Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8218

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
HD 200.107.460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Man na echtscheiding in kort geding veroordeeld om mee te werken aan verkoop van de voormalige echtelijke woning die gemeenschappelijke eigendom van de man en de vrouw is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2013/74.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.107.460/01

arrest van 8 januari 2013

in de zaak van

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. N. Geradts te Roermond,

tegen

[Gentimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. A. van den Eshoff te Echt,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 april 2012 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 27 maart 2012, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 114436/KG ZA 12-40)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met dertien producties heeft de vrouw acht grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis, haar eis gewijzigd en vermeerderd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot hetgeen verder aan het slot van die memorie staat omschreven.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft de man de grieven bestreden.

2.3. De vrouw heeft vervolgens een akte na beraad en een akte eiswijziging genomen.

2.4.De man heeft een antwoordakte na beraad en een antwoordakte eiswijziging genomen.

2.5.Tot slot hebben de partijen uitspraak gevraagd. Alleen de vrouw heeft daartoe een kopie van de gedingstukken overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a)De vrouw en de man zijn op 14 maart 2008 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Deze huwelijkse voorwaarden houden voor zover thans van belang een uitsluiting van iedere gemeenschap in en een finaal verrekenbeding waarin is bepaald dat partijen met uitzondering van de goederen die door hen ten huwelijk zijn aangebracht met elkaar dienen af te rekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd zijn geweest.

b)De vrouw en de man hebben op of omstreeks 18 april 2008 gezamenlijk een perceel bouwterrein met een daarop te stichten/in aanbouw zijnde woning in eigendom verworven. Ter betaling van de koopsom hebben de vrouw en de man van Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Nationale Nederlanden) bedragen van € 217.500,-- en € 51.000,-- geleend. Tot zekerheid van terugbetaling van deze geldleningen van tezamen € 268.500,-- hebben de man en de vrouw bij akte van 18 april 2008 een recht van hypotheek op de in aanbouw zijnde echtelijke woning verleend aan Nationale Nederlanden. Verder heeft de man tot zekerheid van terugbetaling van de geldleningen aan Nationale Nederlanden een recht van pand verleend op een door hem op 30 december 2004 bij Nationale Nederlanden afgesloten levensverzekering. Deze levensverzekeringspolis had op 1 augustus 2011 een afkoopwaarde van € 77.927,--.

c)Op 1 augustus 2008 is op de woning ten gunste van mevrouw [mevrouw] een hypotheekrecht verleend tot zekerheid van terugbetaling van een door mevrouw [mevrouw] ter leen verstrekt bedrag van € 78.571,--.

d)De vrouw en de man hebben op 9 oktober 2008 een nader bedrag van € 38.500,-- geleend van Nationale Nederlanden en aan Nationale Nederlanden tot zekerheid van terugbetaling van deze geldlening een recht van hypotheek verleend op de echtelijke woning. Bij deze akte is tevens een rangwisseling gerealiseerd, waardoor deze hypotheek een hogere rang heeft dan de op 1 augustus 2008 ten behoeve van mevr. [mevrouw] gevestigde hypotheek.

e)Het huwelijk van de vrouw en de man is duurzaam ontwricht geraakt. In verband daarmee heeft de vrouw omstreeks april 2010 de woning verlaten.

f)Bij beschikking van 16 juni 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 10 september 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

g)De aan de vrouw en de man tezamen toebehorende woning wordt op dit moment bewoond door de man.

h)De vrouw heeft de man bij dagvaarding van 5 augustus 2011 in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond. Tijdens de mondelinge behandeling van dat kort geding hebben partijen een regeling getroffen. In het vervolgens gewezen vonnis in kort geding van 20 september 2011 is daarover de volgende overweging opgenomen:

“Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling ten aanzien van de vorderingen 2 tot en met 4 tot overeenstemming gekomen. Partijen hebben afgesproken dat de man tot 1 december 2011 gelegenheid krijgt om te onderzoeken of hij met hulp van zijn werkgever de gezamenlijke woning over kan nemen. Indien op 1 december 2011 blijkt dat de werkgever de man niet kan helpen of er geen duidelijkheid hieromtrent is, zullen de man en de vrouw gezamenlijk een makelaar aanwijzen die de gezamenlijke woning zal taxeren. Taxatie van de woning zal buiten aanwezigheid van partijen plaatsvinden. Indien de vrouw nog een afzonderlijke taxatie wenst geldt dat ook deze plaats zal vinden buiten aanwezigheid van partijen. (…)

