Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6337

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
HD 200.107.891-01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht.

Doorbetaling 100% of 70% van het loon gedurende eerste drie maanden van ziekte? Wijziging bedrijfsreglement op dit punt in nadeel van werknemer toelaatbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0006

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.107.891/01

arrest van 24 december 2013

in de zaak van

Holapress Communicatie B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Holapress,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.A.H. Faassen te Veldhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 juli 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven onder zaaknummer 765217 en rolnummer 11-6036 gewezen vonnis van 16 februari 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 24 juli 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 22 oktober 2012;

- de memorie van grieven met producties, houdende wijziging van eis in reconventie;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

- het pleidooi, waarbij Holapress pleitnotities heeft overgelegd;

- de bij H-formulier van 1 november 2013 door Holapress toegezonden akte met één productie, die zij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

7 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] is op 17 januari 1997 in dienst getreden bij Holapress. Zij was laatstelijk werkzaam als beursmanager voor 28 uur per week tegen een bruto maandsalaris van € 2.577,64.

7.2.

[geïntimeerde] heeft zich op 3 augustus 2009 ziek gemeld in verband met een arbeidsconflict. Met ingang van 3 augustus 2009 is aan [geïntimeerde] aanvankelijk 100% van haar salaris uitbetaald en met ingang van 1 januari 2010 70% van haar salaris.

7.3.

Holapress heeft bij de salarisbetaling over januari 2010 een netto bedrag van € 874,54 ingehouden op grond van haar standpunt dat over de maanden november en december 2009 ten onrechte 100% in plaats van 70% van het loon is doorbetaald.

7.4.

Bij beschikking van de kantonrechter te Eindhoven van 30 maart 2010 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 15 april 2010. Daarbij is aan [geïntimeerde] een ontbindingsvergoeding toegekend van € 36.000,- bruto, door Holapress te betalen in negen maandelijkse termijnen van € 4.000,- bruto, te beginnen per 1 mei 2010.

7.5.

Holapress heeft de ontbindingsvergoeding betaald in drie termijnen. De eerste termijn van € 12.000,-- is betaald op 20 juli 2010 en de tweede termijn van € 12.000,-- is betaald op 1 oktober 2010. Op de derde termijn van € 12.000,-- heeft Holapress een bedrag van € 1.919,11 ingehouden, zodat zij (op 4 januari 2011) slechts € 10.080,89 heeft betaald.

7.6.

Bij brief van 7 januari 2011 (overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding) heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] Holapress erop gewezen dat zij ten onrechte € 1.919,11 heeft ingehouden en kondigt de gemachtigde van [geïntimeerde] aan de ontbindingsbeschikking te laten executeren. In deze brief is voorts aanspraak gemaakt op een bedrag ter zake niet genoten verlofuren. Holapress heeft geweigerd het bedrag van € 1.919,11 en een bedrag ter zake niet genoten verlofuren alsnog aan [geïntimeerde] uit te betalen.

7.7.

Op 29 juli 2011 heeft [geïntimeerde] op basis van de ontbindingsbeschikking ten laste van Holapress executoriaal derdenbeslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank N.V. ter incasso van het door Holapress onbetaald gelaten bedrag van € 1.919,11.

7.8.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg, na vermindering van eis, gevorderd Holapress te veroordelen tot betaling van € 825,81 bruto aan niet genoten verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, als vergoeding van door [geïntimeerde] opgebouwde en niet genoten verlofdagen. Daarnaast heeft [geïntimeerde] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gevorderd van € 450,-.

7.9.

Holapress heeft de vordering van [geïntimeerde] bestreden. Zij heeft aangevoerd dat zij over de ziektedagen 14 mei 2009 en 15 juli 2009, alsmede over de eerste drie maanden van de op 3 augustus 2009 aangevangen ziekteperiode van [geïntimeerde] ten onrechte 100% in plaats van 70% van het loon heeft doorbetaald. Volgens Holapress heeft zij daarom een vordering uit onverschuldigde betaling op [geïntimeerde]. Zij heeft dienaangaande een beroep op verrekening gedaan. Voorts heeft Holapress een vordering in reconventie ingesteld uit hoofde van onrechtmatige daad. Holapress heeft gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld alle schade aan haar te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde], onder meer bestaande uit het ten onrechte executeren van de ontbindingsbeschikking, vermeerderd met de wettelijke rente.

