Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8211

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
HD 200.103.348 T
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Referteperiode voor ziekengeld/deeltijd werkneemster die heeft overgewerkt/verlengingsmogelijkheid CAO/ artikel 7:610b BW/ extra uren meegeteld?/ afwijking CAO?/werking optelregel artikel 7:629 lid 10 BW/ Volle termijn ten behoeve werknemer/ geen aftrek van tussenliggende ‘beter’ periodes

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.103.348/01

arrest van 8 januari 2013

in de zaak van

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. E.H.C.K. Reijans te Echt, gemeente Echt-Susteren,

tegen:

Taxi [Taxi] Tours B.V. ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigings- en kantoorplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.M.T. Snijders te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 februari 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton gewezen vonnis van 17 januari 2012 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - Taxi [Taxi] BV - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 317731 \ CV EXPL 11 - 4566)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van hetgeen in eerste aanleg is gevorderd.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Taxi [Taxi] BV de grieven bestreden.

2.3. Taxi [Taxi] BV heeft daarna de gedingstukken overgelegd en partijen hebben uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.Sinds 3 september 1998 is [appellante] in dienst bij Taxi [Taxi] BV in de functie van taxichauffeuse voor 15 uren per week. Haar netto maandsalaris bedraagt € 574,45.

4.1.2.Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Taxivervoer van toepassing;

4.1.3.[appellante] is sinds 22 december 2008 arbeidsongeschikt. In de periode 6 februari 2009 tot en met 23 februari 2009 heeft zij wel nog gewerkt;

4.1.4.Tekstgedeelten van de CAO bepalen het volgende ter zake loondoorbetaling bij ziekte:

“1.11 Loondoorbetaling bij ziekte

1. De werknemer die wegens ziekte niet in staat is om zijn werkzaamheden te verrichten, heeft recht op:

– doorbetaling van 90% van zijn laatstverdiende loon gedurende de eerste 8 weken van de arbeidsongeschiktheidsperiode.

Perioden van ziekte worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Per kalenderjaar geldt voor de loondoorbetaling van 90% van het laatstverdiende salaris een maximum van 8 weken.

– doorbetaling van 100% van zijn laatstverdiende loon gedurende de weken 9 tot en met 104 van de arbeidsongeschiktheid.

– deze regeling mag er nimmer toe leiden dat per betalingsperiode van 4 weken of een maand minder dan het minimumloon wordt uitbetaald.

2. (…)

3. (…)

Met ingang van 1 januari 2010 geldt de volgende regeling:

De verplichting tot loondoorbetaling ontstaat vanaf de eerste dag dat de werknemer verhinderd is om zijn arbeid te verrichten. In geval de werkgever één of twee wachtdagen toepast als gevolg van lid 2 van dit artikel, geldt deze verplichting vanaf de tweede (bij één wachtdag) resp. de derde (bij twee wachtdagen) dag dat de werknemer verhinderd is om zijn arbeid te verrichten.

4. (…)

5. In geval van ziekte wordt onder laatstverdiend loon in de zin van dit artikel verstaan, het loon vastgesteld op basis van het functieloon verhoogd met het bedrag dat de betrokken werknemer gemiddeld over een periode van

13 weken voorafgaand aan de ziekte heeft genoten aan:

a. (…)

b. overuren (tot een maximum van 15 overuren per week).

Voor overuren geldt dat de werknemer laatstelijk, voor de aanvang van de ongeschiktheid tot werken, werkzaam was in een functie waarin gedurende het gehele of nagenoeg gehele jaar regelmatig overwerk diende te worden verricht.

Indien de hoofdregel (verdiensten over 13 weken direct voorafgaande aan de eerste ziektedag) tot een onredelijke uitkomst leidt, kan de werkgever en/of de werknemer verzoeken om een referteperiode van 52 weken aan te houden. CAO-partijen beslissen op het verzoek.

Voor parttimers en M.U.P.-krachten met wisselende aantallen arbeidsuren wordt in geval van ziekte onder laatstverdiend loon verstaan, het gemiddelde brutoloon over de laatste 13 volle weken voorafgaande aan de ziekte, gedeeld door 65 (dagen)”.

4.1.5.Taxi [Taxi] BV heeft [appellante] salaris/ziekengeld betaald tot 22 december 2010. Met ingang van 3 januari 2011 ontvangt [appellante] een WIA uitkering.

