Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6140

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
12-00640
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:913
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:843, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortvarendheid. Standstill-bepaling ex art. 64, lid 1 EG-Verdrag.

Belanghebbende heeft een tegoed aangehouden op een Zwitserse bankrekening. De rente en saldi van het tegoed zijn niet aangegeven voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Door tussenkomst van de AFM is de FIOD geïnformeerd. Na daartoe strekkend besluit in het tripartiete overleg heeft de FIOD een strafrechtelijk onderzoek opgestart. In de onderzoeksfase is belanghebbende ten minste eenmaal verhoord en hebben onderzoekshandelingen plaats gevonden. Belanghebbende heeft opening van zaken gegeven. Op 1 maart 2009 waren alle gegevens voorhanden en gecontroleerd door een bij de FIOD gedetacheerde ambtenaar van de belastingdienst. De FIOD zat stil tot 27 juni 2010 waarna de inspecteur per die datum de beschikking kreeg over de betreffende gegevens teneinde navorderingsaanslagen op te leggen. Het Hof rekent het gedurende anderhalf jaar stil zitten van de opsporingspoot van de FIOD toe aan de inspecteur. Dit is strijd met de eis van voortvarend handelen (Passenheim- van Schoot arrest). Dat de FIOD in dit geval werkte onder leiding van het Openbaar Ministerie maakt dit niet anders.

De inspecteur stelt dat de Passenheim- van Schoot-jurisprudentie niet van toepassing is omdat het aanhouden van een tegoed op een Zwitserse rekening valt onder de standstill-bepaling van artikel 64, lid 1, EG-Verdrag (verrichten van financiële diensten). Het Hof verwerpt de stelling omdat artikel 64, lid 1 EG-Verdrag restrictief uitgelegd moet worden. Alleen de concrete onder artikel 64, lid 1, EG-Verdrag vermelde categorieën, te weten directe investeringen, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten worden beschermd. Het betreffende artikel bevat geen bepaling dat ziet op de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4 AWR. Het handelen van de Inspecteur ter zake van het aangehouden tegoed op de Zwitserse bankrekening kan derhalve worden getoetst aan het Passenheim - van Schoot arrest.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2014-01-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0075 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/52
RF 2014/29
dr.mr. D.S. Smit annotatie in NTFR 2014/1157

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00640

Uitspraak op hoger beroep van

De voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Limburg/kantoor [vestigingsplaats] van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 september 2012, nummer AWB 11/4128 betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 2004 en de daarmee samenhangende beschikking heffingsrente,

en uitspraken op de incidenteel hoger beroepen van

de heer [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 september 2012, nummer AWB 11/4122 tot en met 11/4132 in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur ter zake van de hierna onder 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] over het jaar 2004 met dagtekening 30 november 2010 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van € 5.413 opgelegd alsmede een beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 1.298. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. De uitspraak is vervat in één geschrift met uitspraken betreffende meerdere navorderingsaanslagen IB/PVV alsmede meerdere navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) en daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente. Het betreffen de navolgende navorderingsaanslagen:

- IB/PVV over het jaar 1998 van € 19.577;

- IB/PVV over het jaar 1999 van € 16.148;

- IB/PVV over het jaar 2000 van € 11.444;

- IB/PVV over het jaar 2001 van € 4.421;

- IB/PVV over het jaar 2002 van € 4.978;

- IB/PVV over het jaar 2003 van € 5.535;

- IB/PVV over het jaar 2005 van € 5.043;

- IB/PVV over het jaar 2006 van € 4.833;

- VB over het jaar 1999 van € 2.178;

- VB over het jaar 2000 van € 2.076.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.3.

De Rechtbank heeft het beroep tegen de navorderingsaanslag in de IB/PVV van het jaar 2004 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot € 1.426.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij het verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld tegen alle voormelde in één geschrift vervatte uitspraken van de Rechtbank. De Inspecteur heeft de incidenteel hoger beroepen beantwoord. Belanghebbende heeft in een nader stuk gereageerd op laatst vermelde reactie van de Inspecteur.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 10 september 2013 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [A], advocaat te [B], alsmede, namens de Inspecteur, [C], [D] en [E].

1.7.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijke inlichtingen te geven, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.8.

Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [F].

2.2.

