Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6301

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
HD 200.081.282/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:3191
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:6146
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2914, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6:166 BW, art. 6:197 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166, geldigheid: 2013-12-31
Burgerlijk Wetboek Boek 6 197, geldigheid: 2013-12-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.081.282/01

arrest van 24 december 2013

in de zaak van

1 TVM U.A. h.o.d.n. TVM VERZEKERINGEN,
gevestigd te [vestigingsplaats 1],

2. Amlin Corporate Insurance N.V., voorheen h.o.d.n. FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2],

3. [Rental B.V.] Rental B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats 3],

4. [Transport B.V.] Transport B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 4],

5. Tele [vestigingsnaam] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 5],

6. TVM België N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 6], België,

7. [X.] Internationaal Transport B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 7],

appellanten,

advocaat: mr. J.M. Wolfs,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats 2],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats 3],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats 4],

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats 4],

6. [geïntimeerde 6],

wonende te [woonplaats 1],

7. [geïntimeerde 7],

wonende te [woonplaats 4],

8. [geïntimeerde 8],

wonende te [woonplaats 4],

geïntimeerden,

advocaten: mr. B.L.G. Moolhuijsen (geïntimeerden 1 en 6),
mr. H.P. Ruysink (geïntimeerde 2)

mr. J.M.J.H. Coumans (geïntimeerde 3)
mr. J.J.H.S. Thomassen (geïntimeerden 4, 5, 7 en 8)

op het bij exploten van dagvaarding van 29 december 2010 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 12 mei 2010 en 29 september 2010 tussen appellanten - TVM c.s. - en twee andere eiseressen (Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. en [Y.] Transport B.V.) als eiseressen en geïntimeerden – tezamen [geïntimeerden] en verder ieder afzonderlijk bij eigen naam te noemen of aan te duiden als geïntimeerde 1 etc. - als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 120681/ HA ZA 07-579)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaropvolgende vonnis van 3 november 2010 waarin de rechtbank een verzoek om herstel afwees.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep

- de memorie van grieven tevens wijziging van eis (met vijftien grieven);

- de akte houdende rectificatie van TVM c.s. d.d. 10 juli 2012 (met aangehecht een productieoverzicht en twee andere producties, nrs. 104 en 105);

- de zes memories van antwoord (voor de geïntimeerden 4 en 5 en voor de geïntimeerden 7 en 8 een gezamenlijke memorie van antwoord);

- de akte houdende wijziging van eis d.d. 26 februari 2013 van TVM c.s.;

- de antwoordaktes van de geïntimeerden 1, 2 en 4 t/m 8;

- het pleidooi, waarbij TVM c.s. zes pleitnota’s - waarvan één algemene pleitnota tegen alle geïntimeerden - heeft overgelegd en aan de zijde van geïntimeerden pleitnota’s zijn overgelegd door de geïntimeerden 1, 2 en 6 en door - gezamenlijk - de geïntimeerden 7, 8, 4 en 5;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. TVM c.s. zijn verzekeraars en vervoerders die schade hebben geleden ten gevolge van een of meer ladingdiefstallen.

  2. TVM c.s. vorderen - als rechtstreeks benadeelden dan wel als gesubrogeerd in de aanspraken van benadeelden - schade die is geleden ten gevolge van:
    (1) een diefstal op of omstreeks 13 maart 2004 op een haventerrein te Antwerpen (ontvreemd werd een trailercombinatie waarin een lading van vorklifts en onderdelen van het merk Daewoo);
    (2) diefstal op 3 april 2005 van een trekker en een oplegger met lading (Mexx kleding) op het bedrijfsterrein van [Rental B.V.] Rental B.V. in [plaats 1];
    (3) diefstal op 17 en/of 18 december 2005 van een trekker en een trailer met electronica op het bedrijfsterrein van [Transport B.V.] Transport B.V. in [vestigingsplaats 4];
    (4) diefstal op 7 en/of 8 januari 2006 van een lading van diverse gereedschappen op het bedrijfsterrein van Tele [vestigingsnaam] B.V. te [vestigingsplaats 5];
    (5) diefstal op 20 en/of 21 januari 2006 van een trekker op het bedrijfsterrein van Flower Circle B.V. in [plaats 2];
    (6) diefstal op 20 en/of 21 januari 2006 van een trailer met reparatieonderdelen op het bedrijfsterrein van [Y.] Transport B.V. in [plaats 2];
    (7) diefstal op 25 en/of 26 februari 2006 van een trekker/oplegger met lading op het bedrijfsterrein van [X.] Internationaal Transport B.V. in [vestigingsplaats 7];

  3. Door de Bovenregionale Recherche Zuid Nederland (verder BRZN), cluster ’s-Hertogenbosch, is op 1 september 2005 in samenwerking met de Belgische Autoriteiten onderzoek (onderzoek [onderzoeksnummer]) gedaan naar grootschalige vrachtauto- en ladingdiefstallen, vermoedelijk gepleegd door een criminele organisatie. Bovenvermelde diefstallen hebben deel uitgemaakt van dat onderzoek. In het proces-verbaal van dit onderzoek (prod. 1 inl. dagv.) zijn alle geïntimeerden in een of meer zaken als verdachten aangemerkt.

  4. Ten aanzien van de geïntimeerden 1 t/m 5 ([geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3], [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]) is bij onherroepelijk geworden, op tegenspraak gewezen, strafvonnissen van de rechtbank Maastricht van 13 maart 2007 respectievelijk arresten van de meervoudige strafkamer van dit hof van 7 maart 2008 (t.a.v. [geïntimeerde 1]) en 19 maart 2009 ([geïntimeerde 3]) onder meer bewezen verklaard dat zij hebben deelgenomen aan, kort samengevat, een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven (als diefstallen, opzet- en schuldheling). Voor [geïntimeerde 1] werd de bewezenverklaring uitgesproken voor de periode van 1 januari 2005 t/m 18 april 2006, voor [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] voor de periode van 1 november 2005 t/m 18 april 2006 en voor [geïntimeerde 2] voor de periode van 1 januari 2005 tot 1 november 2005. Het hof overwoog in het arrest in de strafzaak tegen [geïntimeerde 1] onder meer: “Uit de bewezenverklaring blijkt onder meer dat verdachte betrokken is geweest bij een groot aantal diefstallen van - kort gezegd - vrachtauto’s met lading, veelal onder verzwarende omstandigheden (braak). deze diefstallen werden tezamen en in vereniging gepleegd met name met [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 4]. Naast verdachte, [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] dienen ook [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 3] als deelnemers aan de organisatie te worden beschouwd . (...) Het hof leidt hieruit voorts af dat verdachte dient te worden aangemerkt als leider van de organisatie.”

  5. De geïntimeerde 6, [geïntimeerde 6], is de vader van [geïntimeerde 1]. De geïntimeerden onder 7 en 8, [geïntimeerde 7] en [geïntimeerde 8] zijn de ouders van de geïntimeerden 4 en 5, [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]. Laatstgenoemde [geïntimeerde 5] had een affectieve relatie met [geïntimeerde 1].

  6. [geïntimeerde 6] is bij onherroepelijk, op tegenspraak gewezen, vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 8 november 2007 vrijgesproken van de hem primair ten laste gelegde deelname aan en criminele organisatie en de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid daaraan. [geïntimeerde 6] werd bij voormeld vonnis veroordeeld voor schuldheling op of omstreeks 18 april 2006 van vijf laptops van het merk Hewlett Packard en schuldheling op 18 april 2006 van een sleutelset van het merk Gedore.

  7. [geïntimeerde 1] is bij het genoemde arrest van het hof van 7 maart 2008 mede veroordeeld voor de diefstal in vereniging en met braak in de periode van 20 tot en met 21 januari 2006 in de gemeente Beverwijk van een trekker met oplegger en lading (als diefstallen (5) en (6) genoemd onder c) en diefstal in vereniging in de periode van 6 t/m 8 januari 2006 te [vestigingsplaats 5] (diefstal (4) onder d) .

4.1.2. Voor de vorderingen van TVM c.s. in eerste aanleg verwijst het hof kortheidshalve naar het vonnis van de rechtbank van 12 mei 2010. TVM c.s. legden aan die vorderingen ten grondslag dat door [geïntimeerden] in groepsverband jegens hen onrechtmatig was gehandeld aangezien zij allen deel uitmaakten van de criminele organisatie die de ladingdiefstallen heeft gepleegd en zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de gestolen zaken. Voor wat betreft de geïntimeerden 1 t/m 5 verwijzen TVM c.s. naar de strafrechtelijke veroordelingen van deze geïntimeerden ter zake deelname aan de criminele organisatie die de gestelde diefstallen heeft gepleegd. De geïntimeerde 6 ([geïntimeerde 6], [geïntimeerde 6]) was, naar TVM c.s. stellen, eveneens betrokken bij die organisatie. TVM c.s. verwijzen hiervoor naar het proces-verbaal van het onderzoek [onderzoeksnummer], waaruit blijkt dat [geïntimeerde 6] voor de organisatie op internet informatie vergaarde over de prijzen van de gestolen zaken en in zijn woning gestolen goederen opsloeg voor de organisatie. TVM c.s. verwijten de geïntimeerden 7 en 8 ([geïntimeerde 7] en [geïntimeerde 8]) dat zij blijkens de tapverslagen geheel op de hoogte waren van het onrechtmatig handelen van hun kinderen en de organisatie en niets hebben gedaan om hen van dat handelen te weerhouden. [geïntimeerde 7] moet volgens TVM c.s. voorts worden verweten dat zij op de hoogte was van de financiële situatie van [geïntimeerde 4] en welbewust heeft geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van haar kinderen.

