Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6531

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
09-04-2015
Zaaknummer
HV 200.126.587-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1284
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:6532
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 15 oktober 2013

Zaaknummer: HV 200.126.587/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/166744 / FA RK 11-1532

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.A.M. van den Eeden,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.A. Moonen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 april 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 april 2013, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het verzoek tot het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] is afgewezen en opnieuw rechtdoende te bepalen:

  • -

    dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader zal zijn;

  • -

    dat het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voortaan alleen aan de vader toekomt;

  • -

    dat de moeder met ingang van 12 februari 2013 met betrekking tot [minderjarige 1] en met ingang van [geboortedatum] 2013 met betrekking tot [minderjarige 2], althans per datum als door het hof te bepalen, bij vooruitbetaling een bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader dient te betalen van € 405,- per kind per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 juni 2013, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vader af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 20 juni 2013, heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting) zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van den Eeden;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Moonen;

  • -

    Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad];

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting].

2.4.1.

Het hof heeft de minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 maart 2013;

  • -

    de brief met bijlage van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg d.d. 17 mei 2013;

  • -

    het faxbericht met bijlage van de stichting d.d. 14 juni 2013;

  • -

    de brief van de stichting d.d. 9 september 2013;

  • -

    de bij V-formulier ingediende stukken van de advocaat van de vader d.d. 3 oktober 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 oktober 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg d.d. 11 oktober 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 23 juni 1986 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

[minderjarige 1] heeft het hoofdverblijf bij de vader. [minderjarige 2] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 20 augustus 2003 heeft de rechtbank Maastricht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 12 september 2003is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking is een omgangsregeling vastgesteld op grond waarvan de kinderen bij de vader verblijven gedurende een weekeinde per veertien dagen van zaterdagochtend tot zondagavond, alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties.

Voorts is de vader bij genoemde beschikking veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 450,- per kind per maand.

3.2.1.

Bij beschikking van 12 februari 2013 is [minderjarige 1] voor de duur van één jaar onder toezicht van de stichting gesteld en heeft de rechtbank machtiging aan de stichting verleend om [minderjarige 1] voor de duur van één jaar uit huis te plaatsen bij zijn vader.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] voortaan bij de vader zal zijn en heeft de rechtbank voormelde beschikking van 20 augustus 2003 gewijzigd voor zover de vader daarbij is veroordeeld tot het betalen van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De rechtbank heeft deze bijdrage met ingang van 12 februari 2012 op nihil bepaald. Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het verzoek tot het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 2], afgewezen.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover daarbij het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2], alsmede het verzoek tot het wijzigen van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] is afgewezen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat het volgende aan. De vader handhaaft zijn in eerste aanleg ingenomen standpunt dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat hij het eenhoofdig gezag over hen verkrijgt. Volgens de vader zijn de kinderen klem en/of verloren geraakt tussen de ouders, nu de moeder de belangen van de kinderen volledig ondergeschikt maakt aan haar eigen frustraties en gevoelens en zij iedere medewerking weigert die noodzakelijk is om de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] inhoud te geven, zoals de overdracht van zijn medisch dossier aan de opvolgend huisarts, de keuze van en aanmelding op een nieuwe school en de overdracht/aanvraag van identiteitspapieren voor [minderjarige 1].

Voorts voert de vader aan dat de rechtbank ten onrechte het hoofdverblijf van [minderjarige 2] niet bij de vader heeft bepaald nu de raad in eerste aanleg heeft geconcludeerd en geadviseerd dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat het hoofdverblijf van beide kinderen voortaan bij de vader zal zijn. Volgens de vader hangen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeer aan elkaar en kunnen zij elkaar feitelijk niet missen. De vader bestrijdt dan ook de stelling dat [minderjarige 2] sinds het vertrek van [minderjarige 1] meer aandacht vraagt en krijgt van de moeder en dat [minderjarige 2] zich thuis zou voelen bij de moeder en de stiefvader.

3.6.

De moeder betwist de stellingen van de vader en voert, kort samengevat, aan dat ongeacht waar de kinderen hun hoofdverblijf hebben, het gezamenlijk gezag gehandhaafd dient te blijven. De moeder ontkent niet dat er tussen haar en de vader communicatieproblemen zijn, maar volgens de moeder is het volstrekt in strijd met de waarheid dat die problemen louter en alleen aan de moeder te verwijten zijn. De moeder is graag bereid en ook in staat om, mede met de vader, het gezamenlijk gezag over de kinderen te blijven voortzetten. Er is geen enkel steekhoudend argument om in dit geval het gezag bij de moeder weg te nemen en alleen bij de vader neer te leggen, aldus de moeder.

