Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6314

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
20-004254-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten in kwekerij. Alternatieve lezing van verdachte hoogst onaannemelijk. Verwerping verweren m.b.t. rechtmatigheid staandehouding en niet geven van cautie.

Niettegenstaande de in het proces-verbaal van bevindingen gebruikte bewoordingen is er geen sprake geweest van een staandehouding als bedoeld in art. 52 Sv, maar van “staande houden” naar dagelijks spraakgebruik, waarmee kennelijk niet meer bedoeld is dan dat een persoon, in dit geval de verdachte, door de verbalisant is aangesproken om hem te vragen waarom hij wegrende bij het zien van de politie.

Toen verdachte op straat werd aangesproken door de verbalisant was er geen sprake van een verhoor als bedoeld in art. 29 lid 2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004254-12

Uitspraak : 18 december 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 14 december 2012 in de strafzaak met parketnummer

04-856121-11 tegen:

[verdachte],

geboren te Venlo op [geboortedatum] 1958,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de verdachte vrijgesproken van - kort gezegd - diefstal in vereniging van elektriciteit (feit 1) en is hij ter zake van medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de appelakte onbeperkt ingesteld, derhalve ook tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen die vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 14 juli 2009 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan de [A-straat] 1A te Tegelen) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 492, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juli 2009 te Tegelen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [A-straat] 1A te Tegelen) een hoeveelheid van in totaal 492 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Onderstaande bewijsmiddelen maken deel uit van het dossier van de regiopolitie Limburg Noord, registratienummer 2009071927-1, d.d. 20 juni 2010 (het voorblad vermeldt sluitingsdatum 11 februari 2010), met bijlagen.

1.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2009, nr. 2009071927-6, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisanten [C], [A] en [B]:

Op dinsdag 14 juli 2009 waren wij, verbalisanten [A] en [B], belast met de noodhulp binnen het district Venlo. Ik, [C], was de dienstdoende hulpofficier van justitie. Wij verbalisanten waren allen in uniform gekleed en reden in een opvallend dienstvoertuig.

Omstreeks 05:00 uur kregen wij, [B] en [A], de melding om te gaan naar de [A-straat] (het hof leest: [A-straat]) te Tegelen. Aldaar had een meldster een verdachte situatie waargenomen. De meldster had gezien dat er een donkerkleurige bestelbus stopte in de straat. Een inzittende ging vervolgens op de uitkijk staan en de andere persoon droeg vervolgens enkele vaatjes een woning binnen. De vaatjes waren wit van kleur en voorzien van een rode deksel. Vervolgens was de bestelbus met gedoofde lichten weggereden.

Wij, [B] en [A], zijn vervolgens ter plaatse gegaan. In de directe omgeving van de [A-straat] hebben wij geen donkerkleurige bestelbus aangetroffen.

Omstreeks 05:40 uur reden wij over de afrit Venlo-Zuid/Tegelen van de A73. Wij zagen op dat moment over de Tegelseweg een donkerkleurige bestelbus rijden. Vervolgens zijn wij achter dit voertuig aan gereden. Wij zagen dat de donkerkleurige bestelbus een Mercedes Vito met het kenteken [kenteken] betrof. Op het moment dat de bestuurder van de Mercedes door een bocht naar rechts reed zag ik, [A], dat er een persoon op de bijrijderstoel van de Mercedes zat.