4.1.6.[appellante] heeft op gronden als omschreven in de inleidende dagvaarding gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Taxi [Taxi] BV tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 7.348,50 bruto te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50 ex art 7:625 BW althans enig ander bedrag, kosten rechtens.

[appellante] stelt daartoe dat zij naast haar contractuele uren van 15 per week, zeer regelmatig overwerk verrichtte en haar werkgeefster bij de betaling van het salaris bij ziekte daarmee rekening had moeten houden. Over de laatste drie maanden dat zij werkzaam was verrichtte zij gemiddeld 13,56 uren overwerk per maand. Er waren ook periodes dat zij gemiddeld 29,14 overuren per maand maakte. De CAO bepaalt in art. 1.11 sub 5b dat indien

de uitkomst van het aantal overuren tot een onredelijke uitkomst leidt - [appellante] is voorafgaande aan haar laatste werkdag regelmatig ziek geweest waardoor een referteperiode van drie maanden onredelijk is - de werknemer kan verzoeken een referteperiode van 52 weken aan te houden. Het zou redelijk zijn als [appellante] bovenop de door haar van Taxi [Taxi] BV ontvangen betalingen van Taxi [Taxi] BV 29 overuren per maand uitbetaald zou krijgen, hetgeen, naar een berekening van financieel- en belastingadviseur mw. [financieel adviseur] (hierna de berekening), overeenkomt met een bedrag van € 7.036,50 bruto.

Verder heeft [appellante] gesteld nog recht te hebben op twee weken loondoorbetaling zijnde een bedrag van € 312,00 bruto. Taxi [Taxi] BV heeft [appellante] betaald tot 22 december 2010 terwijl dat tot 2 januari 2011 had moeten zijn: omdat [appellante] nog twee weken in februari 2009 heeft gewerkt, eindigde de 104 weken termijn 15 dagen later dan 22 december, namelijk op 2 januari 2011, een en ander conform opgave door het UWV.

4.1.7.Taxi [Taxi] BV heeft zich op het standpunt gesteld dat zij conform het bepaalde in art. 1.11 lid 5 van voornoemde CAO niet verplicht is overuren mee te nemen in het bij ziekte uit te betalen loon. Voor parttimers zoals [appellante] is bepaald dat onder laatstverdiend loon bij ziekte verstaan wordt het gemiddelde brutoloon over de laatste 13 volle weken voorafgaande aan de ziekte gedeeld door 65 dagen.

Met betrekking tot het over de periode 22 december 2010 tot en met 2 januari 2011 gevorderde bedrag van € 312,00 betoogt Taxi [Taxi] BV dat zij die niet verschuldigd is. [appellante] heeft zich eerder op het standpunt gesteld dat het UWV deze twee weken loon dient te betalen c.q. haar uitkering in had moeten gaan op 22 december 2010.

[appellante] had bezwaar moeten maken tegen de ingangsdatum van de WIA-uitkering. Art. 7:629 lid 11 BW bepaalt uitdrukkelijk wanneer de 104 weken termijn verlengd wordt en de situatie van [appellante] valt daar niet onder.

4.1.8. Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering gebaseerd op een langere referentieperiode afgewezen, nu [appellante] zich niet tot CAO-partijen heeft gewend en evenmin haar vordering heeft onderbouwd. [appellante] heeft slechts verwezen naar de berekening, zonder de daarin gehanteerde uitgangspunten te onderbouwen en in te gaan op het betoog van Taxi [Taxi] BV. Nu voorts de door [appellante] in februari 2009 gewerkte periode minder bedraagt dan vier weken, heeft deze periode geen invloed gehad op de op

22 december 2008 aangevangen 104 weken termijn, zodat deze eindigt op 22 december 2010. Deze periode kan enkel verlengd worden in geval van de in lid 11 van artikel 7:629 BW genoemde vier situaties. [appellante] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd dat een van deze situaties zich in haar casus voordoet. Ook deze vordering is vervolgens door de kantonrechter afgewezen en [appellante] is veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.2.Het hof stelt alvorens tot beoordeling over te gaan het volgende vast. Beide partijen gaan er van uit dat op de arbeidsovereenkomst tussen partijen de CAO Taxivervoer van toepassing is. Het hof zal partijen daarin volgen.