7.10.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter in conventie overwogen dat partijen het erover eens zijn dat het resterende aantal verlofuren over 2009 en 2010 36 uren bedraagt en dat gelijk staat aan een bedrag van € 825,81. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] over de ziektedagen 14 mei 2009 en 15 juli 2009, alsmede de eerste drie maanden van haar ziekteperiode geen recht had op 100% van haar loon maar slechts op 70% van haar loon, zodat het beroep van Holapress op verrekening slaagt. Holapress heeft echter volgens de kantonrechter een bedrag ad € 184,41 teveel verrekend. De kantonrechter heeft Holapress in conventie veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van het bedrag van € 184,41, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Voorts heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen en [geïntimeerde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van Holapress afgewezen en Holapress veroordeeld in de proceskosten.

7.11.

Holapress kan zich met dit vonnis niet verenigen en zij is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft in de memorie van grieven haar eis in reconventie gewijzigd en vordert thans [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, primair ter hoogte van € 9.530,-, subsidiair ter hoogte van een door het hof te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts vordert zij [geïntimeerde] te gelasten om aan Holapress het door haar op basis van het beroepen vonnis aan [geïntimeerde] onder protest betaalde bedrag ad € 188,- terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Het hof zal verder uitgaan van de gewijzigde eis.

7.12.

[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

7.13.

Het hof zal eerst grief 1 in incidenteel appel behandelen. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] op de ziektedagen 14 mei 2009 en 15 juli 2009 en gedurende de eerste drie maanden van haar ziekteperiode slechts recht had op doorbetaling van 70% van haar loon en tegen de daarop gebaseerde honorering van het beroep van Holapress op verrekening. [geïntimeerde] stelt dat zij op grond van artikel 6.2 van het bedrijfsreglement, dan wel op grond van een stilzwijgende overeenkomst tussen partijen, bij ziekte de eerste drie maanden recht heeft op 100% doorbetaling van het salaris. Het hof zal deze grief als eerste behandelen.

7.14.

In de arbeidsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de werkgever in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid geen aanvulling verstrekt. Artikel 7 van de bij de als productie 1B bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd luidt:

“Ingeval van ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werkneemster ontvangt de werknemer de uitkering conform de wettelijke regelingen en de regeling van de bedrijfsvereniging. De werkgever zal op deze uitkering(en) geen aanvullingen verstrekken.”

Artikel 11 lid 3 van deze arbeidsovereenkomst luidt:

“Afwijkingen en aanvullingen op deze overeenkomst zijn alleen geldig indien deze schriftelijk door de werkgever zijn bevestigd.”


7.15. [geïntimeerde] doet een beroep op artikel 6.2. van het bedrijfsreglement van Holapress. Zij heeft als productie 4 bij haar memorie van antwoord in het principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel appel, een bedrijfsreglement overgelegd. Op het voorblad van dit bedrijfsreglement staat versie 21/10/08 vermeld en onderaan de pagina’s versie 2.2008. Voor de onderhavige zaak is alleen de eerste zin van artikel 6.2. van dit bedrijfsreglement relevant. Deze zin luidt als volgt:

“Gedurende het eerste ziektejaar wordt het salaris de eerste 3 maanden à 100% betaald.” Indien dit bedrijfsreglement van toepassing zou zijn, heeft [geïntimeerde] bij ziekte gedurende de eerste drie maanden recht op 100% doorbetaling van het salaris. Holapress betwist echter dat dit bedrijfsreglement van toepassing is. Volgens Holapress geldt hetgeen partijen zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. Deze heeft volgens haar voorrang op het bedrijfsreglement. Voorts voert Holapress aan dat ten tijde van de ziekmelding van [geïntimeerde] een andere versie van het bedrijfsreglement gold, te weten versie 3.2009, waarin het recht op doorbetaling van 100% van het loon tijdens de eerste drie maanden van ziekte weer was teruggedraaid. Zij heeft deze versie overgelegd als productie HB5 bij de memorie van antwoord in incidenteel appel. In deze versie luidt de eerste zin van artikel 6.2. als volgt:

“Gedurende het eerste ziektejaar wordt het salaris conform het wettelijk minimum betaald, tenzij de directie anders bepaalt.”

