Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9290

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
20-001731-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:BW4598, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:472, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorbedachte raad. Verdachte is veroordeeld voor moord. Het hof acht bewezen dat hij met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte heeft het plan opgevat om het slachtoffer met een mes te steken. Tussen dat besluit en de uitvoering daarvan hebben verschillende bewuste handelingen aan de zijde van verdachte plaatsgevonden. De tijd die hiermee gemoeid was, ook al was deze kort, gaf verdachte voldoende gelegenheid om zich rekenschap te geven van de reikwijdte en de gevolgen van zijn voorgenomen besluit. Hij heeft derhalve gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. Dat de besluitvorming en de uitvoering daarvan in een plotselinge drift hebben plaatsgevonden acht het hof niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001731-12

Uitspraak : 23 januari 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 2 mei 2012 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 04-850164-11 en 04-816164-11, tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is verdachte ter zake van moord en ter zake van diefstal, gevolgd van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen en is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder parketnummer 04-850164-11 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 04-816164-11 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door de verdediging is ten aanzien van het onder beide parketnummers tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [nabestaande] heeft de raadsman bepleit dat het hof de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 04-850164-11:

primair:

hij op of omstreeks 03 mei 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1], met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de nek en/of hals gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 03 mei 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1], met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de nek en/of hals gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

parketnummer 04-816164-11:

hij op of omstreeks 24 januari 2011 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 5 pyamapapjes en/of 2 pakken bonen en/of 1 Kinderbueno en/of 1 kindermasi en/of 3 Dreft gel en/of 1 (verpakking) Ariel en/of 2 (verpakkingen) koffiemelk en/of 1 (pakje) kauwgom en/of 1 Danonetoetje en/of 1 (verpakking) Blueband boter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Plus Rutjens, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd gevolgd door geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte meermalen, althans eenmaal tegen de borst van [slachtoffer 2] heeft geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair en in de zaak met parketnummer 04-816164-11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

parketnummer 04-850164-11:

primair:

hij op 03 mei 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] , met een mes in de hals gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

parketnummer 04-816164-11:

hij op 24 januari 2011 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 5 pyamapapjes en 2 pakken bonen en 1 Kinderbueno en 1 kindermasi en 3 Dreft gel en 1 (verpakking) Ariel en 2 (verpakkingen) koffiemelk en 1 (pakje) kauwgom en 1 Danonetoetje en 1 (verpakking) Blueband boter, toebehorende aan Plus Rutjens, welke diefstal werd gevolgd door geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte meermalen tegen de borst van [slachtoffer 2] heeft geduwd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Parketnummer 04-850164-11:

Ontkenning van de fatale geweldshandeling

De raadsman heeft zich, in navolging van verdachte, op het standpunt gesteld dat een ander dan verdachte de fatale geweldshandeling, te weten het steken met een mes in de hals van [slachtoffer 1], heeft uitgevoerd.

Dit verweer vindt weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en behoeft derhalve geen bespreking.

Voorbedachte raad

i.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het primair ten laste gelegde, te weten moord, bewezen zal verklaren. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat verdachte al vóór 3 mei 2011 het plan had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Dit volgt uit de voorgeschiedenis, te weten het door [getuige 1] beëindigen van de relatie met verdachte en de bedreigingen van verdachte jegens [getuige 1] en haar nieuwe vriend [slachtoffer 1] , het latere slachtoffer. Voorts heeft verdachte op de bewuste avond in de woning van [getuige 1] de confrontatie met [slachtoffer 1] opgezocht, heeft hij met hem geworsteld, een mes uit de keuken gehaald en is overgegaan tot het gebruiken van dat mes door [slachtoffer 1] daarmee in de hals te steken. Dit handelen van verdachte rechtvaardigt de conclusie dat hij heeft gehandeld met voorbedachte raad, aldus de advocaat-generaal.

ii.

Zijdens verdachte is vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd:

- dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om te komen tot het oordeel dat de dader zou hebben gehandeld met voorbedachte raad. Nu de dader in kwestie ongewapend naar de woning van [getuige 1] is gegaan en hij er niet van op de hoogte was dat [slachtoffer 1] zich op dat moment in die woning bevond, is er sprake van contra-indicaties, waaraan een dusdanig zwaar gewicht moet worden toegekend dat dat in de weg staat aan het oordeel dat de dader met voorbedachte raad heeft gehandeld;

- dat uit de gedragingen van de dader in kwestie, mede gelet op de zeer korte tijd waarin die zich hebben voorgedaan, blijkt dat hij vanaf het moment van de worsteling tot aan het steken in de hals van [slachtoffer 1] - naar de uiterlijke verschijningsvorm - in een impuls en in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld zodat niet kan worden geoordeeld dat de dader met voorbedachte raad heeft gehandeld;

- dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] op onderdelen tegenstrijdigheden bevatten en niet eensluidend zijn, dat voornoemde getuigen in strijd met de waarheid hebben verklaard en dat die verklaringen onbetrouwbaar zijn, omdat [getuige 1] en [getuige 2] thans een liefdesrelatie hebben.

Het hof overweegt als volgt.

iii.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

iv.

