Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6578

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
HD 200.078.771-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.078.771/01

arrest van 31 december 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [plaats 1],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

nader te noemen: de man,

advocaat: mr. J.E. Jalandoni te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

nader te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 februari 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer 208705/HA ZA 09-1670 gewezen vonnissen van 9 juni 2010 en 8 september 2010.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 8 februari 2011 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2011;

- de memorie van grieven van 22 november 2011;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van 24 juli 2012 met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van 20 augustus 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

7 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

In de overweging 3.1. van het tussenvonnis van 9 juni 2010 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

7.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Partijen zijn op 2 april 2007 na het opmaken van huwelijkse voorwaarden gehuwd.

Deze huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

“(…)

Uitsluiting gemeenschap van goederen

Tussen de echtgenoten zal geen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van

goederen bestaan.

Echtscheiding: beperkte afrekening/deling

Algehele gemeenschap van goederen, behoudens

Bij echtscheiding… zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in een wettelijke

gemeenschap van goederen (zoals die thans geldt naar Nederlands recht) gehuwd waren.

Buiten de afrekening blijven echter:

- het ondernemingsvermogen van een of beide echtgenoten, in welke vorm dan ook…;

Onder het ondernemingsvermogen valt onder andere het registergoed aan de

[adres 1], [postcode] [plaats 1],…, en de daarmee verbonden schuld(en).

- alle opbrengsten van voorgaande categorieën

(…)

Wijze van afrekening

De afrekening geschiedt naar de toestand en waarde in het economisch verkeer op de datum als bedoeld in artikel 1:142 Burgerlijk Wetboek.

(…)

Kosten van de huishouding

Verdeling kosten ten laste van het inkomen

De kosten van de huishouding –uitgaven voor bijvoorbeeld levensonderhoud, vakanties, woning en dergelijke- komen ten laste van ieders netto inkomen uit arbeid, onderneming en/of vermogen, naar evenredigheid daarvan.

Het recht op verrekening van het teveel betaalde aan de kosten aan de huishouding vervalt zes maanden na het betreffende kalenderjaar.

(…)

Lichtvaardigheid/verspilling

De echtgenoot die op lichtvaardige wijze schulden maakt, goederen verspilt of rechtshandelingen verricht zonder de vereiste toestemming van de andere echtgenoot, is tegenover de andere echtgenoot verplicht tot vergoeding van de schade. Ten aanzien van deze vergoedingsvordering is vanaf het ontstaan de wettelijke rente verschuldigd.

(…)”

b. Partij(en) hebben de navolgende registergoederen verkocht:

- [adres 4], [plaats 2], geleverd op 8 juni 2007 voor een prijs van € 350.000,--;

- [adres 2] en [adres 3], [plaats 1], geleverd op 17 mei 2008 voor een prijs van € 430.000,--;

- het bedrijfspand [adres 1], [plaats 1], geleverd op 17 oktober 2008 voor een prijs van € 160.000,--

c. De bedragen die resteerden uit de verkoop van genoemde registergoederen zijn gestort op een of meer ten name van de vrouw staande bankrekeningen.

d. Het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding is op of omstreeks 11 december 2008 bij de rechtbank Breda ingediend.

e. Partijen hebben hun toenmalige raadsman ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek gemeld dat het enige relevante activum behorende tot de te verdelen gemeenschap was een bedrag van circa € 200.000,--.

f. De echtscheiding tussen partijen is door de rechtbank Breda uitgesproken op 25 maart 2009 en op 9 april 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

g. De man heeft conservatoir beslag laten leggen op alle vorderingen, gelden etc. van de vrouw op of bij de Fortis Bank (Nederland) N.V..

De man heeft de vrouw in rechte betrokken en in eerste aanleg, samengevat, gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 511.750,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding alsmede de proceskosten, bij niet voldoening vermeerderd met de wettelijke handelsrente en nakosten, alsmede de kosten van het conservatoir beslag. De vrouw heeft verweer gevoerd.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 119.920,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening alsmede tot een bedrag van € 52.540,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening, een en ander met compensatie van de proceskosten.

Partijen kunnen zich niet met dit vonnis verenigen en zij zijn daarvan in hoger beroep gekomen.

7.3.

De grieven van de man en de vrouw zien op de volgende onderwerpen:

- peildatum en omvang van de te verdelen boedel (grieven 1 en 2 man in principaal appel);

- subsidiaire stelling man omtrent verspilling (grief 3 man in principaal appel);

- veroordeling vrouw tot betaling aan man van de in het dictum genoemde gelden (grief vrouw in

incidenteel appel).

7.4.

Op grond van de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden staat vast dat er sprake is van een finaal verrekenbeding, dat ertoe strekt dat partijen afrekenen door de waarde van de beide vermogens op de peildatum bij elkaar op te tellen en de som daarvan – vanwege de overeengekomen fictie dat zij op dat moment in gemeenschap van goederen gehuwd zijn – bij helfte te delen. Daarvan uitgezonderd is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de opbrengst van het registergoed aan de [adres 1] te [plaats 1], nu gezien het bepaalde in de akte huwelijkse voorwaarden de man recht heeft op de volledige verkoopopbrengst van dat pand. Als peildatum heeft conform de huwelijkse voorwaarden te gelden de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank, derhalve 11 december 2008.

7.4.1.

