Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6134

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
12-00177
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag omzetbelasting. Verzoek van de Inspecteur om uitstel van de zitting wijst het Hof af in verband met de voortgang van de zaak, niet alleen vanwege het algemene belang van een doelmatige procesgang en een goede procesorde, maar met name vanwege de belangen van belanghebbende bij de behandeling van de onderhavige zaak.

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag vernietigd, omdat de Inspecteur de tijdige bekendmaking niet aannemelijk heeft gemaakt. In incidenteel hoger beroep legt de Inspecteur geen nadere gegevens over ter onderbouwing van zijn betoog omtrent de interne verwerking en vastlegging en de datering van de vaststelling van de aanslag en het Hof volgt in deze het oordeel van de Rechtbank.

Het verzoek om vergoeding van materiële schade wordt afgewezen, omdat belanghebbende geen onderbouwing heeft gegeven van de schadeposten, noch enige indicatie van de omvang van de geleden schade. Het Hof verleent wel een vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de bezwaarprocedure. De overschrijding van de redelijke termijn wordt vanwege de temporele en inhoudelijke samenhang van drie clusters aanslagen bepaald en aan elk cluster wordt een eigen vergoeding toegekend.

Het Hof kent ten slotte een integrale proceskostenvergoeding toe omdat de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Hof verleent aan belanghebbende een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op basis van het verstrekte overzicht en voor de helft daarvan vermeerderd met omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0610
V-N Vandaag 2014/270
V-N 2014/14.18.4
Mr. M.H.W.N. Lammers annotatie in NTFR 2014/995

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00177

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende], woonachtig te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 maart 2012, nummer AWB 10/4143, inzake het geding tussen:

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 december 2007, onder aanslagnummer [aanslagnummer].F02.2501, over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002, een naheffingsaanslag in de omzetbelasting ten bedrage van € 7.785 opgelegd en bij beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 1.569 in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken van 3 september 2010, de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.857 aan omzetbelasting en de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente tot een bedrag van € 1.179 verminderd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken en van eenentwintig op of rond dezelfde datum door de Inspecteur gedane samenhangende uitspraken op bezwaar, in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep bij de Rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 10/4143, alsmede voor de beroepen in de zaken aldaar geregistreerd onder nummers AWB 10/4138 tot en met AWB 10/4142, AWB 10/4144 en AWB 10/4145, heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal, te weten in de onderhavige zaak, een bedrag van € 150 aan griffierecht geheven.

1.3.

Bij uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, alsmede de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd en vergoeding van griffierecht en van proceskosten ten bedrage van € 316,09 gelast.

1.4.

Tegen deze uitspraak en tegen negentien andere op dezelfde datum door de Rechtbank gedane uitspraken heeft belanghebbende, in één geschrift verenigd, hoger beroepen ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep in de onderhavige zaak, alsmede voor de hoger beroepen bij het Hof geregistreerd onder de kenmerken 12/00172 tot en met 12/00176, 12/00178 en 12/00179, heeft de griffier van het Hof van belanghebbende eenmaal, in de zaak onder kenmerk 12/00172, een bedrag van € 232 aan griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De Inspecteur heeft in de onderhavige zaak incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

1.6.

Op de voet van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende bij brief van 9 september 2013 met een bijlage nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn door de griffier op 10 september 2013 in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Op donderdagmiddag 19 september 2013 heeft de Inspecteur het Hof telefonisch verzocht om uitstel van de zitting. Het Hof heeft het verzoek in een vervolgtelefoongesprek afgewezen op de hierna onder 4.1 vermelde gronden.

1.8.

De zitting in deze zaak, alsmede in de zaken bij het Hof bekend onder de kenmerken 12/00172 tot en met 12/00176 en 12/00178 tot en met 12/00191, heeft plaatsgehad op 20 september 2013 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer mr. [A], gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren drs. [B] en mr. [C].

1.9.

Partijen hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.10.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende drijft in het onderhavige tijdvak in de vorm van een eenmanszaak twee ondernemingen (“[bedrijf 1]” en “[bedrijf 2]”) en is als zodanig ondernemer voor de omzetbelasting, alsmede administratieplichtig als bedoeld in artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Alle bedrijfsactiviteiten werden uitgeoefend vanuit het adres [adres 1] te [woonplaats]. Op dit adres is belanghebbende woonachtig met mevrouw [D].

