Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6366

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
HD 200.108.842_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst op basis van nacalculatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.108.842/01

arrest van 31 december 2013

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.W.H. Raadgever te Amsterdam,

tegen

[Elektrotechniek 1.] Elektrotechniek B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 april 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector civiel, gewezen vonnis van 29 februari 2012 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde – [Elektrotechniek 1.] – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 219846/HAZA 10-2386)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties, waarbij [appellant] zijn vordering in reconventie heeft verminderd en vermeerderd;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi d.d. 22 maart 2013, waarbij partij [appellant] een pleitnota heeft overgelegd;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank onder “2. De feiten” vastgesteld van welke feiten in het geschil werd uitgegaan. Daarbij is onder 2.1.2. onder meer vastgesteld dat over de opdrachten aan [Elektrotechniek 1.] niets op schrift is gesteld. Gelet op de betwisting van deze vaststelling door [appellant], ter onderbouwing waarvan hij bij memorie van grieven als productie 1 een offerte in het geding heeft gebracht, zal het hof meerbedoelde vaststelling niet overnemen.

Op bedoelde offerte komt het hof in het vervolg van dit arrest nog op terug.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.4.1.

[Elektrotechniek 1.] heeft in opdracht van [appellant] vanaf 2003 op basis van nacalculatie elektrotechnische werkzaamheden verricht aan een nieuwbouwwoning die [appellant] destijds doende was te bouwen aan de [pand] te [vestigingsplaats] en heeft in dat kader aan [appellant] diverse materialen geleverd.

[appellant] had de ruwbouw door één aannemer voor een vaste aanneemsom laten uitvoeren en heeft daarna in zijn opdracht verschillende zelfstandigen tegelijk in regie aan de woning laten werken.

4.4.2.

Met betrekking tot de elektrotechnische werken heeft [appellant] dergelijke deelopdrachten in regie gegeven aan:

-[Elektrotechniek 1.], geïntimeerde,

-[Elektrotechniek 2.] Elektrotechniek te [vestigingsplaats]

en (volgens [appellant])

-[Montage/detachering] Montage/detachering te [vestigingsplaats].

4.4.3.

Een formele oplevering in de zin van het bouwrecht heeft nooit plaatsgevonden. [appellant] heeft de werkzaamheden aan de woning eind 2007 gereed beschouwd. Na eind 2007 heeft [Elektrotechniek 1.] geen werkzaamheden meer voor [appellant] uitgevoerd.

4.4.4.

[Elektrotechniek 1.] heeft op basis van negen verschillende facturen (met factuurdata van 25 oktober 2003 tot en met 25 september 2007) aan [appellant] eerst in totaal een bedrag van € 64.750,00 (exclusief btw), zijnde € 77.052,50 (inclusief btw), in rekening gebracht.Door [appellant] is € 77.052,50 inclusief btw aan [Elektrotechniek 1.] voldaan.

4.4.5.

Als productie 1 bij inleidende dagvaarding zijn nog twee latere facturen, d.d. 27 november 2007 en 31 december 2007, ad respectievelijk € 4.500,00 (exclusief btw)/€ 5.355,00 (inclusief btw) en € 18.000,00 (exclusief btw)/€ 21.420,00 (inclusief btw) door [Elektrotechniek 1.] in het geding gebracht (totaal € 26.775,00 inclusief btw). Deze zijn door [appellant] niet betaald. Als productie 2 bij inleidende dagvaarding is een eerste herinnering (d.d. 7 augustus 2008) ter zake van deze facturen overgelegd.

4.4.6.

In opdracht van [appellant] heeft 'LTC&C Installatiemanagement' op 26 november 2007 een rapport uitgebracht over de kwaliteit van de elektrotechnische werkzaamheden.

4.4.7.

De brief van [appellant] aan [Elektrotechniek 1.], gedateerd 30 juli 2008, houdt onder meer het volgende in:" (…)

Op mijn brief van 9 juni 2008 heeft u wederom niet gereageerd.

Ik heb u daarbij aansprakelijk gesteld en in gebreke gesteld voor onvoltooide en niet correct en/of ondeugdelijke werkzaamheden en de door u veroorzaakte schades.

Ook voorschotten voor de uit te voeren werkzaamheden zijn niet terugbetaald.

Voorts heb ik u in de gelegenheid gesteld werkzaamheden af te maken cq. voor herstel zorg te dragen en de schade te herstellen.

U heeft niet gereageerd.

Ik stel u thans nog gedurende één maand na dagtekening in de gelegenheid werkzaamheden te voltooien, ondeugdelijkheden en schades te herstellen, voorschotten terug te betalen dan wel daartoe een voorstel te doen. Als ik wederom niet van u verneem dan zal ik een derde opdracht geven de schade te herstellen op uw kosten. Voorts leid ik daar dan uit af dat u de schade wederom erkent.

(…)".

In een reactie op deze brief is bij aangetekend, maar door geadresseerde ([appellant]) niet afgehaald, schrijven van d.d. 27 augustus 2008 namens [Elektrotechniek 1.] verzocht om in afwachting van een nadere inhoudelijk reactie het inschakelen van derden achterwege te laten dan wel reeds ingeschakelde derden te instrueren het werk te staken. Voorts is opgemerkt dat de genoemde brief van 9 juni 2008 door [Elektrotechniek 1.] nooit is ontvangen en dat de op 30 juli 2008 gedateerde brief was voorzien van een poststempel d.d. 21 augustus 2008 (productie 4.1. bij inleidende dagvaarding).

4.4.8.

Bij aangetekend schrijven van 19 september 2008 is [appellant] door/namens [Elektrotechniek 1.] gesommeerd tot betaling van het bedrag van € 26.775,--. Voorts heeft [Elektrotechniek 1.] aangeboden coulancehalve bereid te zijn beweerdelijke klachten te komen onderzoeken. Ook dit aangetekend schrijven is door [appellant] niet afgehaald.

4.4.9.