In mei 2002 is door [G] (verder: [G]) van [H] B.V. bij de Autoriteit Financiële Markten vrijwillig aangifte gedaan van overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer ten aanzien van diverse personen. Op 20 november 2002 heeft [G] ten overstaan van de FIOD-ECD verklaard dat hij het vermoeden had dat diverse klanten van het kantoor hun effectenportefeuilles hadden verplaatst naar instellingen in het buitenland. Naar aanleiding van deze verklaring is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar [G], zijn kantoor en enkele andere betrokkenen. Blijkens het aanvangsproces-verbaal van het onderzoek tegen belanghebbende en zijn echtgenote zijn ook hun namen opgekomen in eerder genoemd onderzoek en is besloten ook tegen hen een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Dit besluit is bekrachtigd tijdens het tripartiete overleg (TPO) in juni 2007.

2.3.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is belanghebbende meerdere malen verhoord. Belanghebbende heeft op 13 januari 2009 openheid van zaken gegeven. Bij brief van 13 januari 2009 gericht aan de Belastingdienst/FIOD-ECD (hierna: FIOD) te [vestigingsplaats] heeft hij - door middel van een bijgevoegde rapportage van [J], accountant/ belastingadviseur - een overzicht gegeven van de door hem aangehouden buitenlandse bankrekeningen waarvan de inkomens- en vermogensbestanddelen niet waren begrepen in de aangiftes IB/PVV en/of VB van de daaraan voorafgaande jaren. Deze bankrekeningen hadden tot en met eind 2003 betrekking op een bankrekening bij de [K] Bank in Zwitserland, bekend onder de codenaam [L] (rekeningnummer [rekeningnummer 1]; hierna de Zwitserse bankrekening) en vanaf begin 2004 op een bankrekening bij de [M] Bank in Luxemburg (rekeningnummer [rekeningnummer 2]; hierna de Luxemburgse bankrekening). De rapportage van [J] waarin een berekening stond van de alsnog verschuldigde IB/PVV en VB bevatte tevens alle relevante achterliggende bescheiden.

2.4.

Voornoemde heer [D], ambtenaar van de Belastingdienst Limburg, is ter zake van het onderzoek naar [G] voor een periode van 1,5 á 2 jaar als buitengewone opsporingsambtenaar gedetacheerd bij de FIOD. Daarnaast was hij ook nog werkzaam als aanslagregelaar. De heer [D] heeft op 14 januari 2009 de rapportage van [J] van de FIOD ontvangen met het verzoek de inhoud te controleren en beoordelen. Op 15 januari 2009 heeft hij aan de FIOD voorgesteld om over de berekeningen enkele vragen te stellen aan de advocaat van belanghebbende.

2.5.

Op 27 juli 2010 zijn de onderzoeksresultaten door de Officier van Justitie aan de Belastingdienst verstrekt. Vervolgens heeft de heer [D], in zijn hoedanigheid als inspecteur van de Belastingdienst, de in 1.1 genoemde navorderingsaanslagen IB/PVV en VB aangekondigd en die met dagtekening 30 november 2010 opgelegd.

2.6.

Met dagtekening 11 september 2013 heeft de Inspecteur, desgevraagd door het Hof, een nadere berekening overgelegd van de in geschil zijnde aanslag:

”Het saldo van de rekening in Zwitserland op 1-1-2004 bedraagt € 475.517

Het saldo van de rekening in Luxemburg op 31-12-2004 bedraagt € 426.677

Dit is een gemiddeld saldo van € 451.240

De inspecteur heeft op grond hiervan een navorderingsaanslag opgelegd van:

Inkomstenbelasting box 3 € 5.413

Heffingsrente € 1 298

totaal € 6.711

Vermindering A

De rechtbank heeft geoordeeld dat in verband met niet voortvarend handelen van de inspecteur het saldo van de Luxemburgse rekening niet meegenomen moet worden in de berekening. De rechtbank vermindert de na te vorderen belasting op grond hiervan tot 1,2% x € 475.517/2 of € 2.853

Vermindering B

Verder moet o.g.v. artikel 2.17 vierde lid Wet IB 2001 het vermogen voor de helft aan zijn echtgenote worden toegerekend.

De rechtbank vermindert de aanslag 2004 op grond hiervan met de helft tot € 1.426.

Het te corrigeren bedrag is in dit geval:

Vermindering A €475.517 /2 = € 237.758

Vermindering B € 237.758/2 = € 118.879 (zie berekening heffingsrente)

De inspecteur stelt in hoger beroep dat er wel voortvarend gehandeld is.