Door Taxi [Taxi] BV is bij conclusie van antwoord de tekst overgelegd van de CAO taxivervoer 2009-2013, welke CAO vanaf 22 mei 2010 algemeen verbindend is verklaard (Stcrt 2010,7927 van 21 mei 2010). Op het moment van ziekmelding door [appellante] als in deze relevant, zijnde 22 december 2008, gold de CAO Taxivervoer 2007-2008 welke vanaf 26 oktober 2007 algemeen verbindend is verklaard (Strcrt 2007, 206 van 24 oktober 2007) tot 1 januari 2009. De CAO 2009-2013 en de CAO 2007-2008 bevatten op het punt van loondoorbetaling bij ziekte en ten aanzien van de in deze procedure overigens aan de orde zijnde discussie gelijke voorschriften, zodat van de tekst van de CAO 2009-2013 (hierna ook de CAO) kan worden uitgegaan.

4.3.Grief I behelst dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vordering ter zake overuren onvoldoende is onderbouwd en ten onrechte het gedane bewijsaanbod heeft gepasseerd. Taxi [Taxi] BV heeft een en ander bestreden, onder meer door te stellen dat verlenging voor de referteperiode voor parttimers niet zou kunnen.

4.4.1. Het hof oordeelt als volgt. Als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van de CAO geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. (HR 10 december 2004, LJN AR1049). Dit uitgangspunt noemt men de CAO-Haviltexnorm.

Nu een voor derden kenbare toelichting bij de onderhavige CAO ontbreekt, althans geen van partijen heeft zich daarop beroepen, zijn ingevolge de CAO-Haviltexnorm bij de uitleg van de bepalingen de bewoordingen waarin deze is gesteld van doorslaggevende betekenis, met inachtneming van het bovenstaande.

Gezien de in onderdeel 4.1.4 opgenomen tekst van de regeling met betrekking tot uitbetaling bij ziekte voorziet artikel 1.11.5 CAO in beginsel in een referteperiode van 13 weken voorafgaand aan de ziekte ter bepaling van het gemiddeld door de werknemer verdiende bedrag. Hierbij vervullen overuren een rol, zij het tot een maximum van 15 overuren per week. Voorts geldt dat voor parttimers - zoals [appellante] - ingevolge artikel 3.10.4 CAO dat van overuren pas sprake is zodra de extra uren de arbeidstijd van 40 uur te boven gaan. Genoemd CAO - artikel bepaalt immers:

“3.10.4 Meeruren en overuren door de parttimer

Indien meer uren worden gewerkt dan het contractueel overeengekomen aantal arbeidsuren worden deze uitbetaald conform de bepalingen in deze CAO. Over deze meeruren tot maximaal 40 uur per week bouwt de werknemer vakantietoeslag- en vakantie-uren op.

Arbeidsuren die de arbeidstijd van 40 uur per week te boven gaan worden met inachtneming van artikel 3.10.3 aangemerkt als overuren.

Voor de extra uren - bovenop de contractsuren maar minder dan 40 uur per week - ontvangt de parttimer wel een zelfde salaris als de - een zelfde functie uitoefenende - fulltimer, zodat van enige discriminatie van deeltijdwerknemers aldus niet blijkt [zie artikel 7:648 BW en HvJ 6 december 2007, C-300/06 (LJN BC2297) inzake Voß].

4.4.2.Dat in dezen sprake is geweest van overuren door [appellante] als bedoeld in de CAO is gesteld noch gebleken. Wel wordt ingevolge de berekeningsmethodiek van artikel 1.10.5. laatste zin CAO rekening gehouden met wisselende arbeidsuren in de referteperiode (zie ook hierna).

De CAO voorziet in de mogelijkheid voor de werknemer (i.c. [appellante]) en/of de werkgever (i.c. Taxi [Taxi] BV) CAO-partijen te verzoeken om een referteperiode te verlengen naar 52 weken. Anders dan Taxi [Taxi] BV betoogt kan een dergelijk verzoek ook door een parttimer worden gedaan, nu het blijkens artikel 1.11.5. CAO voldoende is dat sprake is van een ‘onredelijke uitkomst’ ten gevolge van de hoofdregel (13 weken referteperiode).