Wij zagen dat de bestuurder van de Vito het voertuig parkeerde op de oprit van perceel [B-straat] 8 te Venlo. Ik, [B], reed vervolgens de [B-straat] een stukje verder en reed hierbij een bocht door. Vervolgens heb ik het dienstvoertuig gekeerd. Wij zagen dat er een man uit de Mercedes stapte aan de bestuurderszijde. Wij zagen dat de man een kaal hoofd had en gekleed was in een fel roze t-shirt. Wij zagen dat de man vervolgens naar ons keek en wij zagen aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij schrok. Hierna zagen wij dat de man wegliep, een brandgang in, richting het speelveld op de [B-straat]. Vervolgens zijn wij ook de brandgang ingelopen om te kijken waar de man in het roze shirt was gebleven. Wij zagen op dat moment niemand meer lopen. Ik, [A], ben vervolgens teruggelopen naar de Mercedes. Ik, [B], ben vervolgens richting het speelveld op de [B-straat] gelopen. Vervolgens zag ik, [B], dat de man in het roze shirt aan de andere zijde van het speelveld liep. Ik zag dat de man mij zag en dat hij schrok. Ik zag dat de man wegdook achter een aldaar geparkeerde auto. Ik zag dat de man gehurkt achter deze geparkeerde personenauto zat. Ik, [B], zag vervolgens dat de man in mijn richting keek en vervolgens wegrende, een brandgang in, in de richting van de [C-straat]. Ik rende vanuit de [B-straat] ook naar de [C-straat]. Ik zag dat de verdachte daar liep. Ik zag dat de verdachte mij weer zag en wederom aan het rennen ging. Ik zag dat hij naar de [D-straat] rende. Ik, [B], ben vervolgens achter de man aan gerend. Ik, [B], riep enkele malen naar de man dat hij moest stoppen. Ik zag echter dat de man verder rende. Ik, [B], zag vervolgens dat collega [D] van de basiseenheid Tegelen over de [D-straat] aan kwam rijden. Ik zag vervolgens dat de man in het roze t-shirt stopte toen de collega [D] bij hem stopte midden op de [D-straat]. Ik, [B], ben vervolgens naar de man en collega [D] toe gelopen. Ik, [B], heb de man vervolgens staande gehouden. Ik, [B], vroeg aan de man waarom hij niet stopte met rennen op het moment dat ik dat naar hem had geroepen. Ik, [B], hoorde dat de man hier verder niet op antwoordde. Ik, [B], vroeg vervolgens aan de man waarom hij wegrende. Ik, [B], hoorde dat de man antwoordde dat hij aan het joggen was. Vervolgens rook ik, [B], dat de man sterk rook naar de

geur van hennep. Tevens zag ik dat de handen van de man vies waren.

Ik, [A], kreeg vervolgens bovenstaande informatie van de collega [B]. Gezien bovenstaande bevindingen hadden wij het ernstige vermoeden dat de man betrokken was bij hennepteelt of hennepverwerking. Ik, [A], stelde vervolgens een onderzoek in de Mercedes in. Ik zag in de laadruimte een plastic vat staan. Ik, [A], zag dat het vat wit van kleur was en voorzien was van een rood deksel. Ik, [A], heb vervolgens het vat geopend. Ik zag dat het vat leeg was. Ik rook dat de binnenzijde van het vat sterk naar hennep rook. Deze bevindingen heb ik, [A], vervolgens doorgegeven aan collega [B].

Hierna werd de man aangehouden ter zake vermoedelijk overtreden van de Opiumwet.

Door mij, [A], werd telefonisch contact opgenomen met de meldkamer. Ik vroeg naar de eerste melding op de [A-straat] te Tegelen. Als aanvulling werd mij medegedeeld dat de vaatjes uitgeladen en binnengedragen waren in een woning waar zich onderin een boetiek zou bevinden. Verder kreeg ik te horen dat voornoemd pand zich op een hoek moet bevinden.

Door mij, verbalisant [B], werd de verdachte met diens toestemming aan zijn kleding onderzocht. Hierbij heb ik een sleutelbos aangetroffen.

Gezien de eerste melding hebben wij, verbalisanten [B] en [C], op dinsdag 14 juli 2009 te 06.15 uur een onderzoek ingesteld op de [A-straat] te Tegelen. Wij zagen dat er een kledingboetiek lag op de hoek Kerkstraat/[A-straat]. Wij zagen dat er een toegangsdeur zich naast de boetiek bevond op de [A-straat], huisnummer 1A. Ik, verbalisant [B], heb toen met de sleutels, welke waren aangetroffen in de kleding van de aangehouden [verdachte], getracht deze deur te openen. Ik, verbalisant [B], zag dat een van de sleutels paste op de deur. Ik heb toen de deur geopend. Wij, verbalisanten [B] en [C], zagen dat men middels de geopende deur toegang kreeg tot een trapportaal. Wij zijn het pand binnengegaan en de trap opgelopen. Wij verbalisanten kwamen uit op een overloop. Wij zagen dat op deze overloop een afgesloten deur aanwezig was. Wij hoorden dat er een zoemend geluid afkomstig kwam vanachter deze deur. Dit geluid was gelijkend op in werking zijnde afzuigingen zoals deze bij hennepkwekerijen worden