Anders dan de advocaat-generaal, maar met de rechtbank en de raadsman, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan het moment dat hij op 3 mei 2011 de woning van [getuige 1] betrad, reeds het besluit had genomen om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. De bedreigingen jegens [slachtoffer 1] geuit door de verdachte in de periode voorafgaande aan 3 mei 2011 zijn daarvoor naar ’s hofs oordeel onvoldoende.

v.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 3 mei 2011 naar de woning van [getuige 1] is gegaan. Eenmaal in de woning heeft hij zich agressief gedragen en heeft hij bedreigingen geuit, waarna hij met de in de woning aanwezige [slachtoffer 1] in gevecht is geraakt. Op enig moment heeft verdachte zich aan dit gevecht, een duwen en trekken over en weer, onttrokken en is naar de keuken gelopen waar hij uit een keukenlade een mes heeft gepakt. Direct hierna is hij met dat mes weer de woonkamer binnengegaan en meteen op [slachtoffer 1] afgelopen, waarna hij die [slachtoffer 1] in een soort omhelzing met zijn armen stevig heeft vastgepakt en met het mes in de hals heeft gestoken met alle fatale gevolgen van dien.

Van een aannemelijke reden om naar de keuken te gaan en een mes te pakken (anders dan ter bewapening) is niet gebleken. Verdachte onttrok zich aan het geweld met [slachtoffer 1] , liep gericht naar de keuken, pakte het mes uit een la, liep terug naar [slachtoffer 1] , omhelsde hem en maakte stekende bewegingen naar diens hals. Uit deze handelingen maakt het hof op dat verdachte in de woonkamer, waar het gevecht plaatsvond, het plan heeft opgevat om [slachtoffer 1] met een mes te steken. Voorts stelt het hof vast dat tussen dat besluit en de uitvoering daarvan verschillende bewuste handelingen hebben plaatsgevonden. De tijd die hiermee gemoeid was, ook al was deze kort, gaf verdachte voldoende gelegenheid om zich rekenschap te geven van de reikwijdte en de gevolgen van zijn voornemen. Gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken acht het hof niet aannemelijk geworden dat de gelegenheid tot -kort gezegd- beraad eerst is ontstaan tijdens de uitvoering van het genomen besluit, te weten het steken met het mes, en acht het hof evenmin aannemelijk geworden dat de besluitvorming en uitvoering in een plotselinge drift hebben plaatsgevonden. In juridische zin is daarom sprake van “kalm beraad en rustig overleg”, voorbedachte raad.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot een ander oordeel dan hiervoor gegeven.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Getuigenverklaringen [getuige 1] en [getuige 2]

Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], voor zover tot het bewijs gebezigd, in de kern consistent en eensluidend zijn en elkaar ondersteunen en bevestigen. Hieraan doet niet af dat hun verklaringen op detailniveau mogelijk van elkaar verschillen. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de getuigen gehoord en zij hebben naar het oordeel van het hof op authentieke en overtuigende wijze verklaard omtrent hetgeen zij die bewuste avond hebben waargenomen. Het hof acht hun verklaringen mitsdien betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs.

De enkele omstandigheid dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] thans een relatie hebben, rechtvaardigt niet de conclusie dat hun verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot een ander oordeel dan hiervoor gegeven.

Het hof verwerpt het verweer.

Parketnummer 04-816164-11:

Door de raadsman is bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de diefstal (met geweld) nu geen sprake is van een voltooide diefstal, aangezien verdachte zich niet de heerschappij over de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft verschaft.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken.

Verdachte heeft de goederen in kwestie in een plastic tas gestopt en is vervolgens de kassa gepasseerd zonder die goederen ter betaling aan te bieden. Dusdoende heeft verdachte zich de heerschappij over de goederen verschaft en die aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken. De wegneming van de goederen is daarmee voltooid.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair bewezen verklaarde levert op:

moord.

Het in de zaak met parketnummer 04-816164-11 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer 1] , alsmede aan diefstal met geweld.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte, ter zake van “moord” en “diefstal met geweld”, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, een delict dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste delicten die het Nederlandse strafrecht kent. De verdachte heeft welbewust een mensenleven beëindigd en daarmee een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht. Door dit gewelddadig optreden heeft verdachte het slachtoffer beroofd van het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven en is aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer een immens en onherstelbaar leed aangedaan. De familie van het slachtoffer zal verder moeten leven zonder de zorg en steun van hun zoon en broer, hetgeen blijkens hun schriftelijke slachtofferverklaringen, een bijzonder zware last voor hen is.

Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Daarnaast rekent het hof verdachte zwaar aan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld, uitgeoefend tegen een personeelslid van een winkel. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte er blijk van gegeven het laakbare van dat handelen niet in te zien.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte overweegt het hof voorts dat hij blijkens het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 22 oktober 2012 eerder met justitie en politie in aanraking is geweest, onder meer ter zake van een bedreiging, een geweldsmisdrijf en vermogensdelicten.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Het hof komt tot een lagere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd omdat het van oordeel is dat in de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde afdoende tot uitdrukking komt.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande]

De benadeelde partij [nabestaande] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.841,29, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en loopt in zoverre in hoger beroep door.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [nabestaande] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 6.841,29,-- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2011. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 289 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair en het in de zaak met parketnummer 04-816164-11 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair en in de zaak met parketnummer 04-816164-11 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [nabestaande]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.841,29 (zesduizend achthonderdeenenveertig euro en negenentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [nabestaande], een bedrag te betalen van € 6.841,29 (zesduizend achthonderdeenenveertig euro en negenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. A.R.O. Mooy, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Voet, griffier,

en op 23 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.