4.4.3.[appellante] heeft, hoewel bekend met de mogelijkheid een verzoek als hiervoor bedoeld in te dienen bij CAO-partijen, nagelaten een dergelijk verzoek in te dienen. Dit nalaten is niet verder toegelicht. Voorts wenst [appellante] klaarblijkelijk, ook niet nader gemotiveerd, dat een nog langere referteperiode dan 52 weken wordt gehanteerd gezien het in de brief van [financieel adviseur] gehanteerde uitgangspunt, waarbij - aldus begrijpt het hof - uiteindelijk bepalend zal zijn hetgeen [appellante] uitsluitend in het vierde kwartaal 2007 - derhalve zonder daar de andere, latere, maanden bij te betrekken - aan ‘overwerk’ heeft verricht.

Taxi [Taxi] BV heeft zich hiertegen verzet en gesteld dat door [appellante] niet is onderbouwd waarom de CAO-regeling onredelijk is.

4.4.4. Het hof is van oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft ondernomen om de referteperiode verlengd te krijgen, terwijl bovendien de door haar - althans ten behoeve van haar - becijferde vordering evenmin uitgaat van een langere referteperiode maar van een exclusieve periode (vierde kwartaal 2007) die klaarblijkelijk voor [appellante] het gunstigst is.

Voor zover het nalaten een verlengingsverzoek in te dienen er al niet toe dient te leiden dat de vordering van [appellante] voor zover gebaseerd op verlenging van de referteperiode moet worden afgewezen, geldt het volgende. Door de wijze van becijfering door [appellante] is niet onderbouwd waarom een langere periode moet worden benut, nu het gemiddelde van een referteperiode van 52 weken of 52 weken plus het daarvoor liggende vierde kwartaal 2007 in het geheel niet is becijferd. Aldus kan niet worden vastgesteld of het verschil tussen het door Taxi [Taxi] BV gehanteerde gemiddelde salaris, en het over bedoelde referteperiode te becijferen gemiddelde zodanig is dat een keuze voor een langere periode in de rede ligt omdat anders sprake zou zijn van een onredelijk resultaat.

Het hof ziet geen aanleiding [appellante] alsnog in de gelegenheid te stellen op dit punt haar stellingen te onderbouwen. Aan bewijslevering op dit punt wordt dan ook niet toegekomen.

4.4.5.De vordering van [appellante] ziet evenwel ook op het op juiste wijze betrekken van de door haar gemaakte ‘overuren’ in de referteperiode van 13 weken bij de omvang van het aan haar uitbetaalde ziekengeld. Aldus heeft Taxi [Taxi] BV het ook begrepen, gezien hetgeen zij heeft opgemerkt in haar conclusie van antwoord in onderdeel 10 tot en met 14.

Het hof begrijpt het standpunt van Taxi [Taxi] BV voorlopig aldus dat zij het aan [appellante] toekomende ziekengeld uitsluitend heeft gebaseerd op de met [appellante] overeengekomen contractsuren van 15 uur per week. Taxi [Taxi] BV is aldus uitgegaan van 65 uur per maand. In het licht van artikel 1.11.1. lid 5 laatste zin CAO acht het hof dit voorshands onjuist, nu wisselende arbeidsuren - ook al zijn dit geen overuren in de zin van de CAO - wel degelijk dienen te worden meegenomen bij de bepaling van het relevante “gemiddelde brutoloon over de laatste 13 volle weken”.

Taxi [Taxi] BV heeft zich nog niet uitgelaten over de stellingname van [appellante] dat zij voorafgaand aan haar ziekte in de laatste drie maanden 13,56 uur per maand - in haar eigen bewoordingen - heeft overgewerkt. Indien dit juist is dan heeft [appellante] in totaal in de referteperiode gemiddeld meer gewerkt dan het aantal contractsuren als door Taxi [Taxi] BV gehanteerd - Taxi [Taxi] BV zal zich hier, onder overlegging van de loonstroken van [appellante] van de maanden september, oktober en november 2008, nog over mogen uitlaten - en dan is Taxi [Taxi] BV van het verkeerde basisbedrag uitgegaan als bedoeld in artikel 1.11.5. CAO. Voorshands lijkt dit te betekenen dat [appellante] in beginsel nog een nader te bepalen bedrag zou toekomen, omdat Taxi [Taxi] BV alsdan voor de hele periode van 104 weken van een verkeerd basisbedrag is uitgegaan.