gebruikt. Wij roken verder een sterke naar hennep riekende lucht. Hierop hebben wij enkele malen geklopt op de deur. Wij zagen dat de deur geopend werd door een man. Wij, verbalisanten [C] en [B], zagen meteen door de geopende deur een groot ventilatiesysteem. Verder roken wij meteen een sterke henneplucht. Wij zagen dat de gehele verdieping ingericht was als hennepkwekerij. Wij zagen resten van hennepplanten op de grond liggen. Wij, verbalisanten [C] en [B], zagen dat twee ruimtes vol stonden met potten, assimilatieverlichting, koolstoffilters en andere apparatuur welke noodzakelijk is om hennep te telen. Wij hebben de man aangehouden. Deze man bleek genaamd te zijn: [Z].

2.

Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 juli 2009, nr. 2009071927-7, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisanten [B], [E] en [D]:

Op dinsdag 14 juli 2009 omstreeks 05.50 uur hebben wij op de [D-straat] te Venlo aangehouden: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1958.

3.

Een proces-verbaal relaas d.d. 20 juni 2010, nr. PL2322 2009071927-42, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisant [F]:

Onderzoek ter plaatse

Naar aanleiding van onder meer de aanhouding van [Z] op de [A-straat] 1a te Tegelen op dinsdag 14 juli 2009 te 06.19 uur, werd aan mij, verbalisant [F], verzocht ter plaatse te gaan om de nachtdienst af te lossen en verder onderzoek te doen.

AANTREFFEN PLANTAGE / INRICHTING:

Na onderzoek in de woning aan de [A-straat] 1a te Tegelen zag ik een niet in werking zijnde hennepkwekerij.

Ruimte I betrof de woonkamer.

-In deze ruimte was een oppervlakte van 16,39 vierkante meter bestemd voor de teelt van hennep.

-Op folie stonden 282 plastic potten gevuld met teelaarde.

-Boven de plantenbakken waren assimilatielampen aangebracht.

PLANTEN:

- In de ruimte waren hennepresten aanwezig.

- Na telling bleken er 17,2 stuks plastic potten per vierkante meter te staan.

- Er waren delen van hennepplanten aanwezig, te weten bladresten en natte henneptoppen.

Ruimte II betrof vermoedelijk een ruimte die als slaapkamer kon dienen.

- In deze ruimte was een oppervlakte van 16 vierkante meter bestemd voor de teelt van hennep.

- Boven de plantenbakken waren assimilatielampen aangebracht.

- Onder de assimilatielampen was over het teeloppervlak een folie gelegd.

- Op deze folie stonden 210 plastic potten gevuld met teelaarde.

PLANTEN:

- In de ruimte waren hennepresten aanwezig.

- Na telling bleken er 13,12 stuks plastic potten per vierkante meter te staan.

- Er waren delen van hennepplanten aanwezig, te weten bladresten

OPMERKING VERBALISANT

Ik, verbalisant [F], zag dat er bij binnenkomst in de hal zwarte plastic potten stonden opgestapeld.

Tevens stond er een aan/afvoerventilator die was ingebouwd in een houtenkast. Hierop lagen twee knipscharen. Deze knipscharen zaten helemaal onder de hars.

TECHNISCH ONDERZOEK DRUGS:

Door mij, verbalisant [F], zijn geen hennepplanten in beslag genomen daar de kwekerij geruimd was. Echter zijn er wel henneptoppen in beslag genomen die te drogen lagen. Ik stelde een onderzoek in naar de aangetroffen door mij veiliggestelde henneptoppen. Ik herkende de henneptoppen als een deel van hennepplanten en aan de specifieke lancetvormige groene bladeren. Ik herkende de plant aan de voor de hennepplant specifieke geur. Deze natte henneptoppen werden op een houten bak voor de deur van ruimte II aangetroffen. Op woensdag 15 juli 2009 heb ik, verbalisant [F], een MMC cannabis-test uitgevoerd op een hoeveelheid van de in de plantage genomen hennepmonsters (bloemtoppen). De test gaf een positieve indicatie op THC, zijnde de werkzame stof voor hennep en hasjiesj.

4.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 14 juli 2009, nr. 2009071927-14, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [Z]:

V: In de woning gelegen aan de [A-straat] 1A te Tegelen is een hennepkwekerij aangetroffen. Wie is eigenaar van de hennepkwekerij?

