Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:BY8143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
HV 200.113.175-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing; zelfstandige rechtsingang minderjarigen?; ontvankelijkheid minderjarigen; artikel 12 IVRK; artikel 6 EVRM; artikelen 24 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU; bijzonder curator; rechtens afdwingbare aanwezigheid advocaat bij horen minderjarigen?; artikel 809 Rv; recht van minderjarigen op inzage en afschrift; artikel 811 lid 1 Rv.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 809
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 811
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/45
JPF 2013/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 januari 2013

Zaaknummer : HV 200.113.175/01

Zaaknummer eerste aanleg : 116205 / JE RK 12-684 en 11626 / JE RK 12-685

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] en [Y.] en [Z.],

allen wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna ook te noemen: respectievelijk de moeder, [dochter 1.] en [dochter 2.],

advocaat van de moeder: mr. G.M. de Winther-Meijers,

advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.]: mr. E. Ramakers,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Limburg, locatie Roermond,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 6 juni 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met daaraan gehecht het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 5 september 2012, hebben de moeder, [dochter 1.] en [dochter 2.] verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad tot machtiging uithuisplaatsing af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2012, heeft [vader] (hierna: de vader) verzocht [dochter 1.] en [dochter 2.] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in hoger beroep, dan wel hun verzoeken af te wijzen en de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 november 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. De Winther-Meijers;

- mr. Ramakers;

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door mevrouw M.E.J. Simons;

2.3.1. Bij faxbericht d.d. 26 oktober 2012 heeft mr. Gerrand namens de vader het hof bericht dat zij noch de vader ter zitting zullen verschijnen. De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2. Het hof heeft de minderjarigen [dochter 1.] en [dochter 2.] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 5 juni 2012;

- de brief van de raad d.d. 2 oktober 2012;

- de ter zitting door de advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.] overgelegde pleitnota.

3. De beoordeling

3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [Y.] (hierna: [dochter 1.]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],

- [Z.] (hierna: [dochter 2.]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats].

3.2. [dochter 1.] en [dochter 2.] staan sinds 24 mei 2012 onder toezicht van de stichting. Zij zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging op 24 mei 2012 uit huis geplaatst in een accommodatie van een zorgaanbieder voor spoed- of crisisplaatsing.

3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de stichting om [dochter 1.] en [dochter 2.] tot uiterlijk 24 augustus 2012 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder voor spoed- of crisisplaatsing.

3.2.2. De uithuisplaatsing van [dochter 1.] en [dochter 2.] is op advies van de raad op 28 juni 2012 beëindigd.

3.3. De moeder, [dochter 1.] en [dochter 2.] kunnen zich met voornoemde beslissing van 6 juni 2012 niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De moeder, [dochter 1.] en [dochter 2.] voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

Primair wordt gesteld dat er een eigen zelfstandige rechtsingang voor [dochter 1.] en [dochter 2.] moet zijn omdat hun situatie feitelijk neerkomt op een gesloten plaatsing en zij geen vertrouwen hebben in een bijzonder curator. Subsidiair wordt gesteld dat [dochter 1.] en [dochter 2.] (als belanghebbenden) recht hebben op bijstand van een eigen advocaat ter zitting en tijdens het kinderverhoor en voorts dat de kinderen recht hebben op de onderliggende stukken. Nu [dochter 1.] en [dochter 2.] niet in de gelegenheid zijn gesteld zich te laten bijstaan door hun advocaat, hebben zij hun recht om gehoord te worden niet effectief kunnen realiseren hetgeen strijdig is met artikel 12 lid 2 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), nummer 45 van het General Comment, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de artikelen 24 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Omdat zij niet in het bezit zijn gesteld van alle stukken, hebben [dochter 1.] en [dochter 2.] de zaak samen met hun advocaat onvoldoende kunnen voorbereiden.

3.5. De vader heeft in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Dat zich een advocaat heeft opgeworpen, doet niets af aan het gegeven dat minderjarigen geen mogelijkheid hebben om zelfstandig in rechte op te treden. Door het horen van [dochter 1.] en [dochter 2.] heeft de rechtbank voldaan aan procedureregels van het nationale recht.

3.6. Het hof overweegt het volgende.

Ten aanzien van de primaire stelling (zelfstandige rechtsingang van [dochter 1.] en [dochter 2.]; ontvankelijkheid)

3.7.1. Ter beoordeling van het hof staat allereerst of [dochter 1.] en [dochter 2.], die nog minderjarig zijn, ontvankelijk zijn in hun hoger beroep.