7.16.

Nu Holapress zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat zij aan [geïntimeerde] op 14 mei 2009 en 15 juli 2009 en over de maanden augustus, september en oktober 2009 onverschuldigd 100% van het ziekengeld heeft doorbetaald omdat zij over deze maanden slechts 70% van het ziekengeld verschuldigd was, draagt zij ook de bewijslast van die stelling. Het hof is van oordeel dat Holapress haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd en niet heeft bewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

7.17.

Het standpunt van Holapress dat de tekst van de arbeidsovereenkomst voorgaat boven de tekst van het bedrijfsreglement moet worden verworpen. In de arbeidsovereenkomst is immers uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid dat aanvullingen op de tekst van de arbeidsovereenkomst worden overeengekomen, mits zij schriftelijk door de werkgever worden bevestigd. Een dergelijke aanvulling kan probleemloos plaatsvinden indien daarbij nadere rechten aan de werknemers worden toegekend. In dit geval is van een dergelijke aanvulling sprake geweest. Holapress heeft niet betwist dat de door [geïntimeerde] overgelegde versie van het door Holapress vastgestelde bedrijfsreglement heeft gegolden in de periode vanaf oktober 2008. In de stellingen van [geïntimeerde] ligt bovendien besloten dat in de daaraan voorafgaande versie van het bedrijfsreglement eveneens een recht op doorbetaling van loon gedurende de eerste drie maanden van ziekte was opgenomen. Holapress heeft dat niet betwist. Dat de werknemers van Holapress – en dus ook [geïntimeerde] – in die periode bij ziekte recht hadden op doorbetaling van 100% van het loon ligt ook besloten in de stellingen van Holapress zelf. Holapress heeft immers bovenaan blz. 5 van haar memorie van antwoord in incidenteel appel gesteld dat zij nadien, vanwege de wijze waarop de arbeidsrelatie met [geïntimeerde] zich ontwikkelde, het bedrijfsreglement heeft aangepast om de aanspraak die werknemers daaraan konden ontlenen op doorbetaling van 100% gedurende de eerste drie maanden van ziekte terug te brengen naar 70%. Ook hieruit volgt dat Holapress zelf ook van mening was dat de werknemers volgens de tot op dat moment geldende versie van het bedrijfsreglement aanspraak hadden op doorbetaling van 100% van het loon gedurende de eerste drie maanden van ziekte en dat de werknemers die aanspraak op dat moment ook konden afdwingen. De stelling van Holapress dat de tekst van de arbeidsovereenkomst voorgaat boven de tekst van het arbeidsreglement en dat [geïntimeerde] reeds om die reden geen recht kan ontlenen aan de bepaling in de door haar overgelegde versie van het bedrijfsreglement dat zij recht heeft op doorbetaling van 100% van het loon gedurende de eerste drie maanden van ziekte kan dus niet worden gevolgd.

7.18.