4.1.3. De rechtbank heeft bij het vonnis van 12 mei 2010 onder meer TVM c.s. in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de in onderdeel 3.5 van het vonnis opgeworpen vragen over de omvang van de schade en de in voormeld hoofdstuk genoemde bescheiden in het geding te brengen.

4.1.4. In het beroepen eindvonnis van 29 september 2010 heeft de rechtbank:

( i) alle vorderingen jegens de geïntimeerden 6, 7 en 8 afgewezen;

(ii) terzake het delict d.d. 20 en/of 21 januari 2006 [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 73.109,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2006, aan appellante sub 2, en voormelde personen en [geïntimeerde 3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.250,=, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 januari 2006, aan appellante sub 9; (toev. hof: het gaat hier om het in r.o. 4.1.1 onder b (6) vermelde delict);

(iii) terzake het delict d.d. 25 en/of 26 februari 2006 [geïntimeerde 2] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.090,94, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 februari 2006, aan appellante sub 1, en [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,=, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 februari 2006, aan appellante sub 9;

(iv) [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van TVM c.s.;

( v) het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

(vi) het meer of anders gevorderde afgewezen;

(vii) TVM c.s. hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 6], [geïntimeerde 7] en [geïntimeerde 8].

4.1.5. Nu alleen TVM c.s. in hoger beroep zijn gekomen en door geen van geïntimeerden incidenteel appel is ingesteld, staan de hiervoor onder (ii), (iii) en (iv) vermelde veroordelingen in hoger beroep verder niet ter discussie. Voor de veroordeling onder (ii) geldt bovendien dat deze een veroordeling betreft ten gunste van de eiseressen 2 en 8 in eerste aanleg, die in het onderhavige hoger beroep geen procespartij zijn.
TVM c.s. hebben voorts ten aanzien van de geïntimeerden 7 en 8 ([geïntimeerden 7 & 8]) het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de beslissing inzake de proceskosten van het geding tussen hen en deze geïntimeerden in het vonnis van 29 september 2010, zodat ook de afwijzing van de hoofdvorderingen van TVM c.s. tegen de [geïntimeerden 7 & 8] in hoger beroep verder niet ter discussie staat.

4.1.6. TVM c.s. hebben tegen de vonnissen waarvan beroep vijftien grieven aangevoerd. Grief 1 heeft naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis. In die grief stellen TVM c.s. alleen dat zij met de overige grieven beogen op te komen tegen het eindvonnis van de rechtbank van 29 september 2010 voor zover hun vorderingen daarbij zijn afgewezen. In lijn met hun beperking van het hoger beroep ten aanzien van de geïntimeerden 7 en 8 hebben TVM c.s. onder 5 van de memorie van grieven in dat verband alleen nog de geïntimeerden 1 t/m 6 genoemd.

De grieven 2 t/m 5 zijn gericht tegen het tussenvonnis van 12 mei 2010, de overige grieven tegen het eindvonnis van 29 september 2010. Daarvan betreft grief 15 de in r.o. 4.1.5 genoemde beslissing van de rechtbank ten aanzien van de proceskosten van het geding in eerste aanleg tussen TVM c.s. en de geïntimeerden 7 en 8.

Het hof zal de grieven deels gezamenlijk bespreken. Voor de vorderingen van TVM c.s. zal worden uitgegaan van de in hoger beroep gewijzigde vordering als vermeld in de conclusie van de memorie van grieven. Bij de beoordeling van die vorderingen zal het hof de nadere motivering en onderbouwing van TVM c.s. in hoger beroep betrekken.

criminele organisatie art. 140 Sr/ onrechtmatig handelen in groepsverband art. 6:166 BW

4.2.1. De rechtbank heeft in r.o. 3.3.2 van het tussenvonnis van 12 mei 2010 terecht overwogen, kort samengevat, dat uit een bewezen deelname aan een criminele organisatie als strafbaar gesteld in art. 140 Sr niet zonder meer kan worden geconcludeerd tot aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW van ieder lid van die organisatie voor schade ten gevolge alle door een of meer leden van de organisatie gepleegde misdrijven. Voor aansprakelijkheid van een persoon op grond art. 6:166 BW is nodig dat de desbetreffende persoon een onrechtmatige bijdrage aan het schadeveroorzakende feit kan worden verweten. Het schadeveroorzakende feit is voor wat betreft de schades waarvan TVM c.s. vergoeding vorderen gelegen in de afzonderlijke misdrijven (diefstallen, inbraken e.d.) die zijn gepleegd. Aan de voor de schades ten gevolge van die misdrijven aansprakelijk te stellen personen zal daarom specifiek ten aanzien van de afzonderlijke misdrijven het verwijt moeten kunnen worden gemaakt van onrechtmatige betrokkenheid op de voet van art. 6:166 BW bij die misdrijven. De vergelijking van TVM c.s. met het oordeel van de Hoge Raad in zijn arrest van 15 juni 1999 (NJ 1999/591) - dat aan een lid van een criminele organisatie het door hem uit de organisatie genoten voordeel kan worden ontnomen ook als hij niet heeft deelgenomen aan de misdrijven waaruit dat voordeel is behaald - gaat niet op.

4.2.2. Voor zover TVM c.s. in de grieven van een ander standpunt uitgaan en zich op het standpunt stellen dat zij ten onrechte niet zijn toegelaten tot bewijs van een door hen gestelde deelname van een geïntimeerde aan de criminele organisatie, falen die grieven. Nu uit de enkele deelname aan een criminele organisatie van een persoon niet zonder meer kan worden geconcludeerd tot aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW van die persoon voor de schade ten gevolge van enig specifiek misdrijf, is een dergelijk bewijsaanbod niet relevant.

art. 6:197 BW

4.3.1. In grief 3 stellen TVM c.s. het oordeel van de rechtbank ter discussie dat ‘op grond van het bepaalde in art. 6:197, tweede lid BW, (...) rechten uit onder meer art. 6:166 BW niet vatbaar (zijn) voor subrogatie’ (r.o. 3.2.2 tussenvs). Volgens TVM c.s. verliest de rechtbank bij dat oordeel uit het oog dat in art. 6: 197 lid 2 BW onder a een uitzondering op de toepasselijkheid van voormelde bepaling wordt gemaakt voor gevallen waarin de uitkering van de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft voor een schade waarvoor op grond van de genoemde artikelen een ander mede aansprakelijk is. Van die situatie is volgens TVM c.s. sprake bij de vergoeding van de schades van de ladingbelanghebbenden terzake de delicten die in r.o. 4.1.1 zijn vermeld onder b (4), (5) en (7), aangezien voor de schade ten gevolge van het verlies van de goederen zowel de vervoerder (contractueel) als de plegers van de onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens de ladingbelanghebbende.

4.3.2. Deze grief slaagt in zoverre dat met de in art. 6:197, tweede lid BW genoemde uitzondering ‘behoudens voor zover de uitkering door de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens deze artikelen mede aansprakelijk was’ is beoogd een uitzondering te maken voor de subrogatie van de schadeverzekeraar in de rechten die een verzekerde heeft jegens derden met wie hij op grond van art. 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade (toel. art. 6.197 Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1403 e.v.). De schadeverzekeraar kan, met andere woorden, voor de uitgekeerde schadevergoeding regres nemen op de op grond van onrechtmatige daad voor de schade aansprakelijke daders.

Door TVM c.s. is voorts terecht aangevoerd dat de uitsluiting in art. 6:197 lid 2 BW - zo al niet zou moeten worden aangenomen dat art. 6:166 BW ten onrechte in het rijtje van de in lid 2 genoemde nieuwe risicoaansprakelijkheden is opgenomen - in zoverre minder relevant is dat zij de verschillende deelnemers van de groep daders bovendien kunnen aanspreken en hebben aangesproken voor schade waarvoor deze op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk kunnen worden gehouden. De rechtbank is daarvan in r.o. 3.4.4 van het tussenvonnis van 12 mei 2010 ook uitgegaan.

Voor zover de rechtbank voor individuele gevallen aan die grondslag voorbij is gegaan, slaagt grief 4. Het hof zal die grondslag hierna bij de bespreking van de verschillende delicten waardoor schade is veroorzaakt betrekken.