Op grond hiervan concludeert de inspecteur dat de vermindering onder A ten onrechte is. De oorspronkelijk berekende belasting ad € 5.413 dient wel gehalveerd te worden (vermindering onder

B) door de toerekening aan de echtgenote.

De aanslag moet volgens de inspecteur berekend worden op een bedrag van € 5.413/2= €2.706

Het te corrigeren bedrag is in dit geval:

Vermindering B € 451.240 / 2 = € 225.620 (zie berekening heffingsrente) (…)”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is belanghebbende ontvankelijk ter zake van de incidenteel hoger beroepen betreffende de navolgende navorderingsaanslagen en daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente:

- IB/PVV over het jaar 1998;

- IB/PVV over het jaar 1999;

- IB/PVV over het jaar 2000;

- IB/PVV over het jaar 2001;

- IB/PVV over het jaar 2002;

- IB/PVV over het jaar 2003;

- IB/PVV over het jaar 2005;

- IB/PVV over het jaar 2006;

- VB over het jaar 1999;

- VB over het jaar 2000?

2. Heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen op de voet van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) met de vereiste voortvarendheid opgelegd?

3. Zo nee, is ten aanzien van de toepassing van artikel 16, lid 4, van de AWR de standstill-bepaling van artikel 64 van het EG-verdrag van toepassing?

Belanghebbende is van mening dat het antwoord op de eerste vraag bevestigend is; de Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. De tweede en de derde vraag dienen volgens belanghebbende ontkennend te worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en nadere vaststelling van de navorderingsaanslag op € 2.706 en de beschikking heffingsrente op € 649. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

De eerste in geschil zijnde vraag

4.1.

De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en dit hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de navorderingsaanslag IB/PVV van het jaar 2004 alsmede tegen de daarmee samenhangende beschikking heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen incidenteel hoger beroep ingesteld.

4.2.

Daarnevens heeft belanghebbende incidenteel hoger beroepen ingesteld tegen de onder de eerste vraag van onderdeel 3 vermelde navorderingsaanslagen en daarmede samenhangende beschikkingen heffingsrente. Ten aanzien van laatst vermelde navorderingsaanslagen en daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente overweegt het Hof als volgt.

4.3.1.

De wetsgeschiedenis vermeldt over de achtergrond van het incidenteel hoger beroep het volende.

"Incidenteel hoger beroep houdt kort gezegd in dat een partij die aanvankelijk zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, dit bij verweerschrift alsnog kan doen, indien de andere partij in hoger beroep blijkt te komen. Daaraan kan behoefte bestaan, indien de eerste rechter beide partijen gedeeltelijk in het gelijk heeft gesteld. Een partij die in een dergelijke uitspraak berust, kan in een relatief ongunstige positie komen indien de andere partij wel hoger beroep instelt. De rechtsstrijd in hoger beroep wordt namelijk beperkt tot de door de appellerende partij geformuleerde gronden van het hoger beroep. De andere partij kan zich daartegen uiteraard verweren, maar niet zelf alsnog haar eigen bezwaren tegen de uitspraak van de eerste rechter naar voren brengen. Anders gezegd: de berustende partij kan er door het hoger beroep nog wel op achteruit gaan, maar niet meer op vooruit gaan, tenzij zij zelf alsnog hoger beroep instelt. Dit laatste kan echter praktisch onmogelijk zijn, bijvoorbeeld als de andere partij op de laatste dag van de termijn hoger beroep instelt, en vergt in ieder geval een grote mate van alertheid. De termijn voor hoger beroep bedraagt immers slechts zes weken.

Nu is een en ander natuurlijk het gevolg van de aanvankelijke keuze van de desbetreffende partij om in de eerste uitspraak te berusten. Maar deze keuze zal vaak mede zijn ingegeven door de wens om 'van de zaak af te zijn'. Als dat toch niet meer lukt, omdat de andere partij hoger beroep instelt, kan de aanvankelijk berustende partij de behoefte hebben om dan ook de onderdelen van de eerste uitspraak waarbij zij in het ongelijk is gesteld, aan te vechten. Incidenteel hoger beroep komt aan deze behoefte tegemoet. Daarnaast loopt de partij die het eerste ('principaal') hoger beroep instelt, in de voorgestelde regeling het risico van een incidenteel hoger beroep en daarmee van een achteruitgang ten opzichte van de uitspraak van de eerste rechter. Dit bevordert een zorgvuldige afweging van de voor- en nadelen van hoger beroep en daarmee een doelmatig gebruik van kostbare voorzieningen van rechtspraak."

MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3, blz. 10-11.

4.3.2.

Op grond van artikel 27m, lid 1, van de AWR kan belanghebbende bij zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen. De Hoge Raad overwoog op 4 juni 2011, nr. 09/01362 (ECLI:NL:HR:2010:BL7972) als volgt:

4.1.

Op grond van artikel 27h, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) kunnen de daar bedoelde belanghebbende en de inspecteur hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de uitspraak van de rechtbank betrekking heeft op meer dan één besluit van de inspecteur, laat deze bepaling degene die hoger beroep instelt de vrijheid om dit rechtsmiddel te richten tegen de beslissing van de rechtbank als geheel of tegen haar beslissing met betrekking tot één of enkele van die besluiten.

4.2.

Op grond van artikel 27m, lid 1, van de AWR kan de andere partij bij haar verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen. De tekst van deze bepaling geeft geen aanleiding tot de veronderstelling dat degene die incidenteel hoger beroep instelt niet eenzelfde vrijheid zou hebben als hiervoor in 4.1 is beschreven met betrekking tot het principale hoger beroep. Bij zijn keuze welke beslissing(en) van de Rechtbank hij in het incidentele hoger beroep betrekt, behoeft de indiener van dit beroep zich niet te beperken tot de beslissing(en) over het besluit of de besluiten waarop het principale hoger beroep betrekking heeft. Dat is ook in overeenstemming met de wetsgeschiedenis (…).

4.3.3.

Het Hof leidt uit de geciteerde overwegingen af, dat het de partij die incidenteel hoger beroep instelt, vrijstaat om, kort gezegd, andere onderdelen van de uitspraak van de rechtbank in het geding te betrekken, dan die welke door de partij die het principale hoger beroep heeft ingesteld zijn aangevoerd. Het incidenteel hoger beroep kan echter, naar het oordeel van het Hof, niet gericht zijn tegen andere uitspraken dan die waartegen het principaal hoger beroep zich richt, ook niet indien, zoals in het onderhavige geval, deze andere uitspraken zijn opgenomen in hetzelfde geschrift. De in 4.2. genoemde incidenteel hoger beroepen zijn dan ook niet-ontvankelijk.

4.4.

Het gelijk ten aanzien van deze vraag is aan de Inspecteur.

Ambtshalve

4.5.

Het Hof heeft belanghebbende ter zitting voorgehouden dat de incidenteel hoger beroepen vermeld in 4.2 mogelijk niet-ontvankelijk zouden kunnen worden verklaard. Desalniettemin heeft belanghebbende gepersisteerd. Belanghebbende verklaarde daarbij dat hij zich wel kon vinden in de uitspraken van de Rechtbank, verzonden op 13 september 2012, betreffende die navorderingsaanslagen. Nadat de Inspecteur hoger beroep had ingesteld ter zake van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2004 heeft belanghebbende, naar hij ter zitting stelde, besloten “mee te liften” door op 21 december 2012 incidenteel hoger beroep in te stellen en daarbij tevens incidenteel hoger beroepen in te stellen tegen de in 1.1. vermelde navorderingsaanslagen en daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente. Het Hof heeft overwogen de laatst vermelde incidenteel hoger beroepen aan te merken als principaal hoger beroepen en daartoe even zoveel nieuwe zaken aan te leggen met het heffen van griffierecht voor 10 samenhangende zaken. Gelet op de verklaring van belanghebbende ter zitting zouden deze hoger beroepen te laat ingesteld zijn. Van een verschoonbaar verzuim zou in dit geval geen sprake zijn. Het Hof heeft gelet op deze verklaring van belanghebbende geoordeeld dat deze hoger beroepen dan kennelijk niet-ontvankelijk zouden zijn. Teneinde belanghebbende niet nodeloos te belasten met te heffen griffierecht en kosten van juridische bijstand heeft het Hof om redenen van proceseconomie besloten er van af te zien even zoveel nieuwe zaken aan te leggen.

De tweede in geschil zijnde vraag (IB/PVV 2004)

4.6.

Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, (hierna ook: het Passenheim-arrest) heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard:

“1) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang.

2) (...)”.

4.7.

