Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6299

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
HD 200.127.932_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exceptie van onbevoegdheid. Vergeefs beroep door consument in Nederland op forumkeuzebeding van Duitse professionele wederpartij dat niet ten gunste van consumenten strekt. Geen uitzondering ex artikel 17 EEX-Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.127.932/01

arrest van 24 december 2013

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

verder: [appellante],

advocaat mr. R.H.M. Wagemans,

tegen:

Hannoveraner Verband e.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),

geïntimeerde,

verder: Hannoveraner Verband,

advocaat mr. M.L. Blackstone,

op het bij exploot van dagvaarding van 11 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg gewezen vonnis van 30 januari 2013 tussen [appellante] als gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident en Hannoveraner Verband als eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident (alsmede [vader van appellante] als gedaagde in de hoofdzaak).

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer: C/03/174928/HA ZA 12-379)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het vonnis van 3 april 2013 waarbij de rechtbank op verzoek van [appellante] heeft bepaald dat van het tussenvonnis van 30 januari 2013 tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld..

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 11 april 2013;

- de memorie van grieven van [appellante];

- de ambtshalve verleende akte niet dienen ten aanzien van de memorie van antwoord;

- het pleidooi op 6 december 2013, waarbij partij Hannoveraner Verband pleitnotities heeft overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de twee grieven van [appellante] verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. Hannoveraner Verband is een Duitse vereniging die onder meer veilingen organiseert voor de verkoop van Hannoveraner paarden, waarbij zij optreedt als commissionair.

  2. [appellante] heeft op 1 maart 2011 een schriftelijke commissieovereenkomst met Hannoveraner Verband gesloten met betrekking tot het paard Duracao voor een veiling op 8 en 9 april 2011.

  3. Op 9 april 2011 is het paard op de veiling gekocht door [koper]. Hannoveraner Verband heeft aan [appellante] het haar toekomende bedrag voldaan. In verband met klachten over kreupelheid en veterinaire problemen van het gekochte paard heeft [koper] de koopovereenkomst op 12 december 2011 ontbonden. Hannoveraner Verband heeft daarop de koopprijs aan [koper] gerestitueerd en het paard teruggenomen en op stalling gezet.

  4. Hannoveraner Verband verlangt van [appellante] dat zij het paard terugneemt met terugbetaling van de koopprijs en vergoeding van schade. [appellante] weigert dat.

4.2

Hannoveraner Verband heeft daarop zowel [appellante] als haar vader [vader van appellante] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht. Hannoveraner Verband stelt, kort gezegd, dat [appellante] op grond van de commissieovereenkomst en de toepasselijke veilingvoorwaarden gehouden is het paard terug te nemen, de door haar ontvangen koopsom te restitueren en de verdere kosten en schade aan Hannoveraner Verband te vergoeden. Op grond daarvan heeft Hannoveraner Verband een aantal daartoe strekkende vorderingen tegen [appellante] ingesteld. Volgens Hannoveraner Verband is [vader van appellante] bij de veiling van het paard als haar vertegenwoordiger opgetreden; daarom vordert Hannoveraner Verband een verklaring voor recht dat hij naast zijn dochter hoofdelijk aansprakelijk is voor alle gevolgen van de veilingverkoop van het paard Duracao.

4.3

In eerste aanleg heeft [appellante] een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen op de grond dat in de toepasselijke veilingvoorwaarden Gerichtsstand [vestigingsnaam]

als bevoegde rechter wordt aangewezen en niet de rechtbank Maastricht. De rechtbank heeft de incidentele vordering van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat het bevoegdheidsincident alleen door [appellante] is opgeworpen en niet (tevens) door [vader van appellante], zodat de rechtbank ingevolge de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo ten aanzien van de vordering jegens hem bevoegd is. Gelet op de nauwe band tussen de vorderingen (hoofdelijkheid) tegen beiden kan ingevolge het bepaalde in artikel 6 aanhef en lid 1 EEX-Vo [appellante] met [vader van appellante] voor de rechtbank Maastricht worden gedagvaard.

4.4

[appellante] voert hiertegen aan, kort gezegd, dat artikel 6 EEX-Vo ondergeschikt is aan artikel 23 EEX-Vo inzake de forumkeuze door partijen (grief 1) en dat [vader van appellante] ten onrechte is gedagvaard omdat hij met de veilingverkoop van het paard niets te maken heeft (grief 2). Hannoveraner Verband betwist een en ander.

4.5

Op de commissieovereenkomst van 1 maart 2011 zijn de veilingvoorwaarden van Hannoveraner Verband (Auktionsbedingungen) van toepassing verklaard. Artikel 8.3 van deze voorwaarden luidt als volgt: Erfüllungsort und Gerichtsstand ist [vestigingsnaam].

Bij het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat beide partijen ervan uitgaan dat het forumkeuzebeding in de veilingvoorwaarden van toepassing is op de commissieovereenkomst. Het hof neemt dit daarom in het hiernavolgende tot uitgangspunt.

