Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6532

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
HV 200.126.587-01 vervolg
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:6531
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1284
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 28 november 2013

Zaaknummer: HV 200.126.587/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/166744 / FA RK 11-1532

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.A.M. van den Eeden,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.A. Moonen.

5 De beschikking d.d. 15 oktober 2013

Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] voortaan bij de vader zal zijn en heeft het hof iedere verdere beslissing aangehouden.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 17 oktober 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 29 oktober 2013.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Het hof overweegt dat thans enkel nog ter beoordeling aan het hof voorligt het verzoek van de vader te bepalen:

  • -

    dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan alleen aan de vader toekomt;

  • -

    dat de moeder met ingang van 12 februari 2013 met betrekking tot [minderjarige 1] en met ingang van 1 mei 2013 met betrekking tot [minderjarige 2], althans per datum als door het hof te bepalen, bij vooruitbetaling een bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader dient te betalen van € 405,-- per kind per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.

Gezag

7.2.

Ten aanzien van het gezag overweegt het hof als volgt.

7.2.1.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de vader en de moeder niet, dan wel onvoldoende in staat zijn om als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met elkaar te communiceren, waardoor de kinderen steeds meer klem en verloren raken tussen de ouders. De ernstig verstoorde verstandhouding tussen partijen leidt er ondermeer toe dat beide kinderen kampen met loyaliteitsproblemen waardoor zij zich niet vrij kunnen bewegen in de relatie tussen de ouders. Het hof is derhalve van oordeel dat partijen in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan hun ouderrelatie dienen te werken. Het is thans en voor de toekomst in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat partijen op ouderniveau met elkaar leren communiceren.

7.2.2.

Ter zitting in hoger beroep heeft het hof met partijen de mogelijkheden om voornoemde problematiek op te lossen door middel van forensische mediation besproken. Forensische mediation is een deskundigenbericht in de zin van artikel 194 e.v. Rv.

Het hof acht in deze zaak forensische mediation noodzakelijk, omdat een beslissing van het hof op het thans voorliggende geschil, de daadwerkelijke onderliggende problematiek van partijen niet oplost. Mocht de forensische mediation niet leiden tot een oplossing van de problematiek, dan kan de forensisch mediator het hof een advies geven met betrekking tot het gezag.

7.2.3.

Partijen hebben de benoeming van de deskundige, alsmede de vraagstelling overgelaten aan het hof. Het hof wijst partijen op het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv dat bepaalt dat partijen verplicht zijn aan de forensische mediation mee te werken en dat wanneer partijen niet aan deze verplichting voldoen, het hof daaruit de gevolgtrekking kan maken die het hof geraden acht.

7.2.4.

Het hof zal mevrouw dr. C.A.E.M. Goosen, forensisch mediator, gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres] ([postcode]) te [vestigings- en kantoorplaats] benoemen tot deskundige.

Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundige kan zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan over het verloop en de voortgang van het onderzoek.

7.2.5.

De deskundige – die zich bereid heeft verklaard de forensische mediation te verrichten – wordt verzocht tijdens de onderzoeksfase gesprekken met partijen te voeren en zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken te bewerkstelligen dat partijen in het belang van de kinderen in staat zullen zijn tot constructief overleg met betrekking tot hetgeen hen thans verdeeld houdt en waar mogelijk, hun geschil te beëindigen.

Partijen dienen de deskundige binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven in tweevoud te voorzien van afschriften van de processtukken.

Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 7 april 2014 pro forma, teneinde de forensische mediation te laten plaatsvinden.

7.2.6.

Het hof verzoekt de deskundige te rapporteren en te adviseren omtrent de volgende vragen:

  1. Hoe is de relatie tussen partijen op ouderniveau? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan?

  2. Kan de ouderrelatie zodanig worden verbeterd, dat de kinderen buiten de strijd van partijen blijven en de kinderen geen last hebben van de communicatie tussen partijen?

  3. Kan de communicatie tussen partijen ten aanzien van de kinderen zodanig worden verbeterd dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij in de toekomst in overleg beslissingen omtrent de kinderen kunnen nemen?

  4. Hoe is de relatie van de kinderen met enerzijds de moeder en de vader individueel en anderzijds met de beide ouders tezamen?

  5. In hoeverre zijn partijen in staat elkaar ruimte te bieden voor contact met de kinderen?

  6. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen? En zo deze naar voren komen, welke zijn dit?

7.2.7.

