Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8887

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
20-000792-12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gebruikmaken van een op andermans naam gesteld rijbewijs. Vrijspraak van art. 225 lid 2 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000792-12

Uitspraak : 17 januari 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 februari 2012, parketnummer 01-008490-10 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-820837-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonadres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van - kort gezegd - het opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj en hennep en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis. Voor het rijden zonder rijbewijs is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis.

De politierechter heeft de onttrekking aan het verkeer bevolen van de inbeslaggenomen hasjiesj.

De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 01-820837-07 is afgewezen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte van feit 2 zal vrijspreken en hem ter zake van feit 1 en feit 3 zal veroordelen tot respectievelijk een taakstraf van dertig uur, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis, en een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf af te wijzen.

De verdediging heeft vrijspraak van feit 2 bepleit. Voor de bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf voor feit 1 en een geheel voorwaardelijke geldboete voor feit 3. Ook heeft de verdediging het hof verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 1 oktober 2009 te Helmond, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 176 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 240 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 1 oktober 2009 te Helmond, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, dat rijbewijs ter legitimatie heeft afgegeven en/of overlegd en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dat rijbewijs niet op zijn, verdachtes, naam was afgegeven en op zijn, verdachtes, naam was gesteld en/of niet zijn, verdachtes, (juiste) gegevens bevatte en/althans dat rijbewijs opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat rijbewijs bestemd was voor zodanig gebruik;

3.

hij op of omstreeks 1 oktober 2009 te Helmond, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Willem Prinzenstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verdachte heeft op 1 oktober 2009 toen hem door de verbalisant gevraagd werd zich te legitimeren een rijbewijs getoond dat niet op zijn naam was gesteld, maar op naam van een vriend van hem. Dat rijbewijs was niet vals of vervalst. De vraag rijst of het op een dergelijke manier gebruikmaken van een rijbewijs van een ander het gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift oplevert als bedoeld in artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Bij de beantwoording van die vraag acht het Hof van belang dat het Wetboek van Strafrecht (Sr) een soortgelijke bepaling kent voor zover het reisdocumenten betreft, te weten artikel 231, tweede lid. Artikel 231 Sr is in die zin een logische specialis van artikel 225 lid 2 Sr. In artikel 231 Sr maakt de wetgever expliciet onderscheid tussen het gebruik maken van een vals of vervalst reisdocument enerzijds en het gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument anderzijds. Een soortgelijke strafbaarstelling bestaat niet voor het gebruik maken van een rijbewijs gesteld op naam van een ander. Het gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld rijbewijs, niet zijnde een reisdocument, wordt door de wetgever aldus niet (als valsheid in geschrifte) strafbaar gesteld.

Het tonen van een rijbewijs van een ander kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als het gebruik maken van een van een vals of vervalst rijbewijs. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 1 oktober 2009 te Helmond, opzettelijk aanwezig heeft gehad 176 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en 240 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 1 oktober 2009 te Helmond, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Willem Prinzenstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten van de rechterlijke macht, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid tot uitdrukking is gebracht. Voor het aanwezig hebben van ruim 400 gram hasjiesj en hennep acht het hof, mede gelet op de oriëntatiepunten voor Opiumwetdelicten, een geldboete van € 500,00 in beginsel passend en geboden.

Het hof ziet aanleiding te onderzoeken of in deze het recht op een berechting binnen redelijke termijn is geschonden. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf het moment dat verdachte op 1 oktober 2009 werd aangehouden in verband met verdenking van het rijden zonder rijbewijs en het gebruik maken van een vals of vervalst geschrift.

Bij vonnis van de politierechter te ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2012 is de zaak van verdachte in eerste aanleg afgedaan. Verdachte is op 29 februari 2012 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis en bij onderhavige uitspraak van het hof is de zaak op 17 januari 2013 in hoger beroep afgedaan.

Gelet op het feit dat de behandeling in eerste aanleg niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen, is het hof van oordeel dat het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn in eerste aanleg is geschonden. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof vindt in de termijnoverschrijding aanleiding de op te leggen geldboete te verminderen tot € 400,00.

Voor het rijden zonder rijbewijs acht het hof, mede gelet op straffen die door het hof gebruikelijk voor dit feit worden opgelegd, een geldboete van € 250,00 passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboetes heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Beslag

De in beslag genomen hasjiesj, met betrekking tot welke het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De verdachte wordt door deze beslissing financieel niet onevenredig getroffen.

Vordering tenuitvoerlegging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 6 december 2007 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf zal afwijzen.

Het hof beslist overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 23, 24, 24c, 36b, 36c, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Hashish (goednummer 131931).

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te 's-Hertogenbosch van 27 mei 2010, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 6 december 2007, parketnummer 01-820837-07, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. M. Munsterman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 17 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M. Munsterman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.