Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6825

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
20-003612-12
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van kraken. Ontvankelijkheid van het om; onrechtmatige ontruiming en onjuist opmaken van ambtsedige processen-verbaal.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 138a
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003612-12

Uitspraak : 25 september 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 29 oktober 2012 in de strafzaak met parketnummer 02-158138-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde (medeplegen van huisvredebreuk) vrijgesproken en is verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (medeplegen van kraken) en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde (medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen) en ter zake van het onder 3 ten laste gelegde (opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod) veroordeeld tot een geldboete van € 880,-, subsidiair 12 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ter zake van het onder 4 ten laste gelegde (opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod) is verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 65,-, subsidiair 1 dag vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep 1

Bij inleidende dagvaarding aan de verdachte onder 2 ten laste gelegd dat hij in of omstreeks 31 maart 2012 te Breda te zamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en wederrechtelijk een of meer sloten en of een ruit, toebehorende aan [aangeefster] heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat is bedoeld om het vernielen van meerdere afzonderlijke voorwerpen, die geen gezamenlijkheid vormen, cumulatief aan de verdachte ten laste te leggen.

Bij vonnis waarvan beroep is door de politierechter bewezen verklaard dat verdachte op 31 maart 2012 opzettelijk wederrechtelijk een slot toebehorende aan [aangeefster] heeft vernield. Blijkens p. 12 van het vonnis is dit het slot waarvan de cilinder weg was en niet het slot waarin een pin was gestoken. Gelet op p. 4 en p. 64 van het dossier gaat het om het slot in de buitendeur van de kantine op de eerste verdieping, De verdachte is vrijgesproken van de overige ten laste gelegde vernielingen.

Nu voor de verdachte geen hoger beroep openstaat tegen vrijspraak en de raadsvrouwe ter terechtzitting heeft medegedeeld dat het hoger beroep zich niet richt tegen de gegeven vrijspraken, wordt het hoger beroep begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen de tenlastegelegde vernielingen waarvan verdachte is vrijgesproken.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Primair heeft de verdediging bepleit dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Meer subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1 primair.
hij op of omstreeks 31 maart 2012 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen op/aan [A-straat] en in gebruik bij [aangeefster], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s);

1 subsidiair:
hij op of omstreeks 31 maart 2012 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een gebouw, gelegen op/aan [A-straat], waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en/of wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;

2.
hij op of omstreeks 31 maart 2012 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een slot, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.
hij op of omstreeks 31 maart 2012 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0.36 gram of 2 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethyiamine), zijnde 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethyiamine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.
hij op of omstreeks 31 maart 2012 te Breda aanwezig heeft gehad ongeveer 13.67 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van het hof van 11 september 2013 heeft de verdediging preliminair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Dit verweer is door het hof op deze terechtzitting deels verworpen en deels ontijdig verklaard. Naar het hof begrijpt heeft de verdediging bij slotpleidooi deze verweren herhaald. Ter onderbouwing heeft de verdediging preliminair de volgende gronden aangevoerd:

1.

Verzuim van vormen: het onjuist opmaken van ambtsedige processen-verbaal

Door de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn opzettelijk zeven onjuiste/valse ambtsedige processen-verbaal van aanhouding opgemaakt. De verdachte en medeverdachten zijn volgens de processen-verbaal van aanhouding op hetzelfde tijdstip en op de plaats delict aangehouden én op een andere plek, te weten in het cellencomplex Breda voorgeleid aan de hulpofficier van justitie [verbalisant 1]. Niet alleen verdachte en medeverdachten waren kennelijk volgens de processen-verbaal van aanhouding op dezelfde tijd op twee plekken aanwezig, dit gold ook voor hulpofficier van justitie [verbalisant 1]. [verbalisant 1] heeft deze valse ambtstedige verklaringen allemaal mede ondertekend. Door de politieambtenaren is willens en wetens een constructie opgezet om de werkelijkheid ter plekke anders voor te stellen, dan deze heeft plaatsgevonden, aldus de raadsvrouwe.

2.

Onrechtmatige ontruiming

Er is sprake geweest van een onrechtmatige ontruiming, omdat de verdachte en de medeverdachten in het pand aan de [A-straat] te Breda reeds huisrecht hadden gevestigd. De politie heeft verzuimd daar bij het binnentreden, aanhouden en bij de ontruiming van het pand, rekening mee te houden met dat huisrecht, aldus de raadsvrouwe. Nu er huisrecht was, was een machtiging tot binnentreden vereist. Deze machtiging ontbreekt in het dossier. Voorts had, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, NJ 2013, 153 de politie het voornemen tot ontruiming aan de bewoners moeten aanzeggen om hun de gelegenheid te geven desgewenst door middel van een kort geding op te komen tegen de ontruiming.

Het hof overweegt als volgt.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376).

Ad 1.