De voorzieningenrechter zal ten aanzien van de vorderingen onder 2 tot en met 4 oordelen overeenkomstig hetgeen partijen zijn overeengekomen”

In het dictum van het vonnis heeft de voorzieningenrechter bepaald - voor zover thans van belang - dat de man tot 1 december 2011 de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of hij met behulp van zijn werkgever de gezamenlijke woning kan overnemen en dat indien er op 1 december 2011 geen duidelijkheid is over de mogelijkheid van hulp door de werkgever van de man, of de werkgever te kennen heeft gegeven niet te kunnen helpen, partijen gezamenlijk een makelaar aanwijzen welke zorg dient te dragen voor taxatie van voormelde woning.

i)De man heeft kenbaar gemaakt dat hij niet in staat is toedeling van de woning aan hem te financieren.

j)In opdracht van partijen heeft [makelaar], makelaar bij M3 Roermond Makelaardij B.V. de woning op 18 mei 2012 getaxeerd. De marktwaarde is door [makelaar] per die datum getaxeerd op € 282.500,-- en de executiewaarde op € 221.500,--.

4.2.1.In de onderhavige kortgedingprocedure heeft de vrouw in eerste aanleg een aantal vorderingen ingesteld die ertoe strekken, kort samengevat, dat de echtelijke woning aan een derde wordt verkocht en geleverd. Verder heeft de vrouw in eerste aanleg veroordeling van de man gevorderd om aan de vrouw een aantal in de inleidende dagvaarding nader aangeduide bescheiden te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.2.2.De man heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

4.3.In het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter:

A.de man veroordeeld om de in het dictum van dat vonnis nader aangeduide aanslagen gemeentelijke belastingen te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per aanslag voor iedere dag dat de man niet aan de veroordeling voldoet, met bepaling dat boven een bedrag van € 2.500,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;

B.het door de vrouw meer of anders gevorderde afgewezen;

C.de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten diende te dragen.

4.4.Tegen het zojuist onder A weergegeven deel van het dictum van het vonnis is geen van partijen in hoger beroep opgekomen. De vrouw concludeert aan het slot van haar memorie van grieven weliswaar tot vernietiging van het vonnis maar uit de memorie van grieven blijkt dat zij uitsluitend vernietiging van het vonnis wenst voor zover daarbij haar vorderingen zijn afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd. Het hof gaat er daarom vanuit dat de vrouw geen vernietiging wenst van het vonnis voor zover het betreft de onder A weergegeven veroordeling. Dat onderdeel van het vonnis valt dus buiten het onderhavige hoger beroep.

4.5.1.De vrouw heeft in haar memorie van grieven haar eis gewijzigd. Zij vordert thans, naast vernietiging van het vonnis voor zover daarbij haar vorderingen zijn afgewezen en de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd, zakelijk weergegeven:

a.bepaling dat makelaar [makelaar], werkzaam bij M3 Roermond Makelaardij Roermond BV te [vestigingsplaats], in opdracht en voor rekening van beide partijen zal bemiddelen bij de verkoop van de woning gelegen aan de [perceel] te [postcode] [plaatsnaam], waarbij ieder de helft van de kosten van de verkoop (waaronder de courtage van de aan te wijzen makelaar) draagt, en bepaling dat als uitgangspunt wordt aangenomen een vraagprijs van € 290.000,-- k.k. en een minimumprijs van € 277.500,-- k.k.;

b.primair: veroordeling van partijen om binnen een week na het te wijzen arrest over te gaan tot ondertekening van de overeenkomst van opdracht, welke als productie 12 bij de memorie van grieven is gevoegd en subsidiair: te bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man tot het in de verkoop geven van de voormelde woning bij M3 Roermond Makelaardij BV;