4.6

Bij het pleidooi in hoger beroep is verder gebleken dat partijen het niet eens zijn over de hoedanigheid waarin [appellante] de commissieovereenkomst heeft gesloten. Volgens Hannoveraner Verband is dat in de hoedanigheid van consument, volgens [appellante] is dat niet het geval. Laatstgenoemde voert daartoe aan dat zij in [plaats] een stoeterij met zo’n 40 paarden heeft en dat deze in de kop van de commissieovereenkomst ook is vermeld (Gestüt Fischerhof). Hannoveraner Verband betwist dit en voert aan dat in onderdeel (2) van de commissieovereenkomst onder d) is vermeld: Der Verkauf erfolgt nicht im Rahmen eines Unternehmens. Umsatzsteuer ist nicht zu erheben, en dat in de afrekening van 9 april 2011 aan [appellante] dienovereenkomstig ook geen omzetbelasting in rekening is gebracht.

4.7

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door Hannoveraner Verband genoemde vermelding genoegzaam dat [appellante] de commissieovereenkomst in hoedanigheid van consument is aangegaan en niet bedrijfsmatig in de uitoefening van een paarden(fok)bedrijf. Door [appellante] is haar stelling dat zij een onderneming drijft op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl de vermelding van Gestüt Fischerhof in de commissieovereenkomst kennelijk alleen de adressering betreft en niet de tenaamstelling ervan. Hannoveraner Verband ontplooit haar activiteiten onder meer in de lidstaat waar [appellante] haar woonplaats heeft, Nederland. Dit betekent dat ingevolge artikel 15 lid 1 sub c) EEX-Vo voor de commissieovereenkomst de bevoegdheidsregels voor consumentenovereenkomsten van afdeling 4 van de EEX-Vo (artikel 15-17) gelden.

4.8

Artikel 16 lid 2 EEX-Vo bepaalt dat de rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst slechts kan worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft. In dit geval is dat Nederland. Artikel 17 EEX-Vo geeft een limitatieve opsomming van mogelijkheden waarin partijen bij een consumentenovereenkomst door een uitdrukkelijke forumkeuze kunnen afwijken van de bevoegdheidsregels van artikel 16 EEX-Vo. Deze mogelijkheden zijn een forumkeuze na het ontstaan van het geschil (1), een forumkeuze tegen gunste van de consument (2) of een forumkeuze op basis van een gemeenschappelijke woonplaats/verblijfplaats (3).

4.9

Over eventuele toepasselijkheid van de mogelijkheden (1) en (3) in dit geval is niets gesteld of gebleken, zodat deze in ieder geval niet aan de orde zijn. De enige opmerking die (met enige goede wil) met de toepasselijkheid van mogelijkheid (2) in verband gebracht zou kunnen worden, is de opmerking van de kant van [appellante] bij het pleidooi in hoger beroep dat men in Duitsland beter op de hoogte is van de paardenwereld, zodat een procedure over een paard beter daar gevoerd kan worden. Ook indien dit juist zou zijn, hetgeen op grond van deze enkele opmerking niet als vaststaand kan worden aangenomen, betekent dat niet dat het forumkeuzebeding van Hannoveraner Verband kan worden aangemerkt als een beding dat is opgenomen ten gunste van de consument. De aanwijzing van Gerichtsstand [vestigingsnaam] in de veilingvoorwaarden als bevoegde rechter betreft de vestigingsplaats van Hannoveraner Verband, zodat het voor de hand ligt dat deze forumkeuze in haar belang is opgenomen.

Ieder forumkeuzebeding ten gunste van de professionele wederpartij van de consument is - afgezien van het zich hier niet voordoende geval van mogelijkheid (1) - uitgesloten, zodat ook mogelijkheid (2) niet van toepassing is.

4.10

De slotsom is dat geen sprake is van een forumkeuzebeding dat leidt tot exclusieve bevoegdheid in de zin van artikel 17 EEX-Vo, zodat ingevolge de artikelen 15 en 16 EEX-Vo alleen de rechter van de woonplaats van [appellante] bevoegd is om van de vorderingen van Hannoveraner Verband jegens haar kennis te nemen. De exceptie van onbevoegdheid is daarom ten onrechte door [appellante] opgeworpen. Het hof komt hiermee tot hetzelfde resultaat als de rechtbank in het vonnis waarvan beroep, zodat dit

- zij het op andere gronden - zal worden bekrachtigd en beide grieven van [appellante] worden verworpen. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten het hoger beroep. Het hof verwijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht voor de behandeling en afdoening van de hoofdzaak.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Hannoveraner Verband begroot op € 1.862,= aan vast recht en op € 1.788,= aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht voor de behandeling en afdoening van de hoofdzaak.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, B.A. Meulenbroek en Th.J.A. Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 december 2013.