Ter terechtzitting van 11 september 2013 heeft het hof dit verweer reeds preliminair ongegrond verklaard. Het hof beslist thans hetzelfde en herhaalt hier wat het hof reeds bij de verwerping van het preliminaire verweer werd overwogen, als volgt.

De hulp-officier van justitie [verbalisant 1] is op 31 maart 2012 ter plaatse gekomen en heeft tegen de personen die zich in het pand aan de [A-straat] te Breda bevonden het volgende geroepen: “Jullie zijn allemaal aangehouden en komen nu een voor een naar buiten” (pv bevindingen verbalisant [verbalisant 2], p. 76; pv bevindingen verbalisant [verbalisant 3], p. 79; pv bevindingen verbalisant [verbalisant 4], p. 83).

[verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben in de processen-verbaal van aanhouding van verdachte en zijn mede-verdachten gerelateerd dat zij elke verdachte hebben aangehouden op een bepaald tijdstip in/bij het pand op de [A-straat] te Breda en tevens dat de voorgeleiding per verdachte telkens op datzelfde tijdstip had plaatsgevonden in het cellencomplex aan de Mijkenbroek 31 te Breda. (Zie de processen-verbaal van aanhouding, pagina’s 12-13, 25-26, 35-36, 53-54 en 60-61). Het tijdstip van aankomst van verdachten op het politiebureau Mijkenbroek is volgens de gegevensbladen van verdachte en zijn mede-verdachten telkens 03.00 uur (pagina’s 10, 23, 33, 51 en 58).

De vermelding in de processen-verbaal van aanhouding dat de voorgeleiding van verdachte en zijn mede-verdachten voor hulp-officier van justitie [verbalisant 1] op het politiebureau Mijkenbroek 31 te Breda op hetzelfde tijdstip zou hebben plaatsgevonden als de aanhouding door diezelfde [verbalisant 1] aan de [A-straat] te Breda is naar het oordeel van het hof een evidente vergissing. Van enige schending van het recht van de verdachte op een eerlijk proces is dus geen sprake. Dit is te meer zo nu volgens het bepaalde in artikel 53, derde lid in verband met het tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, voorgeleiding van de verdachten aan een hulpofficier van justitie geen vereiste was, aangezien de aanhoudingen reeds door een hulpofficier waren geschied.

Ad 2.

Het hof heeft ter terechtzitting van 11 september 2013 geoordeeld dat dit verweer ontijdig was omdat daarop niet kon worden beslist dan nadat onderzoek naar de feiten had plaatsgevonden. Bij pleidooi heeft de raadsvrouwe haar verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie herhaald.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 31 maart 2012 omstreeks 00.30 uur kreeg aangeefster mevrouw [aangeefster] telefoon van haar neef [betrokkene]. Zij hoorde dat het in de loods aan de [A-straat] te Breda was afgegaan omstreeks 00:10 uur (proces-verbaal van aangifte, p. 66).

Omstreeks 00.30 uur werd door de Gemeenschappelijke Meldkamer te Tilburg de melding gedaan dat er inbrekers in het pand van “[bedrijf van aangeefster]”, gevestigd aan de [A-straat] te Breda zaten. Hierop zijn verbalisanten er plaatse gegaan. Door de politie werd gezien dat er zich personen in dat pand bevonden (pv bevindingen, pagina’s 75 en 82).

Nadat de aangeefster ter plaatse was gearriveerd, deelde zij aan de politie mede dat zij niemand toestemming had gegeven het pand te betreden (pv bevindingen, p. 83).

Met toestemming van de aangeefster werd een toegangsdeur geforceerd en werden alle in het pand aanwezige personen aangehouden; de eerste om 01.45 uur (pv bevindingen p. 83; pv aanhouding, p. 12).

Het hof stelt voorop dat slechts degenen die een pand feitelijk als woning in gebruik hebben zich kunnen beroep op het huisrecht. Naar het oordeel van het hof was van feitelijk gebruik als woning door de verdachte en de medeverdachten geen sprake, met name gelet op de korte duur van het verblijf van de verdachte en medeverdachten in het pand: van omstreeks 00.10 uur toen het alarm afging tot omstreeks 01.45 uur. Bovendien wijst niets erop dat het pand door verdachte en zijn mede-verdachten werd bewoond. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat - nadat de (mede)verdachte(n) uit het pand zijn gekomen - daarin goederen zijn aangetroffen die duiden op een woonsituatie. Tenslotte hebben de verdachten die in het pand waren, nadat hun was meegedeeld dat zij waren aangehouden en dat ze een voor een naar buiten moesten komen, niet kenbaar gemaakt dat zijn zich metterwoon hadden gevestigd in deze loods. Ook nadien hebben zij zulks niet aangevoerd, immers zij hebben zich zowel bij de politie als op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep gebruik gemaakt van hun zwijgrecht.

Nu verdachte geen huisrecht had met betrekking tot het door hem gekraakte pand was de politie op grond van artikel 551a Wetboek van Strafvordering zonder meer gerechtigd het pand binnen te treden en verdachte en de mede-verdachten aan te houden en weg te voeren naar een plaats van verhoor. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dus geen sprake.