c.de man te veroordelen om binnen een week na een daartoe strekkend verzoek van de makelaar om zijn medewerking te verlenen aan het maken van foto’s van het in- en exterieur van de woning teneinde deze op de gebruikelijke wijze te plaatsen op de gebruikelijke verkoopsites, alsook verkoopkrantjes, met veroordeling van de man tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat de man na betekeing van het te wijzen arrest in strijd met deze veroordeling handelt;

d.de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het toelaten van de makelaar en eventuele kopers die samen met de makelaar de woning willen bezichtigen, met veroordeling van de man tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere keer dat hij de makelaar dan wel geïnteresseerde kopers niet binnenlaat;

e.de man te verbieden bij een bezoeken van de makelaar met geïnteresseerde kopers aan de woning aanwezig te zijn, met veroordeling van de man tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere keer dat hij in strijd handelt met dit verbod;

f.de man te veroordelen om, indien een reëel bod wordt gedaan, waarvoor de makelaar kan instaan, dit bod te accepteren en de verkoopovereenkomst te ondertekenen, met bepaling dat bij gebreke van medewerking van de man het te wijzen vonnis toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man zal vervangen;

g.de man te veroordelen om na verkoop van de woning mee te werken aan de eigendomsoverdracht c.q. levering van de woning, met bepaling dat bij gebreke van medewerking van de man het te wijzen vonnis de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man zal vervangen;

h.de man te veroordelen om aan de vrouw een kopie te verstrekken van alle poststukken van Nationale Nederlanden gericht aan de man dan wel aan beide partijen vanaf 12 juni 2012 tot aan de datum van levering van de woning aan kopers, welke betrekking hebben op de woning, op de op die woning gevestigde hypotheek dan wel op de verpande levensverzekeringen met de nummers [levensverzekeringsnummer 1.] en [levensverzekeringsnummer 2.] die ter zekerheid zijn gesteld aan Nationale Nederlanden, zulks ten aanzien van de poststukken die de man voor de datum van betekening van het arrest heeft ontvangen binnen 14 dagen na betekening van het arrest en ten aanzien van later ontvangen poststukken binnen 14 dagen na ontvangst door de man, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat de man deze veroordeling niet nakomt;

i.de man te veroordelen om de helft van de door de vrouw reeds betaalde taxatiekosten van M3 Roermond Makelaardij BV, zijnde € 150,--, aan de vrouw te betalen binnen 14 dagen na het te wijzen arrest;

j.de man te veroordelen in de kosten van beide instanties vermeerderd met nakosten en wettelijke rente zoals aan het slot van de memorie van grieven aangegeven.

4.5.2.De man heeft in zijn memorie van antwoord onder nummer 22 aangevoerd dat deze eiswijziging in strijd is met goede procesorde. De man heeft deze stelling niet nader toegelicht. Het hof acht de eiswijziging toelaatbaar. Het hof zal dus recht doen op de gewijzigde eis. In het navolgende zal bij bespreking van de grieven blijken in hoeverre de gewijzigde eis toewijsbaar is.

4.5.3.De vrouw heeft bij akte van 9 oktober 2012 haar eis nogmaals gewijzigd. Het hof zal in rechtsoverweging 4.7.8 ingaan op deze nadere eiswijziging.

Ten aanzien van de grieven I en II en ten aanzien van vordering i

4.6.1.In de overwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter enkele feiten vastgesteld. De vrouw komt met haar grieven I en II onder meer op tegen onderdelen van deze feitenvaststelling. Het hof heeft bij de feitenvaststelling die hiervoor in rechtsoverweging 4.1 is opgenomen, al rekening gehouden met deze grieven. De grieven I en II, voor zover gericht tegen de feitenvaststelling, hoeven niet nader besproken te worden.

4.6.2.De vrouw heeft in de toelichting op grief II haar eis vermeerderd met de vordering die hiervoor in rechtsoverweging 4.5.1onder i is weergegeven: de vordering tot veroordeling van de man om aan de vrouw € 150,-- te voldoen ter zake taxatiekosten van M3 Roermond Makelaardij BV. Het hof zal deze vordering afwijzen omdat de vrouw niets heeft gesteld over een spoedeisend belang in de zin van artikel 254 Rv dat toewijzing van deze geldvordering in dit kort geding zou kunnen rechtvaardigen. De vordering kan worden meegenomen in de procedure over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden waarvan de vrouw melding heeft gemaakt onder punt 30 van de memorie van grieven. Onderdeel i van de gewijzigde eis is in dit kort geding niet toewijsbaar en wordt afgewezen.