Bij brief van 7 oktober 2008 (prod 15 bij cva) laat [Elektrotechniek 1.] aan [appellant] weten het uitblijven van een reactie en het daarmee niet in gelegenheid stellen om beweerdelijke klachten te komen inventariseren op te vatten als schuldeisersverzuim. Voorts wordt [appellant] nog een maal de gelegenheid geboden tot betaling van het bedrag van € 26.775,--, vermeerderd met rente en kosten, in totaal € 29.136,13 en wordt een in rekening te brengen eindafrekening aangekondigd.

4.4.10.

Op 31 december 2008 heeft [Elektrotechniek 1.] ten slotte de eindafrekening (met een resterend te betalen bedrag) ad € 72.786,37 (incl. BTW) opgemaakt. Bij brief van 3 maart 2009 met bijlage (productie 6 [en 7] bij inleidende dagvaarding) van haar advocaat heeft [Elektrotechniek 1.] deze eindafrekening gespecificeerd over de volledige periode 2003 tot en met 2007.

4.4.11.

Met door de rechtbank 's-Hertogenbosch bij beschikking van 12 augustus 2010 verleend verlof heeft [Elektrotechniek 1.] op 21 september 2010 conservatoir derden-beslag gelegd op de bankrekening van [appellant] en conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaak, [pand] te [vestigingsplaats].

4.4.12.

Bij dagvaarding van 30 september 2010 heeft [Elektrotechniek 1.] [appellant] in rechte betrokken en heeft zij gevorderd dat [appellant] zou worden veroordeeld (kort gezegd) tot betaling van € 99.561,37 -aan restant hoofdsom-, te vermeerderen met de wettelijke rente , alsmede tot betaling van € 2.500,-- (exclusief btw) - -aan buitengerechtelijke incassokosten-, een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd. In reconventie heeft [appellant] in eerste aanleg, na vermindering van eis, onder meer veroordeling tot betaling door [Elektrotechniek 1.] aan hem van een bedrag van in totaal € 123.086,00 gevorderd op grond van door [Elektrotechniek 1.] gepleegde wanprestatie. In verband met volgens [appellant] onrechtmatig gelegde conservatoire beslagen heeft hij een verklaring voor recht van die onrechtmatigheid en vergoeding van schade op te maken bij staat gevorderd, een en ander met veroordeling van [Elektrotechniek 1.] in de proceskosten. [Elektrotechniek 1.] heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.5.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij vonnis van 29 februari 2012, waarvan beroep, in conventie [appellant], kort gezegd, veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 77.251,43 aan [Elektrotechniek 1.] (vermeerderd met de wettelijke rente over € 66.477,05) en daarnaast aan beide partijen een bewijsopdracht verstrekt, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. Daartoe heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [Elektrotechniek 1.] [het hof leest: [appellant]] dient te betalen voor de materialen en de uren die [Elektrotechniek 1.] hem in rekening heeft gebracht, en voorts berekend dat [appellant] op grond van zijn eigen stellingen aan hoofdsom (materiaal en uren) ten minste € 66.477,05 verschuldigd is. Voorts heeft de rechtbank aan rente € 8.273,84, aan buitengerechtelijke kosten € 1.158,00 en aan kosten beslag € 1.342,54 toewijsbaar geacht. In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.6.

Het is het hof (ambtshalve) bekend dat de rechtbank na dit deelvonnis opnieuw een tussenvonnis d.d. 20 maart 2013 heeft gewezen waarbij aan [appellant] is bevolen het origineel van de door hem in die procedure als productie in kopie overgelegde fax ter griffie van de rechtbank te deponeren. Het gaat daarbij om dezelfde kopie als welke in hoger beroep bij memorie van grieven als productie 1 in het geding is gebracht. Voorts is bij dit laatste tussenvonnis [Elektrotechniek 1.] in de gelegenheid gesteld om bij akte enerzijds nader bewijs te leveren en anderzijds zich uit te laten over de bewijskracht en bewijsbetekenis van het door [appellant] (te zijner tijd) te deponeren/gedeponeerde stuk. [appellant] zal daarop bij antwoordakte kunnen reageren. Eindvonnis is nog niet gewezen.

4.7.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vijftien grieven (genummerd 1 tot en met 12 en 14 tot en met 16) aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep zowel in conventie als in reconventie. Voorts heeft hij geconcludeerd dat het hof [Elektrotechniek 1.] (in conventie) niet ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen aan haar zal ontzeggen en (in reconventie) onder enerzijds vermindering (zie onderdeel a) en anderzijds vermeerdering van eis (zie onderdelen d en e) gevorderd dat het hof - kort gezegd –:

a. [Elektrotechniek 1.] zal veroordelen aan [appellant] te betalen € 113.490,62, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 8 december 2010;

b. zal verklaren voor recht dat de gelegde conservatoire beslagen jegens [appellant] onrechtmatig zijn;

c. [Elektrotechniek 1.] zal veroordelen de schade aan [appellant] te vergoeden die hij lijdt als gevolg van het onrechtmatig beslag, op te maken bij staat;

d. [Elektrotechniek 1.] zal veroordelen aan [appellant] te betalen € 78.897,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012;

e. [Elektrotechniek 1.] zal veroordelen aan [appellant] te betalen € 539,66 ter zake van vergoeding van kosten in verband met conservatoire beslagen.

Bij een en ander heeft [appellant] tevens de veroordeling van [Elektrotechniek 1.] in de proceskosten (in conventie en in reconventie) in beide instanties gevorderd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft [Elektrotechniek 1.] de grieven bestreden.

4.8.

