en de terugbetalingsvoorwaarden.

Het hof concludeert dat verdachte moet hebben geweten dat de [Stichting R] heeft geweigerd aan hem een lening te verstrekken.

Bovendien constateert het hof dat pas bij de vierde overboeking in 2008 (die op 23-10-2008) het woord ‘lening’ is gebruikt. Bij de voorafgaande betalingen wordt het begrip ‘certificaten’ vermeld, wat niet aanstonds inzichtelijk maakt waarover het gaat.

Deze voorgaande betalingen zijn al begonnen op 04-07-2008, op welk moment er ook in de verklaring van de verdachte nog geen gesprek was geweest over een mogelijke lening. Ook de twee volgende overboekingen (15-09-2008 en 29-09-2008) hebben plaatsgevonden vóór 22-10-2008, zijnde de dag waarop de verdachte in zijn voorstelling van zaken overeenstemming met [getuige 1] zou hebben bereikt over een lening. Ook dit is een aanwijzing dat de verdachte vanaf de eerste overboeking op 04-07-2008 eigenmachtig, zonder toestemming van de [Stichting R] heeft gehandeld.

Het feit dat verdachte zelf de overboeking van totaal EUR 54.000,- in vier tranches, bij de overboeking van de laatste tranche op 23 oktober 2008, achteraf gekwalificeerd heeft als een lening sluit niet uit dat sprake is van verduistering. Immers, uit voorgaande volgt dat verdachte deze EUR 54.000,- naar de rekening van zijn eigen vennootschap [B.V. 2] heeft overgemaakt, terwijl verdachte moet hebben geweten dat hij daarvoor geen toestemming had gekregen. Het feit dat de verdachte de overboekingen van de rekening van [Stichting R] naar zijn eigen rekening (de rekening van zijn eigen vennootschap [B.V. 2]) de kwalificatie lening heeft gegeven en daarmee op zichzelf een kennelijke bereidheid tot terugbetaling tot uitdrukking heeft gebracht, neemt niet weg dat verdachte, door zonder toestemming de gelden naar zijn eigen rekening over te (laten) maken - in ieder geval tot de eventuele terugbetaling - als heer en meester over die gelden heeft beschikt. Hij heeft zich immers wederrechtelijk de heerschappij en beschikkingsmacht over die gelden verschaft - ook al zou dat mogelijk slechts tijdelijk zijn - ten eigen nutte (kennelijk om financiële problemen met de fiscus op te lossen) en die gelden voor onbepaalde duur onttrokken aan de rekening van de [Stichting R].

Met betrekking tot de overboeking op 13-02-2009 aan [persoon 1] heeft de verdachte, althans zijn raadsman, verklaard dat het hier om een terugbetaling van een privélening van de verdachte bij [persoon 1] ging, die hij om redenen van spoed of gemakshalve heeft betaald vanaf de rekening van [Stichting R]. De verdachte beschouwde dit bedrag als te vallen onder de lening 2009.

Met betrekking tot de overboeking op 22 juni 2009 aan [reisburo 1] heeft de verdachte, althans zijn raadsman, verklaard dat het hier om een privéreis van de verdachte ging, die hij om redenen van spoed heeft betaald vanaf de rekening van [Stichting R]. De verdachte beschouwde dit bedrag als te vallen onder de lening 2009.

Voor al deze overboekingen geldt dat ze zijn verricht zonder toestemming van [Stichting R], terwijl er geen leningsovereenkomst aan ten grondslag lag en de verdachte moet hebben geweten dat hij geen leningovereenkomst had gesloten. In feite heeft de verdachte willens en wetens eigenmachtig en zonder toestemming de bankrekeningen van [Stichting R] gebruikt als zijn eigen portemonnee om zijn eigen financiële problemen op te lossen.

Het hof is echter met de verdediging van oordeel dat van de overige kosten - zoals de hotelovernachtingen - niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte deze heeft verduisterd danwel voor zichzelf heeft gebruikt. De nota’s zijn onvoldoende gespecificeerd om te kunnen stellen dat deze kosten niet ten bate van de [Stichting R] zijn gemaakt.