Het hof merkt op dat de forensische mediation alleen kans van slagen heeft wanneer beide ouders zich constructief en coöperatief opstellen.

7.2.8.

De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het deskundigenonderzoek en de door het hof gestelde vragen te beantwoorden. Afhankelijk van de inhoud van het rapport van de deskundige en de reactie van partijen kan het hof dan nog een mondelinge behandeling bepalen.

7.2.9.

Bij toepassing van de artikelen 195, 199 en 200 Rv komen de kosten van een dergelijk onderzoek in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In verzoekschriftprocedures verklaart artikel 284 lid 1 Rv die bepalingen van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van de kinderen nodig is dat forensische mediation plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige te benoemen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten, tot een maximum bedrag van € 5.250,-- exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW, ten laste van het rijk zullen komen. Het hof gaat er daarbij voorshands vanuit dat de totale kosten van de forensische mediation een bedrag van € 5.250,-- exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW niet te boven zullen gaan. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 150,-- per uur, exclusief BTW.

Mocht tijdens de forensische mediation blijken dat dit bedrag dreigt te worden overschreden, dan gaat het hof ervan uit dat de deskundige tijdig hierover met het hof in overleg zal treden.

Kinderalimentatie

7.3.

Ten aanzien van de kinderalimentatie overweegt het hof als volgt.

7.3.1.

Nu het hof in hoger beroep ook het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader heeft bepaald, ziet het hof aanleiding om het verzoek van de vader inzake kinderalimentatie te beoordelen. Daartoe heeft de vader, op het verzoek van het hof, bij brief van 17 oktober 2013 recente inkomensgegevens overgelegd, waarop de moeder bij brief van 29 oktober 2013 heeft gereageerd.

7.3.2.

Gelet op de inhoud van voormeld schrijven van de moeder is het hof van oordeel dat, voordat in deze zaak een beslissing kan worden genomen, een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk is teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen te verstrekken en te reageren op elkaars standpunten. Daartoe zal het hof de zaak aanhouden, waarbij de verdere behandeling van de zaak zal plaatsvinden op een nog nader te bepalen dag en tijd, waarvoor partijen door de griffier van dit hof zullen worden opgeroepen.

7.3.3.

Bij voormeld schrijven van 29 oktober 2013 heeft de moeder zich bereid verklaard een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 250,-- per kind per maand. Derhalve stelt het hof voorlopig de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast op € 250,-- per kind per maand, met ingang van 15 oktober 2013 en houdt het hof iedere verdere beslissing aan. De definitieve bijdrage zoals die zal gelden vanaf 15 oktober 2013 zal na de mondelinge behandeling in een nadere beschikking worden vastgesteld.

7.4.

Op grond van het vorenstaande zal het hof, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover het betreft het gezag en de definitieve bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, iedere verdere beslissing aanhouden.

8 De beslissing

Het hof:

Gezag:

gelast een deskundigenonderzoek zoals in het lichaam van deze beschikking bedoeld;

benoemt tot deskundige dr. C.A.E.M. Goosen, forensisch mediator, gevestigd en kantoorhoudende aan de [adres] ([postcode]) te [vestigings- en kantoorplaats];

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. W.Th.M. Raab;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken in tweevoud ter beschikking van de deskundige zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat het de deskundige vrij staat in het uit te brengen verslag al datgene op te merken wat naar haar inzicht dienstig kan zijn, óók indien dit niet rechtstreeks uit de opdracht voortvloeit;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

bepaalt dat de deskundige tijdig vóór 7 april 2014 het hof (postbus 70583, 5201 CZ

's-Hertogenbosch) schriftelijk zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek;

verzoekt de deskundige bij eventuele vertraging van het onderzoek de raadsheer-commissaris hierover tijdig te informeren onder vermelding van de oorzaak;

verzoekt de deskundige een afschrift van de rapportage toe te zenden aan de advocaten van partijen alsmede aan de Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant;

bepaalt dat de kosten van de deskundige door de griffier zullen worden betaald en ten laste zullen komen van 's Rijks kas, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 7.2.9 bepaalde;

houdt in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing pro forma aan tot 7 april 2014;

Kinderalimentatie

bepaalt dat de vrouw aan de man als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

  • -

    [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zal voldoen een bedrag van € 250,-- per kind per maand, met ingang van 15 oktober 2013 en te voldoen bij vooruitbetaling;

houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot 7 april 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, M.J.C. Koens en P.C.G. Brants en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2013.