4.3.3. Het hof zal voormelde verhaalsmogelijkheden betrekken bij de bespreking van de grieven van TVM c.s. betreffende de volgens TVM c.s. in eerste aanleg ten onrechte afgewezen vorderingen.

de vorderingen tegen [geïntimeerde 6]

4.4.1. In grief 2 richten TVM c.s. zich tegen de afwijzing van de tegen [geïntimeerde 6] ingestelde vorderingen. TVM c.s. stellen dat uit het proces-verbaal blijkt dat [geïntimeerde 6] wist van de criminele activiteiten van zijn zoon [geïntimeerde 1] en diens criminele groepering, dat [geïntimeerde 6] vele malen voor zijn zoon op internet prijzen heeft opgezocht voor de door de criminele organisatie gestolen goederen en dat hij in zijn woning geld en goederen die van de misdrijven afkomstig waren heeft opgeslagen. Volgens TVM c.s. blijkt hieruit dat [geïntimeerde 6] deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie van zijn zoon en moet [geïntimeerde 6] daarom mede aansprakelijk worden gehouden voor de schade ten gevolge van de verschillende misdrijven die door de organisatie zijn gepleegd.

4.4.2. De omstandigheid dat [geïntimeerde 6] is vrijgesproken van deelname of medeplichtigheid aan een criminele organisatie sluit op zichzelf niet uit dat aan [geïntimeerde 6] in civielrechtelijke zin betrokkenheid bij een of meer door die organisatie gepleegde onrechtmatige daden zou kunnen worden verweten. Voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde 6] op grond van art. 6:166 BW voor schade ten gevolge van een of meer door de organisatie gepleegde misdrijven zal [geïntimeerde 6] echter, zoals hiervoor in r.o. 4.2.1 al is overwogen, zelf een onrechtmatige bijdrage aan het schadeveroorzakende feit moeten kunnen worden verweten. Aan [geïntimeerde 6] zal moeten kunnen worden verweten dat hij wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor het ontstaan van de schade zoals deze is veroorzaakt en dat hij zich daarom van deelname aan de groep had moeten laten weerhouden.

4.4.3. Naar het oordeel van het hof vloeit uit het enkele feit dat [geïntimeerde 6] wist dat zijn zoon zich tezamen met anderen schuldig maakte aan het plegen van ladingdiefstallen en het feit dat hij voor zijn zoon prijzen opzocht van zaken die door (de groepering van) zijn zoon waren of zouden worden gestolen nog niet voort dat [geïntimeerde 6] ten aanzien van enig specifiek strafbaar feit waardoor schade is ontstaan als deelnemer kan worden beschouwd van de groep die dat strafbare, schade toebrengende feit heeft gepleegd. De medewerking die [geïntimeerde 6] door zijn handelen heeft gegeven staat niet in een zodanig verband met enig aan de groep (in wisselende samenstelling) te verwijten onrechtmatig handelen en de door dat handelen veroorzaakte schade dat kan worden gezegd dat het heeft bijgedragen tot dat onrechtmatig handelen en de daardoor veroorzaakte schade.

Naar het oordeel van het hof is in dit geval geen sprake van een soortgelijke situatie als waarvan sprake was in het door TVM c.s. genoemde arrest van dit hof van 5 juli 2011(LJN: BR1087). In het onderhavige geval heeft [geïntimeerde 6], anders dan in het genoemde arrest, geen actieve betrokkenheid gehad bij het plegen van het strafbare feit dat tot de schade heeft geleid.

4.4.4. Ook op de subsidiaire grondslag - een aan [geïntimeerde 6] op de voet van art. 6:162 BW persoonlijk te verwijten onrechtmatige daad - acht het hof de van [geïntimeerde 6] gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar nu, wat er van het handelen van [geïntimeerde 6] ook zij, uit het door TVM c.s. gestelde niet kan worden geconcludeerd dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd (mede) door dat handelen is veroorzaakt.

TVM c.s. hebben weliswaar verwezen naar de strafrechtelijke veroordeling van [geïntimeerde 6] wegens schuldheling, doch omtrent enige specifiek aan dat handelen van [geïntimeerde 6] toe te schrijven schade stellen zij niets concreets. Dit klemt temeer nu de, door [geïntimeerde 6] niet betwiste, schuldheling, betrekking had op bij [geïntimeerde 6] bij het strafrechtelijk onderzoek aangetroffen zaken waarvan door [geïntimeerde 6] afstand is gedaan.

4.4.5. Grief 2 kan TVM c.s. derhalve niet baten. Nu de door TVM c.s. gestelde feiten niet tot toewijzing van de ingestelde vorderingen kunnen leiden, wordt aan het aanbod van TVM c.s. tot nader bewijs als niet ter zake dienende voorbij gegaan.

4.5.1. Daarmee wordt het in grief 14 door TVM c.s. aangevoerde bezwaar tegen de beslissing over proceskosten van het geding in eerste aanleg tussen haar en [geïntimeerde 6] relevant. Het gaat hier om een soortgelijk bezwaar als in grief 15 ten aanzien van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg tussen TVM c.s. en de [geïntimeerden 7 & 8] is aangevoerd. Het hof zal deze grieven tezamen bespreken.

4.5.2. De rechtbank veroordeelde TVM c.s. hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 6] en begrootte die kosten op € 1.136,= wegens vast recht en € 5.160,= voor salaris advocaat (2 pnt. tarief VII) (dictum 4.6 vs 29 september 2010). TVM c.s. werden voorts hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de [geïntimeerden 7 & 8]. Deze kosten werden eveneens begroot op € 1.136,= wegens vast recht en € 5.160,= voor salaris advocaat (2 pnt. tarief VII) (dictum 4.7 vs 29 september 2010).

4.5.3. TVM c.s. stellen dat de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten gunste van [geïntimeerde 6] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat [geïntimeerde 6] werd bijgestaan door een advocaat die tevens optrad voor [geïntimeerde 1]. TVM c.s. stellen dat [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 1] daarom tezamen maar eenmaal vastrecht verschuldigd waren en dat zij tezamen de kosten van hun advocaat verschuldigd waren. Nu [geïntimeerde 1] wel werd veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg, hadden volgens TVM c.s. de kosten van [geïntimeerde 6] dienen te worden begroot op nihil of hooguit de helft van de gezamenlijke kosten en uiterst subsidiair voor wat betreft het vast recht op het door [geïntimeerde 6] betaalde gedeelte daarvan van € 1.022,= en de helft van het voor gezamenlijke rekening komende salaris advocaat.

4.5.4. Voor wat betreft de kosten van de [geïntimeerden 7 & 8] stellen TVM c.s. dat deze procespartij tezamen met [geïntimeerde 5] procedeerde, dat zij met hun drieën in totaal het vast recht van € 1.136,= verschuldigd waren en dat zij met hun drieën maar eenmaal de kosten van de advocaat verschuldigd waren. Nu [geïntimeerde 5] in de proceskosten is verwezen dienen volgens TVM c.s. de proceskosten van de [geïntimeerden 7 & 8] op nihil te worden begroot dan wel mogen die kosten alleen voor 2/3 deel aan hen worden toegerekend. Uiterst subsidiair dienen volgens TVM c.s. de kosten van het vastrecht te worden bepaald op het door de [geïntimeerden 7 & 8] betaalde gedeelte van € 1.022,= van die kosten.

4.5.5. Hoewel [geïntimeerde 6] en de [geïntimeerden 7 & 8] beiden betwisten dat in eerste aanleg gelijkluidende conclusies zijn genomen voor respectievelijk [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 1] en voor de [geïntimeerden 7 & 8] en [geïntimeerde 5], betwist geen van deze partijen dat van de bij dezelfde advocaat verschenen partijen slechts eenmaal griffierecht is geheven. Het hof acht om die reden de grieven 14 en 15 gegrond ten aanzien van de door de rechtbank ter zake het vastrecht begrote bedragen. In het geval van [geïntimeerde 6] zal het hof het van [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 1] gezamenlijk geheven vastrecht voor de helft (€ 568,=) aan [geïntimeerde 6] toerekenen. In het geval van de [geïntimeerden 7 & 8] zal het van hen en van [geïntimeerde 5] gezamenlijk geheven vastrecht voor 2/3 deel (€ 757,33) aan de ouders worden toegerekend.

4.5.6. Voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 6] zijn afzonderlijke conclusies genomen en voor hen zijn, naar door [geïntimeerde 6] terecht is aangevoerd, in eerste aanleg deels verschillende advocaten opgetreden. Het hof ziet daarom geen aanleiding om ten aanzien van de kosten advocaat te komen tot een andere dan de door de rechtbank gegeven beslissing. In de zaken van de [geïntimeerden 7 & 8] en die van [geïntimeerde 5] zijn de conclusies niet eensluidend. Dat neemt niet weg dat zij deels eenzelfde inhoud hebben en dat de advocaat voor beide partijen tezelfdertijd op de in eerste aanleg gehouden comparities aanwezig is geweest. Het hof ziet hierin aanleiding om, evenals in het door de twee andere eiseressen uit de eerste aanleg separaat ingestelde hoger beroep de kosten advocaat in de zaak van de [geïntimeerden 7 & 8] te begroten op 2/3 van het door de rechtbank begrote bedrag ofwel op € 3.440,=. Ten aanzien van de advocaatkosten treft grief 15 in zoverre doel.