4.6.3. In de toelichting op de grieven I en II stelt de vrouw ook enkele andere kwesties aan de orde die betrekking hebben op de door haar gewenste verkoop van de echtelijke woning. Het hof zal voor zover nodig op deze kwesties ingaan bij de behandeling van de grieven III tot en met VII.

Ten aanzien van de grieven III tot en met VII: vorderingen a tot en met g

4.7.1.Het hof zal de grieven III tot en met VII gezamenlijk behandelen. Deze grieven leggen aan het hof in volle omvang de vraag voor of en in hoeverre de vorderingen a tot en met g van de vrouw toewijsbaar zijn. Deze vorderingen strekken er zeer kort samengevat toe dat de voormalige echtelijke woning moet worden verkocht.

4.7.2.De vrouw heeft aan deze vorderingen, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

De vrouw is financieel niet in staat om de woning over te nemen. De vrouw heeft de man een termijn van twee jaren gegund om te bezien of hij zo nodig met hulp van zijn werkgever in staat zou kunnen zijn om de woning over te nemen. Inmiddels is komen vast te staan dat ook voor de man overname van de woning financieel niet haalbaar is. De woning zal dus moeten worden verkocht aan een derde. De man weigert hieraan mee te werken. Gelet op de crisis op de huizenmarkt is een verdere daling van de waarde van de woning te verwachten. Van de vrouw is niet te vergen dat het te koop zetten van de woning nog langer wordt uitgesteld.

4.7.3.De man heeft als verweer, samengevat, het volgende aangevoerd.

Als de woning bij de huidige marktomstandigheden wordt verkocht zal een aanzienlijke restschuld resteren. Omdat de vrouw niet in staat is haar aandeel in die restschuld te voldoen, zal de man voor de restschuld moeten opdraaien. Verder is er nog geen duidelijkheid over de algehele afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Gelet op deze feiten en omstandigheden moet verkoop van de woning worden uitgesteld.

4.7.4.Het hof dient ook ten aanzien van deze op verkoop van de woning gerichte vorderingen a tot en met g eerst de vraag te beantwoorden of aan de zijde van de vrouw sprake is van een spoedeisend belang dat beoordeling van deze vorderingen in kort geding rechtvaardigt. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Het hof stelt daarbij voorop dat hier sprake is van een eenvoudige gemeenschap en dat een deelgenoot op grond van artikel 3:178 lid 1 BW in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Van de vrouw is daarom in beginsel niet te vergen dat zij voor een onbepaalde periode samen met de man eigenaar blijft van de voormalige echtelijke woning. In het onderhavige geval staat verder vast dat geen van partijen in staat is toedeling van de woning aan zichzelf te financieren, zodat verkoop van de woning aan een derde zal moeten plaatsvinden. De man heeft bovendien erkend dat gelet op de crisis op de huizenmarkt een verdere daling van de waarde van de woning te verwachten is. In zijn antwoordakte na beraad heeft de man expliciet gesteld dat de verwachting is dat de waarde van woningen in 2013 nog een forse verdere daling zal doormaken. Aangezien de man desondanks weigert om op dit moment aan verkoop mee te werken heeft de vrouw naar het oordeel van het hof een voldoende spoedeisend belang om in kort geding te laten beoordelen of verkoop van de woning door middel van een voorlopige voorziening gerealiseerd moet worden.

4.7.5.Het hof komt vervolgens toe aan de vraag of de vorderingen van de vrouw moeten worden toegewezen. Bij beantwoording van die vraag moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het geval. Uit wat het hof in rechtsoverweging 4.7.4 heeft overwogen, blijkt dat de woning hoe dan ook verkocht zal moeten worden. Verder blijkt uit wat het hof daar heeft overwogen, dat de vrouw er zwaarwegende belangen bij heeft dat die verkoop op korte termijn gerealiseerd wordt. Bij verdere vertraging van de verkoop is immers - naar tussen partijen vast staat - een daling van de verkoopopbrengst te verwachten, hetgeen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden voor beide partijen nadelig is. Bovendien heeft de vrouw er belang bij om te worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld.

