Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6681

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
HV200.131.424_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doordat de moeder gebruik heeft gemaakt van het blokkeringsrecht ten aanzien van een onderzoek verricht door het Ambulatorium, is het voor het hof niet mogelijk om vast te stellen of en zo ja onder welke voorwaarden er – mede gelet op de hechting en ontwikkeling van de minderjarige in het pleeggezin – mogelijkheden zijn voor een (gefaseerde) thuisplaatsing van de minderjarige.

Toelichting

De minderjarige staat sinds 5 juli 2012 onder toezicht van de stichting. De minderjarige is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 5 juli 2013 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. Zij verblijft sedert half december 2012 in het huidige perspectief biedend pleeggezin.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 5 juli 2014 en de aan de stichting verleende machtiging verlengd om de minderjarige met ingang van 5 juli 2013 tot het einde van de ondertoezichtstelling doch uiterlijk tot 5 januari 2014 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs

Het verzoek van de moeder in hoger beroep strekt - kort samengevat - tot vernietiging van de bestreden beschikking en het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen.

Het hof heeft reeds in een eerder stadium beslist over onder meer de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige.

In dat kader heeft het hof in de beschikking van 9 oktober 2012 overwogen dat de maatregel van ondertoezichtstelling in combinatie met de maatregel van uithuisplaatsing van tijdelijke aard is en dat zolang de uithuisplaatsing voortduurt gekeken dient te worden naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing. Het hof heeft destijds geoordeeld dat de periode na voormelde beschikking aangewend diende te worden om de (on)mogelijkheden van thuisplaatsing te onderzoeken.

Vervolgens heeft het hof deze lijn voortgezet door in de beschikking van 18 juli 2013 te overwegen dat het hof onvoldoende kon voorzien of uitbreiding van de omgangsregeling in het belang van de minderjarige was. Het hof heeft het van belang geacht dat daar door onderzoek bij het Ambulatorium meer zicht op zou komen.

Ook de rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat er in de periode, na de bestreden beschikking, bekeken zal moeten worden of de moeder over mogelijkheden beschikt om de minderjarig zelf op te voeden, en hoe de interactie tussen de minderjarige en de moeder verloopt.

De kinderrechter heeft eveneens het resultaat van het onderzoek door het Ambulatorium van belang en noodzakelijk geacht voor het nemen van vervolgstappen.

De rechtbank heeft in dat licht de uithuisplaatsing met een periode van zes maanden verlengd.

Ter zitting van het hof op 19 november 2013 is naar voren gekomen dat, ondanks het verzoek van het hof, de stichting het rapport van het Ambulatorium niet in het geding heeft kunnen brengen. De advocaat van de moeder heeft evenmin aan dit verzoek voldaan.

Gebleken is dat de moeder gebruik heeft gemaakt van haar blokkeringsrecht, hetgeen betekent dat de resultaten van het genoemde onderzoek niet zonder toestemming van de moeder bekend mogen worden gemaakt.

Ter zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat zij deze beslissing heeft genomen aangezien zij ervan overtuigd is dat dit onderzoek is gebaseerd op verouderde stukken welke via de stichting bij het Ambulatorium terecht zijn gekomen en dat het onderzoek derhalve niet onafhankelijk is verricht.

Het hof heeft gelet op het voorgaande als volgt geoordeeld.

Vaststaat dat de moeder vóór aanvang van het onderzoek bij het Ambulatorium heeft ingestemd met het feit dat het resultaat van dit onderzoek kenbaar gemaakt zou worden en dat zij er voorts mee heeft ingestemd dat via het onderzoek bij het Ambulatorium de mogelijkheden van terugplaatsing in kaart gebracht zouden worden.

De moeder heeft in haar beroepschrift alsook ter zitting benadrukt dat de gronden voor een uithuisplaatsing ontbreken, de achterstand van de minderjarige ten onrechte in verband is gebracht met de moeder, de moeder geen persoonlijkheidsstoornissen heeft, de stichting

niet heeft onderzocht welke minder vergaande middelen ingezet kunnen worden en de moeder volledig openstaat voor begeleiding en samenwerking. Door echter gebruik te maken van haar blokkeringsrecht is er thans geen recent verslag van een onderzoek door gedragsdeskundigen naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing van de minderjarige voorhanden. Het is dan ook voor het hof thans niet mogelijk om vast te stellen of en zo ja onder welke voorwaarden er

– mede gelet op de hechting en ontwikkeling van de minderjarige in het pleeggezin – mogelijkheden zijn voor een (gefaseerde) thuisplaatsing van de minderjarige.

