Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8146

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
HV 200.116.121
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank wijst het hof het verzoek van de raad tot ontheffing van het gezag over de minderjarige af. De minderjarige functioneert op het niveau van een kind van 13 maanden en verblijft in een instelling. Geen positief effect van een ontheffing te verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 januari 2013

Zaaknummer : HV 200.116.121/01

Zaaknummer eerste aanleg : 248653 / FA RK 12-3127

in de zaak in hoger beroep van:

[X.], en [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de vader, respectievelijk de moeder, tezamen ook de ouders,

advocaat: mr. M.C.S. Lalesse,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Utrecht, locatie ’s-Hertogenbosch,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 juli 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2012, hebben de ouders verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het ouderlijk gezag van de ouders over de hierna te noemen minderjarige [zoon] in stand blijft c.q. gehandhaafd blijft.

2.2. De raad heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Lalesse en door de tolk mevrouw M. Medjugorac;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer W. Bekker;

- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw L. van Koppenhagen en de heer J. den Otter, namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 juli 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 19 november 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit de relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [Z.] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (Italië).

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [zoon] uit.

3.2. [zoon] staat sinds 17 juli 2006 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 27 juli 2013.

[zoon] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 18 juli 2006 uit huis geplaatst. Hij verblijft sedert 6 november 2006 in de AWBZ-voorziening Cello te [vestigingsplaats].

3.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ouders ontheven van het ouderlijk gezag over [zoon] en de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tot voogdes benoemd. De ouders zijn veroordeeld aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind af te leggen.

3.4. De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Er is in deze zaak geen sprake van een mislukte ondertoezichtstelling. Aan het vereiste van artikel 1:286 lid 2 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is dan ook niet voldaan. De reden voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [zoon] is niet gelegen in een gebrek aan opvoedingskwaliteiten bij de ouders, maar in het feit dat [zoon] een ernstige verstandelijke en lichamelijke beperking heeft. [zoon] heeft door zijn handicap intensieve en gespecialiseerde hulp nodig. Hij gaat in de weekenden van vrijdag tot maandag naar huis. Deze weekendbezoeken verlopen goed. De ouders verzetten zich niet tegen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [zoon]. Uit niets blijkt dat hun gedrag [zoon] schaadt in zijn ontwikkeling. Aannemelijk is dat de ouders met de uithuisplaatsing zullen blijven instemmen. Gelet op [zoon]’s leeftijd - hij wordt op [geboortedatum] 2014 achttien jaar - zal de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing nog eenmaal worden verlengd.

De ouders voeren verder aan dat de raad teveel blijft teruggrijpen op het verleden. Uit de bevindingen van de gezinsvoogdes en de maatschappelijk werkster van de ouders komt een veel positiever beeld van de ouders naar voren. De gezinsvoogdes heeft verklaard dat de samenwerking van de ouders met de verzorgers van [zoon] binnen Cello goed verloopt. Het is volgens de ouders dan ook volstrekt onduidelijk hoe de rechtbank heeft kunnen concluderen dat een ontheffing van de ouders van het gezag bijdraagt aan een positieve ontwikkeling van [zoon]. Evenmin heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het gegeven dat de ouders belast zijn met het gezag over [zoon] tot problemen heeft geleid of dat dit in de toekomst tot problemen zal gaan leiden. Er is dan ook geen grond om de ouders thans - na zes jaar ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing - van het gezag te ontheffen.

De ouders hebben het vermoeden dat het verzoek van de raad samenhangt met het feit dat [zoon] in juli 2014 meerderjarig zal worden. Uit het rapport van de raad blijkt ook dat de raad het belangrijk vindt dat er gestart gaat worden met een voortraject begeleiding met het oog op de meerderjarigheid van [zoon]. Dit is echter geen grond om de ouders van het gezag te ontheffen, zo stellen de ouders. Veeleer zou de stichting in samenspraak met de ouders een pad voor de periode na [zoon]’s achttiende verjaardag moeten uitzetten. Zo was het ook afgesproken. Het verzoek van de raad tot ontheffing van de ouders van het gezag kwam voor de ouders dan ook als een onaangename verrassing.