3.7.2. Het hof overweegt hierover als volgt.

3.7.3. Het Nederlandse recht kent geen algemeen geldende zelfstandige rechtsingang voor minderjarigen. De ouders zijn de wettelijk vertegenwoordigers van hun kind (artikel 1:245 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en treden in rechte namens de minderjarige op. Wanneer de belangen van de ouder in strijd zijn met de belangen van de minderjarige kan de rechter in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding of het vermogen van de minderjarige een bijzonder curator benoemen (artikel 1:250 BW). Bij brief van 4 december 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 29 200 VI, nr. 116) heeft de Minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer – naar aanleiding van het verschijnen van het onderzoeksrapport ‘Minderjarigen als procespartij? Het functioneren van de bijzondere curator ex artikel 1:250 BW en de mogelijkheden van een formele rechtsingang voor minderjarigen’ – overigens ook uitdrukkelijk aangegeven dat er onvoldoende grond bestaat om een formele rechtsingang voor minderjarigen in het burgerlijk recht te introduceren.

Slechts in nadrukkelijk door de wetgever bepaalde gevallen komt aan een minderjarige wel een eigen zelfstandig recht toe om in rechte op te treden. Ten aanzien van de bij de bestreden beschikking uitgesproken uithuisplaatsing heeft de wetgever aan de minderjarige die het betreft niet het recht gegeven om zelfstandig in rechte op te treden door het instellen van hoger beroep. Er was immers geen sprake van een gesloten plaatsing in de zin van artikel 1:261 lid 5 BW. Daaraan doet niet af dat de kinderen aangeven de uithuisplaatsing wel als zodanig ervaren te hebben.

3.7.4. Voor zover de advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.] heeft betoogd dat het onthouden van een zelfstandige rechtsingang aan de minderjarigen strijd oplevert met het internationale recht of uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen, overweegt het hof dat de door de advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.] in dat verband aangehaalde in Nederland geldende regelingen weliswaar (mede) zien op de toegang van de minderjarige tot de rechter, doch niet de verplichting scheppen tot het openen van een zelfstandige rechtsingang, zodat naar het oordeel van het hof van strijd met deze regelingen geen sprake is. Het huidige wettelijke systeem waarin in beginsel de ouders hun kind in rechte vertegenwoordigen is met de door de advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.] genoemde regelingen in overeenstemming. In situaties waarin de ouders hun kind niet willen of kunnen vertegenwoordigen en in situaties waarin de wettelijke vertegenwoordiger niets onderneemt of het belang anders waardeert dan de minderjarige kan de rechter een bijzonder curator benoemen, waarbij de rechter ervoor waakt dat daarbij de belangen van de minderjarige behoorlijk worden behartigd. Als belanghebbende heeft de minderjarige zelf de mogelijkheid om de benoeming van een bijzondere curator te verzoeken. Dat zich in het onderhavige geval een van die situaties voordoet, is het hof evenwel niet gebleken, terwijl de belangen van de moeder en [dochter 1.] en [dochter 2.] hier voorts volledig parallel lopen.

3.7.5. Gelet op het voorgaande heeft het hof [dochter 1.] en [dochter 2.] ter zitting niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Hun belangen worden vertegenwoordigd door de moeder. Nu desgevraagd geen van de aanwezigen daartegen bezwaar heeft geuit, heeft het hof aan de advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.] toestemming gegeven om als toehoorder de mondelinge behandeling bij te wonen.

Ten aanzien van de subsidiaire stelling (bijstand van eigen advocaat en recht op onderliggende stukken)

3.8.1. Hoewel de termijn van de bestreden machtiging tot uithuisplaatsing op het moment van de mondelinge behandeling van het hof reeds is verstreken, neemt het hof in lijn met de vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 24 juni 2011, LJN BQ2292 en HR 14 oktober 2011, LJN: BR5151) aan dat de moeder desalniettemin een rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen. Haar behoort daarom niet het procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.

3.8.2. Op grond van artikel 1:261 lid 1 BW kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.3. Met het verzoek de pleitnota van de advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.] als hier herhaald en ingelast te beschouwen, is zijdens de moeder bepleit dat in de procedure voor de rechtbank zodanige essentiële vormvoorschriften zijn geschonden dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Immers, nu [dochter 1.] en [dochter 2.] door de rechtbank niet in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van alle relevante informatie en zich tijdens het horen te laten bijstaan door hun advocaat, ondanks hun uitdrukkelijk verzoek daartoe, is hun recht om gehoord te worden niet effectief gerealiseerd. [dochter 1.] en [dochter 2.] hebben daardoor geen daadwerkelijke toegang tot de rechter gehad.