Zoals ook door beide advocaten bij gelegenheid van het gehouden pleidooi d.d. 22 maart 2013 is betoogd, is onderhavig hoger beroep tegen het deelvonnis van 29 februari 2012 beperkt tot de vragen of [Elektrotechniek 1.] het juiste aantal uren in rekening heeft gebracht en of zij recht heeft op betaling van de door haar gestelde hoeveelheid geleverde materialen. Met de grieven (1, 2 en) 3 tot en met 6, betreffende in het bijzonder de conventie in eerste aanleg, stelt [appellant] deze kernvragen aan de orde. Voor zover partijen in hoger beroep ook reeds ingegaan zijn op het tussen partijen geldende uurtarief en/of de eventuele korting op de geleverde materialen, gaat het hof daaraan voorbij. Deze kwesties zijn nog in behandeling bij de rechter in eerste aanleg.

conventie

De beslissingen van de rechtbank betreffende de bewijsopdrachten (dictum van het vonnis waarvan beroep onder 6.2. tot en met 6.9.) zijn niet aan het oordeel van het hof onderworpen. De grieven zien op de veroordeling tot betaling (dictum van het vonnis waarvan beroep onder 6.1.).

4.9.

Het hof zal de grieven 1 tot en met 6 gezamenlijk behandelen (4.10. tot en met 4.19).

4.10.

[Elektrotechniek 1.] vordert betaling door [appellant] aan haar van het onbetaald gebleven gedeelte van betaling voor door haar in de periode van 2003 tot en met 2007 in totaal 3.026,25 gewerkte uren, zoals gespecificeerd in de brieven namens [Elektrotechniek 1.] aan de advocaat van [appellant] d.d. 3 maart 2009 (met bijlage) en van 24 april 2009.

4.10.1.

[appellant] heeft betwist nog iets aan [Elektrotechniek 1.] verschuldigd te zijn. Volgens zijn stellingen heeft hij al teveel betaald, hetgeen hij terug vordert (zie hierover hieronder vanaf 4.21.1. met betrekking tot de reconventionele vorderingen van [appellant]).

4.11.

Ten aanzien van hetgeen [appellant] in de toelichting op de grieven 3, 4 en 5 aan de orde heeft gesteld inzake de bewijslastverdeling, overweegt het hof als volgt. [Elektrotechniek 1.] heeft, als eisende partij, een stelplicht ten aanzien van de feiten die leiden tot het rechtsgevolg waarop zij haar vordering baseert en op haar rust een motiveringsplicht ten aanzien van wat zij uit hoofde van haar stelplicht heeft gesteld. Een dergelijke motiveringsplicht bestaat ook ten aanzien van het weerspreken van de stellingen van [Elektrotechniek 1.] door [appellant]. Dat van [appellant] een gemotiveerde betwisting wordt gevraagd impliceert niet dat op hem de bewijslast rust van de door hem in het kader van zijn betwisting gestelde feiten. Worden feiten, waarvoor de eiser de stelplicht heeft, gemotiveerd betwist, dan heeft immers de eiser op grond van artikel 150 Rv de bewijslast voor die feiten. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [Elektrotechniek 1.], door het door haar gestelde met als onderbouwing de verwijzing naar de specificatie, aan haar stelplicht heeft voldaan. [Elektrotechniek 1.] heeft alle volgens haar geleverde materialen gespecificeerd en volledige opgave gedaan van data en uren waarop volgens haar door werknemers van [Elektrotechniek 1.] gewerkt is. Zij heeft haar vordering door middel van bedoelde specificatie in beginsel in voldoende mate onderbouwd.

4.12.

[appellant] heeft in het kader van zijn verweer hiertegenover andere feiten gesteld waaruit de onjuistheid van de, door [appellant] betwiste, stellingen van [Elektrotechniek 1.] zou moeten blijken. [appellant] stelt in algemene zin dat de door [Elektrotechniek 1.] in rekening gebrachte uren maar zeer gedeeltelijk zijn gewerkt en dat een groot deel van de in rekening gebrachte materialen nimmer aan [appellant] zijn geleverd. Het hof zal hierna het verweer van [appellant] beoordelen, mede op basis van hetgeen [Elektrotechniek 1.] van haar kant weer heeft aangevoerd teneinde de onjuistheid van de ter betwisting aangevoerde feiten aan te tonen.

Verhouding vordering-opdracht

4.13.1

Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [appellant] allereerst aangevoerd dat het in rekening gebrachte in het geheel niet aansluit bij de aan [Elektrotechniek 1.] verstrekte opdracht. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen “dat niets vast ligt omtrent de omvang van de opgedragen werkzaamheden (hof: met betrekking tot de electrotechnische werken), meer in het bijzonder niet omtrent welk deel daarvan is opgedragen aan [Elektrotechniek 1.] en welke delen aan [Elektrotechniek 2.] Elektrotechniek te [vestigingsplaats] en aan [Montage/detachering] Montage/Detachering te [vestigingsplaats]”. [appellant] voert (in de toelichting op de grieven 1 en 2) aan dat [Elektrotechniek 1.] is ingeschakeld voor een aantal eenvoudige basis werkzaamheden, dat in de offerte van [Elektrotechniek 1.] (productie 1 bij mvg) staat vermeld dat het gaat om werkzaamheden betreffende de algemene bekabeling, aanbrengen bedrading en installatiewerk spots binnens- en buitenshuis conform tekening architect/opdrachtgever en dat ook uit de door hem overgelegde getuigenverklaringen (van de getuigen [getuige 1.], [getuige 2.], [getuige 3.], [getuige 4.], [getuige 5.] en [getuige 6.]) blijkt dat [Elektrotechniek 1.] alleen is ingeschakeld voor de eenvoudiger werkzaamheden. Voorts verwijst [appellant] naar een verklaring van de architect, [architect] (productie 33 bij akte overleggen producties in e.a.) en het rapport van LTC&C pag. 4 waarin is vastgelegd wat de omvang van de aan [Elektrotechniek 1.] verstrekte opdracht was en waarin een duidelijke en onbetwiste demarcatie (in lijn met de offerte en de getuigenverklaringen) is aangegeven van de werkzaamheden die [Elektrotechniek 1.] heeft verricht.

4.13.2.