Onder deze omstandigheden kan het hof derhalve niet anders dan te oordelen dat de gronden van artikel 1:261 lid 1 BW nog immer onverminderd aanwezig zijn en dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261, geldigheid: 2014-01-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 december 2013

Zaaknummer : HV 200.131.424/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/263174 JE RK 13-824

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.A. Remport Urban,

tegen

Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, mede kantoorhoudende te Roosendaal,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2013, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot verlenging machtiging uithuisplaatsing af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 september 2013, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Remport Urban;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw T. Bauer.

Als toehoorder was aanwezig: de moeder van de appellante, mevrouw [moeder van appellante].

2.3.1.

Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, geen vertegenwoordiger verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met als bijlage het procesdossier eerste aanleg van de advocaat van de moeder d.d. 29 augustus 2013;

  • -

    de brieven met bijlagen van de advocaat van de moeder d.dis 27 september en 4 oktober 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige dochter] (hierna: [minderjarige dochter]), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats].

Bij beschikking van de rechtbank Breda van 23 november 2010 is het vaderschap van [de vader], overleden te Moerdijk op 26 maart 2010, ten aanzien van [minderjarige dochter] vastgesteld.

3.2.

[minderjarige dochter] staat sinds 5 juli 2012 onder toezicht van de stichting. [minderjarige dochter] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 5 juli 2013 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. Zij verblijft sedert half december 2012 is het huidige perspectief biedend pleeggezin.

3.2.1.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, de ondertoezichtstelling van [minderjarige dochter] verlengd tot 5 juli 2014 en de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [minderjarige dochter] met ingang van 5 juli 2013 tot het einde van de ondertoezichtstelling doch uiterlijk tot 5 januari 2014 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift - kort samengevat - het volgende aan.

In de eerste plaats heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat [minderjarige dochter] op dit moment niet bij de moeder kan wonen. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank niet, althans onvoldoende, gemotiveerd, waarom [minderjarige dochter] niet terug zou kunnen keren naar de moeder.

De moeder stelt voorts dat er geen causaal verband hoeft te bestaan tussen de verbetering van de prestaties van [minderjarige dochter] en haar uithuisplaatsing. [minderjarige dochter] heeft de afgelopen tijd groei laten zien, maar de moeder meent dat [minderjarige dochter] ook een ontwikkeling zou hebben doorgemaakt indien zij thuis had kunnen blijven wonen. Dat het beter met [minderjarige dochter] gaat levert onvoldoende grond op om haar niet naar de moeder terug te laten gaan. [minderjarige dochter] heeft behoefte aan de moeder en mist haar erg, en dat is wederzijds.

Bovendien doet [minderjarige dochter] het goed, er is geen sprake van kindeigenproblematiek. Ook met de moeder gaat het goed. Er bestaan derhalve thans geen contra-indicaties voor de thuisplaatsing. De moeder benadrukt daartoe dat er geen medische stuk bestaat waaruit zou blijken dat de moeder een onacceptabel negatieve invloed zou hebben op [minderjarige dochter].

Daarbij komt dat de rechtbank ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het door de moeder als productie 1 bij het verweerschrift van 5 juni 2013 gevoegde rapport van GGZ WNB d.d. 27 maart 2013. Uit deze stukken van de psychiater blijkt dat er geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis bij de moeder naar voren zijn gekomen. Bovendien werkt de moeder mee aan het uitgebreide onderzoek bij het Ambulatorium, zij doet haar best om [minderjarige dochter] het beste te geven van wat zij heeft.

Tot slot stelt de moeder dat de verleende machtiging tot uithuisplaatsing in strijd is met artikel 8 EVRM.

3.5.

De stichting voert in het verweerschrift - kort samengevat - aan dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat [minderjarige dochter] op dit moment niet kan terugkeren bij de moeder.

Het is de stichting meer en meer duidelijk geworden dat de moeder niet in staat is te handelen in het belang van [minderjarige dochter].

De stichting heeft de moeder recent dan ook veelvuldig aan moeten spreken op haar gedrag, middels brieven, schriftelijke aanwijzingen en een verzoek bij de rechtbank.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

De stichting heeft medio februari 2013 een onderzoek bij het Ambulatorium aangevraagd. Dit onderzoek is ingesteld om te bekijken of de moeder over mogelijkheden beschikt om [minderjarige dochter] zelf op te voeden, en hoe de interactie tussen [minderjarige dochter] en de moeder verloopt.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hof op 8 oktober 2013 is gebleken dat het concept van het rapport van het Ambulatorium met de moeder is besproken. Het definitieve rapport was echter destijds nog niet bekend.

Hoewel de moeder haar bezwaren heeft geuit, heeft het hof het voor de beslissing van het hof nodig geacht om het definitieve rapport af te wachten. Het hof heeft vervolgens iedere verdere beslissing aangehouden tot de mondelinge behandeling op 19 november 2013.