4.4.6.Taxi [Taxi] BV heeft in dit verband overigens ook nog gewezen op het feit dat binnen de onderneming van Taxi [Taxi] BV zou worden gewerkt met een systeem van plus en minuren. Dit systeem zou zich verzetten tegen het bij het aan [appellante] toekomende bedrag aan loon tijdens ziekte betrekken van de door [appellante] gestelde extra uren in de referteperiode. Voorshands is het hof van oordeel dat artikel 1.11.5 het anders regelt. Verder lijkt het geschetste systeem niet in overeenstemming met de CAO en het in artikelen 3.10.3 en 3.10.4 bepaalde:.

3.10.3 Overurenvergoeding

Overuren zijn de uren die de gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week berekend over een periode van één kalenderkwartaal te boven gaan.

Vergoeding van overuren in tijd en/of geld

De werknemer bepaalt hoe hij de overurenvergoeding ontvangt: in geld, in tijd of in combinaties daarvan.

In alle gevallen krijgt hij een toeslag van 20%:

• tijd + toeslag van 20% in tijd; dan wel

• tijd + toeslag van 20% in geld; dan wel

• uurloon + toeslag van 20% in geld.

Bij berekening van de vergoeding wordt de duur van het overwerk afgerond volgens onderstaand schema:

• 00–14 minuten = 0 minuten overwerk

• 15–44 minuten = 30 minuten overwerk

• 45–60 minuten = 60 minuten overwerk

De werknemer krijgt de overwerkvergoeding uiterlijk 2 maanden na de periode waarin deze is opgebouwd. Op aangeven van de werknemer kan de termijn van 2 maanden worden verruimd naar 12 maanden.

De overwerkregeling wordt niet toegepast op:

• overuren voor leidinggevenden, die zelf bevoegd zijn tot het laten verrichten van overwerk;

• overuren door werknemers met een zelfstandige functie, voor wie geen diensttijden zijn vastgesteld;

• overuren die zijn ontstaan door eigen schuld of toedoen van de werknemer.

3.10.4 Meeruren en overuren door de parttimer

Indien meer uren worden gewerkt dan het contractueel overeengekomen aantal arbeidsuren worden deze uitbetaald conform de bepalingen in deze CAO. Over deze meeruren tot maximaal 40 uur per week bouwt de werknemer vakantietoeslag- en vakantie-uren op.

Arbeidsuren die de arbeidstijd van 40 uur per week te boven gaan worden met inachtneming van artikel 3.10.3 aangemerkt als overuren.

3.10.5 Procedure bij overuren en meeruren

a. De werknemer dient op 1 januari van ieder kalenderjaar schriftelijk aan te geven of hij overuren (of de meeruren als bedoeld in artikel 1.3 sub l en 3.10.4) in tijd of in geld vergoed wil hebben. Indien de werknemer kiest voor vergoeding in geld dan dient de uitbetaling plaats te vinden in de maand volgend op de periode waarin deze zijn opgebouwd.

b. Als de werknemer overuren/meeruren omzet in vrije uren, moet hij die binnen 12 maanden na 1 januari van het kalenderjaar opnemen volgens de in het bedrijf geldende regels.

Overuren/meeruren die niet binnen 12 maanden zijn opgenomen moeten alsnog in geld worden uitbetaald. Uitbetaling vindt plaats in de maand januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

c. De werkgever verstrekt minimaal eens per 3 maanden een overzicht van het opgebouwde urentegoed.

d. Opname door de werknemer van uren uit het opgebouwde urentegoed dient door de werkgever schriftelijk te worden vastgelegd.“

Een nadere toelichting door [appellante] ten aanzien van het door haar gestelde systeem is dan ook gewenst. Voor zover Taxi [Taxi] BV heeft willen betogen dat zij een van de CAO afwijkend systeem heeft afgesproken met haar werknemers zal zij tevens aandacht besteden aan de strekking van artikel 1.2 CAO, dat luidt:

“1.2 Ontheffing van deze CAO

Partijen bij deze CAO kunnen aan de werkgever die daarom vraagt ontheffing verlenen van één of meer bepalingen in deze overeenkomst”.