Het hof is derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een bedrag van EUR 82.048,50 heeft verduisterd.

Het hof is tevens van oordeel dat verdachte het onderhavige feit heeft gepleegd uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking. Sinds 1 januari 2008 wordt de [Stichting R] administratief ondersteund door het bedrijf [B.V. 1]. Verdachte was mede-eigenaar (namelijk indirect mede-aandeelhouder) van [B.V. 1] en als managing partner van [B.V. 1] namens [B.V. 1] verantwoordelijk voor de account van de [Stichting R]. [getuige 2], werkzaam bij [B.V. 1], was de ambtelijk secretaris van de [Stichting R] en beheerde de financiële administratie. [getuige 2] had in die functie zeggenschap over de bankpas en bankrekeningen van de [Stichting R]. Verdachte was de controleur van [getuige 2] en droeg zorg voor de controle van de boekhouding (pag. 36). In de periode vanaf januari 2009 tot in mei 2009 was [getuige 2] afwezig in verband met ziekte en nam verdachte de werkzaamheden van [getuige 2] over. [getuige 2] (pag. 45 en 47) heeft bij de politie verklaard dat verdachte bevoegd was tot het doen van betalingen voor de [Stichting R]. [getuige 2] accordeerde de facturen of liet deze boven een bepaald bedrag accorderen door de penningmeester van de [Stichting R], en verdachte betaalde deze. Tijdens de afwezigheid van [getuige 2] was de verdachte belast met het (laten) accorderen van de facturen én betaalde verdachte de facturen van de [Stichting R] en kreeg de verdachte tevens de beschikking over de bankpas van de bankrekening van de [Stichting R]. Nadat [getuige 2] na zijn ziekte weer was teruggekeerd, werd hem door verdachte te verstaan gegeven dat hij geen financiële werkzaamheden voor de [Stichting R] meer hoefde te verrichten en hield verdachte de beschikking over de bankpas van de [Stichting R].

Blijkens het voorgaande had de [Stichting R] de financiële administratie overgedragen aan [B.V. 1]. In zoverre was er een gezagsverhouding. Binnen [B.V. 1] was aan verdachte de verantwoording opgedragen voor en de controle over de financiële administratie van de [Stichting R]. Tevens had verdachte in die hoedanigheid de feitelijke beschikking over de gelden. Deze hoedanigheid van verdachte was zozeer verknocht met zijn dienstbetrekking bij [B.V. 1] dat kan worden gesteld dat verdachte de gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had in de zin van artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht. Deze dienstbetrekking stelde de verdachte in staat eigenmachtig te beschikken over de bankrekeningen van de [Stichting R].

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering. Verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van zijn positie en heeft door zijn handelen de [Stichting R] financieel benadeeld. Tevens heeft verdachte het vertrouwen geschaad die de maatschappij heeft in een stichting als de [Stichting R].

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat het aannemelijk is dat verdachte zich de gelden niet permanent heeft willen toe-eigenen. Verdachte heeft kennelijk tijdelijk gebruik willen maken - ten eigen nutte - van het geld van de [Stichting R] en heeft de bedoeling gehad om deze gelden op enig moment terug te betalen. Het hof heeft begrepen dat een aanzienlijk deel al is terugbetaald.

Verder houdt het hof rekening met de ingrijpende gevolgen voor de verdachte. Hij is zijn plaats in [B.V. 1] kwijtgeraakt. En verder is aannemelijk dat hij, na een veroordeling wegens verduistering, in zijn soort werk problemen zal ondervinden bij het verwerven van opdrachten.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof rekening gehouden met het feit dat blijkens een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 1 augustus 2012, verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande is het hof, met de eerste rechter, van oordeel dat een taakstraf van 150 uren passend en geboden is. Tevens zal het hof een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. M.M. Spooren, griffier,

en op 28 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.