A: Ik ben daar de eigenaar van. Althans, ik woon daar. Ik had in twee ruimtes een hennepkwekerij, te weten in de woonkamer en in een slaapkamer. In totaal stonden er volgens mij ongeveer 500 planten. Ik heb ze namelijk ooit eens geteld.

Ik denk dat het eind februari 2009 was toen de woonkamer en een slaapkamer vol stonden met hennepplanten. Enkele dagen later kwam er een Nederlandse man. De man gaf mij instructies hoe ik de hennepkwekerij draaiende moest houden. Hij zei dat op een vrijdag eind april 2009 de planten werden opgehaald. Die vrijdag zag ik dat alle planten weg waren. Begin mei kwam de man nieuwe planten brengen en samen met hem heb ik de planten in bakken gezet.

Op maandag 13 juli 2009 omstreeks 21.00 uur stond de man bij mij aan de deur. Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat ze waarschijnlijk omstreeks 04.00 uur zouden komen. In de nacht van dinsdag 14 juli 2009 stond de man en nog een andere Nederlandse man bij mij voor de deur. Ik opende de deur en vervolgens zag ik dat beide mannen witte en oranje tonnen bij zich hadden. Hierna zag ik dat de twee mannen de hennepplanten afknipten en de hennep in deze tonnen deden. Ik zag dat er een bestelbus voor de deur stond. Verder zag ik dat de twee mannen de tonnen in het trappenhuis plaatsten. Op het moment dat de mannen klaar waren en de woning verlieten, zag ik dat de tonnen weg waren.

5.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 15 juli 2009, nr. 2009071927-28, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [Z]:

U zegt mij dat u een sleutelbos heeft aangetroffen waaraan twee sleutels zaten. Een sleutel paste op de centrale buitendeur en een sleutel paste op de voordeur van de woning.

Ja, van de bovendeur en de benedendeur. Eentje is om beneden bij de centrale deur binnen te komen en eentje is om boven binnen te komen. Ik heb een setje sleutels aan een bekende van mij gegeven. Dit was de heer [verdachte] (het hof leest: [verdachte]).

6.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2009, nr. 2009071927-37, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisant [G]:

Op woensdag 15 juli 2009 hoorde ik dat de verdachte [Z] verklaarde dat zijn vriend [verdachte] (het hof leest: [verdachte]) aan het navolgende signalement voldeed: kale man.

Tevens hoorde ik dat [Z] verklaarde dat de tonnen die hij bij hem in het pand had gezien witte en oranje tonnen betroffen en dat sommige tonnen voorzien waren van rode deksels.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Rechtmatigheid van de “staandehouding”

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte is staande gehouden als bedoeld in artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering. Deze staandehouding heeft onrechtmatig plaatsgevonden omdat er geen sprake was van een verdenking in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de staandehouding bovendien werd uitgevoerd met het oog op de opsporing van strafbare feiten, niet om te vragen naar de personalia van de verdachte. Nu de staandehouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden, is al hetgeen daarna door de politie is ondernomen ook onrechtmatig geschied, aldus de raadsman.

Met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat, niettegenstaande de in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2009 van verbalisanten [C], [A] en [B] gebruikte bewoordingen, er geen sprake is geweest van een staandehouding als bedoeld in artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering, maar van “staande houden” naar dagelijks spraakgebruik, waarmee kennelijk niet meer bedoeld is dan dat een persoon, in dit geval de verdachte, door verbalisant [B] is aangesproken om hem te vragen waarom hij wegrende bij het zien van de politie.

Ten overvloede overweegt het hof dat de raadsman heeft nagelaten om duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a, tweede lid, Sv aan te geven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg de door de raadsman gestelde onrechtmatigheid zou dienen te leiden. Ook om die reden kan het verweer niet slagen.

Cautie

De raadsman heeft voorts betoogd dat aan de verdachte - het hof begrijpt: toen hij op straat werd aangesproken door verbalisant [B] - de cautie had moeten worden gegeven.

Het hof verwerpt dit verweer, nu er naar het oordeel van het hof op dat moment nog geen sprake was van een verhoor als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er was op dat moment immers geen sprake van het stellen van vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.

Ook ten aanzien van dit verweer geldt overigens dat de raadsman heeft nagelaten om duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a, tweede lid, Sv aan te geven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg de door de raadsman gestelde onrechtmatigheid zou dienen te leiden. Ook om die reden kan het verweer niet slagen.