Voorts acht de moeder het in het belang van [minderjarige 2] dat zij bij de moeder blijft wonen en zij verwijst daarbij naar haar in eerste aanleg ingenomen standpunt over het hoofdverblijf van [minderjarige 2]. De moeder merkt daarbij op dat zij, anders dan de vader, van mening is dat de raad geen uitgebreid en diepgravend onderzoek naar het hoofdverblijf van de kinderen heeft gedaan. Voor wat betreft het verzoek van de vader om kinderalimentatie indien ook [minderjarige 2] haar hoofdverblijf bij de vader krijgt, geeft de moeder aan dat zij in beginsel de behoefte aan een bijdrage van € 250,- per kind per maand, alsook haar draagkracht daartoe, niet betwist.

3.7.

De raad heeft ter zitting geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vader te bepalen. De raad verwijst daarbij naar het raadsrapport van 22 januari 2013. De raad is erg geschrokken van de recente ontwikkelingen rondom [minderjarige 2]. Volgens de raad zit [minderjarige 2] duidelijk klem tussen de ouders en is zij gebaat bij een snelle beslissing over haar hoofdverblijf. Verder heeft de raad opgemerkt dat er meer inzicht nodig is in de communicatie tussen de ouders nu zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] klem zitten tussen beide ouders. Volgens de raad is forensische mediation daartoe de aangewezen weg.

3.8.

De stichting voert in haar verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, aan dat de stichting van mening is dat het gezag over [minderjarige 1] in beginsel uitgevoerd dient te worden door beide ouders. Om het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] goed vorm te kunnen geven, is het volgens de stichting van belang dat de ouders eerst een mediationtraject volgen waarin zij afspraken kunnen maken over de communicatie. De stichting staat daarbij positief tegenover de mogelijkheid van forensische mediation. Verder merkt de stichting op dat [minderjarige 1] naar tevredenheid woont bij de vader en dat hij zich veilig voelt in de huidige situatie.

Hoofdverblijfplaats

3.9.

Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt het hof als volgt.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.9.2.

Het hof is in onderhavige zaak van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige 2] dat haar hoofdverblijf bij de vader wordt bepaald nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige 2] bij de moeder en haar stiefvader opgroeit in een onvoorspelbare, spanningsvolle en onveilige opvoedingssituatie. Ten tijde van de beslissing van de rechtbank leek daar nog geen sprake van te zijn. De rechtbank meende dat, wanneer [minderjarige 1] bij de vader zou opgroeien en [minderjarige 2] bij de moeder, er meer rust zou ontstaan tussen de ouders en de kinderen. Deze verwachting is niet uitgekomen.

Gebleken is dat de stichting zeer recent een zorgmelding heeft ontvangen van de school van [minderjarige 2] waaruit blijkt dat school zich ernstig zorgen maakt om de thuissituatie van [minderjarige 2] waarin onder meer sprake lijkt te zijn van zowel fysieke als geestelijke mishandeling van [minderjarige 2] door de moeder en stiefvader.

Het hof is van oordeel dat aan deze situatie zo spoedig mogelijk een einde moet komen.

Nu uit onderzoek van de raad bovendien is gebleken dat de pedagogische stijl van de vader beter aansluit bij [minderjarige 2] en het tevens ook de uitdrukkelijke wens van [minderjarige 2] zelf is om bij haar vader en bij [minderjarige 1] te wonen, acht het hof het in het belang van [minderjarige 2] wenselijk dat zij haar hoofdverblijf bij de vader heeft. Derhalve zal het hof het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vader te bepalen, toewijzen.

3.10.

Iedere verdere beslissing omtrent het verzoek van de vader met betrekking tot wijziging van gezamenlijk naar eenhoofdig gezag, alsmede met betrekking tot het verzoek van de vader inzake de kinderalimentatie, zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 9 april 2013, doch uitsluitend voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2];

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], bij de vader;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is op 15 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken door mrs. W.Th.M. Raab, M.J.C. Koens en P.C.G. Brants en op 28 november 2013 op schrift gesteld.