3.6. De raad heeft ter zitting verweer gevoerd en het standpunt ingenomen dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. De raad heeft daartoe - in het kort - het volgende naar voren gebracht. Het is duidelijk dat het toekomstperspectief van [zoon] niet bij de ouders thuis ligt. Ontheffing van de ouders van het gezag is in het belang van [zoon] teneinde een vervolgtraject voor hulpverlening na zijn minderjarigheid op te kunnen zetten. In het verleden hebben zich strubbelingen voorgedaan tussen de ouders en de stichting bij het nemen van belangrijke beslissingen in het leven van [zoon]. Daar komt bij dat de ouders met een taalachterstand kampen.

3.7. De stichting heeft zich ter zitting achter het standpunt van de raad geschaard. De stichting maakt zich met name zorgen over de hulpverlening aan [zoon] wanneer hij achttien jaar oud zal zijn geworden. De ouders hebben te kennen gegeven dat zij zich niet kunnen vinden in een ondercuratelestelling van [zoon]. Daar komt bij dat een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing tijdelijke maatregelen zijn. Tegen de laatste verlenging van de uithuisplaatsing van [zoon] hebben de ouders zich verzet. De ouders hebben altijd aangegeven dat zij liever zelf voor [zoon] willen zorgen.

3.8. Het hof overweegt het volgende.

3.8.1. Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW kan, ondanks dat de ouder zich daartegen verzet, de ontheffing worden uitgesproken indien na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. De bedoelde dreiging betreft de ernstige bedreiging van het kind in zijn zedelijke of geestelijke belangen of in zijn gezondheid.

3.8.2. Het hof onderschrijft het standpunt van de raad dat er gelet op enerzijds de uit de stukken naar voren komende problematiek van [zoon] en anderzijds de ontoereikende opvoedings- en verzorgingscapaciteit van de ouders geen perspectief is op een thuisplaatsing tijdens de minderjarigheid van [zoon] bij de ouders. In beginsel zou een ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag dan ook aangewezen kunnen zijn. Het hof is echter van oordeel dat in deze zaak van een verderstrekkende maatregel als een ontheffing geen positiever gevolg voor de behandeling en ontwikkeling van [zoon] te verwachten is dan bij handhaving van de lichtere maatregel van ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof neemt daartoe het volgende in aanmerking. Niet gebleken is dat de ontheffing van het gezag van de ouders in het belang van [zoon] zou zijn teneinde een vervolgtraject voor hulpverlening na zijn meerderjarigheid op te kunnen zetten. Het hof stelt allereerst vast dat met het opstellen van zo’n traject nog geen aanvang is gemaakt. De ouders hebben steeds meegewerkt aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Tegen de elkaar opvolgende verlengingen hebben zij nooit hoger beroep ingesteld. Het hof acht niet aannemelijk dat de ouders in de beperkte periode tot [zoon]’s meerderjarigheid niet langer met de uithuisplaatsing zullen blijven instemmen. Voorts zijn zij als gezagsouders altijd nauw betrokken geweest bij voortgangsgesprekken en belangrijke beslissingen over [zoon]. Niet gebleken is dat zij ooit hun medewerking aan dergelijke beslissingen geweigerd hebben.

Het hof acht niet aannemelijk dat dit in de betrekkelijk korte periode tot [zoon]’s meerderjarigheid anders zal zijn. Daarbij merkt het hof nog op dat het argument van de raad en de stichting dat ontheffing van de ouders in het belang is van [zoon] in verband met de mogelijke benoeming van een curator van onvoldoende betekenis is. Immers, alhoewel nog ongewis is of de ouders tijdens de minderjarigheid van [zoon] zelf een verzoek tot ondercuratelestelling van [zoon] zullen indienen, mag hierbij niet uit het oog verloren worden dat niet alleen de ouders, maar ook de officier van justitie – en de laatste ook nog tijdens de meerderjarigheid van [zoon] – bevoegd zijn c.q. is een verzoek tot ondercuratelestelling van laatstgenoemde bij de rechtbank in te dienen. Ten slotte geldt dat voor zover [zoon], die functioneert op het niveau van een kind van 13 maanden, al spanning en onrust ondervindt van de jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, het hierbij gelet op [zoon]’s leeftijd nog maar om één verlenging gaat.

Het hof is van oordeel dat onder de hiervoor beschreven omstandigheden het belang van [zoon] zich verzet tegen ontheffing van de ouders van het gezag over hem.

3.8.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking waarvan beroep zal worden vernietigd en het inleidende verzoek van de raad alsnog zal worden afgewezen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 juli 2012,

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het inleidende verzoek van de raad tot ontheffing van de vader en de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige [zoon], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (Italië);

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam;

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. Koens, O.G.H. Milar en A.P. van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2013.