Dienaangaande overwoog het Hof van Justitie in voormeld arrest van 11 juni 2009:

“-45. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen (zie met name arrest van 18 december 2007, A, C-101/05, Jurispr. blz. I-11531, punt 55) alsmede de bestrijding van belastingfraude (zie met name arrest van 11 oktober 2007, ELISA, C-451/05, Jurispr. blz. I-8251, punt 81) dwingende redenen van algemeen belang vormen, die een beperking van de uitoefening van de door het EG-Verdrag gegarandeerde vrijheden van verkeer kunnen rechtvaardigen.

-46. Wat het kapitaalverkeer betreft, bepaalt artikel 58, lid 1, sub b, EG dat artikel 56 EG niets afdoet aan het recht van de lidstaten om alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wetten en voorschriften tegen te gaan, met name op fiscaal gebied.

-47. Een beperkende maatregel kan evenwel slechts gerechtvaardigd zijn indien hij het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt in die zin dat hij geschikt is om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 28).”.

4.8.

In verband met evenvermelde in acht te nemen evenredigheidsbeginsel bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, lid 4, van de AWR op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, van de AWR is verstreken, heeft de Hoge Raad regels geformuleerd (Hoge Raad, 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en -BJ9120, BNB 2010/199 en 200). Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

4.9.

Het Hof stelt als uitgangspunt voorop dat bij de beoordeling van de Europeesrechtelijke voortvarendheidseis de FIOD in beginsel als belastingautoriteit dient te worden aangemerkt in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot. Dat de FIOD in deze periode opereerde onder het gezag van de Officier van Justitie doet hier niet aan af. Voor de toepassing van het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel kan niet worden aanvaard, dat een langdurig stilzitten van de FIOD buiten beschouwing zou worden gelaten. De kwalificatie van de voortgang van de werkzaamheden van de FIOD kan derhalve de Inspecteur worden toegerekend. Gelet op de op de Inspecteur rustende bewijslast inzake het redelijk voortvarende handelen in voormelde zin, zal de Inspecteur derhalve inzicht moeten geven in de werkzaamheden die de FIOD heeft verricht.

4.10.

De FIOD heeft voorgesteld tegen belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Dit voorstel is tijdens het TPO van 23 juni 2007 bekrachtigd. De Inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat het aanmeldingsformulier voor het TPO van 23 juni 2007 niet tot de stukken van de zaak behoort, dat wil zeggen dat hij niet daarover (heeft) beschikt. Het Hof gaat er van uit dat de informatie vermeld in de tot de stukken behorende bladzijde 7 van het aanvangsproces-verbaal tegen belanghebbende en zijn echtgenote op het TPO zal zijn ingebracht en zal zijn besproken. Het Hof leidt uit deze informatie af dat er weliswaar vermoedens waren omtrent het aanhouden van vermogensbestanddelen bij buitenlandse banken, doch dat de inlichtingen waarover de FIOD op 23 juni 2007 beschikte onvoldoende waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting. Voor het bepalen van de verschuldigde belasting diende nader onderzoek plaats te vinden.

4.11.

Tijdens de onderzoeksfase is belanghebbende ten minste één maal verhoord door de FIOD. Tijdens het verhoor op 9 oktober 2008 heeft belanghebbende weliswaar schriftelijk verklaard geen verklaring af te zullen leggen en zich te zullen beroepen op zijn zwijgrecht, doch hij heeft tevens aangegeven niet uit te sluiten in de toekomst met een aanvullende verklaring te komen. Bij brief van 13 januari 2009, ontvangen door de FIOD te [vestigingsplaats] op 14 januari 2009, heeft belanghebbende openheid van zaken gegeven. Daartoe heeft hij een rapportage overgelegd van zijn buitenlandse vermogen vanaf 1996, voorzien van correspondentie en bankafschriften van de vermogensinkomsten en vermogensbestanddelen ondergebracht bij buitenlandse banken. Het Hof concludeert dat de onderzoeksperiode van ruim anderhalf jaar noodzakelijk was om de informatie van o.a. belanghebbende te verkrijgen. Gedurende deze periode heeft de FIOD niet stil gezeten en, mede gezien de onwil van belanghebbende om mee te werken waardoor het onderzoek is vertraagd, acht het Hof deze periode niet onredelijk lang.

4.12.