4.7.6.Het hof is verder van oordeel dat de man geen gegronde argumenten heeft aangevoerd, op grond waarvan het te koop zetten van de woning nog langer zou moeten worden uitgesteld. Dat uit de opbrengst van de verkoop van de woning de bedragen die onder hypothecaire zekerheid van Nationale Nederlanden zijn geleend vermoedelijk niet helemaal voldaan kunnen worden, voert niet tot een ander oordeel. Dit brengt weliswaar mee dat vermoedelijk een deel van de afkoopwaarde van de levensverzekering van de man zal moeten worden aangewend om Nationale Nederlanden geheel te voldoen, maar dat kan geen argument vormen om verkoop van de woning langer uit te stellen. Voorshands moet op grond van de stellingen immers worden aangenomen dat uitstel van de verkoop niet tot een hogere verkoopopbrengst zal leiden, althans niet indien het uitstel beperkt blijft tot een periode van ongeveer een jaar. De man heeft aangevoerd dat de waarde van de woning in de verdere toekomst wellicht weer gaat stijgen. Daarover bestaat naar het oordeel van het hof op dit moment echter te veel onzekerheid. Gelet hierop is van de vrouw voorshands niet te vergen dat zij tegen haar wil gedurende een onduidelijke periode samen met de man eigenaar moet blijven van de voormalige echtelijke woning. Nu de man zich heeft verzet tegen verkoop van de woning acht het hof het treffen van een voorlopige voorziening waardoor de verkoop tegen de wil van de man gerealiseerd kan worden op zijn plaats.

4.7.7.Het hof heeft verder gelet op de door [makelaar] per 18 mei 2012 getaxeerde marktwaarde van € 282.500 voorshands geen aanleiding om de door de vrouw in haar vordering tot uitgangspunt genomen vraagprijs van € 290.000,-- k.k. en minimumprijs van € 277.500,-- k.k. onjuist te achten. De man heeft niet betwist dat de vraagprijs van € 290.000,-- en de minimumprijs van € 277.500,-- door de makelaar zijn geadviseerd, een en ander zoals vastgelegd in de als productie 12 bij de memorie van grieven overgelegde opdracht tot dienstverlening die nog niet door de man en de vrouw is ondertekend. De man heeft in zijn memorie van antwoord nog wel gesteld dat bij de taxatie van de woning door [makelaar] verzuimd is om rekening te houden met bepaalde verborgen gebreken maar de man heeft deze stelling in het geheel niet toegelicht zodat het hof die stelling als onvoldoende onderbouwd passeert. Het hof constateert verder dat de man zich in zijn memorie van antwoord bereid heeft verklaard om, zij het onder bepaalde voorwaarden, de woning te verkopen aan zijn werkgever voor € 260.000,--. Gelet daarop kan de man naar het oordeel van het hof in redelijkheid geen bezwaar maken tegen de wens van de vrouw om de woning via makelaar [makelaar] te koop te zetten waarbij, naar voorshands moet worden aangenomen, een hogere opbrengst dan € 260.000,-- zeker tot de mogelijkheden behoort.

4.7.8.De man heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het inschakelen van makelaar [makelaar] bij de verkoop. Het hof acht de bezwaren die de man op dit punt heeft aangevoerd onvoldoende onderbouwd. Het hof stelt voorop dat makelaar [makelaar] door beide partijen gezamenlijk is ingeschakeld. De man heeft dat niet gemotiveerd betwist. Het heeft er de schijn van dat de man eenvoudigweg verkoop van de woning wil tegenhouden en daarbij elk denkbaar argument aanvoert. Dat de opstelling van de man hierbij niet steeds redelijk is blijkt naar het oordeel van het hof ook uit het door de vrouw gestelde en door de man niet bestreden feit dat de man als een van de voorwaarden om aan verkoop mee te werken heeft gesteld dat geen foto’s van de woning ten behoeve van een verkoopbrochure zouden mogen worden gemaakt. Het hof concludeert dat de man onredelijke eisen en voorwaarden stelt. In ieder geval ziet het hof in hetgeen de man naar voren heeft gebracht geen aanleiding om makelaar [makelaar] niet in te schakelen. Het hof zal dus op de navolgende wijze bepalen dat verkoop van de woning via makelaar [makelaar] kan plaatsvinden. Dit brengt mee dat de nadere eiswijziging van de vrouw bij akte van 9 oktober 2012, ertoe strekkend dat verkoop primair via [makelaar] en subsidiair via een andere makelaar moet plaatsvinden, geen bespreking meer behoeft.