Daarnaast heeft belanghebbende in de periode 1 oktober 2001 tot en met 28 februari 2004 een bedrijfsruimte in [plaats] gehuurd, waar hij de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van de autohandel verricht.

2.2.

De bedrijfsactiviteiten onder de handelsnaam “[bedrijf 1]” bestaan uit de handel in en de verkoop van gebruikte personenauto’s en het verrichten van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden. De onderhouds- en reparatiewerkzaamheden worden vanaf 1 maart 2004 door een derde uitgevoerd. Belanghebbende is met betrekking tot deze bedrijfsactiviteiten sinds 1 januari 1998 onder omzetbelastingnummer [nummer].B.02 in de administratie van de Belastingdienst opgenomen.

De bedrijfsactiviteiten van de onderneming, die belanghebbende drijft onder de naam “[bedrijf 2]”, bestaan uit het zetten van tattoo’s en piercings. Sinds 1 januari 1995 is belanghebbende voor wat betreft deze activiteiten in die administratie opgenomen onder omzetbelastingnummer [nummer].B.01.

2.3.

Op 8 mei 2006 heeft bij belanghebbende een bedrijfsbezoek plaatsgevonden. Van dit bezoek is een rapport opgesteld, dat de Inspecteur op 11 januari 2010 aan belanghebbende heeft gezonden. In dit rapport is onder meer vermeld dat administratieve bescheiden zijn ingezien en dat belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn bewaarplicht van alle primaire bescheiden zoals een afsprakenkalender. Verder is in het rapport opgenomen dat belanghebbende aan dit bezoek niet het vertrouwen kan ontlenen dat de door hem in het verleden ingediende aangiften zijn gecontroleerd en akkoord bevonden, omdat de bevindingen (nog) niet zijn vergeleken met de door belanghebbende in het verleden gedane belastingaangiften. Ook is opgemerkt dat de administratie zelf niet is beoordeeld en dat daarom niet kan worden geconcludeerd dat de Belastingdienst aan die administratie haar goedkeuring heeft verleend.

2.4.

In verband met een bij belanghebbende in te stellen boekenonderzoek is belanghebbende bij brief van 10 mei 2006 verzocht gegevens en informatie te verstrekken. In een door belanghebbende ingevulde ”Vragenlijst automatisering” is opgeven dat zijn bedrijfsvoering niet geautomatiseerd plaatsvindt. Verder heeft belanghebbende een van zijn (vorige) administrateur ontvangen CD-rom met daarop een back-up van de financiële administratie van beide ondernemingen aan de Belastingdienst gezonden. Op 6 oktober 2006 is een boekenonderzoek aangekondigd en is belanghebbende verzocht gegevens en bescheiden beschikbaar te houden.

2.5.

Vervolgens is bij belanghebbende in de periode vanaf 11 oktober 2006 tot medio januari 2007 het boekenonderzoek (hierna: het boekenonderzoek) ingesteld. De administraties van de beide ondernemingen zijn daarbij gecontroleerd. Bij brief van 26 oktober 2006 wordt belanghebbende verzocht nadere informatie te geven over meerdere boekingen en verwerkingen van in- en verkopen van auto’s. In vervolg op deze brief wordt belanghebbende bij brief van 15 november 2006 verzocht nog nadere informatie te geven. Over deze verzoeken heeft telefonisch contact tussen belanghebbende en de Belastingdienst plaats, waarvan notities door de Belastingdienst zijn opgemaakt. In de notitie van 5 december 2006 is de mededeling van belanghebbende opgenomen dat hij alles over 2001 heeft uitgezocht en dat de gegevens de volgende dag zullen worden toegezonden, alsmede dat hij omtrent het standpunt van de Belastingdienst betreffende negatieve kassen en privé-verkopen aanvullende gegevens zal verstrekken.

2.6.

