Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:966

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
HD 200.108.394-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2847
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:590
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.108.394/01

arrest van 29 januari 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. Y.J.M.L. Dijk te Roermond,

tegen

  1. V.O.F. [V.O.F.], h.o.d.n. [TCC] Timmerwerken Carrosserie Contructions,

    gevestigd te [vestigingsplaats],

  2. [geïntimeerde 2],

    wonende te [woonplaats],

  3. [geïntimeerde 3],

    wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in hoger beroep niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 juni 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond gewezen vonnissen van 6 september 2011 en 15 mei 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerden – respectievelijk de v.o.f., [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3], tezamen: [geïntimeerden c.s.], – als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 318192 / CV EXPL 11-4702)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het tussenvonnis van 18 november 2011.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd, zijn eis vermeerderd en verminderd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en tot hetgeen overigens aan het slot van die memorie staat omschreven.

2.2.

[geïntimeerden c.s.] zijn in hoger beroep niet verschenen; tegen hen is verstek verleend.

2.3.

[appellant] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven en de eiswijziging, alsmede de toelichting daarop, wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[appellant] is eigenaar van een loods, gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Het linksvoor gelegen gedeelte van deze loods heeft hij bij huurovereenkomst van 30 juni 2009 verhuurd aan [geïntimeerden c.s.] tegen een huurprijs van € 1.785,- per maand inclusief btw.

Artikel 3 van de door partijen gesloten huurovereenkomst luidt als volgt:

‘3.1 Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 1 jaar, ingaande op 1 juli 2009 en lopende tot en met 30 juni 2010.

3.2

Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde periode wordt deze overeenkomst voortgezet voor een aansluitende periode van 4 jaar, derhalve tot en met 30 juni 2014.

Deze overeenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.

3.3.

Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste één jaar, met uitzondering van de eerste periode, hiervoor geldt een opzegtermijn van 3 maanden.

3.4.

Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploot of per aangetekend schrijven.’

Op de huurovereenkomst zijn de in juli 2003 vastgestelde ‘algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’ van toepassing verklaard.

4.1.2.

[geïntimeerden c.s.] hebben de loods voorafgaand aan 1 juli 2010 ontruimd en verlaten en zij hebben sinds 1 juli 2010 geen huur meer betaald aan [appellant].

4.2.

[appellant] heeft [geïntimeerden c.s.] in rechte betrokken en in eerste aanleg, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd een verklaring voor recht dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de loods niet is geëindigd door een opzegging of een andere wijze van beëindiging en dus voortduurt tot het einde van de contractsduur, te weten tot en met 30 juni 2014 en veroordeling van [geïntimeerden c.s.] tot:

  • -

    betaling aan [appellant] van de achterstallige huurtermijnen tot en met december 2010 en de nog te vervallen huurtermijnen over de periode vanaf januari 2011 tot aan de dag van uitspraak, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

  • -

    nakoming van zijn op grond van de huurovereenkomst geldende exploitatieverplichting tot het einde van de contractduur, op straffe van een dwangsom van € 1.785,- per dag dat zij in overtreding zijn;

  • -

    betaling aan [appellant] van de boete van 2 % met een minimum van € 300,- per maand vanaf 1 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

  • -

    betaling aan [appellant] van de boete van € 250,- per dag vanaf 1 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

  • -

    betaling aan [appellant] van de kosten voor heraansluiting van de toevoer van energie van € 283,22;

  • -

    betaling aan [appellant] van de kosten voor vervanging van de watermeter van € 104,76;

  • -

    betaling aan [appellant] van de buitengerechtelijke kosten van € 1.785,-;

  • -

    betaling aan [appellant] van de kosten voor het leggen van het conservatoir beslag van € 341,-;

- betaling aan [appellant] van de kosten van de deurwaarder tot het leggen van conservatoir beslag van € 262,10;

met veroordeling van [geïntimeerden c.s.] in de proceskosten.

4.2.1.