Daar komt bij dat Holapress in dit geval zelf ook gewoon toepassing heeft gegeven aan de aanvankelijk in het bedrijfsreglement neergelegde aanspraak op doorbetaling van 100% van het loon gedurende de eerste drie maanden van ziekte. Holapress heeft immers toen [geïntimeerde] zich begin augustus 2009 ziek meldde, 100% van het loon aan haar doorbetaald. Deze doorbetaling van 100% van het loon is gedaan tot en met december 2009. Van de zijde van Holapress werd toen geconstateerd dat de doorbetaling van loon over november en december 2009 (de vierde en de vijfde maand van de ziekte) ten onrechte had plaatsgevonden. De 30% die over deze maanden te veel was betaald, is ingehouden op het salaris dat [geïntimeerde] over de maand januari 2010 heeft ontvangen. Over de maanden augustus tot en met oktober 2009 (de eerste drie maanden van de ziekte) is op dat moment echter niets teruggevorderd of verrekend, ook niet in de daaropvolgende maanden waarin nog gewoon salaris aan [geïntimeerde] is betaald. Het feit dat een dergelijke nadere verrekening niet plaatsvond, heeft [geïntimeerde] mogen opvatten als een bevestiging van haar standpunt dat zij over die eerste drie maanden terecht 100% van het loon doorbetaald had gekregen. Ook om die reden kan Holapress niet worden gevolgd in haar stelling dat de tekst van de arbeidsovereenkomst op dit punt voorgaat boven de tekst van het bedrijfsreglement.

7.19.

Holapress kan ook niet worden gevolgd in haar betoog dat het recht op doorbetaling van 100% van het loon, dat bij versie 2 aan de werknemers is toegekend, door haar op rechtsgeldige wijze aan de werknemers is ontnomen bij versie 3 van het bedrijfsreglement. Daarbij is van belang dat het hier – indien die wijziging al door Holapress op Intranet zou zijn gepubliceerd – een eenzijdige wijziging door de werkgever van een arbeidsvoorwaarde in het nadeel van de werknemers betreft. De vraag of [geïntimeerde] deze eenzijdig doorgevoerde wijziging tegen zich moet laten gelden, dient te worden beoordeeld met inachtneming van artikel 7:611 BW, zoals uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847 (Stoof/Mammoet). Dat sprake is geweest van een wijziging van omstandigheden waarin Holapress als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot de bedoelde wijziging van de arbeidsvoorwaarden, is niet gesteld of gebleken. Daartoe is in elk geval onvoldoende dat Holapress, zoals uit haar stellingen blijkt, in de derde versie van het bedrijfsreglement het recht op doorbetaling van 100% van het loon gedurende de eerste drie maanden van ziekte heeft laten vervallen vanwege “de wijze waarop de arbeidsrelatie met [geïntimeerde] zich had ontwikkeld”. Voorts merkt het hof op dat op de door Holapress overgelegde versie staat vermeld dat het een concept betreft, zodat niet zonder meer ervan kan worden uitgegaan dat deze nieuwe versie in de rechtsverhouding tussen partijen is gaan gelden, althans dat [geïntimeerde] dit ook heeft moeten begrijpen.


7.20. Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] op 14 mei en 15 juli 2009 en gedurende de eerste drie maanden van haar ziekte in het najaar van 2009 recht had op100% doorbetaling van het salaris. Dit betekent dat Holapress ten onrechte 30% van het door haar op 14 mei en 15 juli 2009 en van 3 augustus 2009 tot 1 oktober 2010 aan [geïntimeerde] betaalde salaris deels heeft verrekend met de openstaande verlofuren ten bedrage van € 825,81. Grief 1 in incidenteel appel slaagt. Daarnaast heeft Holapress het volgens haar teveel betaalde salaris ten onrechte deels verrekend met de laatste termijn van de ontbindingsvergoeding.

7.21.

In haar eerste grief in principaal appel voert Holapress aan dat de vordering ter zake van openstaande verlofuren afgewezen moet worden, omdat [geïntimeerde] zich reeds een bedrag van € 2.395,63 heeft toegeëigend door het executoriaal derdenbeslag. Gelet op het feit dat Holapress ten onrechte heeft verrekend en daardoor een deel van de ontslagvergoeding ten onrechte niet aan [geïntimeerde] heeft betaald, moet vastgesteld worden dat [geïntimeerde] terecht executoriaal derdenbeslag heeft gelegd. Grief 1 in principaal appel faalt derhalve.

7.22.