4.7.9.De man heeft in eerste aanleg als verweer nog aangevoerd dat de vordering van de vrouw tot verdeling van de woning op de voet van artikel 3:178 lid 3 BW voor drie jaren moet worden uitgesloten omdat de belangen van de man bij uitstel van de verdeling groter zijn dan de belangen van de vrouw bij het op korte termijn realiseren van de verkoop. Het hof acht in dit geval op grond van het vorenoverwogene geen termen aanwezig voor toepassing van genoemd artikel.

4.7.10.Het hof concludeert dat de gezamenlijk behandelde grieven III tot en met VII doel treffen. Het hof zal de vorderingen a tot en met g van de vrouw op de na te melden wijze toewijzen. Ten aanzien van vorderingen b en g zal het hof bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de man, zodat executieproblemen worden voorkomen. Verder zal het hof de dwangsommen matigen en maximeren zoals hierna aangegeven.

Ten aanzien van grief VIII: vordering h

4.8.1.Door middel van grief VIII stelt de vrouw haar hiervoor in rechtsoverweging 4.5.1 onder h weergegeven vordering aan de orde. Ter onderbouwing van die vordering heeft de vrouw gesteld dat Nationale Nederlanden poststukken met betrekking tot de woning, de hypotheek en de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekeringen alleen naar de door de man bewoonde woning stuurt. De vrouw heeft hiertoe verwezen naar een door haar als productie 13 bij de memorie van grieven overgelegde brief van Nationale Nederlanden aan de vrouw van 23 november 2011. In die brief staat onder meer het volgende:

“Betreft: uw lening

U heeft ons verzocht de correspondentie vanaf maart 2010 aan u te sturen.

Wij hebben in de tussentijd alleen een tussentijdse renteherziening gestuurd waar niet op is gereageerd.

Verder deel ik u mee dat wij de correspondentie in het vervolg alleen naar het onderpandadres zullen sturen.

Wij kunnen en mogen de correspondentie niet naar een ander adres sturen.”

4.8.2.De man heeft niet betwist dat de vrouw in het kader van de verkoop van de woning en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden recht heeft op en belang heeft bij kennisname van de genoemde poststukken van Nationale Nederlanden. De man stelt echter dat de vrouw bij Nationale Nederlanden melding kan maken van het feit dat zij van de man gescheiden is en dat zij dan wel de poststukken van Nationale Nederlanden zal ontvangen.

4.8.3.Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw met de door haar overgelegde brief van Nationale Nederlanden voorshands voldoende onderbouwd dat Nationale Nederlanden de correspondentie over de woning, de hypotheek en de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde levensverzekeringen alleen naar de door de man bewoonde woning stuurt. De man heeft zijn stelling dat Nationale Nederlanden, anders dan in de brief van 23 november 2011 staat, bereid zou zijn de correspondentie ook naar de vrouw te zenden niet onderbouwd. De man heeft verder geen enkel praktisch bezwaar genoemd dat voor hem verbonden is aan het sturen van kopieën van de gevraagde correspondentie aan de vrouw. Het hof is daarom voorshands van oordeel dat de man die verzending van kopieën zonder redelijke grond weigert. Het hof zal vordering h daarom op de na te melden wijze toewijzen, onder matiging en maximering van de gevorderde dwangsom. Grief VIII slaagt dus.