Bij kennisgevingen van 19 december 2006 deelt de Inspecteur aan belanghebbende mede dat ter behoud van rechten diverse aanslagen over 2001 met boete worden opgelegd, waarbij een specificatie van elke correctie wordt vermeld. Belanghebbendes toenmalige adviseur wordt daarvan op 19 december 2006 telefonisch in kennis gesteld en zij bericht dat de rest van de stukken zo spoedig mogelijk wordt toegestuurd. Met dagtekening 28 december 2006 heeft de Inspecteur een tweetal naheffingsaanslagen omzetbelasting (hierna: OB) 2001, met boete, vastgesteld en met dagtekening 30 december 2006 de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), met boete, Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: Waz) en Ziekenfondswet (hierna: Zfw) 2001.

2.7.

Bij brief van 5 januari 2007, bij de Inspecteur binnengekomen op 25 januari 2007, wordt met een summiere motivering bezwaar gemaakt tegen beide naheffingsaanslagen OB 2001. Voorts wordt bij brief van 5 januari 2007, tevens bij de Inspecteur binnengekomen op 25 januari 2007, bezwaar gemaakt tegen de drie navorderingsaanslagen IB/PVV 2001, Zfw 2001 en Waz 2001, met een summiere motivering.

2.8.

Bij kennisgevingen van 29 november 2007 wordt aan belanghebbende medegedeeld dat ter behoud van rechten diverse aanslagen over 2002 worden opgelegd, waarbij een specificatie van elke correctie wordt vermeld. Met dagtekening 29 december 2007 zijn vervolgens beide naheffingsaanslagen OB 2002 vastgesteld; met dagtekening 20 december 2007 de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en met dagtekening 19 december 2007 de navorderingsaanslagen Waz 2002 en Zfw 2002.

2.9.

Bij brief van 7 januari 2008, bij de Inspecteur binnengekomen op 18 januari 2008, wordt met een summiere motivering bezwaar gemaakt tegen beide naheffingsaanslagen OB 2002. Voorts wordt bij brief van 7 januari 2008, tevens bij de Inspecteur binnengekomen op 18 januari 2008, bezwaar gemaakt tegen de drie navorderingsaanslagen IB/PVV 2002, Waz 2002 en Zfw 2002, met een summiere motivering.

2.10.

Het van boekenonderzoek opgemaakte controlerapport (hierna: het controlerapport) is, tezamen met, onder 2.11 vermelde, diverse mededelingen omtrent een boete, negen aanslagen, waarvan een tweetal met boete, en drie boetebeschikkingen, op 20 mei 2008 aan belanghebbende overhandigd bij aktes van betekening opgemaakt door de deurwaarder.

2.11.

Over de periode 2003 tot en met 2005 heeft de Inspecteur twee naheffingsaanslagen OB, met boete, drie (navorderings-)aanslagen IB/PVV, met boete, een navorderingsaanslag Waz, drie (navorderings-)aanslagen Zfw, alle met berekening van heffingsrente, en over het jaar 2002 drie boetebeschikkingen aan belanghebbende opgelegd, al welke aanslagen en boetebeschikkingen ingevolge artikel 10 van de Invorderingswet terstond en tot het volle bedrag invorderbaar zijn gesteld.

2.12.

Bij de onder 2.10 genoemde overhandiging van genoemde bescheiden heeft een doorzoeking van de woning van belanghebbende, alsmede van die van zijn schoonfamilie plaatsgehad en is er beslag gelegd op bankrekeningen, auto’s, inventaris en verzekeringspolissen van belanghebbende.

2.13.

Bij brief van 30 mei 2008 stelt de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid de onder 2.7 en 2.9 summier gemotiveerde bezwaarschriften betreffende de navorderingsaanslagen 2001 en 2002 nader te motiveren en verzoekt hij ermee in te stemmen dat de beslistermijn van de bezwaren wordt verlengd tot zes weken na de door hem ontvangen nadere motivering. Voorts bericht hij dat hij akkoord is met een voor alle vijf jaren waarover navorderingen zijn opgelegd gecombineerde motivering.

Bij brieven van 15 en 16 juni 2008 ontvangt belanghebbende overeenkomstig bericht inzake de naheffingsaanslagen OB 2001 en 2002, waarin een reactietermijn tot 1 juli 2008 wordt verleend, en de Inspecteur meedeelt dat de ontvangen bezwaarschriften niet dan wel onvoldoende zijn gemotiveerd, zodat het uitblijven van een reactie tot niet-ontvankelijkheid kan leiden.

2.14.