4 De verdere beoordeling

4.1.

De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2013.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Remport Urban;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw T. Bauer.

De moeder van de appellante, mevrouw [moeder van appellante], was eveneens aanwezig.

4.1.1.

Namens de raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, geen vertegenwoordiger verschenen.

4.2.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de V6-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder d. dis 10 en 14 november 2013.

4.3.

Het hof overweegt het volgende.

4.4.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

4.4.1.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.5.

Dit hof heeft reeds in een eerder stadium beslist over onder meer de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige dochter].

In dat kader heeft het hof in de beschikking van 9 oktober 2012 overwogen dat de maatregel van ondertoezichtstelling in combinatie met de maatregel van uithuisplaatsing van tijdelijke aard is en dat zolang de uithuisplaatsing voortduurt gekeken dient te worden naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing. Het hof heeft destijds geoordeeld dat de periode na voormelde beschikking aangewend diende te worden om de (on)mogelijkheden van thuisplaatsing te onderzoeken.

Vervolgens heeft het hof deze lijn voortgezet door in de beschikking van 18 juli 2013 te overwegen dat het hof onvoldoende kon voorzien of uitbreiding van de omgangsregeling in het belang van [minderjarige dochter] was. Het hof heeft het van belang geacht dat daar door onderzoek bij het Ambulatorium meer zicht op zou komen.

Ook de rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat er in de periode, na de bestreden beschikking, bekeken zal moeten worden of de moeder over mogelijkheden beschikt om [minderjarige dochter] zelf op te voeden, en hoe de interactie tussen [minderjarige dochter] en de moeder verloopt. De kinderrechter heeft eveneens het resultaat van het onderzoek door het Ambulatorium van belang en noodzakelijk geacht voor het nemen van vervolgstappen.

De rechtbank heeft in dat licht de uithuisplaatsing met een periode van zes maanden verlengd.

4.5.1.

Ter zitting van het hof op 19 november 2013 is naar voren gekomen dat, ondanks het verzoek van het hof, de stichting het rapport van het Ambulatorium niet in het geding heeft kunnen brengen. De advocaat van de moeder heeft evenmin aan dit verzoek voldaan.

Gebleken is dat de moeder gebruik heeft gemaakt van haar blokkeringsrecht, hetgeen betekent dat de resultaten van het genoemde onderzoek niet zonder toestemming van de moeder bekend mogen worden gemaakt.

Ter zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat zij deze beslissing heeft genomen aangezien zij ervan overtuigd is dat dit onderzoek is gebaseerd op verouderde stukken welke via de stichting bij het Ambulatorium terecht zijn gekomen en dat het onderzoek derhalve niet onafhankelijk is verricht.

4.5.2.

Gelet op het voorgaande oordeelt het hof als volgt.

Vaststaat dat de moeder vóór aanvang van het onderzoek bij het Ambulatorium heeft ingestemd met het feit dat het resultaat van dit onderzoek kenbaar gemaakt zou worden en dat zij er voorts mee heeft ingestemd dat via het onderzoek bij het Ambulatorium de mogelijkheden van terugplaatsing in kaart gebracht zouden worden.

De moeder heeft in haar beroepschrift alsook ter zitting benadrukt dat de gronden voor een uithuisplaatsing ontbreken, de achterstand van [minderjarige dochter] ten onrechte in verband is gebracht met de moeder, de moeder geen persoonlijkheidsstoornissen heeft, de stichting

niet heeft onderzocht welke minder vergaande middelen ingezet kunnen worden en de moeder volledig openstaat voor begeleiding en samenwerking. Door echter gebruik te maken van haar blokkeringsrecht is er thans geen recent verslag van een onderzoek door gedragsdeskundigen naar de mogelijkheden voor thuisplaatsing van [minderjarige dochter] voorhanden. Het is dan ook voor het hof thans niet mogelijk om vast te stellen of en zo ja onder welke voorwaarden er – mede gelet op de hechting en ontwikkeling van [minderjarige dochter] in het pleeggezin – mogelijkheden zijn voor een (gefaseerde) thuisplaatsing van [minderjarige dochter].

Onder deze omstandigheden kan het hof derhalve niet anders dan te oordelen dat de gronden van artikel 1:261 lid 1 BW nog immer onverminderd aanwezig zijn en dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden.

4.5.3.

Wat betreft de verwijzing door de moeder naar artikel 8 EVRM, overweegt het hof dat het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in dit artikel, inperking toestaat indien noodzakelijk en voor zover daarin bij wet is voorzien. Aan beide voorwaarden is in deze voldaan.

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

5 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2013,voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. Koens, M.C. van Dijkhuizen, S.W.E. Rutten en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.