Betrokkenheid van de verdachte

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

( i) In de nacht van 14 juli 2009 omstreeks 05:00 uur krijgen verbalisanten [B] en [A] een melding om te gaan naar de [A-straat] in Tegelen omdat een meldster had gezien dat een donkerkleurige bestelbus stopte in de straat, een inzittende op de uitkijk ging staan en een andere persoon witte vaatjes met rode deksels een woning binnen droeg (bewijsmiddel 1).

(ii) Diezelfde nacht komen twee mannen met witte en oranje tonnen, waarvan sommige met rode deksels, de woning van [Z] aan de [A-straat] 1a in Tegelen binnen. In de woning werd hennep geteeld. De mannen knippen de hennep en doen die in de tonnen. Op dat moment staat er een bestelbus voor de deur. Wanneer de mannen klaar zijn met knippen, zijn de tonnen weg (bewijsmiddelen 4 en 6).

(iii) Naar aanleiding van voornoemde melding gaan verbalisanten [B] en [A] ter plaatse. In de directe omgeving van de [A-straat] treffen zij geen donkerkleurige bestelbus aan. Omstreeks 05:40 uur zien zij op de Tegelseweg een donkerkleurige bestelbus rijden. Op de bijrijderstoel is een persoon gezeten. De bestelbus stopt op enig moment en de verdachte stapt aan de bestuurderszijde uit. Wanneer de verdachte de verbalisanten in uniform ziet, schrikt hij en loopt hij weg. Na een achtervolging door verbalisant [B], waarbij de verdachte het tot tweemaal toe op een rennen zet wanneer hij verbalisant [B] in het vizier krijgt en een maal wegduikt achter een geparkeerde auto, stopt de verdachte met rennen nadat een andere verbalisant ter plaatse is gekomen. De verdachte verklaart tegenover verbalisant [B] dat hij aan het joggen was. Hij blijkt sterk naar hennep te ruiken en zijn handen zijn vies (bewijsmiddelen 1 en 2).

(iv) In de laadruimte van de bestelbus wordt een wit plastic vat met een rood deksel aangetroffen. Het vat is leeg en de binnenzijde ruikt sterk naar hennep (bewijsmiddel 1).

( v) De verdachte blijkt in het bezit te zijn van de sleutels van de centrale benedendeur en de bovendeur van de woning aan de [A-straat] 1a in Tegelen. De bewoner van dat pand, [Z], heeft deze sleutels aan de verdachte ter beschikking gesteld (bewijsmiddelen 1 en 5).

(vi) Een aansluitend in de woning ingesteld onderzoek wijst uit dat de in die woning ingerichte hennepkwekerij geruimd is. Er worden in totaal 492 potten met teelaarde aangetroffen. Ook worden hennepresten aangetroffen en twee knipscharen met hars erop (bewijsmiddel 3).

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2013 verklaard dat hij niets te maken heeft met de hennepkwekerij in de [A-straat] 1a te Tegelen en dat hij ook nooit in die woning is geweest. Hij heeft verklaard dat hij tijdens zijn aanhouding naar hennep rook omdat hij de avond tevoren in een coffeeshop had gerookt. Met een bekende die hij daar was tegengekomen, is hij naar een club geweest. Omdat die bekende een vrouw heeft, heeft de verdachte niet eerder hierover verklaard. Toen de verdachte naar huis liep, werd hem een lift aangeboden door iemand met een busje die hij uit het café kent. Hij heeft van dat aanbod gebruik gemaakt en is ingestapt. De bestuurder stopte op enig moment en zei dat er politie achter hen stond en dat de verdachte ervandoor moest gaan. Omdat de bestuurder wegrende, rende de verdachte ook weg. De verdachte is toen gestruikeld en met zijn handen in het zand terechtgekomen, waardoor hij vieze handen kreeg. Volgens de verdachte klopt het niet dat, zoals de politie heeft geverbaliseerd, de verdachte aan de bestuurderszijde van het busje is uitgestapt en evenmin dat hij die nacht een roze shirt droeg. De verdachte heeft desgevraagd niet willen verklaren wie de persoon is met wie hij naar de club is gegaan en evenmin wie hem de lift heeft gegeven. De verdachte heeft verder verklaard dat hij weliswaar in het bezit van de sleutels van de [A-straat] 1a te Tegelen was, maar dat hij niet wist dat het de sleutels van die woning waren. Hij had die sleutels namelijk gekregen van een kennis die hem had gevraagd of hij reservesleutels van de woning van die kennis bij zich wilde houden voor het geval die kennis zijn eigen sleutels zou verliezen en die kennis woonde niet in de [A-straat] 1a in Tegelen.