Bij brief van 25 juni 2008, bij de Inspecteur binnengekomen op 26 juni 2008, maakt belanghebbende bezwaar tegen de (navorderings-)aanslagen met boete IB/PVV en Zfw, beide voor de jaren 2003 tot en met 2005 en de navorderingsaanslag Waz 2003, de naheffingsaanslagen OB 2003 en 2003 tot en met 2005, alsmede twee boetebeschikkingen OB 2002 en een boetebeschikking IB/PVV 2002 en verzoekt om een termijn voor de motivering. In deze brief verzoekt belanghebbende om vergoeding van alle kosten en schade in verband met dit bezwaar.

2.15.

Bij brief van 30 juni 2008 verzoekt belanghebbende om verlenging van de termijn voor een nadere motivering van het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen OB 2001 en 2002 tot 15 juli 2008 en verzoekt hij om vergoeding van alle kosten en schade in verband met dit bezwaar.

2.16.

Bij brieven van 15 juli 2008 verzoekt belanghebbende om verlenging van de termijn voor een nadere motivering van het bezwaar tegen de over 2001 en 2002 opgelegde navorderings- en de naheffingsaanslagen. Belanghebbende beklaagt zich in deze brieven erover dat hij heeft geconstateerd dat bij het opmaken van het controlerapport geen rekening is gehouden met door hem en zijn accountant verstrekte informatie en stukken. Hij merkt verder op dat in de bezwaarfase een “feitelijke” discussie zal ontstaan, omdat het boekenonderzoek volgens belanghebbende niet op een meer gebruikelijke wijze is afgerond. Voorts verzoekt hij om na 11 augustus 2008 met zijn gemachtigde in contact te treden.

2.17.

Bij brief van 15 augustus 2008 wordt de termijn voor de motivering verlengd tot 15 september 2008 en vermeldt de Inspecteur dat bij de controle wel rekening is gehouden met door belanghebbende verstrekte gegevens, dan wel dat in het controlerapport gemotiveerd is opgenomen wanneer dat niet is gedaan. Voorts merkt de Inspecteur op, dat belanghebbende een klacht kan indienen als hij niet tevreden is over de afronding van het boekenonderzoek.

2.18.

Bij brief van 29 augustus 2008 geeft belanghebbende zijn reactie. Hij begrijpt uit de brieven van de Inspecteur dat deze het door hem verzochte overleg over het verloop van het boekenonderzoek niet zinvol acht en betreurt dit. Verder bestrijdt belanghebbende alle onder punt 6.2 en 6.3 van het controlerapport vermelde correcties, hij meent dat er geen reden is om af te wijken van de ingediende aangiften en wijst inzake de boetes op het ontbreken van opzet of grove schuld. Voorts voegt belanghebbende daaraan toe dat het voor een verdere motivering van de bezwaarschriften noodzakelijk is dat hij over alle op de zaak betrekking hebbende stukken kan beschikken en verzoekt om contact om de stukken in te zien.

2.19.

Op 8 oktober 2008 en 19 november 2008 is inzage verleend in stukken. In zijn brief van 24 november 2008 verleent de Inspecteur belanghebbende een aanvullende termijn van drie weken voor de nadere motivering. Veder merkt de Inspecteur op:

‘Het boekenonderzoek vloeide voort uit een gezamenlijke actie in samenwerking met o.a. de Gemeente [woonplaats]. en het is aannemelijk dat die samenwerking er mogelijk toe heeft bijgedragen dat het boekenonderzoek uiteindelijk langer heeft geduurd en anders is afgesloten dan gebruikelijk.

Dit betekent echter niet dat één en ander inhoudelijk invloed heeft gehad op het boekenonderzoek (.)

Ik heb navraag gedaan (..) in hoeverre ik, voor zover aanwezig, stukken zou moeten overleggen aangaande bovengenoemde actie (..) en ik stel vast dat u verzocht heeft, en ook recht heeft op, alle stukken (..) Deze stukken heeft u, met uitzondering van verklaringen van derden die om privacy-redenen verwijderd waren, in mogen zien (..) ik ben (..) van mening dat aan uw verzoek is voldaan.’

2.20.

