Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6145

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
13-00246
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van bezwaar, betreffende een aanslag watersysteemheffing, welke bij uitspraak op bezwaar is vernietigd. Het hof is van oordeel dat sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid en kent belanghebbende alsnog een vergoeding van de kosten van bezwaar toe, berekend met een factor 0,25.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0316
V-N Vandaag 2014/234
Belastingblad 2014/157
V-N 2014/13.22.4
Mr. W.E. Nent annotatie in NTFR 2014/940

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Elfde enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00246

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch (hierna: de Rechtbank) van 28 december 2012, nummer AWB 12/2168 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap de Dommel te Boxtel,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de beslissing inzake de vergoeding van kosten van de bezwaarfase.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van de onroerende zaak [A-straat] 11 te [vestigingsplaats] voor het jaar 2012 een aanslag watersysteemheffing opgelegd naar een heffingsmaatstaf van € 412.000. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar vernietigd. Belanghebbendes verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar (hierna: het verzoek) is afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is tegen de afwijzende beslissing op het verzoek in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 310. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 478. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 20 november 2013 te ‘s-Hertogenbosch.Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mevrouw [B], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [C] en de heer [D].

1.6.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 februari 2012 een WOZ-beschikking verzonden. Op 5 maart 2012 is namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de bij deze beschikking vastgestelde waarde van € 412.000. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de gemeente Tilburg op 19 maart 2012 in haar interne systemen een zogenaamde “stopcode” geplaatst. Op 13 april 2012 wordt uitspraak gedaan op het bezwaar; de WOZ-beschikking wordt vernietigd als gevolg van een foutieve objectafbakening.

2.2.

Middels maandelijkse mutatiebestanden worden belastingdienst en waterschappen (hierna: de afnemers) op de hoogte gesteld van wijzigingen in WOZ-waarden. De bij uitspraak op bezwaar vernietigde WOZ-beschikking van belanghebbende is opgenomen in een mutatiebestand dat uiterlijk 16 april 2012 door de gemeente bij de afnemers is aangeleverd.

2.3.

Op 20 april 2012 is met dagtekening 30 april 2012 aan belanghebbende een aanslag watersysteemheffing verzonden, gebaseerd op een WOZ-waarde van € 412.000. Omdat het uiterlijk op 16 april 2012 aangeleverde mutatiebestand nog niet was verwerkt in de systemen van het waterschap, is bij het opleggen van de aanslag geen rekening gehouden met het feit dat de WOZ-beschikking inmiddels was vernietigd.

2.4.

Namens belanghebbende is bezwaar gemaakt tegen de aanslag watersysteemheffing; daarbij is verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar. Bij uitspraak op bezwaar van 20 juni 2012 is de aanslag vernietigd. Daarbij is het verzoek om vergoeding van kosten van bezwaar afgewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) recht heeft op vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting is door partijen nog het volgende aangevoerd:

Belanghebbende:

Voor het geval de Heffingsambtenaar bestrijdt dat gemachtigde kosten in rekening heeft gebracht aan belanghebbende, kan ik een factuur overleggen.

De Heffingsambtenaar:

Ik bestrijd niet dat gemachtigde kosten in rekening heeft gebracht.

Er zijn, behalve het verstrekken van de mutatiebestanden, geen andere afspraken met gemeenten. Afnemers worden niet direct op de hoogte gesteld op het moment dat een
WOZ-beschikking wordt bestreden.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de afwijzende beslissing op het verzoek en vergoeding van de overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht te bepalen kosten. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.2.

Vaststaat dat de aanslag watersysteemheffing onjuist is en inmiddels is vernietigd. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hier geen sprake is van een aan hem te wijten onrechtmatigheid aangezien de aanslag is gebaseerd op de door de gemeente Tilburg verstrekte gegevens betreffende de WOZ-waarde en de Heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de aanslag niet op de hoogte was van het feit dat belanghebbende bezwaar had aangetekend tegen de WOZ-beschikking dan wel dat naar aanleiding van het bezwaarschrift de WOZ-beschikking al was vernietigd.

De Heffingsambtenaar wijst voorts op artikel 18a van de AWR waarin is voorgeschreven dat de Heffingsambtenaar naar aanleiding van een vermindering of een vernietiging van een WOZ-beschikking verplicht is de daarop gebaseerde aanslag te herzien, zodat het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanslag volgens de Heffingsambtenaar leidt tot kosten die redelijkerwijs niet gemaakt behoefden te worden.

4.3.

De wetgever heeft ervoor gekozen dat bepaalde heffingen aansluiten bij door de gemeentes vast te stellen WOZ-waardes. Deze door de wetgever gemaakte keuze betekent niet dat instanties die afhankelijk zijn van de door de gemeentes aangeleverde WOZ-waardes, zich onder alle omstandigheden op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een aan hen te wijten onrechtmatigheid wanneer de vastgestelde WOZ-waarde onjuist blijkt te zijn en de daarop gebaseerde heffing moet worden verminderd dan wel vernietigd. Van deze bestuursorganen mag worden verwacht dat zij bij de uitvoering van deze wettelijke regels, zorgdragen voor goede informatieverstrekking onderling zodat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat onjuiste heffingen worden opgelegd. Dit betekent dat niet alleen informatie wordt verstrekt indien de aangepaste WOZ-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan, maar ook dat de gemeentes en overige bestuursorganen zorgdragen voor een systeem van informatieverstrekking op het moment dat de juistheid van een WOZ-beschikking wordt bestreden.