Het verweer van de raadsvrouwe dat niet kan worden bewezen dat aangeefster [aangeefster] eigenaar was van het pand gelegen aan de [A-straat] te Breda vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Zo kwam de politie ter plaatse naar aanleiding van een inbraakmelding bij “[bedrijf van aangeefster]”; werd aangeefster [aangeefster] ook van die melding op de hoogte gesteld; had aangeefster de politie ter plaatse gezegd de eigenaresse te zijn en de politie in het bezit gesteld van de sleutel van het pand waarmee de politie een deur in het pand van het slot kon draaien (pagina’s 66, 82-83). Uit deze bewijsmiddelen in onderling verband kan worden afgeleid dat aangeefster de eigenaresse was van het gekraakte pand.

Het hof verwerpt de verweren.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Feit 1 primair

Met de advocaat-generaal, de raadsvrouwe en de eerste rechter is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het onder 1. primair ten laste gelegde te komen. Het onderhavige pand stond immers reeds geruime tijd leeg (p. 83).

Feit 2

Het hof is - met de verdediging maar anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

[aangeefster] heeft in haar aangifte verklaard dat het slot van de buitendeur van de kantine op de eerste verdieping aan de binnenzijde was verwijderd en dat dit nog niet het geval was toen zij de laatste keer ter plaatse was (dossier pagina 67). In het dossier wordt verder gerelateerd (op pagina 4) dat het cilinderslot niet meer op de originele plaats in de deur zat en dat de witte lak rondom het slot was beschadigd. In het procesdossier ontbreekt echter voldoende wettig en overtuigend bewijs op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat deze beschadiging door verdachte op 31 maart 2012 te Breda al dan niet in vereniging met zijn mede-verdachten is veroorzaakt. Het pand stond al geruime tijd leeg. Onduidelijk is wanneer voor het laatst is geconstateerd dat dit slot nog intact was. Derhalve acht het hof de vernieling zoals ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 3, 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1

subsidiair:
hij op 31 maart 2012 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, in een gebouw, gelegen aan [A-straat], waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd, wederrechtelijk is binnengedrongen en wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd;

3.
hij op 31 maart 2012 te Breda opzettelijk aanwezig heeft gehad 2 pillen, van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethyiamine), zijnde 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethyiamine) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.
hij op 31 maart 2012 te Breda aanwezig heeft gehad ongeveer 13.67 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van kraken.

(strafbaar gesteld in artikel 138a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht)

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

(strafbaar gesteld in artikel 10, derde lid, van de Opiumwet)

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod.

(strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet)

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van deze feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf en of maatregel

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het onder 1 subsidiair, het onder 2 en het onder 3 ten laste gelegde een geldboete van € 880,-, subsidiair 12 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, gevorderd. Ten aanzien het onder 4 ten laste gelegde is door de advocaat-generaal gevorderd een geldboete van € 65,- subsidiair 1 dag hechtenis gevorderd.

De raadsvrouwe heeft oplegging van een taakstraf bepleit. Vanwege het feit dat verdachte over weinig geld beschikt en omdat hij zich naast zijn activistische bewoning op andere wijzen inzet voor de samenleving, verkiest verdachte, indien er een straf wordt opgelegd, in een vorm boete te doen die bijdraagt aan diezelfde samenleving, door middel van een taakstraf, aldus de raadsvrouwe.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan het kraken van een pand. Door het pand wederrechtelijk binnen te dringen, heeft verdachte het eigendomsrecht op ontoelaatbare wijze aangetast. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en aan het handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2013, eerder een transactie opgelegd heeft gekregen voor een vermogensdelict.

Feit 1 en feit 3

Een en ander in aanmerking genomen acht het hof - anders dan de advocaat-generaal en de raadsvrouwe - een geldboete van EUR 550,- subsidiair 11 dagen vervangende hechtenis, waarvan EUR 500, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het onvoorwaardelijke deel van de boete ziet op feit 3.

Feit 4

Verdachte heeft 13,67 gram hennep aanwezig gehad. Dit betreft naar het oordeel van het hof een geringe hoeveelheid, waarbij opmerking verdient dat tot en met een hoeveelheid van 5 gram politiesepot wordt toegepast. Gelet op de geringe ernst van het feit acht het hof het raadzaam dat ten aanzien van dit feit op de voet van artikel 9a van het wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10, en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 57 en 138a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3, 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Met betrekking tot feit 1 en feit 3

Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Met betrekking tot feit 4

Verklaart het onder 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Voet, griffier,

en op 25 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Waar in dit arrest wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders wordt aangegeven - bedoeld het dossier van het voorbereidend onderzoek, proces-verbaalnummer PL202F 2012069276, afgesloten 11 juni 2012, met bijlagen, doorlopende bladzijdenummering 001 – 099.