4.6.1. De grieven 5 en 8 betreffen de vorderingen van TVM c.s. ter zake de diefstal van een DAF trekker met het kenteken [kenteken 1] op het bedrijfsterrein van Flower Circle B.V. te [plaats 2] (delict genoemd onder (5) in r.o. 4.1.1 sub c). TVM c.s. wijzen er terecht op dat de rechtbank in r.o. 3.4.1.e in het vonnis van 12 mei 2010 ten onrechte als datum van het plegen van dit strafbare feit 20 en/of 21 december 2006 heeft vermeld in plaats van 20 en/of 21 januari 2006.

4.6.2. TVM c.s. stellen dat voormelde trekker van het bedrijfsterrein van Flower Circle B.V. is gestolen en dat vervolgens met die trekker op het bedrijfsterrein van [Y.] Transport B.V. te [plaats 2] de diefstal van een trailer (oplegger) met een lading (reparatie)onderdelen voor vaatwassers, magnetrons, stofzuigers en wasmachines (het delict vermeld onder (1) in r.o. 4.1.1 sub c) heeft plaatsgevonden. In het eindvonnis van 29 september 2010 zijn onder 4.1 de vorderingen van Nationale Nederlanden en [Y.] Transport B.V. ter zake de diefstal van de trailer gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank heeft echter, zo stellen TVM c.s. in de grieven 5 en 8, ten onrechte de vorderingen tot vergoeding van de schade ten gevolge van de diefstal van de trekker afgewezen.

4.6.3. Het hof stelt vast dat de diefstal van de trekker op 20 en/of 21 januari 2006 en die van de trailer met lading in één tenlastelegging aan de verschillende verdachten ten laste zijn gelegd. [geïntimeerde 4] is bij onherroepelijk vonnis van 13 maart 2007 van de rechtbank Maastricht veroordeeld voor deze diefstal in vereniging met braak. [geïntimeerde 1] is bij onherroepelijk arrest van dit hof voor dit hem ten laste gelegde feit veroordeeld. Het betreft hier het onder 7 ten laste gelegde feit. In de bewezenverklaring worden zowel de trekker (DAF,[kenteken 1]) als de oplegger en lading, te weten een partij (reparatie)onderdelen voor vaatwassers, magnetrons, stofzuigers en wasmachines vermeld. Het verweer van [geïntimeerde 1] dat hij van de diefstal van de trekker zou zijn vrijgesproken is ongegrond. [geïntimeerde 5] is bij onherroepelijk vonnis van 13 maart 2007 van voormelde rechtbank veroordeeld voor medeplichtigheid aan voormelde diefstallen en [geïntimeerde 3] is bij vonnis van dezelfde datum (voor wat betreft de bewezenverklaring bevestigd bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken bij dit hof van 19 maart 2009) veroordeeld voor opzetheling van die trekker en oplegger (vonnis, bewezenverklaring zaak 03/703162-06 onder 2) .

4.6.4. Gelet op het voorgaande stellen TVM c.s. in de grieven 5 en 8 terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de diefstal van de trekker aan geen van de gedaagden ten laste is gelegd. Het hof acht de vordering van TVM c.s. tot betaling van een bedrag van € 18.459,51 (€ 15.365,= schadevergoeding voor de - uitgebrand teruggevonden - trekker en € 3.094,51 aan kosten voor berging, transport en schade-expertise) aan schadevergoeding aan appellante sub 2 toewijsbaar. De hoogte van die door Fortis Corporate Insurance N.V. geleden schade wordt gesteund door de door TVM c.s. overgelegde producties 10b en 10c. Nu de geïntimeerden 1, 3, 4 en 5 met betrekking tot de diefstal en het verbergen van de trekker onrechtmatig handelen valt te verwijten en zij allen een aandeel hebben gehad in de (mede) door dat handelen veroorzaakte schade, zullen zij hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van voormeld bedrag aan Amlin Corporate Insurance N.V. (voorheen Fortis Corporate Insurance N.V.). De over voormeld bedrag gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen als subsidiair gevorderd (vanaf de dag van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg) nu voor verschuldigdheid van die rente vanaf de schadedata geen deugdelijke grondslag is aangevoerd en ten aanzien van door een verzekeraar uitgekeerde bedragen en/of gemaakte kosten een rentederving vanaf de schadedata niet zonder meer het uitgangspunt kan zijn.

4.6.5. [geïntimeerde 3] heeft het verweer gevoerd dat het teloorgaan van de trekker hem niet kan worden verweten omdat de trekker door brandstichting is vernield en hij met die brandstichting niets van doen heeft gehad. Het hof verwerpt dat verweer. [geïntimeerde 3] heeft de trekker in zijn loods ondergebracht in de wetenschap dat die trekker was gestolen. Hij heeft daarmee ook moeten weten dat die trekker niet werd gestald om deze aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. Dit geldt temeer nu hij, naar bij het strafvonnis van 13 maart 2007 ten laste van hem bewezen is verklaard, in de bewuste periode zelf deel uit maakte van de criminele organisatie die zich schuldig maakte aan het op grote schaal plegen van diefstallen van trekkers en opleggers met lading. [geïntimeerde 3] heeft derhalve kunnen en moeten begrijpen dat de stalling van de trekker [kenteken 1] in zijn loods een tussenstation was in het blijvend onttrekken van die trekker aan de rechtmatige eigenaar. [geïntimeerde 3] heeft daarmee evenzeer als aan de andere betrokkenen bijgedragen aan de schade ten gevolge van het teloorgaan van de trekker. [geïntimeerde 3] moet op grond van aan hem persoonlijk te verwijten onrechtmatig handelen daarom met de mede-veroorzakers van die schade hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor die schade.

4.7.1. Grief 6 betreft het delict vermeld onder (2) in r.o. 4.1.1 b (feit 2.1.2 in het tussenvonnis van 12 mei 2010), diefstal van een trekker met oplegger met lading bestaande uit een partij Mexx textiel ter waarde van € 727.672,02. Ter zake dit feit vorderen TVM c.s. thans nog betaling aan appellante sub 1 van een bedrag van € 17.099,98 wegens uitkering van een vergoeding voor beschadigingen aan het voertuig en expertise- en bergingskosten en een bedrag van primair € 735.567,54 (waarvan € 727.672,= uit hoofde van aansprakelijkstelling door Mexx voor het verlies van de kleding), subsidiair € 67.895,= en meer subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag aan appellante sub 3 wegens vergoeding van de ladingschade.

4.7.2. Deze grief stelt de vraag aan de orde of en onder welke omstandigheden degenen die (een deel van) de lading voorhanden hebben gehad of hebben overdragen hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de volledige schade ten gevolge van de diefstal. Daarbij komt tevens de vraag aan de orde in hoeverre daarbij betekenis moet worden toegekend aan het feit dat de diefstal is gepleegd door de criminele organisatie waarvan de desbetreffende personen deel uit hebben gemaakt.

4.7.3. Voor het laatste verwijst het hof naar hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen inzake de aansprakelijkheid voor schade ingevolge art. 6:166 BW. Van hoofdelijke aansprakelijkheid zal alleen sprake kunnen zijn in het geval van daadwerkelijke onrechtmatige betrokkenheid bij het schadeveroorzakende feit. De deelnemer moet zelf een bijdrage hebben geleverd aan de gedragingen in groepsverband die hem als onrechtmatig kan worden verweten en worden toegerekend. Er moet sprake zijn geweest van bewust gezamenlijk optreden en het groepsoptreden moet het gevaar hebben geschapen voor schade zoals die in concreto is toegebracht door het handelen van een of meer leden van de groep.

4.7.4. Het voorgaande betekent dat het hof het oordeel van de rechtbank deelt dat het enkele voorhanden hebben of verhandelen van (een deel van) de gestolen lading [geïntimeerde 1] nog niet op grond van een hem te verwijten onrechtmatige daad aansprakelijk doet zijn voor de schade die door de diefstal van de trekker met oplegger is veroorzaakt. De veroordeling van [geïntimeerde 1] ter zake deelname aan een criminele organisatie die het plegen van dergelijke diefstallen tot oogmerk had is onvoldoende om [geïntimeerde 1] voor wat betreft de diefstal van de voertuigen persoonlijk onrechtmatig handelen te kunnen verwijten.

4.7.5. Het feit dat van een strafrechtelijke veroordeling voor enig feit geen sprake is, sluit weliswaar niet uit dat een dergelijk feit in een civielrechtelijke procedure kan komen vast te staan. Art. 161 Rv is alleen van belang voor de vraag òf enig feit reeds, behoudens tegenbewijs, bewezen kan worden geacht. Naar het oordeel van het hof hebben TVM c.s. bij hun verwijzingen naar de betrokkenheid van [geïntimeerde 1] echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit een concrete betrokkenheid van [geïntimeerde 1] bij de diefstal van de voertuigen kan blijken.