Het hof acht deze lezing van de verdachte ongeloofwaardig.

In die lezing zou de verdachte volstrekt toevallig in de vroege ochtend van 14 juli 2009, ruikend naar hennep, in een bestelbusje zijn beland dat kort tevoren is gebruikt bij het oogsten van een hennepkwekerij, welke kwekerij zich bevond in een pand waarvan de verdachte - zonder dit zelf te weten - de toegangssleutels bij zich had. Dat alleen al komt het hof hoogst onaannemelijk voor.

De verklaring van de verdachte dat hij de bijrijder van het busje was, is bovendien in strijd is met de waarneming van verbalisanten [A] en [B] dat de verdachte aan de bestuurderszijde van het busje uitstapte. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze - gedetailleerd geverbaliseerde - waarneming. In het verhoor van 15 juli 2009 is aan de verdachte weliswaar door verbalisanten [H] en [G] voorgehouden dat is gezien dat de verdachte aan de bijrijderszijde van het bestelbusje is uitgestapt, maar het hof hecht meer waarde aan het relaas van [A] en [B], nu zij - anders dan [H] en [G] - het door de verdachte verlaten van het busje zelf hebben waargenomen.

Bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de lezing van de verdachte betrekt het hof bovendien in zijn oordeel dat de verdachte die lezing pas ter terechtzitting in hoger beroep - bijna 4,5 jaar na zijn aanhouding - heeft gegeven. Zodoende heeft hij royaal de tijd gehad zijn verklaring aan te passen aan de inhoud van het dossier en in het bijzonder de voor hem belastende aspecten als zijn aanwezigheid in het busje, het feit dat hij naar hennep rook en zijn vieze handen. Het tijdstip waarop de verdachte zijn verklaring heeft afgelegd, doet daarom afbreuk aan de geloofwaardigheid van die verklaring. Daar komt nog bij dat de verdachte desgevraagd geen namen heeft willen noemen van degene met wie hij in de club zou zijn geweest en degene die hem een lift zou hebben gegeven, waardoor zijn lezing volstrekt oncontroleerbaar is gebleven.

Uit hetgeen hiervoor onder (i) tot en met (vi) is overwogen - waarbij het hof in het bijzonder het oog heeft op de betrekkelijk korte tijdspanne tussen het oogsten van de hennep (waarbij een donkerkleurig bestelbusje werd gebruikt) en het door de verdachte besturen van een donkerkleurig bestelbusje, de gelijkenis tussen de vaten die werden gebruikt bij het oogsten van de 492 planten in de kwekerij en het vat dat in het door de verdachte bestuurde busje werd aangetroffen, het feit dat zowel de binnenzijde van dat vat als de verdachte zelf naar hennep rook, alsmede verdachtes vieze handen - leidt het hof af dat de verdachte in de nacht van 14 juli 2009 betrokken is geweest bij het oogsten van de hennep in de woning aan de [A-straat] 1a in Tegelen. Hieraan doet niet af dat in het busje slechts een leeg vat werd aangetroffen. Het hof acht, in aanmerking nemende dat daarvoor voldoende tijd en gelegenheid heeft bestaan, aannemelijk dat de hennep is afgeleverd tussen het oogsten en het moment waarop de politie het busje voor het eerst waarnam.

Nu de verdachte betrokken was bij het oogsten van de hennep en hij voorts door [Z] in het bezit was gesteld van de sleutels van die woning en derhalve toegang tot de hennepkwekerij had, was er naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en in ieder geval [Z], gericht op het aanwezig hebben van de 492 hennepplanten in die kwekerij. Het hof acht het ten laste gelegde medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van die hennepplanten dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 492 hennepplanten. Hij was tevens actief betrokken bij het oogsten van die planten. De verdachte heeft daarbij kennelijk gehandeld uit financieel gewin.

Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, acht het hof de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 2 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. J.P.F. Rijken en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 18 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.