4.4.

In het onderhavige geval staat vast dat de gemeente Tilburg binnen haar eigen systeem een zogenoemde “stopcode” aanbrengt wanneer een bezwaarschrift tegen een WOZ-beschikking wordt ingediend. Tussen de gemeente Tilburg en de afnemers van de WOZ-gegevens zijn geen afspraken gemaakt over het communiceren van deze “stopcode” tussen de gemeente en de afnemers. Door geen afspraken hierover te maken aanvaarden de afnemers bewust het risico dat zij aanslagen opleggen op basis van mogelijk onjuiste WOZ-gegevens dan wel nog niet onherroepelijk vaststaande WOZ-gegevens. Indien vervolgens vast komt te staan dat een op basis van de door de gemeente verstrekte gegevens opgelegde aanslag onjuist is, en dit had kunnen worden voorkomen indien tussen de gemeente en de afnemer van de WOZ-gegevens wel afspraken waren gemaakt over tijdige informatieverstrekking als hiervoor bedoeld, is sprake van een aan het afnemende bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.5.

Aan het vorenstaande doet niet af dat de wetgever in artikel 18a van de AWR heeft voorzien in een regeling op grond waarvan het bestuursorgaan dat de WOZ-gegevens gebruikt, verplicht is de aanslag te verminderen wanneer de WOZ-beschikking wordt herzien. Een dergelijke regeling kan een belanghebbende niet weerhouden zijn rechten zeker te stellen door het instellen van een rechtsmiddel tegen een onjuiste aanslag.

4.6.

In dit geval is de WOZ-beschikking vastgesteld bij beschikking van 29 februari 2012 en heeft belanghebbende op 5 maart 2012 bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Op 19 maart 2012 heeft de gemeente Tilburg een “stopcode” aangebracht in haar systeem. Op 13 april 2012 is de WOZ-beschikking vernietigd. Met dagtekening 30 april 2012 is de onderhavige aanslag opgelegd. Deze aanslag is reeds eerder vastgesteld en op 20 april 2012 verzonden. Naar het oordeel van het Hof had de Heffingsambtenaar – gelet op het tijdstip waarop de “stopcode” is aangebracht – bij goede afspraken over tijdige verzending van de gegevens over ingediende bezwaarschriften in dit geval kunnen zorgdragen voor stopzetting van het proces van het opleggen van een aanslag aan belanghebbende. Het Hof is daarom van oordeel dat sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.7.

De Heffingsambtenaar heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende gemaakte kosten niet redelijk zijn, aangezien gemachtigde die tevens penningmeester is van belanghebbende op de hoogte is van de wettelijke regeling van artikel 18a van de AWR en dat om die reden bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn dat de Heffingsambtenaar de aanslag ambtshalve diende te vernietigen en dat daarom geen aanleiding bestond voor het indienen van een bezwaarschrift.

Zoals hiervoor is geoordeeld ontneemt de regeling van artikel 18a van de AWR niet het recht van een belastingplichtige om zijn rechten zeker te stellen door het instellen van een rechtsmiddel tegen een ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag opgelegde aanslag. Het is daarbij niet relevant dat belanghebbende wordt bijgestaan door een gemachtigde die beroepsmatig bijstand verleent dan wel dat deze gemachtigde een functie vervult binnen het bestuur van belanghebbende. Gesteld noch gebleken is dat gemachtigde in deze optrad in haar functie van penningmeester van belanghebbende. Gemachtigde heeft rechtsbijstand verleent in het kader van haar professionele werkkring en is door belanghebbende gemachtigd deze bijstand te verlenen. De Heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat belanghebbende had kunnen volstaan met een simpel telefoontje en dat om die reden het inschakelen van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de daarvoor gemaakte kosten niet redelijk zijn. Het Hof verwerpt deze stelling onder verwijzing naar het arrest van 26 maart 2010, nr. 09/01089, ECLI:NL:HR:2010:BL8875, waarin, voor zover hier van belang, de Hoge Raad het volgende heeft beslist:

“3.4.1. Op grond van artikel 6:4, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht kan het maken van bezwaar slechts langs schriftelijke weg geschieden. Deze eis draagt ertoe bij bewijsrechtelijke discussies te vermijden. Indien een belanghebbende die het niet eens is met een besluit daartegen schriftelijk opkomt, kan niet worden gezegd dat de keuze om de bezwaren in deze vorm mee te delen onredelijk is.”.

4.8.

Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende recht op vergoeding van de door haar in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs gemaakte kosten. Het Hof stelt de tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 (punten) x € 235 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 58,75.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 310 respectievelijk € 478 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.12.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zowel voor de procedure bij de Rechtbank als bij het Hof op 2,5 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 295, in totaal derhalve € 590.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bij de uitspraak op bezwaar genomen beslissing van de Heffingsambtenaar op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van de kosten van bezwaar;

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 58,75;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 788 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 590.

Aldus gedaan op 19 december 2013 door T.A. Gladpootjes, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.