Proceskosten, vordering j

4.9.De vrouw vordert veroordeling van de man in de kosten van beide instanties. Het hof acht echter een compensatie van de proceskosten op de voet van artikel 237 lid 1 Rv op zijn plaats omdat partijen gewezen echtelieden zijn. Het beroepen vonnis wordt daarom bekrachtigt voor zover daarbij de kosten van het geding in eerste aanleg tussen partijen zijn gecompenseerd. De kosten van het hoger beroep zullen op de na te melden wijze tussen partijen worden gecompenseerd.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 27 maart 2012, voor zover daarbij vorderingen van de vrouw zijn afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

a.bepaalt dat makelaar [makelaar], werkzaam bij M3 Roermond Makelaardij Roermond BV te [vestigingsplaats], in opdracht en voor rekening van beide partijen zal bemiddelen bij de verkoop van de woning gelegen aan de [perceel] te [postcode] [plaatsnaam], waarbij ieder de helft van de kosten van de verkoop (waaronder de courtage van de aangewezen makelaar) draagt, en bepaalt dat als uitgangspunt wordt aangenomen een vraagprijs van € 290.000,-- k.k. en een minimumprijs van € 277.500,-- k.k.;

b.bepaalt dat dit arrest in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man tot het volgens de overeenkomst van opdracht, welke als productie 12 bij de memorie van grieven is gevoegd, in verkoop geven van de woning bij M3 Roermond Makelaardij BV;

c.veroordeelt de man om binnen een week na een daartoe strekkend verzoek van de makelaar, zijn medewerking te verlenen aan het maken van foto’s van het in- en exterieur van de woning teneinde deze op de gebruikelijke wijze te plaatsen op de gebruikelijke verkoopsites en verkoopkrantjes, en veroordeelt de man tot betaling van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat de man na betekening van dit arrest in strijd met deze veroordeling handelt;

d.veroordeelt de man om binnen een week na een daartoe strekkend verzoek van de makelaar, zijn medewerking te verlenen aan het toelaten van de makelaar en potentiële kopers die samen met de makelaar de woning willen bezichtigen, en veroordeelt de man tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere keer dat hij de makelaar dan wel geïnteresseerde kopers niet binnenlaat terwijl de makelaar de komst minimaal een week tevoren heeft aangekondigd;

e.verbiedt de man om bij bezoeken van de makelaar met geïnteresseerde kopers aan de woning aanwezig te zijn anders dan bij het enkele binnenlaten van de makelaar en de kopers, en veroordeelt de man tot betaling van een dwangsom van € 500,-- voor iedere keer dat hij in strijd handelt met dit verbod;

f.bepaalt dat, indien een boven de minimumprijs van € 277.500,-- k.k. gelegen bod wordt gedaan en de makelaar adviseert dat bod te accepteren, het onderhavige arrest de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de acceptatie zal vervangen;

g.bepaalt dat dit arrest in de plaats komt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man bij het na verkoop van de woning voor minimaal € 277.500,-- via de notaris overdragen van de eigendom van de woning;

h.veroordeelt de man om aan de vrouw een kopie te verstrekken van alle poststukken van Nationale Nederlanden gericht aan de man dan wel aan beide partijen vanaf 12 juni 2012 tot aan de datum van levering van de woning aan kopers, welke betrekking hebben op de woning, op de op die woning gevestigde hypotheek dan wel op de verpande levensverzekeringen met de nummers [levensverzekeringsnummer 1.] en [levensverzekeringsnummer 2.] die ter zekerheid zijn gesteld aan Nationale Nederlanden, zulks ten aanzien van de poststukken die de man voor de datum van betekening van dit arrest heeft ontvangen binnen 14 dagen na betekening van het arrest en ten aanzien van later ontvangen poststukken binnen 14 dagen na ontvangst door de man, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per dag dat de man deze veroordeling niet nakomt, en bepaalt dat ter zake deze veroordeling boven een bedrag van € 5.000,-- geen verdere dwangsommen worden verbeurd;

i.bepaalt dat ter zake de onder c, d en e weergegeven veroordelingen in totaal geen hoger totaalbedrag dan € 25.000,-- aan dwangsommen wordt verbeurd;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

bekrachtigt het beroepen vonnis voor zover daarbij de kosten van het geding in eerste aanleg tussen partijen zijn gecompenseerd;

compenseert de kosten van het hoger beroep tussen partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, W.H.B. den Hartog Jager en I.B.N. Keizer en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 januari 2013.