Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9014

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
HV 200.113.992
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:204, lid 3, BW; evenals de rechtbank verleent het hof aan de vader vervangende toestemming tot erkenning van het kind ondanks de bij de moeder aanwezige psychische problemen.

Het verzoek van de moeder een andere bijzondere curator te benoemen wordt door het hof afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 17 januari 2013

Zaaknummer: HV 200.113.992/01

Zaaknummer eerste aanleg: 166062 / FA RK 11-1404

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.A.M. Bakker,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.S. Odink.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 26 juni 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 september 2012, heeft de vrouw verzocht haar grieven gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door de man gedane verzoeken om:

- vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de hierna te noemen minderjarige [zoon] af te wijzen;

- een omgangsregeling vast te stellen tussen [zoon] en de man van welke omvang dan ook niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 8 november 2012, heeft de man verzocht om, met compensatie van de kosten en voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking het appel van de vrouw af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. Bakker namens de vrouw;

- de man, bijgestaan door mr. E.A. Breetveld, waarnemend voor mr. Odink;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mr. H. Werger;

- mr. M.H.W. Clijsen, in haar hoedanigheid van bijzondere curator van de hierna nader te noemen minderjarige.

2.3.1. De vrouw is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 22 mei 2012;

- de overige stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2012;

- de brief met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 19 oktober 2012;

- het faxbericht van de bijzondere curator d.d. 23 oktober 2012;

- de brief van de bijzondere curator d.d. 5 november 2012;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 21 november 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de man en de vrouw is op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] geboren [zoon] (hierna: [zoon]).

De vrouw is van rechtswege belast met het gezag over [zoon]. [zoon] woont bij de vrouw.

3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot erkenning van [zoon] toegewezen, ten aanzien van het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling met [zoon] de man in de gelegenheid gesteld een authentiek afschrift van de geboorteakte van [zoon] over te leggen met de latere vermelding van de erkenning van [zoon] door de man en iedere verdere beslissing op dat verzoek aangehouden.

3.3. De vrouw kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. Met betrekking tot het hoger beroep van de vrouw tegen de aanhouding van de beslissing met betrekking tot de omgangsregeling overweegt het hof het volgende. Wat betreft de omgangsregeling heeft de rechtbank niet in het dictum omtrent enig deel van het verzochte beslist. Immers, met betrekking tot het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling heeft de rechtbank beslist dat de beslissing hierop wordt aangehouden. De rechtbank heeft de man in de gelegenheid gesteld een authentiek afschrift van de geboorteakte van [zoon] over te leggen met de latere vermelding van de erkenning door de man. De beschikking waarvan beroep is in zoverre een tussenbeschikking.

Ingevolge artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan van een tussenbeschikking hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Nu voor wat betreft het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling sprake is van een tussenbeschikking en niet is gesteld of gebleken dat de rechter verlof heeft verleend voor hoger beroep, staat daartegen geen hoger beroep open anders dan tegelijk met het beroep van de eindbeschikking in dat kader. De vrouw dient derhalve in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar hoger beroep.

3.5. Ten aanzien van het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning voert de vrouw - kort samengevat - aan dat zij ten gevolge van de erkenning in een zodanige onevenwichtige psychische toestand zal komen te verkeren dat zij niet in staat is [zoon] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. Door de erkenning zullen de belangen van [zoon] dan ook worden geschaad. Volgens de vrouw heeft de man pedofiele neigingen en is hij onbetrouwbaar. De man heeft de met de vrouw gemaakte afspraak dat hij geen rol zou krijgen in het leven van het kind geschonden. De weerstand en haat die zij ervaart tegen de man zal onvermijdelijk weerslag hebben op de relatie tussen [zoon] en haar. De vrouw is in het verleden geruime tijd onder psychotherapeutische behandeling geweest en zij heeft deze behandeling ten gevolge van de voorgenomen erkenning door de man weer moeten oppakken in december 2011. Momenteel functioneert de vrouw nog maar nauwelijks. Zij is ingestort en heeft te kennen gegeven “ niet te kunnen leven met erkenning door de man”. Dit is een heel slechte situatie voor [zoon]. De man zou er daarom goed aan doen om even een stapje terug te zetten.

De vrouw bestrijdt dat de bijzondere curator, als niet-gedragsdeskundige, een goed standpunt heeft kunnen innemen over de onderhavige problematiek. Daarbij is de rapportage van de bijzondere curator op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. De vrouw verzoekt het hof een andere bijzondere curator te benoemen.

3.6. De man voert - kort samengevat - aan dat uitgangspunt is dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De man stelt dat de erkenning de belangen van de vrouw als moeder bij een ongestoorde verhouding met [zoon] of de belangen van [zoon] niet zal schaden. De man betwist dat hij pedofiel is. Ook ontkent hij met de vrouw te hebben afgesproken dat hij zich in het geheel niet met het leven van het kind zou bemoeien.

Volgens de man wordt de psychische toestand waarin de vrouw zich bevindt niet veroorzaakt door de mogelijke erkenning. De vrouw heeft namelijk al langer psychische problemen.

