Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8782

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
HD 200.110.773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De onderhoudsplichtige is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). In het kader van die regeling heeft de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag verhoogd met de door de onderhoudsplichtige ten behoeve van de vrouw als onderhoudsgerechtigde te betalen onderhoudsbijdrage, met de aantekening dat de onderhoudsplichtige om nihilstelling van de te betalen onderhoudsbijdrage moet verzoeken. Het hof is onder deze omstandigheden van oordeel dat moet worden aangenomen dat de man over de draagkracht beschikt om de vastgestelde bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen. Het enkel toelaten tot de WSNP levert in deze zaak dan ook geen grond op tot wijziging van de betreffende onderhoudsbijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 17 januari 2013

Zaaknummer: HV 200.110.773/01

Zaaknummer eerste aanleg: 240687 FA RK 11-4661

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R. Lessy,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.E.J. de Hart.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 1 mei 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 juli 2012, heeft de man het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man alsnog toe te wijzen.

2.2. De vrouw heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Lessy;

- de vrouw, bijgestaan door mr. De Hart.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 15 november 2012.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 28 juni 1991 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.2. Bij beschikking van 29 september 2009 heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 7 januari 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man met ingang van 7 januari 2010 gedurende één jaar als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 310,-- per maand moet voldoen en vervolgens na verloop van dat jaar een bedrag van € 427,-- per maand.

De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 432,55 per maand.

3.3. Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van de rechtbank op 6 oktober 2011, heeft de man verzocht de echtscheidingsbeschikking van 29 september 2009 te wijzigen, in die zin dat de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 21 april 2011, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, nader wordt vastgesteld op nihil, althans op een lager bedrag dan het destijds geldende bedrag.

3.4. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen.

3.6. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7. De enige grief van de man betreft zijn draagkracht.

Ingangsdatum wijziging

3.8. De ingangsdatum van de verzochte wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 21 april 2011, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte vrouw

3.9. De behoefte van de vrouw aan de vastgestelde onderhoudsbijdrage is in hoger beroep niet in geschil.

Draagkracht

3.10. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De man voert daartoe het volgende aan. Hij heeft een schuldenlast van ongeveer € 40.000,--. De man is eerst een vrijwillig schuldhulpverleningstraject ingegaan, teneinde tot aflossing van zijn schulden te komen, maar hij is er niet in geslaagd een minnelijke regeling met de schuldeisers te treffen. De man is van mening dat hij gedurende het vrijwillige schuldhulpverleningstraject gelet op de omvang van zijn schulden geen draagkracht heeft gehad om een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen. De man heeft vervolgens, nu het vrijwillige schuldhulpverleningstraject niet was geslaagd, de rechtbank verzocht om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij vonnis van de rechtbank Breda van 28 maart 2012 is de man tot deze regeling toegelaten.

De rechter-commissaris heeft in het kader van de wsnp het vrij te laten bedrag verhoogd met de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ad € 432,55 per maand, maar naar stellen van de man heeft de rechter-commissaris daarbij aangetekend dat de man hoger beroep dient in te stellen tegen de thans aan de orde zijnde beschikking waarbij het verzoek van de man om de partneralimentatie op nihil te stellen, is afgewezen. De man stelt zich op het standpunt dat hij ook gedurende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet over de draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen.

3.11. De vrouw brengt daar primair tegen in dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Zij is van mening dat de man steeds de draagkracht heeft gehad en ook thans nog heeft om de vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen.

3.12. Het hof overweegt als volgt.

3.12.1. Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.12.2. Met betrekking tot de periode voordat de man tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, dat is de periode van 21 april 2011 tot 28 maart 2012, is het hof met de rechtbank van oordeel dat in het enkele feit dat de man een vrijwillig schuldhulpverleningstraject heeft aangevraagd, geen relevante wijziging van omstandigheden is gelegen. Immers, de rechtbank heeft met de door de man gestelde schulden in de echtscheidingsbeschikking van 29 september 2009 reeds rekening gehouden bij het bepalen van de draagkracht van de man, zoals de advocaat van de man ter zitting van het hof heeft beaamd. Nu zich aldus in deze periode geen wijzigingsgrond voordoet als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW wordt het wijzigingsverzoek van de man in zoverre afgewezen

3.12.3. Vast staat dat bij vonnis van 28 maart 2012 op de man de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Hierin acht het hof een wijziging van omstandigheden gelegen. In beginsel kan de onderhoudsplichtige die tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten slechts beschikken over het door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag, welk bedrag is gelegen onder de bijstandsnorm. Behoudens bijzondere omstandigheden dient - blijkens vaste jurisprudentie - dan ook te worden aangenomen dat de onderhoudsplichtige op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, niet over de draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te voldoen, tenzij de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag op een hoger bedrag heeft bepaald. De man heeft ter zitting van het hof onweersproken verklaard dat de rechter-commissaris bij de berekening van het vrij te laten bedrag rekening heeft gehouden met de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de man met ingang van 28 maart 2012 over de draagkracht beschikt om de vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen. Ter zitting van het hof heeft de man ook onweersproken verklaard dat hij de partneralimentatie in deze periode daadwerkelijk aan de vrouw heeft betaald.

Het voorgaande leidt ertoe dat het enkel toelaten van de man tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in casu geen grond oplevert tot wijziging van de betreffende onderhoudsbijdrage als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. De grief van de man slaagt ook in zoverre niet.

3.13. Nu de grief van de man faalt, dient de beschikking waarvan beroep, zij het met wijziging van gronden, te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 1 mei 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.J.C. Koens en J.U.M. van der Werff en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2013.