[appellant] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden c.s.] niet met inachtneming van een overeengekomen termijn en in ieder geval niet op de overeengekomen wijze (door middel van een deurwaardersexploot dan wel een aangetekende brief) de door partijen gesloten huurovereenkomst hebben opgezegd, zodat de huurovereenkomst ook na 1 juli 2010 is blijven voortduren en [geïntimeerden c.s.] ook nadien huurtermijnen aan [appellant] is verschuldigd.

Van Leeuwen hebben hiertegen verweer gevoerd, inhoudende dat zij tijdens een bespreking met [appellant] op 11 maart 2010 de huurovereenkomst mondeling hebben opgezegd tegen 1 juli 2010 en dat zij de opzegging vervolgens ook schriftelijk bij brief van 11 maart 2010 aan [appellant] hebben bevestigd.

4.3.

Bij tussenvonnis van 6 september 2011 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011.

4.4.

Bij tussenvonnis van 18 oktober 2011 heeft de kantonrechter [geïntimeerden c.s.] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat zij op of omstreeks 11 maart 2010 de tussen partijen bestaande huurovereenkomst hebben opgezegd tegen 1 juli 2010 en vervolgens ook deze opzegging in briefvorm (brief d.d. 11 maart 2010) ten huize van [appellant] hebben bezorgd.

4.5.

[geïntimeerden c.s.] hebben ter zitting van 22 maart 2012 een vijftal getuigen doen horen, te weten:

  • -

    [administratief medewerker] (administratief medewerker bij administratiekantoor [administratiekantoor]);

  • -

    [geïntimeerde 3];

  • -

    [geïntimeerde 2];

  • -

    [dochter van geintimeerde 2 en 3] (dochter van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] en werkneemster van de v.o.f.);

  • -

    [zoon van geintimeerde 2 en 3] (zoon van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] en werknemer van de v.o.f.).

Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Er heeft geen contra-enquête plaatsgevonden.

4.6.

Bij eindvonnis van 15 mei 2012 heeft de kantonrechter, kort gezegd, overwogen dat [geïntimeerden c.s.] zijn geslaagd in de aan hen opgedragen bewijslevering. De kantonrechter heeft vervolgens de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

[appellant] kan zich niet verenigen met dit vonnis en komt hiervan in hoger beroep.

4.7.

[appellant] heeft zijn eis in hoger beroep vermeerderd in die zin dat hij naast vernietiging van de bestreden vonnissen en toewijzing van zijn inleidende vorderingen - met uitzondering van de vordering tot betaling van de kosten voor heraansluiting van de toevoer van energie; deze handhaaft [appellant] in hoger beroep niet langer - tevens vraagt om veroordeling van [geïntimeerden c.s.] tot betaling van de resterende huurtermijnen, te weten de huurtermijnen van de maand, volgend op de maand waarin het hof arrest zal wijzen, tot en met 30 juni 2014, rekening houdend met de overeengekomen jaarlijkse indexering. Daarnaast heeft hij de in eerste aanleg gevorderde verklaring voor recht aldus aangevuld dat hij thans vordert voor recht te verklaren dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet rechtsgeldig door opzegging of op een andere wijze van beëindiging is geëindigd tegen 1 juli 2010 en dat de huurovereenkomst voortduurt tot en met 30 juni 2014 dan wel tot en met de datum waarop de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

Het hof overweegt dat, indien een partij niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten is, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt (artikel 353 lid 1 jo artikel 130 lid 3 Rv). Gesteld noch gebleken is dat de eiswijziging aan [geïntimeerden c.s.] is betekend. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen het desbetreffende betekeningsexploot in het geding te brengen. Voor het geval betekening van de eisvermeerdering (memorie van grieven) nog niet heeft plaatsgevonden, stelt het hof [appellant] in de gelegenheid dit alsnog te doen. Ook in dat geval dient hij het betekeningsexploot in het geding te brengen.

4.8.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 26 februari 2013 voor akte aan de zijde van [appellant] met het hiervoor in r.o. 4.7 aangegeven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, N.J.M. van Etten en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 januari 2013.