[Elektrotechniek 1.] heeft uitdrukkelijk ontkend dat de omvang van haar opdracht beperkt was. Zij heeft (reeds bij comparitie in eerste aanleg) aangegeven dat zij het complete elektrawerk in de woning zou uitvoeren, vanaf het aanbrengen van het leidingwerk tot aan de aansluiting van de verlichting. Ook zou zij al het materiaal leveren, aldus [Elektrotechniek 1.]. Voorts heeft zij aangevoerd dat de reden dat er volgens afspraak werd gefactureerd op basis van nacalculatie er in was gelegen dat [appellant] bij aanvang nog niet precies wist wat er aan elektra in de woning moest worden aangebracht en dat daarover in de loop van het bouwproces meer duidelijkheid zou komen.

4.13.3.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de verschillende schriftelijke verklaringen van getuigen en de schriftelijke verklaring van de architect [architect] niet worden geconcludeerd tot een oorspronkelijk heel beperkte opdracht aan [Elektrotechniek 1.]. Geen van allen verklaren zij concreet over die opdracht als zodanig. Geenszins is uit de verklaringen gebleken dat (een van) de getuigen betrokken (is) zijn geweest bij de verstrekte opdracht. Voor zover in het rapport van LTC&C wel de opdracht staat beschreven, kan dit niet doorslaggevend worden geacht, omdat de voor het rapport verstrekte informatie slechts eenzijdig van de kant van [appellant] afkomstig kan zijn geweest. [appellant] heeft overigens ook nagelaten aan te geven welke elementen van de specificatie van [Elektrotechniek 1.] niet zouden passen in deze omschrijving van de (oorspronkelijk) opgedragen werkzaamheden. (Hierna zal het hof op de inhoud van een en ander in een breder kader nog uitvoeriger terugkomen.) Voorts geldt, voor zover [appellant] heeft aangevoerd (grief 1) dat aan [Elektrotechniek 1.] (op basis van een offerte) slechts een beperkte opdracht was verstrekt en dat het (kunnen) vaststellen van de beperktheid van de omvang van de opdracht van belang is omdat daarmee ook beoordeeld kan worden of de door [Elektrotechniek 1.] in rekening gebrachte uren (en materialen) passen bij die beperkte opdracht, in algemene zin nog het volgende. Het geding betreft, zoals ook [appellant] zelf aangeeft, de vraag of de facturen in verhouding staan tot de door [Elektrotechniek 1.] verrichte werkzaamheden, niet of de facturen corresponderen met de opdracht. [appellant] heeft immers niet gesteld dat [Elektrotechniek 1.] ten onrechte buiten de grenzen van haar opdracht werkzaamheden aan de onroerende zaak van [appellant] heeft verricht. [Elektrotechniek 1.] heeft er terecht op gewezen dat de opdracht werd uitgevoerd op basis van nacalculatie. Zij heeft onbetwist aangevoerd dat het feit, dat er zoveel uren zijn besteed, alles te maken heeft met het feit dat [appellant] zelf voortdurend aanpassingen wenste, omdat hij steeds weer nieuwe ideeën kreeg en ook [appellant] zelf heeft op de comparitie van partijen in eerste aanleg verklaard dat hij vanaf 2004 [Elektrotechniek 1.] gewoon heeft ingeschakeld als dat nodig was. De inhoud van de oorspronkelijke opdracht, indien al vast te stellen, speelt dan ook in zoverre in feite geen rol. In verband hiermee acht het hof derhalve ook (de inhoud van) de offerte op het punt van de inhoud van de opdracht voor de vraag of [Elektrotechniek 1.] een terechte vordering heeft van ondergeschikt belang. Het hof zal dan ook niet (hoeven) ingaan op de vraag naar de bewijskracht en inhoud van bedoelde offerte (over het bestaan waarvan in eerste aanleg voorafgaand aan het vonnis waarvan beroep niets is gesteld). Zoals is gebleken bij het pleidooi zijn partijen het er ook over eens dat de offerte in het bijzonder van belang is voor de kwesties van het tarief en de korting, zoals nog aan de orde in eerste aanleg. Partijen hebben aangegeven dat het onderhavig hoger beroep dan ook niet zou hoeven te wachten op het eindvonnis in eerste aanleg. Daaruit leidt het hof af dat de tekst in de offerte omtrent de opdracht aan [Elektrotechniek 1.] (ook door [appellant]) kennelijk niet doorslaggevend wordt geacht voor de uitkomsten van dit hoger beroep.

4.13.4.

Naar het oordeel van het hof kan de eventuele (oorspronkelijk) beperkte opdracht van [appellant] aan [Elektrotechniek 1.], indien de inhoud daarvan al zou kunnen worden vastgesteld, onvoldoende in de weg staan aan de eventuele gegrondheid van het gevorderde.

verhouding vordering-verrichte werkzaamheden/geleverde materialen

4.14.

Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellant] moet betalen voor de materialen en de uren die [Elektrotechniek 1.] hem in rekening heeft gebracht. Hij betwist uitdrukkelijk de in rekening gebrachte uren en materialen verschuldigd te zijn. Ervan uitgaande dat op basis van nacalculatie werd gewerkt gaat het in het bijzonder om de vraag of zoveel uren als door [Elektrotechniek 1.] gesteld door (medewerkers van) [Elektrotechniek 1.] ten behoeve van [appellant] is gewerkt en of de gestelde materialen zijn geleverd.

met betrekking tot de uren

4.15.

Zoals reeds overwogen onder 4.13.3/4.13.4. ziet het hof in de eventuele beperktheid van de oorspronkelijke opdracht zoals die zou kunnen blijken uit de offerte (indien deze al meegewogen zou kunnen worden) onvoldoende concrete aanwijzingen dat de in rekening gebrachte uren grotendeels ten onrechte in de specificatie opgenomen zouden zijn.

4.16.1.