Uit de tot de stukken behorende ambtsedige verklaring van voornoemde heer [D], zakelijk weergegeven in 2.4, blijkt dat de informatie van belanghebbende na ontvangst op 14 januari 2009 door de heer [D] is beoordeeld. De heer [D] heeft betreffende de rapportage onder meer verklaard: “Daaruit komt naar voren dat de niet aangegeven rente-inkomsten en niet aangegeven vermogens op een juiste manier berekend zijn door [J]. (…)”. En: “Ik ga er verder vanuit dat de bedragen voor betaalde rente en kosten waar ik eerder over heb verklaard juist in de rapportage zijn vermeld. Ik stel het door de Staat geleden nadeel vast op (…).”.

4.13.

Het Hof leidt uit het hiervoor in 4.12 overwogene af dat kort na indiening van de rapportage van [J] op 14 januari 2009, door het Hof gesteld op of omstreeks 1 maart 2009, de FIOD beschikte over de gegevens die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting. Op 27 juli 2010 heeft de Officier van Justitie de onderzoeksresultaten verstrekt aan de Inspecteur. Ter zitting heeft de heer [D] desgevraagd verklaard dat hij geen enkel inzicht heeft wat de FIOD met de gegevens heeft gedaan en/of welke activiteiten er door de FIOD zijn ontwikkeld in de daarop aansluitende periode tot 27 juli 2010.

4.14.

Nu de Inspecteur ter zitting geen enkel inzicht heeft kunnen geven in de activiteiten die de FIOD ter zake van dit dossier heeft ontplooid in de periode van omstreeks 1 maart 2009 tot 27 juli 2010 gaat het Hof er van uit dat in deze periode geen enkele activiteit heeft plaatsgevonden. Deze periode van stilzitten rekent het Hof de Inspecteur toe. Deze feiten en omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2004, waarbij een onverklaarbare vertraging is opgetreden van anderhalf jaar, niet de vereiste voortvarendheid in acht heeft genomen.

4.15.

Het gelijk ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag is aan belanghebbende.

De derde in geschil zijnde vraag (IB/PVV 2004)

4.16.

Uit het Passenheim-arrest volgt dat in gevallen als het onderhavige de vrijheid van kapitaalverkeer in het geding is. De Inspecteur heeft vervolgens gesteld dat het beginsel van vrijheid van kapitaalverkeer met derde landen niet van toepassing is ingeval van het aanhouden van banktegoeden in een derde land zoals Zwitserland. De in dit verband relevante artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het Verdrag) zijn

Artikel 63 (oud artikel 56 Verdrag EG)

1. In het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden.

Artikel 64 (oud artikel 57 Verdrag EG)

1. Het bepaalde in artikel 63 doet geen afbreuk aan de toepassing op derde landen van beperkingen die op 31 december 1993 bestaan uit hoofde van het nationale recht of het recht van de Unie inzake het kapitaalverkeer naar of uit derde landen in verband met directe investeringen - met inbegrip van investeringen in onroerende goederen -, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

4.17.

In de visie van de Inspecteur verhindert artikel 64, lid 1, van het Verdrag (hierna ook wel: ‘de standstill-bepaling’) de werking van - kort gezegd - de Passenheim-jurisprudentie in situaties van kapitaalverkeer met derde landen. De Inspecteur stelt hierbij dat het aanhouden van tegoeden op een Zwitserse bankrekening valt onder het begrip ‘het verrichten van financiële diensten’ van genoemd artikel 63, lid 1, van het Verdrag. De Rechtbank heeft, onder verwijzing naar het arrest van 25 juni 2009, nr. C-356/08 (Commissie - Republiek Oostenrijk) deze stelling als juist beoordeeld.

4.18.

De standstill-bepaling houdt in dat beperkingen van kapitaalverkeer met derde landen zijn toegestaan in verband met bepaalde categorieën kapitaalverkeer, welke beperkingen reeds bestonden op 31 december 1993. Het Hof hanteert als uitgangspunt dat artikel 64, lid 1, van het Verdrag restrictief dient te worden uitgelegd. Dit houdt naar het oordeel van het Hof in, dat slechts de in dit artikel in concreto genoemde situaties onder de reikwijdte van het artikel vallen.

4.19.1.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het aanhouden van bankrekeningen valt onder de reikwijdte van de vrijheid van dienstverlening. Het Hof zal veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van deze stelling. De Rechtbank heeft aan dit oordeel de conclusie verbonden dat, aangezien financiële dienstverlening genoemd wordt in artikel 64, lid 1, van het Verdrag, de standstill-bepaling op gevallen als het onderhavige van toepassing is. Het Hof is het met die conclusie niet eens.