De man stelt thans in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte van voormelde peildatum uitgegaan is. De man laat echter na te motiveren waarom in de onderhavige situatie in afwijking van hetgeen partijen daaromtrent overeengekomen zijn van een andere datum uitgegaan zou dienen te worden. De enkele stelling dat niet alle bankrekeningen van de vrouw in de verdeling betrokken zijn is daartoe volstrekt onvoldoende, nu dit los staat van de peildatum. Ook het hof zal derhalve uitgaan van de datum 11 december 2011 als peildatum voor de omvang van de te verdelen gemeenschap.

7.4.2.

In zijn eerste en tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte uitgegaan is van een bedrag van € 200.000, - als zijnde het te verdelen actief, nu het gaat om een veel groter bedrag. In zijn derde grief stelt de man, maar dit subsidiair, dat indien het door hem gevorderde bedrag niet meer aanwezig zou zijn er sprake is geweest van verspilling door de vrouw op grond waarvan zij (gezien het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden) jegens hem verplicht is tot vergoeding van de schade alsook de wettelijke rente. De vrouw heeft de grieven van de man gemotiveerd betwist.

7.4.3.

Nu de man een beroep heeft gedaan op het rechtsgevolg (betaling door de vrouw aan hem van een bedrag van € 511.750,-) van zijn stellingen dat er op de peildatum, in casu dus 11 december 2008, een groter vermogen verrekend dient te worden dan het door de rechtbank in aanmerking genomen vermogen van € 200.000,-, subsidiair, indien er minder vermogen aanwezig is, er sprake geweest is van verspilling op grond waarvan de vrouw jegens hem schadeplichtig is dient de man zijn stellingen te bewijzen. De man heeft in dat kader gewezen op de omstandigheid dat de vrouw over meer bankrekeningen beschikt of heeft beschikt. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat het vorenstaande juist is. Er worden namelijk meerdere bankrekeningen genoemd die de vrouw alleen dan wel samen met de heer [bankrekeninghouder] had. Het gaat meer specifiek om de rekeningen met de nummers: [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en

[nummer 4] en de spaarrekening met nummer [nummer 5].

7.4.4.Het hof is van oordeel dat de vrouw de stellingen die betrekking hebben op haar betwisting dat sprake is van een groter vermogen op de peildatum dan wel de verspilling door haar van het vermogen onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. De vrouw verwijst immers slechts naar de brief van de toenmalige raadsman van partijen van 11 december 2008, waarin onder andere het volgende wordt overwogen:

“(…)

Jullie hebben mij tijdens de bespreking duidelijk aangegeven dat jullie alleen willen scheiden en geen afrekening willen van de gemeenschap zoals deze conform jullie huwelijkse voorwaarden zou bestaan bij echtscheiding. Jullie hebben mij verteld dat alleen een geldbedrag van circa

€ 200.000,- ( zijnde de verkoopopbrengst van onroerend goed) tot de te verdelen gemeenschap behoort, maar dat jullie deze gemeenschap onverdeeld willen laten. Volgens jullie is dit geldbedrag ook het enige activa dat jullie bezitten. Jullie bezitten verder geen andere activa, die verdeeld zouden moeten worden.

(…)”

De vrouw heeft niet ontkend dat er meer bankrekeningen zijn dan wel geweest zijn, zodat niet zonder meer vast staat dat voornoemd bedrag op 11 december 2008 het enige overgebleven actief was. Met betrekking tot de gestelde verspilling volstaat de vrouw met een verwijzing naar het verhoor van de man door de Federale Gerechtelijke Politie te Antwerpen op 27 september 2007. Daarnaast merkt zij op dat een deel (€ 200.000,-) van de opbrengst (€ 230.000,-) van de verkoop van het pand in [plaats 2] welke opbrengst op haar easy packrekening met nummer [nummer 6] werd gestort, bedoeld was als gedeeltelijke betaling om haar vrij te kopen. De opbrengst

(€ 405.000,-) van het pand aan de [adres 2] te [plaats 1] is op 22 mei 2008 gestort op de meergenoemde Easy packrekening op naam van de vrouw.

Vast staat echter, vide het verhoor van de man, dat het bedrag van € 200.000,- op 16 juni 2007 is doorgestort naar een spaarrekening op naam van de vrouw en de heer [bankrekeninghouder], waarschijnlijk met nummer [nummer 5] dan wel [nummer 3]. Van het bedrag van € 405.000,- resteerde in augustus 2008 nog slechts een bedrag van € 173.851,01. De man heeft de stelling van de vrouw omtrent het vrijkopen van haar gemotiveerd betwist en verder is onduidelijk gebleven en valt zulks ook niet uit de wel overgelegde bankafschriften af te leiden wat er met het geld gebeurd is. De vrouw heeft geen feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van de man. Nu het hierbij gaat om gegevens waarover de man niet kan beschikken, terwijl op hem de bewijslast rust, verlangt het hof van de vrouw dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar hiervoor vermelde betwisting, teneinde de man aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen.

7.4.5.

Op grond van het vorenstaande beveelt het hof op grond van artikel 22 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de vrouw de bankafschriften met betrekking tot de in rechtsoverweging 7.4.3. genoemde rekeningen over de periode van 16 juni 2007 tot en met 11 december 2008 in het geding te brengen.

De vrouw dient deze stukken met toelichting bij akte in het geding te brengen, bij gebreke waarvan het hof de gevolgtrekkingen kan maken die hij geraden acht.

De man zal bij antwoordakte kunnen reageren.

4 De beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van 28 januari 2014 voor akte aan de zijde van de vrouw met het hiervoor in rechtsoverweging 7.4.5. weergegeven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, C.D.M. Lamers en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 december 2013.