3.8.4. Het hof overweegt hierover als volgt.

Ten aanzien van het horen van [dochter 1.] en [dochter 2.]

3.8.5. Artikel 809 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de rechter in zaken als de onderhavige niet beslist zonder de minderjarige van twaalf jaar of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening kenbaar te maken, tenzij het naar het oordeel van rechter een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. De regel strekt mede tot uitvoering van artikel 12 lid 1 IVRK: “De staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid”.

3.8.6. De wet bepaalt niet op welke wijze de minderjarige zijn mening kenbaar maakt. Artikel 809 Rv laat de rechter de vrijheid om het horen van de minderjarige in te richten op een wijze die het meest passend wordt geacht, rekening houdend met de leeftijd en de mogelijkheden van de betrokken minderjarige. In de praktijk wordt er dikwijls de voorkeur aan gegeven minderjarigen buiten de zitting op een informele wijze te horen of wordt hen de gelegenheid gegeven schriftelijk hun mening aan de rechter kenbaar te maken. Het is niet gebruikelijk dat de minderjarige bij het horen wordt bijgestaan door een advocaat of vertrouwenspersoon. Kinderen jonger dan twaalf jaar worden doorgaans slechts op verzoek gehoord.

3.8.7. In het onderhavige geval staat vast dat de plicht tot het horen van de betrokken minderjarigen niet is geschonden. [dochter 1.] en [dochter 2.] – laatstgenoemde jonger dan twaalf jaar – zijn bij de rechtbank, evenals bij het hof, voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting gehoord. Het standpunt van de moeder dat [dochter 1.] en [dochter 2.] daarbij in de gelegenheid gesteld hadden moeten worden zich door hun advocaat te laten bijstaan, miskent dat het wettelijk systeem voorziet in het horen door de rechter van de minderjarige zelf en niet in een rechtens afdwingbare aanwezigheid van een advocaat bij het horen van een minderjarige in zaken als de onderhavige. Nu blijkens de zijdens de moeder aangehaalde, kort gezegd, internationale regelingen, de minderjarige in de gelegenheid dient te worden gesteld zijn mening kenbaar te maken, hetzij rechtstreeks, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, die verenigbaar is met de procedureregels van het nationaal recht, is naar het oordeel van het hof van strijd met deze internationale regelingen geen sprake.

Ten aanzien van het recht van [dochter 1.] en [dochter 2.] op inzage en afschrift

3.9.1. Ingevolge artikel 811 lid 1 sub d Rv heeft de minderjarige van twaalf jaar of ouder in zaken betreffende minderjarigen recht op inzage en afschrift als bedoeld in artikel 290 Rv, van door de raad of het openbaar ministerie overgelegde bescheiden alsmede van door een deskundige op verzoek van de rechter overgelegde bescheiden, tenzij de rechter is gebleken dat hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

3.9.2. Het hof stelt voorop dat [dochter 2.] de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, zodat zij al geen belanghebbende in de zin van artikel 811 lid 1 sub d Rv is. Wat, vervolgens, de zijdens de moeder betrokken stelling betreft dat [dochter 1.] (die wel de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt) voorafgaand aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg niet in de gelegenheid is gesteld kennis te nemen van alle relevante informatie ondanks haar uitdrukkelijk verzoek daartoe, overweegt het hof als volgt.

3.9.3. Vooreerst overweegt het hof dat zijdens [dochter 1.] en [dochter 2.] verzocht is om afschrift van alle op de zaak betrekking hebbende bescheiden, waar artikel 811 lid 1 Rv slechts ziet op door de raad of het openbaar ministerie overgelegde bescheiden, alsmede van door een deskundige op verzoek van de rechter overgelegde bescheiden. Daarnaast is het hof gebleken dat er tussen de advocaat van de moeder en de advocaat van [dochter 1.] en [dochter 2.] collegiaal contact is geweest, hetgeen er onder meer toe heeft geleid dat er een gezamenlijk beroepschrift is ingediend en dat beide advocaten naar elkaars stukken verwijzen. Het hof acht derhalve aannemelijk dat de advocaten over alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikken waardoor [dochter 1.] en [dochter 2.] in dit opzicht in geen enkel juridisch relevant belang zijn benadeeld.

3.10. Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat er geen sprake is van de gestelde schending van essentiële vormvoorschriften op grond waarvan de beschikking vernietigd zou moeten worden. Nu ook geen inhoudelijke grieven zijn gericht tegen de uithuisplaatsing, concludeert het hof dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart [Y.], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] en [Z.], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 6 juni 2012;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, W.Th.M. Raab en E.N. van der Spoel en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2013.