4.7.6. Anders ligt dit ten aanzien van de betrokkenheid van [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 5] bij de schade ten gevolge van de gestolen lading. Uit het zaakdossier no. 03 (prod. 40 akte TVM c.s. na tussenarrest 12 mei 2010) en de verschillende daarin opgenomen bevindingen van verbalisanten en getuigenverklaringen blijkt dat voormelde geïntimeerden zich ten volle bewust waren dat zij Mexx-kleding afkomstig van ladingdiefstal voor handen hadden en aan anderen hebben doorgegeven. De politie heeft een deel van de Mexx-kleding aangetroffen in een loods in [plaats 3] die [geïntimeerde 1] gebruikte voor de opslag van gestolen vrachtwagenladingen. Verder is onder meer Mexx-kleding aangetroffen in de woning van [geïntimeerde 1] en zijn toenmalige vriendin in [woonplaats 5] en in de [Club] van [geïntimeerde 1] in [vestigingsplaats 8]. De vriendin van [geïntimeerde 5], [vriendin geïntimeerde 5], verklaarde dat zij van [geïntimeerde 5] Mexx-kleding heeft gekregen en dat [geïntimeerde 5] daarvan zei: “Dat is iets van [geïntimeerde 1]” of “Dat is van de vrachtwagen gevallen.” Voor [geïntimeerde 2] geldt eveneens dat een hoeveelheid van de Mexx-kleding in zijn woning is aangetroffen. Uit de verklaring van de vriendin van [geïntimeerde 2], dat zij een gedeelte van die kleding had gekregen maar niet wilde vertellen van wie, concludeert het hof dat het - ook voor de vriendin van [geïntimeerde 2] - duidelijk was dat het om gestolen zaken ging. Bovendien vond de diefstal plaats in een periode waarvoor ten aanzien van alle drie voormelde personen de deelname aan een criminele organisatie bewezen is verklaard. Ook om die reden mag bekendheid van deze geïntimeerden met de herkomst van de zaken uit ladingdiefstal worden aangenomen. [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 2] hebben tegenover dit alles geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.7.7. Het hof deelt het oordeel van TVM c.s. dat [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 2] door hun voormelde handelen onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de eigenaar van de lading en dat mede door hun handelen de schade ten gevolge van het verlies van de goederen is geleden. Die goederen zijn niet alleen door de diefstal maar tevens door het handelen van de helers verloren gegaan. Het hof acht voornoemde geïntimeerden daarom hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

4.7.8. Deze schade wordt gevorderd door appellante sub 3, [Rental B.V.] Rental. Zij vordert deze in eigen naam in opdracht van [Z.] Transport B.V. die als (onder)vervoerder door Mexx aansprakelijk is gesteld voor de schade. [Z.] Transport B.V. heeft, zo stellen TVM c.s., met de hoofdvervoerder DHL en ladingbelanghebbende Mexx een schikking weten te bereiken op grond waarvan door [Z.] Transport B.V. een bedrag van € 60.000,= is voldaan als (gedeeltelijke) schadevergoeding voor de geleden schade. [Rental B.V.] Rental vordert primair het totale bedrag van de schade (% 727.672,02) en beroept zich daarvoor op de bij de schikking gemaakte afspraak dat, indien van de aansprakelijke daders een hoger bedrag aan schadevergoeding kan worden verkregen, het meerdere alsnog aan de ladingbelanghebbende zal worden vergoed. Subsidiair vordert zij het bij de schikking overeengekomen bedrag van € 60.000,=, alsmede een bedrag van € 4.873,60 aan door [Z.] Transport B.V. gemaakte advocaatkosten. [Rental B.V.] Rental vordert daarnaast een bedrag van € 2.500,= aan eigen schade, zijnde het eigen risico voor de schade aan de voertuigen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 5] hebben de gestelde schade gemotiveerd betwist. Volgens [geïntimeerde 5] is de schade op maximaal € 60.000,= te stellen.

4.7.9. Het hof acht het vorderingsrecht van [Rental B.V.] Rental ten behoeve van de door [Z.] Transport B.V. vergoede schade toereikend gestaafd door de door TVM c.s. overgelegde productie 62. Het hof acht te dezen mede van belang dat door [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 2] niet is gesteld en ook anderszins niet is gebleken dat Mexx, DHL en/of [Z.] Transport B.V. zich rechtstreeks tot hen zouden hebben gewend om tot vergoeding van de schade te komen. Het hof acht voorts door de door TVM c.s. overgelegde producties 55a en 60 de betaling van het bedrag van € 60.000,= en de gemaakte advocaatkosten om de schikking te bereiken toereikend gestaafd. Het hof acht die bedragen (in totaal € 64.873,60) als schadevergoeding toewijsbaar en zal de subsidiaire vordering van [Rental B.V.] Rental in zoverre toewijzen. Hetgeen door [Rental B.V.] Rental meer wordt gevorderd voor de verloren lading zal worden afgewezen nu de voor de schade aansprakelijke vervoerder alleen in de schade van de ladingbelanghebbende wordt gesubrogeerd of regres kan nemen voor zover hij die schade aan de ladingbelanghebbende heeft vergoed.
Het aan eigen risico gevorderde bedrag betreft geen schade ten gevolge van het verlies van de lading en is daarom niet toewijsbaar. De wettelijke rente zal worden toegewezen als subsidiair gevorderd (zie r.o. 4.6.4. slot).

4.7.10. Samengevat faalt grief 6 voor zover deze betrekking heeft op de vordering van appellante sub 1 ter zake de voor de voertuigen uitgekeerde schadevergoeding en in dat kader gemaakte kosten en op de vordering van het eigen risico van appellante sub 3 ter zake die schade en slaagt de grief voor zover het gaat om vergoeding van de ladingschade en bijkomende kosten. Het verweer van een of meer geïntimeerden dat een deel van de kleding is teruggevonden en de schade dientengevolge wellicht is beperkt, stuit af op de hiervoor gerelateerde schikking die omtrent de hoogte van de schade is bereikt. Het verweer van een of meer geïntimeerden dat de schade ten gevolge van het verlies van de kleding alleen de kostprijs van de kleding kan bedragen wordt om dezelfde reden verworpen. Bovendien wordt bij dat verweer miskend dat afzet van zaken via heling tevens schade ten gevolge van verminderde vraag voor die zaken tegen de verkoopprijs in het legale circuit ten gevolge heeft.

4.8.1. Grief 7 betreft de diefstal op 17 en/of 18 december 2005 op het bedrijfsterrein van [Transport B.V.] Transport B.V. te [vestigingsplaats 4] (delict (7) r.o. 4.1.1 sub c ). De vordering betreft een door appellante sub 1 aan appellante sub 4 gedane uitkering voor schade aan de gestolen en later teruggevonden trekker en daarvoor gemaakte bergings- en expertisekosten en een vordering van appellante sub 4 voor het eigen risico.

4.8.2. Door TVM c.s. is geen concrete betrokkenheid van een van de geïntimeerden bij voormelde diefstal gesteld. TVM c.s. hebben alleen aangevoerd dat [geïntimeerde 1] zaken uit de gestolen lading voorhanden heeft gehad en/of verhandeld. Naar in verband met grief 6 is overwogen is dat onvoldoende om een van de geïntimeerden aansprakelijk te achten voor de schade ten gevolge van de beschadiging van de gestolen voertuigen.
Grief 7 kan daarom geen doel treffen.

4.9.1. Grief 9 betreft de diefstal op 7 en/of 8 januari 2006 te [vestigingsnaam] (r.o. 4.1.1 sub b (4)). [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zijn voor deze diefstal in vereniging en met braak onherroepelijk door de strafrechter veroordeeld (zaak 22), [geïntimeerde 3] is onherroepelijk veroordeeld voor opzetheling van een deel van de gestolen lading en [geïntimeerde 5] voor medeplichtigheid aan het plegen van de diefstal. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 12 mei 2010 TVM c.s. in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aansprakelijkheid van Tele [vestigingsnaam] B.V. voor het verlies van de lading en de omvang van de schade.

4.9.2. Bij het eindvonnis van 29 september 2010 heeft de rechtbank de door TVM c.s. overgelegde stukken toereikend geacht voor de aanname dat Tele [vestigingsnaam] B.V. aansprakelijk is jegens de Gedore Werkzeugfabriek (verder: Gedore) en jegens [A.] KG (verder: [A.] KG) voor het verlies van de lading gereedschap en dat Allianz respectievelijk Gerling-Konzern Allgemeine Versicherung als gesubrogeerde verzekeraars jegens Tele [vestigingsnaam] aanspraak maken op schadevergoeding voor zover die door die verzekeraars is vergoed. De rechtbank heeft echter in de door TVM c.s. na het tussenvonnis overgelegde stukken geen bewijs aangetroffen dat Fortis Corporate Insurance N.V. (verder Fortis) aan Gedore een bedrag van € 47.299,60 heeft betaald. De grief richt zich tegen dit laatste oordeel.