Het verweer van [appellant] (in hoger beroep) komt er voorts op neer dat de urenspecificatie van [Elektrotechniek 1.] -in totaliteit 3.026,25 uur- niet als basis kan dienen voor haar vordering (voor wat betreft de uren), omdat volgens [appellant] slechts voor vergoeding in aanmerking komen uren die worden gedekt door door of namens [appellant] (als opdrachtgever) voor akkoord getekende werkbonnen. Dergelijke werkbonnen betreffende de jaren en 2004/2005 en 2006/2007 en een vergelijkend overzicht tussen de urenspecificatie van [Elektrotechniek 1.] en deze door of namens [appellant] afgetekende werkbonnen heeft [appellant] in het geding gebracht. Op basis van een en ander stelt [appellant] dat slechts een paar uur per dag door medewerkers van [Elektrotechniek 1.] werd gewerkt en dat slechts de 1.146,75 daadwerkelijk gewerkte uren in beginsel voor vergoeding (tot een bedrag van € 31.535,62) in aanmerking komen. In dit aantal uren is inbegrepen de door [Elektrotechniek 1.] opgevoerde in 2003 verrichte 113,75 uren, welke [appellant] bij gebrek aan mogelijkheid om te verifiëren in ieder geval in hoger beroep heeft geaccepteerd. De juistheid van het aantal op basis van bedoelde werkbonnen berekende uren wordt volgens [appellant] ondersteund door de getuigenverklaringen. Bovendien komt dit aantal vrijwel overeen met het door het onafhankelijk adviesbureau [onafhankelijk adviesbureau] berekende aantal uren (1.027,4) waarin de door [Elektrotechniek 1.] verrichte werkzaamheden verricht hadden moeten zijn.

4.16.2.

Het hof oordeelt als volgt. In eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat hij met alle aannemers had afgesproken pas kosten te vergoeden nadat hij de kosten had goedgekeurd en de bonnen had afgetekend. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [Elektrotechniek 1.] van het bestaan van die afspraak en van het werken met door [appellant] opgemaakte werkbonnen had het op de weg van [appellant] gelegen een dergelijke afspraak met in het bijzonder [Elektrotechniek 1.] concreter te stellen en te adstrueren. [appellant] is in hoger beroep niet meer ingegaan op een dergelijke afspraak, heeft zo’n afspraak met [Elektrotechniek 1.] derhalve niet concreter gemaakt en heeft evenmin bewijs van het bestaan daarvan aangeboden. Het hof concludeert dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat tussen partijen enige afspraak zou bestaan over het aftekenen van werkbonnen door [appellant] als vereiste voor het terecht in rekening kunnen brengen van gewerkte uren door [Elektrotechniek 1.]. Voor zover [appellant] voorts heeft aangevoerd dat het door [Elektrotechniek 1.] in rekening gebrachte aantal uren statistisch onmogelijk zou zijn heeft hij dat onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat het overgrote deel van de werkzaamheden was opgedragen aan [Elektrotechniek 2.] Parts Montage heeft [appellant] nagelaten aan te geven welke uren [Elektrotechniek 1.] in verband met die stelling dan ten onrechte in rekening zou hebben gebracht. Ook aan het vermoeden van [appellant] dat [Elektrotechniek 1.] in de periode van ziekte van de heer Verstegen wellicht door eigen personeel “voor het lapje” zou zijn gehouden en dat het zodoende aan de interne organisatie van [Elektrotechniek 1.] zou hebben gelegen dat de verschillende administraties van [Elektrotechniek 1.] en [appellant] zo uiteen liepen, gaat het hof voorbij. [Elektrotechniek 1.] heeft een en ander uitdrukkelijk betwist en van enige onderbouwing door [appellant] is geen sprake. Het aangevoerde kan niet afdoen aan de specificaties als door [Elektrotechniek 1.] in het geding gebracht. Mede gezien het uitvoerig verweer van [Elektrotechniek 1.] terzake, heeft [appellant], naar het oordeel van het hof, ook met de inbreng van het rapport van het adviesbureau voor installatie en besturingstechniek [onafhankelijk adviesbureau] in onvoldoende mate gemotiveerd onderbouwd dat de door [Elektrotechniek 1.] in rekening gebrachte uren niet met de werkelijkheid overeenstemmen. [appellant] heeft het bureau gevraagd te berekenen hoeveel uren en materialen [Elektrotechniek 1.] maximaal nodig zou hebben gehad om haar werkzaamheden deugdelijk uit te voeren. Het bureau heeft deze opdracht eenzijdig van [appellant] gekregen. [Elektrotechniek 1.] is in het onderzoek niet gehoord. De informatie over de werkzaamheden waarvan door het bureau uitgegaan is, heeft zij eenzijdig door [appellant] verstrekt gekregen. Van een voldoende onafhankelijk onderzoek is geen sprake. Met betrekking tot de door [appellant] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van verschillende getuigen heeft [Elektrotechniek 1.] er terecht op gewezen dat de verklaringen allemaal vrijwel dezelfde tekst bevatten. Dit geldt in het bijzonder ook voor de door [appellant] aangehaalde alinea in de verklaringen ‘dat [Elektrotechniek 1.]’s aanwezigheidsgehalte zich beperkte tot hoogstens 1 (en zelden 2!!!) monteur(s), maar maximaal 1 of 2 uur per dag en alleen voor specifiek aangewezen werkzaamheden’. Ook de verklaring van de architect [architect] is (vrijwel) identiek aan die van de andere getuigen. Aan de betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaringen komt dit niet ten goede. Bovendien geldt dat uit de verklaringen geen specifieke concrete bemerkingen zijn te destilleren op grond waarvan aangenomen zou kunnen/moeten worden welke concrete uren ten onrechte in de specificaties van [Elektrotechniek 1.] staan vermeld. Zo blijkt uit de verklaringen ook niet wie op welke data op het werk was en daardoor de mogelijkheid heeft gehad vast te stellen dat voor zo’n bepaalde dag [Elektrotechniek 1.] ten onrechte teveel uren in rekening zou hebben gebracht. De verklaringen zijn te zeer in algemene bewoordingen gesteld.