4.4.7.Taxi [Taxi] BV zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij memorie na tussenarrest uit te laten over hetgeen in de onderdelen 4.4.5. en 4.4.6. is opgemerkt, inclusief de voorlopige oordelen van het hof. [appellante] zal vervolgens bij antwoordmemorie na tussenarrest hierop mogen reageren.

4.5.Hierop vooruitlopend zal het hof alvast grief II, die op zichzelf staat, behandelen.

In grief II bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat de 104 weken termijn is geëindigd op 22 december 2010. Taxi [Taxi] BV heeft vervolgens dit oordeel onderschreven, onder meer omdat de uitleg als door het UWV voorgestaan, waarbij de twee weken waarin [appellante] heeft gewerkt niet zouden meetellen, er toe leidt dat werkgevers niet meer kunnen beoordelen wanneer de 104 weken termijn eindigt met alle gevolgen van dien, aldus Taxi [Taxi] BV.

4.5.1.Het hof oordeelt als volgt. De wettelijke regeling van artikel 7:629 lid 10 BW moet aldus worden begrepen dat wanneer de werknemer na een ziekteperiode gaat werken en binnen vier weken weer ziek wordt, de beide periodes bij elkaar worden opgeteld (‘samengeteld’).

Derhalve begint bij de aanvang van de tweede ziekteperiode in dat geval geen nieuwe termijn van 104 weken te lopen. De werknemer houdt wel zijn aanspraak op loondoorbetaling over de volle - door zijn herstel tijdelijk onderbroken - termijn. In dit geval betekent dit dat de periode vanaf 22 december 2008 tot 9 februari 2009 mag worden opgeteld bij de periode vanaf 23 februari 2009, zodat op 2 januari 2010 de 104 weken zijn voltooid. De twee weken (van 9 februari 2009 tot en met 22 februari 2009) waarin [appellante] heeft gewerkt is zij beloond op grond van artikel 7:610 BW en niet op grond van artikel 7:629 BW. Taxi [Taxi] BV heeft zelf in het kader van de CAO regeling ter zake de uitkering gedurende de eerste acht weken (artikel 1.11.1 eerste gedachtenstreepje CAO) ook bepaald op 7 weken tot 6 februari 2009 en de laatste week van het eerste acht weken ‘blok’ gerekend vanaf 24 februari 2009.

De door Taxi [Taxi] BV gestelde onduidelijkheid, wanneer werkgevers bij de bepaling van de 104 weken termijn rekening zouden moeten houden met periodes van tussentijds werken door de betreffende werknemer van minder dan vier weken, doet aan het voorgaande niet af. Aan de hand van haar eigen administratie moet een werkgever immers de optelling van termijnen, als voortvloeiend uit het wettelijk systeem (en herhaald in de CAO, artikel 1.11.1 CAO) en bovendien in het belang van de werkgever zelve, kunnen realiseren. Van een oneigenlijke verlenging is - anders dan Taxi [Taxi] BV heeft gesteld - geen sprake. Het door haar voorgestane systeem is niet het wettelijk systeem. Grief II slaagt derhalve.

4.5.2. Dat met de betreffende periode een bedrag van € 312,= bruto is gemoeid, zoals door [appellante] is gesteld, is door Taxi [Taxi] BV niet weersproken. Dit bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke verhoging als gevorderd. Het hof ziet geen aanleiding voor de door Taxi [Taxi] BV bepleite matiging: dat [appellante] op uitbetaling voorafgaand aan de procedure geen aanspraak heeft gemaakt vanuit de veronderstelling dat het UWV zich had vergist (zie de brief van financieel adviseur [financieel adviseur] van 27 juni 2011) laat de uiteindelijke verschuldigdheid van het loon onverlet.

Bij eindarrest zal het vonnis waarvan beroep in ieder geval worden vernietigd op het punt van afwijzing van de vordering betreffende de laatste twee weken, en zal alsnog aan [appellante] het door haar op dit punt gevorderde worden toegewezen, en wel - conform het gedane verzoek - uitvoerbaar bij voorraad.

4.6.In afwachting van de nadere memoriewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. De uitspraak

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 5 februari 2013 voor memorie na tussenarrest aan de zijde van Taxi [Taxi] BV;

verstaat dat vervolgens [appellante] een uitstel zal worden vergund voor indiening van een antwoordmemorie ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M.J.H.A. Venner-Lijten en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 januari 2013.