4.9.3. TVM c.s. stelden in de akte uitlating na het tussenvonnis dat de ladingschade € 106.866,04 heeft bedragen. Zij verwezen daarvoor naar een brief van Allianz Verzekeringen van 8 februari 2006 (prod. 15) en naar een brief van [B.] & [C.] namens [A.] KG van 27 februari 2006 (prod. 16) waarin Tele [vestigingsnaam] voor dit bedrag aansprakelijk is gesteld . Zij stelden dat Fortis voor Tele [vestigingsnaam] B.V. een bedrag van € 21.299,60 ( € 47.299,60 minus € 26.000,= eigen risico van Tele [vestigingsnaam] B.V.) aan Gedore heeft betaald en dat dit kon blijken uit een brief van AON, de assurantiemakelaar van Fortis, van 26 juli 2007 (prod. 17). TVM c.s. vorderden betaling van een bedrag van € 27.299,60 aan Amlin (Fortis) en een bedrag van € 85.566,44 aan Tele [vestigingsnaam] B.V., het bedrag waarvoor, naar zij stelden, Tele TegelenB.V. nog aansprakelijk was jegens de ladingbelanghebbenden.

4.9.4. In de memorie van grieven hebben TVM c.s. uiteengezet dat tussen Amlin en Gedore een geschil is gerezen dat tussen partijen met een regeling in der minne is beslecht. Deze komt erop neer dat door Amlin op de derdenrekening van Van Traa advocaten een bedrag van € 42.299,60 is overgemaakt ten behoeve van de ladingbelanghebbenden en een bedrag van € 5.000,= voor juridische kosten. TVM c.s. verwijzen hiervoor naar een door hen overgelegde e-mail van 2 december 2010 van Van Traa Advocaten (prod. 83). Omdat Fortis verder het eigen risico van Tele [vestigingsnaam] heeft teruggebracht tot € 11.299,60, vorderen TVM c.s. thans betaling aan Amlin van een bedrag van € 59.392,68 (incl. € 28.093,08 aan door appellante sub 2 gemaakte advocaatkosten) en van een bedrag van € 16.000,= aan Tele [vestigingsnaam] B.V.. Hoewel TVM c.s. stellen dat Tele [vestigingsnaam] B.V. wel ten behoeve van de ladingbelanghebbenden onverkort aanspraak wil maken op de totale schade van € 106.866,04 (minus het door Fortis betaalde bedrag van € 31.299,60, dus € 75.566,44), hebben zij die vordering in de conclusie van de memorie van grieven niet opgenomen. Het hof zal daarom uitgaan van de eerst vermelde vorderingen.

4.9.5. Op grond van de door TVM c.s. overgelegde producties 83 en 84 kan naar het oordeel van het hof als vaststaand worden aangenomen dat op grond van de aansprakelijkheid van Tele [vestigingsnaam] B.V. een bedrag van € 47.299,60 aan schadevergoeding en kosten is betaald waarvan € 31.299,60 ten laste van appellante sub 2 is gekomen en € 16.000,= ten laste van Tele [vestigingsnaam] B.V. Het hof acht de vorderingen van appellante sub 2 en Tele [vestigingsnaam] B.V. in zoverre toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente als subsidiair gevorderd (zie r.o. 4.6.4 slot). Appellante sub 2 vordert daarnaast vergoeding van een bedrag van € 28.093,08 wegens door haar gemaakte advocaatkosten. Appellante sub 2 vordert dit bedrag als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Het gaat hier echter niet om de vaststelling van schade en aansprakelijkheid van de geïntimeerden jegens de benadeelden (de ladingbelanghebbenden) en de door de benadeelden daarvoor gemaakte kosten, zodat zonder nadere, door appellante sub 2 niet gegeven toelichting, niet valt in te zien waarom zij op grond van subrogatie of regres die kosten op de geïntimeerden kan verhalen.
Grief 9 slaagt derhalve voor een deel van de vorderingen van appellanten sub 2 en sub 5.

4.10.1. De grieven 10 en 11 hebben betrekking op de diefstal op 25 of 26 februari 2006 op het bedrijfsterrein van [X.] International Transport B.V. (verder: [X.]) in [vestigingsplaats 7] (feit (7) genoemd in r.o. 4.1.1 onder b en r.o. 3.4.1.g tussenvonnis 12 mei 21010). [geïntimeerde 3] is bij het vonnis van de rechtbank van 13 maart 2007, voor wat betreft de bewezenverklaring bevestigd bij het arrest van het hof van 19 maart 2009, veroordeeld voor opzetheling van een deel van de lading van deze diefstal. [geïntimeerde 2] is voor deze diefstal (in vereniging en met braak, verbreking en/of inklimming (zaak 19) veroordeeld.

4.10.2. Grief 10 faalt voor zover TVM c.s. in die grief herhalen dat op grond van hun deelname in de criminele organisatie alle geïntimeerden voor de schade ten gevolge van deze diefstal aansprakelijk kunnen worden gehouden. Nu TVM c.s. ten aanzien van de niet voor deze diefstal c.q. heling van bij die diefstal ontvreemde goederen betrokkenen geen nadere feiten of omstandigheden hebben gesteld die, indien bewezen, tot hun aansprakelijkheid kunnen leiden, kunnen voor wat betreft de schade ten gevolge van deze diefstal - voor zover in hoger beroep aan de orde - alleen [geïntimeerde 2] en, voor wat betreft de gestolen lading, [geïntimeerde 3] aansprakelijk worden gehouden.

4.10.3. In de akte na het tussenarrest van 12 mei 2010 stelden TVM c.s. dat appellante sub 7, [X.] door de ladingbelanghebbenden aansprakelijk is gesteld voor de ladingschade, zijnde: voor Dutch Team Computer Components B.V. € 37.500,=, voor Plieger € 32.447,54, voor Gessi SpA (verder: Gessi) € 29.337,10 en voor Bouwgros € 5.773,10 (totaal € 105.057,74. Appellante sub 1 heeft , zo stelden TVM c.s., als transportverzekeraar van [X.] een bedrag van € 5.728,94 vergoed aan Dutch Team Computer Components B.V., een bedrag van € 17.646,51 aan Plieger, een bedrag van € 8.237,= aan Gessi en een bedrag van € 2.010,= aan Bouwgros (totaal € 33.622,45). TVM c.s. vorderden betaling aan appellante sub 1 van voormeld bedrag van € 33.622,45 en aan [X.] van het resterende bedrag (€ 71.435,29).

TVM c.s. vorderden verder voor de schade aan de trekker met oplegger vergoeding aan appellante sub 1 van € 2.362,= aan bergings- en herstelkosten en aan [X.] van € 500,= eigen risico en van € 4.936,15 aan advocaatkosten wegens vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

4.10.4. In het eindvonnis van 29 september 2010 wees de rechtbank de vordering van appellante sub 1 toe voor wat betreft de vergoeding van € 5.728,94 aan Dutch Team Computer Components B.V. en voor voormeld bedrag van € 2.362,=. Aan [X.] werd een bedrag van € 500,= voor het eigen risico ter zake de vrachtwagencombinatie toegewezen. Bij gebreke van door een of meer geïntimeerden ingesteld hoger beroep staan deze toewijzingen niet meer ter discussie. De rechtbank wees de vorderingen voor het overige af (r.o. 3.4.3.3 t/m 3.4.3.8 van het eindvonnis).

4.10.5. Voor zover TVM c.s. in grief 10 de toewijzing van het bedrag van € 5.728,94 aan appellante sub 1 hebben miskend en dit bedrag in hoger beroep opnieuw vorderen, faalt grief 10 en dient de herhaalde vordering te worden afgewezen.

4.10.6. Ten aanzien van de afwijzing van de bedragen waarvan TVM c.s. vorderden dat deze aan [X.] werden toegewezen overwoog de rechtbank onder meer dat niet was gebleken dat [X.] de benadeelden (Dutch Team Computer Components B.V.) voor deze bedragen schadeloos had gesteld of nog zou moeten stellen. Voor wat betreft de vordering van [X.] betreffende de schade van Dutch Team Computer Components B.V. (€ 37.500,= min het door appellante sub 1 (TVM) betaalde bedrag van € 5.728,94 ofwel € 31.771,06) behelst grief 10 geen betwisting van de afwijzing van die vordering van [X.] door de rechtbank. TVM c.s. stellen in de memorie van grieven voor wat betreft de schade van Dutch Team Computer Components B.V. thans een geheel andere vordering. TVM sub 1 beroept zich thans op een cessie ter incasso van 23 mei 2012 (prod. 90 TVM c.s.) van een vordering van Nationale Nederlanden wegens een door die verzekeraar aan haar verzekerde Dutch Team Computer Components B.V. gedane schade-uitkering van € 35.250,= (€ 37.500,= minus eigen risico van € 2.250,=). Het gaat hier derhalve om een vermeerdering van de door TVM ingestelde vordering en wel met een vordering die ten tijde van het geding in eerste aanleg aan een van de toenmalige mede-eiseressen, Nationale Nederlanden, toekwam doch door die mede-eiseres in eerste aanleg niet is ingesteld en evenmin in het door haar onafhankelijk van de andere eiseressen ingesteld hoger beroep alsnog is ingesteld. TVM c.s. hebben aan het hoofd van de memorie van grieven wel kenbaar gemaakt dat de memorie van grieven tevens een akte wijziging eis inhield maar dat deze een vermeerdering van eis inhield als hiervoor omschreven is door hen niet duidelijk aangegeven. Het hof concludeert uit de memories van antwoord van de geïntimeerden 2 en 3 dat zij deze vermeerdering van eis niet duidelijk hebben onderkend. [geïntimeerde 2] geeft er in het geheel geen blijk van dat hij deze vermeerdering van de eis van TVM heeft gesignaleerd en [geïntimeerde 3] gaat er kennelijk vanuit dat de thans door TVM ingestelde vordering aanvankelijk door Nationale Nederlanden was ingesteld. Het hof acht, mede in aanmerking genomen de niet duidelijke kenbaarheid daarvan, de vermeerdering van eis van TVM met een vordering van € 32.250,= in strijd met een goede procesorde en zal die vermeerdering daarom ambtshalve buiten beschouwing laten.