4.16.3.

Het hof verwerpt op grond van het bovenstaande de verweren van [appellant] tegen het door [Elektrotechniek 1.] in rekening gebrachte aantal uren overeenkomstig de door haar in het geding gebrachte specificaties.

met betrekking tot de materialen

4.17.1.

Op grond van hetgeen in 4.13.3/4.13.4. is overwogen ziet het hof in de eventuele beperktheid van de oorspronkelijke opdracht zoals die zou kunnen blijken uit de offerte (indien deze al meegewogen zou kunnen worden) onvoldoende concrete aanwijzingen dat de in rekening gebrachte materialen ten onrechte in de specificatie opgenomen zouden zijn.

4.17.2.

[Elektrotechniek 1.] heeft uitdrukkelijk betwist dat, zoals [appellant] heeft gesteld, tussen partijen is afgesproken dat [Elektrotechniek 1.] in beginsel geen materialen zou leveren. Nu [appellant] deze stelling niet nader heeft geadstrueerd, gaat het hof hieraan voorbij. [appellant] grondt zijn betwisting van de in rekening gebrachte materialen voorts eerstens op een gebrek aan bonnen waarmee voor ontvangst van de betreffende materialen is getekend. Nu onvoldoende onderbouwd is gesteld en ook niet anderszins is gebleken van een afspraak tussen partijen over het aftekenen van materiaalbonnen door [appellant] als vereiste voor het terecht in rekening kunnen brengen van door [Elektrotechniek 1.] gebruikte materialen, wordt dit verweer gepasseerd. In zoverre kan de eenzijdige opstelling van [Elektrotechniek 1.] in beginsel als voldoende gemotiveerde onderbouwing van haar vordering gelden. Voor zover [appellant] desalniettemin verwijst naar de inhoud van door hem afgetekende bonnen waarin niet aangetekend is dat materiaal geleverd is omdat ter plaatse “nvt” (hof: “niet van toepassing”) staat vermeld, is dit gelet op het voorgaande onvoldoende relevant. Voor zover [appellant] middels productie 40 bij akte overleggen producties verwijst naar voor akkoord getekende materiaalbonnen van [Elektrotechniek 2.], acht het hof dat niet, in ieder geval niet zonder nadere toelichting (welke ontbreekt) relevant voor de vordering van [Elektrotechniek 1.]. Ten aanzien van het verweer in verband met het rapport [onafhankelijk adviesbureau] verwijst het hof naar hetgeen daarover hierboven met betrekking tot de uren is overwogen en geoordeeld. Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat de materialen zoals in de specificatie van [Elektrotechniek 1.] genoemd niet in het huis verwerkt zijn, heeft hij ten onrechte nagelaten te specificeren welke materialen dit betreft. Wat betreft het ontbreken van het merk Jung heeft [Elektrotechniek 1.] dit uitdrukkelijk betwist. De stelling dat het ‘eenvoudigweg veel te veel’ materialen zijn en ‘dat het volstrekt onmogelijk zou zijn dat alle genoemde materialen in de woning van [appellant] zijn verwerkt’ acht het hof niet onderbouwd.

4.17.3.

Voor zover [appellant] voorts ter onderbouwing van zijn verweren (met betrekking tot de materialen) verwijst naar de schriftelijke verklaringen van [getuige 2.], [getuige 3.], [Elektrotechniek 2.], [getuige 4.], [getuige 5.], [getuige 7.], [getuige 8.], [getuige 9.], [getuige 10.], [getuige 11.], [getuige 6.] en [getuige 12.], geldt ook hier dat het gaat om telkens eensluidend geformuleerde verklaringen. Bovendien wordt in die verklaringen slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat artikelen geen betrekking zouden kunnen hebben op het huis van [appellant], dat diverse merken niet in het huis van [appellant] zouden voorkomen, dat de aantallen niet zouden voorkomen in het huis van [appellant] etc. Aan de opmerking van [appellant] dat werknemers van [Elektrotechniek 1.] onjuiste gegevens aan [Elektrotechniek 1.] zouden hebben verstrekt, gaat het hof voorbij nu dit enkel op een vermoeden berust.

4.18.

Alles bij elkaar genomen oordeelt het hof dat de betwisting door [appellant] tegenover de gespecificeerde vordering van [Elektrotechniek 1.] onvoldoende gemotiveerd is te achten, zodat aan bewijs door [Elektrotechniek 1.] niet wordt toegekomen. Bovendien acht het hof het door [appellant] slechts in algemene bewoordingen gedane bewijsaanbod ter zake van zijn stellingen, mede gelet op alle hierboven aan de orde gestelde omstandigheden van deze zaak, onvoldoende gespecificeerd.

4.19.

Nu alle weren van [appellant] tegen de specificaties van [Elektrotechniek 1.] falen, is de slotsom van al het bovenstaande dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] het in rekening gebrachte aantal uren en de in rekening gebrachte materialen aan [Elektrotechniek 1.] moet betalen. Aan de inschakeling van een deskundige komt het hof niet toe. De grieven 1 tot en met 6 worden verworpen.

4.20.1.

De redenering van de rechtbank in het deelvonnis waarvan beroep is na vaststelling van de betalingsverplichting van [appellant] vervolgens geweest dat, uitgaande van de specificaties van [Elektrotechniek 1.], (op basis lage tarief ad 27,50 en de hoogste korting op materiaal van 60%) een bepaald bedrag minimaal toewijsbaar zou zijn. Het hof volgt deze redenering, zij het, gelet op de geslaagde zevende grief van [appellant], onder aanpassing van de uitkomsten. In grief 7 is terecht opgemerkt (hetgeen ook door [Elektrotechniek 1.] is erkend) dat de rechtbank per abuis een verkeerd bedrag aan materialen -namelijk € 93.775,-- in plaats van € 54.640,02- heeft ingevoerd. Laatstgenoemd bedrag x 0,4 (op basis van een korting van 60%) leidt tot een minimaal verschuldigd bedrag aan materialen van € 21.856,-- (exclusief btw). Tegen het door de rechtbank opgenomen aantal uren van 3.025 in plaats van 3.026,25 is door [Elektrotechniek 1.] niet opgekomen. De berekening van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep onder 5.6. aanpassend aan bovenstaande komt het hof tot de volgende opstelling:

Materiaal

€ 54.640,02 x 0,4 =

€ 21.856,00

Uren

3025 x € 27,50 =

€ 83.187,50

---------------- +

€105.043,50

AF: gefactureerde voorschotnota’s

€ 87.250,00

€ 17.793,50

BTW

€ 3.380,77

---------------- +

€ 21.174,27

4.20.2.