Het slagen van de eerste grief in incidenteel appel brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren van Holapress die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen. Holapress heeft in eerste aanleg naast het beroep op verrekening als verweer tegen de vordering tot betaling van de openstaande verlofuren aangevoerd dat [geïntimeerde] ten onrechte buiten rechte nooit het inhoudelijk debat heeft gevoerd en nooit heeft gereageerd op het standpunt van Holapress, neergelegd in de brief van 3 januari 2011. Deze grief faalt. De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft Holapress er onder meer bij brief van 7 januari 2011 op gewezen dat Holapress ten onrechte € 1.919,11 heeft ingehouden op de ontbindingsvergoeding en dat Holapress nog een bedrag moest voldoen ter zake niet genoten verlofuren. Holapress is ten onrechte blijven weigeren de juistheid van dit standpunt van [geïntimeerde] te erkennen. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde] heeft geweigerd om buitengerechtelijk een debat te voeren.

7.23.

[geïntimeerde] vordert in hoger beroep Holapress te veroordelen om aan [geïntimeerde] – tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie – een bedrag van € 825,81 te betalen, onder aftrek van hetgeen Holapress reeds voldaan heeft en te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 mei 2010. Het hof zal het beroepen vonnis, waarin slechts een hoofdsom van € 184,41 is toegewezen, vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de hoofdsom van € 825,81 toewijzen. Vanzelfsprekend strekt het door Holapress na het vonnis betaalde bedrag van € 188,-- in mindering op hetgeen zij op grond van het onderhavige arrest verschuldigd is. De onderhavige veroordeling komt in de plaats van de door de kantonrechter uitgesproken veroordeling. Holapress heeft geen separaat verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. Het hof zal deze toewijzen. Holapress heeft wel verweer gevoerd tegen de hoogte van de wettelijke verhoging. Holapress voert in eerste aanleg aan dat een wettelijke verhoging van 50% in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, omdat [geïntimeerde] zelf lang heeft gewacht met het entameren van een procedure en het inhoudelijk debat met Holapress ondanks veelvuldig verzoek uit de weg is gegaan. Dit verweer faalt. Op grond van artikel 7:625 BW heeft de werknemer alleen aanspraak op wettelijke verhoging indien het niet tijdig voldoen van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. De door Holapress gestelde omstandigheden, wat hier ook voor zij, betreffen geen omstandigheden die maken dat het niet tijdig betalen van de openstaande verlofuren niet aan Holapress kan worden toegerekend. Voor het overige is het beroep van Holapress op de redelijkheid en billijkheid onvoldoende onderbouwd. Het hof zal derhalve de gevorderde wettelijke verhoging toewijzen.

7.24.

[geïntimeerde] heeft tevens een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gevorderd van € 450,-. Tegen de afwijzing van deze vordering in het bestreden vonnis richt zich de derde grief in incidenteel appel. Deze grief faalt. Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten geldt dat zij op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv. de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. [geïntimeerde] heeft niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De algemene verwijzing van [geïntimeerde] in de toelichting op haar grief naar de processtukken van de eerste aanleg is daarvoor onvoldoende. De kosten waarvan [geïntimeerde] vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden.

7.25.

De tweede grief in principaal appel en de tweede grief in incidenteel appel hebben betrekking op de veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in conventie. [geïntimeerde] voert in haar grief aan dat zij ten onrechte in de proceskosten in conventie veroordeeld is. Holapress voert in haar grief aan dat de kantonrechter had moeten afwijken van het liquidatietarief en een substantieel hoger bedrag aan proceskosten had moeten toewijzen. De grief van [geïntimeerde] slaagt en de grief van Holapress faalt. Holapress dient als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. Daarbij zal het hof conform het liquidatietarief een salaris gemachtigde rekenen van € 150,- per punt. Het hof zal tevens de door [geïntimeerde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen.

7.26.