Bij brief van 28 november 2008 deelt belanghebbende mee dat hem op 8 oktober 2008 een geschoond controledossier ter inzage is gegeven, hetgeen ook op 19 november 2008 het geval was. Voorts vermeldt hij dat er stukken van de gezamenlijke actie zullen zijn en dat deze in het dossier ontbraken, evenals de verklaringen van derden. Hij stelt vast dat gegevens over de vaststelling van de aanslagen, duplicaten van aanslagen, alsmede computerbestanden ontbraken. Verder meldt belanghebbende dat de “inhoudelijke” motivering binnen de termijn wordt ingezonden. In zijn brief van 15 december 2008 herhaalt belanghebbende zijn verzoek om stukken en verstrekt hij per toegepaste correctie informatie omtrent allerlei kentekens, zoals de auto is gesloopt, dan wel aangewend bij inruil, en of de transactie wel is verwerkt. Voorts vermeldt hij vooralsnog akkoord te zijn met een tweetal correcties in 2002 ten bedrage van in totaal € 7.700 en een correctie in 2003 ten bedrage van € 1.847,13.

2.21.

Bij brief van 23 november 2009 meldt de Inspecteur, na excuses, de afhandeling van de bezwaarschriften voortvarend ter hand te nemen en verzoekt om een afspraak. In de brief van 11 januari 2010 verwijst de Inspecteur naar een afspraak van 23 december 2009 en meldt dat is afgesproken dat hij de stukken ter inzage verstrekt. Alsnog zendt hij belanghebbende het onder 2.3 vermelde rapport van 8 mei 2006. Voorts komt de Inspecteur met een minnelijke oplossing over te handhaven correcties, een voorstel voor de afhandeling van de oude jaren, met intrekking van de bezwaren, alsmede een voorstel voor de jaren 2006 tot en met 2010.

2.22.

Bij brief van 1 maart 2010 deelt de Inspecteur mee dat gehoor wordt gegeven aan het telefonische verzoek van belanghebbende om uitstel voor een reactie op zijn in de brief van 11 januari 2010 gedane voorstel tot 15 april 2010, waarmee belanghebbende akkoord gaat.

2.23.

Op 27 april 2010 verzoekt de Inspecteur om een reactie voor 12 mei 2010 en bij brief van 25 mei 2010 bericht hij naar aanleiding van een telefoongesprek van 20 mei 2010 dat hij een verklaring zal toezenden dat alle stukken ter inzage zijn verstrekt, maar dat hij daarvoor nog enige bescheiden heeft moeten opvragen, zodat dit nog niet verklaard kan worden.

2.24.

In de brief van 28 mei 2010 van de Inspecteur is opgenomen:

‘In vervolg op het schrijven van 25 mei jongstleden, delen wij u mee dat ons is gebleken dat het boekenonderzoek met betrekking tot dhr. [belanghebbende] onderdeel is geweest van een project ‘wijkgerichte aanpak [E] te [woonplaats].’. Het project is een samenwerkingsverband geweest tussen diverse instanties waaronder de belastingdienst. Voor de uitvoering hiervan is door de deelnemende partners een convenant afgesloten. Hierin is de voorwaarde opgenomen dat alle gebruikte informatie ná evaluatie van het project en déchargé verlening door de opdrachtgever (id est de gemeente [woonplaats].) vernietigd zal worden. Deze evaluatie heeft in middels plaatsgevonden.

(..) In dit dossier bevinden zich een tweetal klikbrieven waarvan wij er een niet ter inzage verstrekken. Uit deze brief is vrij eenvoudig af te leiden door wie hij geschreven is. Om redenen van veiligheid achten wij het niet verantwoord u deze informatie te verschaffen. Zoals wij reeds in de eerste alinea hebben geschreven, zal het u ook duidelijk zijn dat het niet de klikbrieven zijn geweest die de aanleiding hebben gevormd voor het onderzoek.’

2.25.