4.10.7. Grief 10 slaagt ten aanzien van de vorderingen van TVM en [X.] betreffende de ladingschade van Plieger. Uit het door TVM c.s. als productie 98 overgelegde proces-verbaal van aangifte van de ladingdiefstal blijkt dat de gestolen lading in een andere vrachtauto van [X.] is overgeladen en weggevoerd. Die vrachtauto had het kenteken [kenteken 2]. Naar het oordeel van het hof doet de vermelding van dat kenteken bij de - in het overzicht van de betalingen met bordereldatum 8/01/2007 (prod. 94 TVM c.s.) vermelde - betaling van een bedrag van € 17.646,51 aan [X.] dan ook niet af aan het aan voormelde productie voor die betaling te ontlenen bewijs. Die betaling vindt voorts ook steun in de als productie 93 overgelegde brief d.d. 20 december 2006 van TVM aan [X.] waarin de betaling van dat bedrag wordt aangekondigd met de vermelding dat het gaat om de ‘schade 26 februari 2006’ en ‘de claim van Plieger’ en vergoeding op basis van CMR (totaal € 18.396,51 minis eigen risico € 750,=). Nu de door [X.] gestelde schikking met Plieger tot betaling van een bedrag van € 20.000,= (terzake de claim van Plieger van € 32.447,54) steun vindt in het als productie 95 overgelegde betalingsbewijs van de betaling van dat bedrag van de rekening van [X.] aan Plieger, acht het hof de gewijzigde (verminderde) vorderingen van TVM en [X.] (betaling van een bedrag van € 17.646,51 aan TVM en van een bedrag van € 2.353,59 aan [X.]) toewijsbaar. Ook hier zal de wettelijke rente worden toegewezen als subsidiair gevorderd.

4.10.8. Voor wat betreft de schade van Gessi hebben TVM c.s. een vertaling (prod. 96) overgelegd van de aansprakelijkstelling van [X.] door Gessi bij brief van 26 november 2011 (prod. 34). De aansprakelijkstelling betrof twee facturen van respectievelijk € 29.337,10 en € 65,33. TVM verwijst voor een door haar conform de CMR-limiet gedane voor die schade gedane uitkering van € 8.237,= naar een rekeningafschrift en borderel d.d. 5/12/2007 (prod. 97) waaruit blijkt van de overmaking van voormeld bedrag van de rekening van TVM naar de rekening van Loyens & Loeff Advocaten te Amsterdam, volgens TVM c.s. de advocaat van Gessi. Gezien de vermelding bij deze betaling van hetzelfde kenmerk als bij de betaling van het bedrag van € 17.646,51 aan [X.] is vermeld in het borderel van 8/01/2007 (prod. 94), acht het hof de stelling van TVM c.s. dat het hier een betaling door TVM voor de ladingschade van de diefstal van 25 en/of 26 februari 2006 te [vestigingsplaats 7] betreft, door de geïntimeerden 2 en 3 onvoldoende gemotiveerd betwist. Grief 10 slaagt daarom ook ten aanzien van dit onderdeel van de vordering. Het hof acht de vordering tot betaling van het bedrag van € 8.237,= aan TVM toewijsbaar.

Grief 10 faalt voor zover TVM c.s. daarin de afwijzing van de vordering van het resterende bedrag van de aansprakelijkstelling aan [X.] bestrijden. Nu door TVM c.s. niet is gesteld dàt door [X.] boven het door TVM overgemaakte bedrag nog enig bedrag aan Gessi is voldaan, is regres voor een dergelijke betaling niet aan de orde.

4.10.9. Voor de in grief 11 aan de orde gestelde schade van Bouwgros geldt eveneens dat uit de door TVM c.s. overgelegde productie 101 (p.22 van het borderel) blijkt van de betaling door TVM van een bedrag van € 2.010,= aan Bouwgros ter vergoeding van de schade van Bouwgros. Ook bij deze post is hetzelfde betalingskenmerk vermeld terwijl voorts is toegevoegd ‘schikking CMR-limiet’. Het hof acht, op dezelfde gronden als hiervoor al aangegeven, de vordering alleen tot dit daadwerkelijk betaalde bedrag toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente als subsidiair gevorderd. Grief 11 slaagt in zoverre.

4.11.1. Grief 12 is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de door TVM c.s. ten behoeve van [X.] gevorderde vergoeding van advocaatkosten ten bedrage van € 4.936,15, aan welke vordering ten grondslag was gelegd dat het hier kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid betrof die op grond van art. 6:96, tweede lid onder b BW voor vergoeding in aanmerking komen. In de toelichting op deze grief stellen TVM c.s. dat TVM die kosten aan [X.] heeft vergoed en dat die kosten tot de memorie van grieven € 9.480,30 hebben bedragen. TVM c.s. stellen dat de kosten nodig waren om de schade te beperken.

4.11.2. Het hof begrijpt dat TVM c.s., zonder dat dit in het hoofd van de memorie van grieven duidelijk is aangegeven, voormelde vordering beogen te vermeerderen tot een bedrag € 9.480,30 en dat blijkens de stellingen in de memorie van grieven het thans TVM is voor wier rekening die kosten zijn gekomen. Een concrete vordering is in de bij de memorie van grieven geformuleerde gewijzigde vordering niet opgenomen doch in hun akte eiswijziging van 26 februari 2013 hebben TVM c.s. dat alsnog gedaan. Het hof verwerpt het verweer van enkele van de geïntimeerden dat voormelde akte in strijd met een goede procesakte zou moeten worden geacht en buiten beschouwing zou dienen te worden gelaten. De akte is - na weigering van een eerdere te lange akte - in overeenstemming met het landelijk rolreglement voor de hoven voor civiele dagvaardingszaken genomen en de geïntimeerden hebben daarop kunnen reageren.

4.11.3. Uit de nadere onderbouwing van de advocaatkosten bij de memorie van grieven en productie 102 bij die memorie blijkt dat het gaat om alle kosten die door de advocaat van [X.] aan [X.] in rekening zijn gebracht voor werkzaamheden vanaf 27 februari 2006. De facturen vermelden onder meer werkzaamheden betreffende de relatie [X.]/ TVM en [X.]/ Plieger. Als werkzaamheden worden onder meer vermeld: bestudering van stukken, concipiëren dagvaarding (op 27/28 februari 2006 en 7/8 maart 2006). Het gaat hier kennelijk om werkzaamheden ter vaststelling van de aansprakelijkheid tussen [X.] en een of meer contractuele relaties en om werkzaamheden waarvan, indien een procedure volgt, de kosten moeten worden gerekend tot de proceskosten van die procedures. Met deze onderbouwing hebben TVM c.s. onvoldoende geadstrueerd dat en/of welke van deze kosten redelijkerwijs zijn te beschouwen als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van de geïntimeerden 2 en 3. Zij stellen thans wel dat deze kosten zijn gemaakt ter beperking van schade doch naar het oordeel van het hof gaat het hier niet om beperking van de schade die door het voorval is veroorzaakt maar om kosten ter vaststelling van de mate waarin [X.] voor die schade door haar contractuele wederpartijen aansprakelijk kan worden gehouden. Grief 12 brengt het hof niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Aan enige bewijsopdracht ter zake de gevorderde kosten wordt daarom niet toegekomen.

4.12.1. In grief 13 bestrijden appellanten de afwijzing van hun vordering van een bedrag van € 3.780,= als vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Appellanten vorderen dit bedrag, dat zij in eerste aanleg met 9 eiseressen gezamenlijk vorderden, thans met de 7 appellanten gezamenlijk. Appellanten maken aanspraak op deze kosten vanwege de vele werkzaamheden die zij en/of hun advocaten buiten rechte hebben verricht om tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid te komen zoals het doen van aangiftes na de verschillende diefstallen en het veelvuldig plegen van overleg met politie en justitie over de oorzaak van de schade.