Daarnaast dient [appellant] € 26.775,00 (vgl. productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) te betalen te betalen, zodat het totaal aan hoofdsom € 47.949,27 is. Het hof heeft hierbij het door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep onder 5.6. slot vermelde bedrag ad € 26.675,00 in verband met de kennelijke schrijffout, verbeterd gelezen als € 26.775,00. Het hof (her)berekent de rente over deze hoofdsom (uitgaande van de door de rechtbank -onder 5.7. van het vonnis waarvan beroep- aangegeven ingangsdata tot en met de hierna onder 4.24. vermelde datum (14 maart 2012) waarop [appellant] heeft voldaan aan het vonnis waarvan beroep op € 6.334,96.

4.20.3.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op terechte gronden, welke het hof overneemt, een bedrag van € 1.158,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. Grief 8 faalt.

4.20.4.

De uiteindelijke herberekening (in verband met het slagen van grief 7) van het totaal door [appellant] te betalen bedrag (aan hoofdsom: € 47.949,27, rente tot en met 14 maart 2012: € 6.334,96, buitengerechtelijke kosten: € 1.158,00 en kosten beslag: € 1.342,54) levert naar het oordeel van het hof op dat [appellant] dient te worden veroordeeld om aan [Elektrotechniek 1.] te betalen (in ieder geval) een bedrag van € 56.784,77 (in plaats van het in het dictum van het vonnis waarvan beroep vermelde bedrag van € 77.251,43). Het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in conventie dient derhalve te worden vernietigd en te worden aangepast aan deze correctie. Hierna wordt onder 4.24. in het kader van de bespreking van grief 16 overwogen dat door [appellant] een dergelijk bedrag (en meer) reeds aan [Elektrotechniek 1.] is voldaan (ter voldoening aan het vonnis waarvan beroep).

reconventie:

4.21.

In hoger beroep vordert [appellant] in reconventie (in enige mate in afwijking van de vordering in reconventie in eerste aanleg) onder meer betaling van een bedrag van € 113.490,62, gebaseerd op een teveel betaald bedrag ad € 37.519,42 [€ 77.062,-- (reeds betaald) minus € 39.542,58 (volgens [appellant] slechts verschuldigd)] en twee schadebedragen van € 24.897,00 en € 51.074,00.

4.21.1.

Gelet op de overwegingen van het hof hierboven inzake het rapport [onafhankelijk adviesbureau] en het oordeel van het hof dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] het in rekening gebrachte aantal uren en de in rekening gebrachte materialen aan [Elektrotechniek 1.] dient te betalen en dat dit (uitgaande van het lage uurtarief ad 27,50 en de hoge korting van 60%) minstens €105.043,50 is, is van een ten onrechte door [appellant] destijds teveel betaald bedrag (onverschuldigde betaling) geen sprake. Het in reconventie gevorderde bedrag van € 37.519,42 is niet toewijsbaar.

4.21.2.

Voorts vordert [appellant] vergoeding van de schade die als gevolg van de ondeugdelijke uitoefening van de werkzaamheden door [Elektrotechniek 1.] aan zijn woning is ontstaan. [appellant] stelt dat [Elektrotechniek 1.] overspanning en kortsluiting heeft veroorzaakt als gevolg waarvan het alarmsysteem vervangen moest worden, de vloer en lambrisering deels vervangen moest worden als gevolg van waterschade naar aanleiding van stilgevallen waterpompen en opnieuw schilderwerk moest worden uitgevoerd. Bovendien diende leidingwerk te worden hersteld omdat [Elektrotechniek 1.] de waterleiding kapot geboord had. Het hiermee gemoeide schadebedrag van € 24.897,00 heeft [appellant] onderbouwd met verschillende stukken (productie 30 bij cva). Aan het overgelegde schaderapport en de betreffende facturen kan het hof geen gegevens ontlenen betreffende de aan [Elektrotechniek 1.] gemaakte verwijten. Daarnaast wordt een bedrag van € 51.074,00 aan schade gevorderd gebaseerd op een op verzoek van [appellant] door [Elektrotechniek 2.] Elektrotechniek opgesteld “overzicht schades [Elektrotechniek 1.]” d.d. 23 juli 2009 (productie 31bij cva). Deze schadevergoedingsvorderingen van [appellant] voor zover gegrond op ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden zijn in het bijzonder gebaseerd op het rapport van LTC&C, gedateerd 26 november 2007, zoals door hem in het geding gebracht als productie 5 bij conclusie van antwoord. Ten aanzien van dit rapport bestaan naar het oordeel van het hof dermate onduidelijkheden en bedenkingen dat het niet als een onafhankelijk deskundigenrapport kan worden beschouwd en derhalve niet als voldoende gemotiveerde onderbouwing van de gestelde schade kan dienen. Door [Elektrotechniek 1.] is als productie 9 bij conclusie van antwoord in reconventie een inhoudelijk afwijkende versie van het rapport van LTC&C in het geding gebracht. [Elektrotechniek 1.] stelt dit rechtstreeks van LTC&C te hebben ontvangen. Dit exemplaar van het rapport is gedateerd 4 maart 2009, houdt geen verwijzing naar [Elektrotechniek 1.] als uitvoerder van de bekritiseerde werkzaamheden in en uit dit rapport komt geenszins naar voren dat [Elektrotechniek 1.] op enige wijze bij de totstandkoming van de rapportage betrokken is geweest. De datum van dit rapport is van na in opdracht van [appellant] uitgevoerde herstelwerkzaamheden. Het door [appellant] in het geding gebrachte exemplaar bevat naar het oordeel van het hof een aantal passages die niet van voldoende onafhankelijkheid getuigen. Tot slot wordt opgemerkt dat van dat exemplaar niet is komen vast te staan dat dit destijds door [Elektrotechniek 1.] zou zijn ontvangen.