4.19.2.

Naar het oordeel van het Hof is de relevante vraag niet of het aanhouden van bankrekeningen valt onder de reikwijdte van de vrijheid van dienstverlening, maar of de aangevallen regeling (artikel 16, lid 4, van de AWR), een maatregel is die tot voorwerp heeft het beschermen van een van de in artikel 64 genoemde categorieën, te weten directe investeringen, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord,

4.19.3

Artikel 16, lid 4, van de AWR behelst een generieke regeling. Het betreffende artikel rekt de navorderingstermijn in buitenlandsituaties op van vijf naar twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Talloze situaties kunnen, indien voldaan aan de voorwaarden, onder de werking van artikel 16, lid 4, van de AWR vallen, ook situaties die niets van doen hebben met directe investeringen, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten

4.20.

Nu in artikel 64, lid 1, van het Verdrag niet enig recht op toepassing van een verlengde navorderingstermijn van een lidstaat is opgenomen, valt artikel 16, lid 4, van de AWR niet binnen het toepassingsbereik ervan. Het Hof komt derhalve niet toe aan het beantwoorden van de vraag of het aanhouden van tegoeden op een Zwitserse bankrekening valt onder het “verrichten van financiële diensten” in de zin van artikel 64, lid 1, van het Verdrag.

4.21.

Het voren overwogene impliceert dat het tegoed aangehouden op de bankrekening in Zwitserland geheel valt onder de werking van de Passenheim-jurisprudentie. Voor dat geval heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld.

4.22.

Het gelijk ten aanzien van de derde in geschil zijnde vraag is eveneens aan belanghebbende.

Prejudiciële vragen

4.23.

Het Hof heeft geoordeeld dat de opsporingspoot van de FIOD moet worden beschouwd als behorende tot de belastingautoriteiten als bedoeld in het Passenheim-arrest, ongeacht de kwalificatie van die instelling naar nationaal recht. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de relevante toets voor de vraag of de onderhavige situatie valt onder de standstill-bepaling, luidt zoals hiervoor in 4.19.2 is gegeven. Het Hof onderkent dat deze oordelen niet boven iedere twijfel verheven zijn. Gelet op het feit dat andere Nederlandse fiscale rechters de voorliggende vragen op andere wijze hebben beantwoord (zie onder meer ECLI:NL:RBLEE:2011:BR5241, Hof Arnhem-Leeuwarden, 5 februari 2013, nr. 11/00185 en ECLI:NL:GHARL:BZ8848, Hof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2013, nr. 12/00650), en het in de rede ligt dat deze rechterlijke beslissingen aan de Hoge Raad zullen worden voorgelegd, zal het Hof afzien van het stellen van prejudiciële vragen en (de keuze tot) het stellen van vragen overlaten aan de Hoge Raad.

Slotsom

4.24.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat het tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 gerichte incidentele hoger beroep gegrond is. De overige incidenteel ingestelde hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd voor zover deze betreft de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 evenals de uitspraak op bezwaar van de navorderingsaanslag IB/PVV 2004.

Ten aanzien van het griffierecht

4.25.

Alhoewel de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, is het Hof van oordeel dat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht dient te worden geheven van € 466. Voor het achterwege laten van het heffen van griffierecht is geen plaats in het geval waarin de uitspraak van de Rechtbank vernietigd wordt op andere dan de door de Inspecteur aangevoerde gronden. Zie in dit verband ECLI:NL:PHR:2011:BP6600, Hoge Raad 15 april 2011, nr. 10/00692.

Ten aanzien van de proceskosten

4.26.

Nu het door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep gegrond is ter zake van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2004, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van dit hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.27.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2004 gegrond;

  • -

    verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in de incidenteel hoger beroepen betreffende de navorderingsaanslagen en daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente:

- IB/PVV over het jaar 1998;

- IB/PVV over het jaar 1999;

- IB/PVV over het jaar 2000;

- IB/PVV over het jaar 2001;

- IB/PVV over het jaar 2002;

- IB/PVV over het jaar 2003;

- IB/PVV over het jaar 2005;

- IB/PVV over het jaar 2006;

- VB over het jaar 1999;

- VB over het jaar 2000.

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2004

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2004

  • -

    bepaalt dat van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 466;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 874;

  • -

    wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 19 december 2013 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.