4.12.2. Het hof acht deze grief gegrond. Van algemene bekendheid mag worden beschouwd dat verzekeraars en slachtoffers van inbraken de nodige inspanningen plegen te moeten doen om tot vaststelling van schade en aansprakelijkheid te komen. De door appellanten gezamenlijk daarvoor gevraagde vergoeding voldoet naar het oordeel van het hof, ook indien rekening wordt gehouden met het feit dat in een enkele toegewezen hoofdvordering reeds expertisekosten zijn begrepen, aan de in art. 6:96 lid 2 onder b BW gestelde eis dat het om redelijke kosten moet gaan. Die kosten zijn toe te rekenen aan alle geïntimeerden die betrokken zijn geweest bij de criminele organisatie die de verschillende diefstallen heeft gepleegd en aan wie betrokkenheid bij een of meer van de in dat verband gepleegde misdrijven te verwijten is, derhalve aan de geïntimeerden 1 t/m 5. Zij zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van die kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding.

4.12.3. Voor zover appellanten in grief 13 een veroordeling van de geïntimeerden bepleiten in alle daadwerkelijk gemaakte proceskosten, verwerpt het hof die vordering nu voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van het bepaalde in art. 239 Rv een begroting van de kosten advocaat naar een forfaitair tarief (het liquidatietarief) het uitgangspunt is. Een uitzondering als in art. 1019h Rv voor de vergoeding van advocaatkosten in zaken van intellectuele eigendom opgenomen, is in de wet voor zaken als de onderhavige niet voorzien.

4.12.4. TVM c.s. hebben op diverse plaatsen bewijs aangeboden. Het hof gaat daaraan voorbij als deels onvoldoende specifiek en deels niet relevant, zoals hiervoor op enkele plaatsen reeds is overwogen.

4.13.1. Het voorgaande betekent dat het beroepen eindvonnis van 29 september 2010, voor zover gewezen tussen appellanten en de geïntimeerden, zal worden vernietigd:

- voor zover onder 4.5 van het dictum van dat vonnis de vorderingen zijn afgewezen die hierna alsnog zullen worden toegewezen (zie de rechtsoverwegingen 4.6.4 en 4.6.5, 4.7.9, 4.9.5, 4.10.8 en 4.12.2);

- ten aanzien van de begroting van de proceskosten in 4.6 en 4.7 van het vonnis waarvan beroep (r.o. 4.5.5 en 4.5.6);

Het eindvonnis van 29 september van 2010 zal, voor zover gewezen tussen thans appellanten en geïntimeerden, voor het overige worden bekrachtigd.

Het in hoger beroep meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Het tussenvonnis van 12 mei 2010 bevat in het dictum geen beslissing die dient te worden vernietigd en zal eveneens worden bekrachtigd.

4.13.2 Ten aanzien van [geïntimeerde 6] zijn appellanten in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen, zodat zij ten aanzien van [geïntimeerde 6] in de proceskosten van het hoger beroep zullen worden verwezen. Nu [geïntimeerde 6] door dezelfde advocaat is bijgestaan als [geïntimeerde 1] en voor [geïntimeerde 6] grotendeels een eensluidend verweer is gevoerd als voor [geïntimeerde 1], zal het hof de kosten advocaat voor 1 punt van het liquidatietarief toerekenen aan [geïntimeerde 6] (tarief V).

In het geding tussen appellanten en de geïntimeerden 7 en 8 zijn beide partijen over en weer op enig punt in het ongelijk gesteld. Het hof zal de proceskosten tussen deze partijen in die zin compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat appellanten in de dagvaarding in hoger beroep expliciet kenbaar hebben gemaakt dat het hoger beroep ten aanzien van de geïntimeerden 7 en 8 beperkt was tot de beslissing over de proceskosten van de eerste aanleg. Appellanten stellen in de memorie van grieven onder 7 weliswaar dat zij jegens alle geïntimeerden het geschil in volle omvang aan het hof beogen voor te leggen doch uit het sub 5 van die memorie gestelde blijkt, en heeft ook voor de geïntimeerden 7 en 8 duidelijk moeten zijn, dat appellanten met die zinsnede louter doelden op alle geïntimeerden jegens wie zij het hoger beroep niet expliciet had beperkt. In de omstandigheid, dat de geïntimeerden 7 en 8 mogelijk meer verweer hebben gevoerd dan gezien het tegen hen ingestelde beperkt appel nodig was, ziet het hof dan ook geen reden voor een andere beslissing over de proceskosten van het hoger beroep.

Ten aanzien van de geïntimeerden 1 t/m 5 heeft het hoger beroep op verschillende onderdelen doel getroffen. Het hof ziet hierin aanleiding om de geïntimeerden 1 t/m 5 te verwijzen in de proceskosten van het door appellanten tegen hen ingestelde hoger beroep. Het hof zal de kosten van appellanten in dat hoger beroep voor wat betreft het griffierecht begroten op 3/4 van het betaalde griffierecht. Het hof zal voorts voor het salaris advocaat, in aanmerking genomen de wijziging van eis in hoger beroep en de hoogte van de toe te wijzen vorderingen, uitgaan van tarief V van het liquidatietarief. Voor de akte tevens houdende wijziging van eis van 26 februari 2013 zal geen afzonderlijke vergoeding in de begroting worden betrokken. De geïntimeerden 1 t/m 5 zullen hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van appellanten worden veroordeeld. De vordering van appellanten van de nakosten per geïntimeerde zal eveneens worden toegewezen evenals de vordering van wettelijke rente over de proceskostenveroordeling. Hetzelfde geldt voor de door appellanten gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad van het arrest.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussenvonnis van 12 mei 2010;

bekrachtigt het eindvonnis van 29 september 2010 voor wat betreft de onder 4.1 t/m 4.4 gegeven beslissingen;

vernietigt het eindvonnis van 29 september ten aanzien van de beslissingen onder 4.5, 4.6 en 4.7, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de geïntimeerden 1, 2, 3 en 5 ([geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 5]) hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan appellante 2 (Amlin Corporate Insurance N.V.) een bedrag van € 18.459,51 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

veroordeelt de geïntimeerden 1, 2 en 5 ([geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 5]) hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan appellante sub 3 ([Rental B.V.] Rental B.V.) een bedrag van € 64.873,60 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

veroordeelt de geïntimeerden 1, 3, 4 en 5 ([geïntimeerde 1], [geïntimeerde 3], [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]) hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan appellante sub 2 (Amlin Corporate Insurance N.V.) een bedrag van € 31.299,60 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

veroordeelt de geïntimeerden 1, 3, 4 en 5 ([geïntimeerde 1], [geïntimeerde 3], [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]) hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan appellante sub 5 (Tele [vestigingsnaam] B.V.) een bedrag van € 16.000,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

veroordeelt de geïntimeerden 2 en 3 ([geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3]) hoofdelijk, des dat de een betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan appellante sub 1 (TVM U.A.) een bedrag van € 27.893,51 (€ 17.646,51 + € 8.237,= + € 2.010,=) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

veroordeelt de geïntimeerden 2 en 3 ([geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3]) hoofdelijk, des dat de een betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan appellante sub 5 (Tele [vestigingsnaam] B.V.) een bedrag van € 2.353,59 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

veroordeelt de geïntimeerden 1, 2, 3, 4 en 5 ([geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3], [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5]) hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, om aan appellanten 1 t/m 7 gezamenlijk, met dien verstande dat betaling aan een van de appellanten strekt tot kwijting ten aanzien van alle appellanten, een bedrag van € 3.780,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

veroordeelt appellanten hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van geïntimeerde 6 ([geïntimeerde 6]), welke kosten worden begroot op € 568,= aan verschotten en op € 5.160,= aan salaris advocaat;

veroordeelt appellanten hoofdelijk in de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van geïntimeerden 7 en 8 ([geïntimeerde 7] en [geïntimeerde 8]), welke kosten worden begroot op € 757,33 aan verschotten en op € 3.440,= aan salaris advocaat;

wijst het door appellanten in eerste aanleg of in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

veroordeelt appellanten in de proceskosten van het hoger beroep tussen hen en geïntimeerde 6 ([geïntimeerde 6]), welke kosten aan de zijde van geïntimeerde 6 tot op heden worden begroot op € 1.475,= aan verschotten en op € 2.632,= aan salaris advocaat;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen appellanten en geïntimeerden 7 en 8 ([geïntimeerde 7] en [geïntimeerde 8]) in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt de geïntimeerden 1 t/m 5 hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep tussen hen en appellanten, welke kosten aan de zijde van appellanten tot op heden worden begroot op € 3.825,= aan verschotten en op € 7.896,= aan salaris advocaat, te vermeerderen met nakosten van € 131,= per geïntimeerde indien geen betekening van het arrest plaatsvindt en € 199,= indien dat wel het geval is en met de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten bij niet voldoening aan de veroordeling binnen veertien dagen na dit arrest;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, J.A.M. van Schaik-Veltman en J.P. Broekhuizen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 december 2013.