4.21.3.

Nog daargelaten de kwesties of door [appellant] gezien alle omstandigheden voldoende tijdig is geklaagd over de vermeende gebreken in de prestaties en of sprake zou zijn van (gedeeltelijke) verjaring, oordeelt het hof dat reeds op grond van al het bovenstaande (ook) de schadevergoedingsvorderingen van [appellant] door de rechtbank terecht zijn afgewezen. Voor nadere bewijslevering of deskundigenonderzoek ziet het hof in deze stand van zaken geen aanleiding. De grieven 9 tot en met 12 worden verworpen.

4.22.

Nu, gelet op bovenstaande, de rechtbank de vorderingen van [appellant] in reconventie terecht geheel heeft afgewezen en derhalve ook terecht [appellant] in de proceskosten van de reconventie in eerste aanleg heeft veroordeeld, faalt grief 14.

4.23.

Gelet op het toewijsbare gedeelte van de vordering in conventie heeft [Elektrotechniek 1.] destijds op goede gronden beslag gelegd. Het door [appellant] in reconventie gevorderde (zie memorie van grieven pag. 17 onder b en c) heeft de rechtbank terecht afgewezen. De door [appellant] in hoger beroep ingestelde vordering tot vergoeding door [Elektrotechniek 1.] van door hem in verband met het conservatoir beslag gemaakte kosten (zie memorie van grieven pag. 17 het in hoger beroep in reconventie gevorderde onder e.) dient ook afgewezen te worden. Grief 15 faalt.

4.24.

In verband met grief 16 overweegt het hof als volgt. Door [Elektrotechniek 1.] is niet betwist dat [appellant] op woensdag 14 maart 2012 een bedrag van € 78.897,94 (inclusief rente) aan haar heeft voldaan ter voldoening aan het vonnis waarvan beroep. Blijkens de toelichting op grief 16 stelt [appellant], uitgaande van zijn gelijk en uitgaande van een vernietiging van het vonnis waarvan beroep door het hof, dat hij dat (totale) bedrag onverschuldigd heeft voldaan. Hij vordert in hoger beroep in reconventie de terugbetaling van dit bedrag. In verband met het slagen van grief 7 heeft [appellant] naar het oordeel van het hof meer betaald dan thans als door hem te betalen is vastgesteld. Dit verschil ad € 22.113,17 (vgl. hierboven onder 4.20.4. :78.897,94 – 56.784,77), zal [Elektrotechniek 1.] hem dienen terug te betalen. Dat uiteindelijk (afhankelijk van de beslissing inzake over en weer gestelde uurtarief en korting) eventueel kan komen vast te staan dat [appellant] van zijn kant nog een aanzienlijk bedrag zal moeten bijbetalen, doet hieraan niet af. De vordering van [appellant] in reconventie als weergegeven op pagina 17 van de memorie van grieven onder d. zal worden toegewezen tot een bedrag van € 22.113,17. In verband met de samenhang met grief 7 slaagt grief 16 naar het oordeel van het hof gedeeltelijk.

4.25.

De slotsom van al het bovenstaande is dat het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie onder 6.1. zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [appellant] zal veroordelen om aan [Elektrotechniek 1.] (in verband met door [Elektrotechniek 1.] ten behoeve van [appellant] gewerkte uren en geleverde materialen -vooralsnog op basis van een uurtarief van € 27,50 per uur en een korting op materiaal van 60%-) te betalen een bedrag van € 56.784,77. Voorts zal het hof verstaan dat [appellant] dit bedrag (en meer) op 14 maart 2012 reeds ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep aan [Elektrotechniek 1.] heeft betaald. Het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in reconventie, zal worden bekrachtigd. Gelet op de gedeeltelijke toewijsbaarheid van de vordering van [appellant] in hoger beroep in reconventie onder d. (in verband met het gedeeltelijk slagen van grief 16 in samenhang met het slagen van grief 7) zal [Elektrotechniek 1.] worden veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van een bedrag van € 22.113,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012. De vordering van [appellant] in hoger beroep in reconventie onder e. zal worden afgewezen.

Het hof zal [appellant] als de in hoger beroep (overwegend) in het ongelijk gestelde veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Het hof zal de zaak (voor zoveel nodig) terug verwijzen naar de rechtbank voor verdere afdoening.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector civiel, onder zaak/rolnummer 219846/HAZA 10-2386, waarvan beroep, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, (in het bijzonder ook als gewezen in conventie onder 6.1.);

in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt [appellant] om aan [Elektrotechniek 1.] te betalen een bedrag van € 56.784,77;

verstaat dat [appellant] dit bedrag ad € 56.784,77 (en meer) op 14 maart 2012 reeds ter uitvoering van het vonnis waarvan beroep aan [Elektrotechniek 1.] heeft betaald;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in reconventie;

veroordeelt [Elektrotechniek 1.] om aan [appellant] binnen vijf dagen na betekening van dit arrest te voldoen een bedrag van € 22.113,17;

wijst af het in hoger beroep in reconventie meer af anders gevorderde;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Elektrotechniek 1.] worden begroot op € 4.836,00 aan verschotten en op € 9.789,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst (voor zoveel nodig) de zaak terug naar de rechtbank voor verdere afdoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, A.P. Zweers-van Vollenhoven en C. Koster-Vaags en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 december 2013.