Ten slotte staat de gestelde haat jegens de man haaks op het verzoek van de vrouw aan de man om als spermadonor voor een tweede kind te fungeren.

De man stelt ten slotte dat er geen aanleiding is een andere bijzondere curator te benoemen.

3.7. De bijzondere curator heeft ter zitting - verkort weergegeven - verklaard dat na kennisname van de brief van de psychotherapeute van de vrouw van 3 oktober 2012 bij haar met meer klem de vraag is gerezen of door de psychische problematiek van de vrouw zoals die uit voornoemde brief naar voren komt een reëel risico bestaat dat door de erkenning de belangen van de vrouw en die van [zoon] bij een ongestoorde band tussen de moeder en het kind ernstig worden verstoord en of dit aan de erkenning van [zoon] door de man in de weg zou moeten staan. De bijzondere curator refereert zich aan het oordeel van het hof over de vraag of het verslag van de psychotherapeute van de vrouw aanleiding geeft voor een nader onderzoek door een deskundige.

3.8. De raad heeft - kort samengevat - bij de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht dat naar zijn inzicht - ook na kennisname van de brief van de psychotherapeute van de vrouw van 3 oktober 2012 - er geen reden is voor een nader deskundigenonderzoek. Volgens de raad is er geen grond om de vader geen vervangende toestemming te verlenen. Het belang van [zoon] vergt dat hij door de vader erkend wordt.

3.9. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw om een andere bijzondere curator te benoemen overweegt het hof als volgt. Aan het hof is niet gebleken dat mr. Clijsen in haar hoedanigheid van bijzondere curator onzorgvuldig heeft gehandeld en de belangen van [zoon] niet op een behoorlijke wijze heeft behartigd. Noch is het hof gebleken van enige vooringenomenheid aan de zijde van mr. Clijsen. Het hof is voorts van oordeel dat - behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in deze zaak niet is gebleken - het voor een behoorlijke behartiging van de belangen van een minderjarige in afstammingszaken niet noodzakelijk is dat een bijzondere curator de hoedanigheid van een gedragsdeskundige heeft. Op grond van het voorgaande wordt het verzoek van de vrouw afgewezen. Het hof overweegt voorts dat voor zover de vrouw heeft verzocht om een onderzoek door een gedragsdeskundige - naar de vraag of erkenning van [zoon] door de man schadelijke gevolgen voor de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en [zoon] met zich zal brengen dan wel of de erkenning voor [zoon] schadelijk zal zijn - het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader gedragsdeskundig onderzoek te gelasten.

3.10. Het hof overweegt vervolgens als volgt. Ingevolge artikel 1:204, lid 3, BW kan de toestemming van de moeder voor erkenning, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, worden vervangen door de toestemming van de rechtbank, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zal schaden en de man de verwekker is van het kind.

3.11. Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker van [zoon] is.

3.12. Verder overweegt het hof dat als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Het belang en de aanspraak van de man op erkenning van het kind moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning.

Het belang van de moeder is in de wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met haar kind. Wanneer de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning is dit op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming te weigeren. Dit kan echter anders liggen indien de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind.

Voor wat betreft de belangen van het kind heeft de Hoge Raad aanvaard (HR 16 februari 2001, NJ 2001,571) dat van schade aan de belangen van het kind, als bedoeld in voornoemd artikel, slechts sprake is indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Het enkele feit dat het kind (enige) weerslag zou ondervinden van de erkenning, kan niet worden aanvaard als schade aan zijn of haar belangen.

3.13. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij toewijzing van het verzoek van de man haar belangen en/of die van [zoon] worden geschaad en overweegt daartoe als volgt. Aannemelijk is dat de voorgenomen erkenning van [zoon] door de man bij de vrouw aanzienlijke onrustgevoelens teweegbrengt. Dat de vrouw daardoor spanningen ervaart die enige weerslag op [zoon] kunnen hebben, is evenwel onvoldoende om te concluderen dat er voor [zoon] een reëel risico bestaat dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Evenmin heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat de erkenning door de man de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [zoon] zal schaden. Het door de vrouw overgelegde verslag van haar psychotherapeut van 3 oktober 2012 maakt het oordeel van het hof niet anders. In dit verslag ziet het hof enkel een bevestiging van het beeld dat de voorgenomen erkenning van [zoon] door de man bij de vrouw tot psychische problemen leidt. Ook eerder is de vrouw, nog voor de geboorte van [zoon], psychisch gedecompenseerd waarvoor zij hulp heeft gezocht bij haar psychotherapeut. Na behandeling heeft dit geleid tot een aanvaardbaar psychisch evenwicht. Het hof gaat er vanuit dat de verstoring van het huidige psychisch evenwicht door behandeling, na verloop van tijd, wederom tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht.

Het hof concludeert dat erkenning niet in strijd is met de belangen van [zoon] en dat voorts het belang van [zoon] en de man bij een erkenning van hun relatie in rechte als een familierechtelijke betrekking, zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw bij niet-erkenning.

3.14. Op grond van het vorenstaande dient de beschikking, waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de aanhouding van de beslissing inzake de omgangsregeling;

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Maastricht van 26 juni 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.J.C. Koens en J.U.M. van der Werff en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2013.