In principaal appel is voorts de vraag aan de orde of [geïntimeerde] onrechtmatig jegens Holapress heeft gehandeld. De derde grief in principaal appel richt zich tegen afwijzing van de reconventionele vordering tot schadevergoeding van Holapress. Holapress onderbouwt haar vordering tot schadevergoeding als volgt. Zij stelt dat [geïntimeerde] lichtvaardig is omgegaan met de gerechtvaardigde belangen van Holapress door:

a. a) te weigeren het buitengerechtelijke debat te volgen;

b) een evident ongegronde vordering in te stellen;

c) executoriale belagen te leggen op basis van een titel waarvan zij wist, althans moest
weten, dat die was uitgewerkt en om die reden zelf (terecht) een nieuwe procedure bij de kantonrechter was begonnen.

[geïntimeerde] heeft deze stellingen van Holapress gemotiveerd betwist.

7.27.

Het hof is van oordeel dat de derde grief in principaal appel faalt. De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft Holapress er onder meer bij brief van 7 januari 2011 op gewezen dat Holapress ten onrechte € 1.919,11 heeft ingehouden op de ontbindingsvergoeding en dat Holapress nog een bedrag moest voldoen ter zake niet genoten verlofuren. Holapress is ten onrechte blijven weigeren de juistheid van dit standpunt van [geïntimeerde] te erkennen. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde] heeft geweigerd om buitengerechtelijk een debat te voeren. Voorts kan niet vastgesteld worden dat [geïntimeerde] een evident ongegronde vordering heeft ingesteld, nu haar vorderingen grotendeels worden toegewezen.
Met betrekking tot het executoriaal beslag verwijt Holapress [geïntimeerde], naar het hof begrijpt, dat zij misbruik van recht heeft gemaakt door de titel van de ontbindingsvergoeding, die inmiddels was uitgewerkt, te gebruiken om beslag te leggen ten behoeve van haar vorderingen in de onderhavige procedure. Het hof is van oordeel dat hier geen sprake van is. Vast staat dat Holapress ten onrechte een bedrag van € 1.919,11 op de ontslagvergoeding heeft ingehouden. Omdat Holapress bleef weigeren dat bedrag te betalen mocht [geïntimeerde] tot executie van de ontbindingsbeschikking over gaan. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van de reconventionele vordering van Holapress bekrachtigen. Hieruit volgt tevens dat de in hoger beroep gewijzigde reconventionele vordering van Holapress moet worden afgewezen.

7.28.

De vierde grief in principaal appel richt zich tegen de veroordeling van Holapress in de proceskosten in reconventie. Deze grief faalt. Holapress dient als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie te worden veroordeeld.

7.29.

De vijfde grief in principaal appel heeft geen zelfstandige betekenis. De enkele vermelding in de toelichting op deze grief dat deze grief ertoe strekt het hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen, is niet voldoende om aan te nemen dat enig door Holapress niet vermeld geschilpunt, naast andere wel door Holapress nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld.

7.30.

Op grond van het bovenstaande dient het vonnis waarvan beroep in conventie te worden vernietigd. Het hof zal op de na te melden wijze opnieuw recht doen in conventie. Het hof zal het vonnis waarvan beroep in reconventie bekrachtigen. Holapress dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal en incidenteel appel. De door [geïntimeerde] gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zullen worden toegewezen, zoals hierna in het dictum is vermeld.

8 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep in conventie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Holapress om aan [geïntimeerde] - tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie - te betalen een bedrag van € 825,81 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2010 tot aan de dag der voldoening (en wijst erop dat op deze veroordeling het reeds door Holapress betaalde bedrag van € 188,-- in mindering strekt);

veroordeelt Holapress in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 232,80 aan verschotten en op € 300,- aan salaris gemachtigde en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst het in conventie meer of anders gevorderde af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep in reconventie;

wijst de in hoger beroep gewijzigde reconventionele vordering van Holapress af;

veroordeelt Holapress in de proceskosten van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 291,- aan verschotten, op € 1.896,- aan salaris advocaat in principaal appel en op € 948,- aan salaris advocaat in incidenteel appel, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, A.P. Zweers-van Vollenhoven en C.E.C.J. Ponsioen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 december 2013.