Bij brief van 3 juni 2010 beklaagt belanghebbende zich over de beperkte inzage en dat hem, na gedurende anderhalf jaar daarom verzocht te hebben, nog geen inzage in alle stukken verleend is, alsmede dat de Inspecteur hem niet mededeelt of en wanneer de gegevens van het project vernietigd zijn en welke “redenen van veiligheid” inzage in klikbrieven zouden beletten. Voorts bestrijdt belanghebbende enkele correcties met informatie per post, alsmede de correcties stortingen en negatieve kassen met de toelichting dat hij financieel werd bijgestaan door familie, waarbij verwezen wordt naar aan de Inspecteur overgelegde verklaringen van de familie omtrent leningen en gewezen wordt op een inconsistentie inzake het niet doorrekenen van een correctie van 4 april 2002 ten bedrage van € 8.637,62. Verder gaat belanghebbende met een aantal correcties akkoord. De boetes worden bestreden met verwijzing naar de wijze waarop de Belastingdienst is opgetreden:

‘met deurwaarders, invallen en inbeslagnames die volstrekt onnodig en buitenproportioneel waren (…), de wijze van afdoening van de aanslagen en bezwaarschriften (…). Ook heeft u ten onrechte geen rekening gehouden met de grote nadelige gevolgen van de ‘inval’ voor het bedrijf van [belanghebbende], de reputatie is ernstig geschaad met ook negatieve financiële gevolgen (..)

Tot slot houdt u onvoldoende rekening met de geringe financiële draagkracht van [belanghebbende].’

Beide klikbrieven zijn alsnog, mede vanwege de procedure bij de Rechtbank, verstrekt.

2.26.

Bij brief van 11 juni 2010 reageert de Inspecteur op belanghebbendes brief van 3 juni 2010 en meldt dat een emailbericht gedateerd 25 mei 2010 wordt bijgesloten waaruit de reden van het onderzoek blijkt en dat alle gebruikte informatie is vernietigd. Voorts wordt een (hernieuwd) voorstel voor een minnelijke oplossing aangeboden. Met belanghebbende is vervolgens telefonisch overleg gevoerd, waarbij belanghebbende heeft verzocht om een reactietermijn van circa een maand. Uiteindelijk komt van belanghebbende geen reactie op het gedane voorstel.

2.27.

In de brief van 12 augustus 2010 geeft de Inspecteur een onderbouwing en berekening van de vermelde uitspraken op bezwaar. De Inspecteur handhaaft zijn standpunt dat de administratie van belanghebbende niet kan dienen als betrouwbare basis voor het bepalen van de verschuldigde belastingen, alsmede dat de vereiste aangiften voor deze belastingen niet is gedaan en dat sprake is van omkering van de bewijslast. Vervolgens gaat de Inspecteur de bevindingen van het boekenonderzoek per correctiepost na. Hij vermeldt dat voor een groot aantal auto’s de correcties komen te vervallen, maar in stand blijven voor een zestal auto’s en dat hij correcties laat vervallen op basis van verklaringen en opmerkingen van belanghebbende. Verder handhaaft hij de correcties betreffende veranderde bedragen op inkoopfacturen, negatieve kassen, de margeregeling, alsmede het privé-gebruik van auto’s die tot de handelsvoorraad behoren. Voor de tattooshop vervallen de correcties.

2.28.

In de periode 3 september 2010 en 5 november 2010 doet de Inspecteur uitspraken op de ingediende bezwaarschriften. Na de uitspraken op bezwaar en de stellingname van de Inspecteur omtrent het overschrijden van de aanslagtermijn voor de aanslagen over 2001, alsmede het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep in een drietal zaken over 2002, zijn de navolgende acht (naheffings-, navorderings-)aanslagen en boetes in geschil:

Aanslag

Nummer [aanslagnummer]

Dagtekening

Vastgesteld bedrag

Vastgestelde boete

Bedrag na uitspraak op bezwaar

Boete na uitspraak

op bezwaar

OB 2002

F.02.2501

29-12-2007

€ 7.785

€ 5.857

OB 2002 boete

F.02.2506

20-05-2008

€ 3.552

€ 58

OB 2003-2005

F.02.5506

20-05-2008

€ 17.416

€ 7.577

€ 3.573

€ 95

Aanslag

Nummer [aanslagnummer]

Dagtekening

Vastgesteld inkomen

Vastgestelde boete

Inkomen na uitspraak op bezwaar

Boete na

uitspraak

op bezwaar

IB 2002

H.27

20-12-2007

€ 39.413

€ 9.970

IB 2002 boete

H.28

20-05-2008

€ 4.495

€ 0

ZFW 2002

S.27

20-12-2007

€ 19.650

€ 9.970

IB 2004

H.46

20-05-2008

€ 38.614

€ 3.266

€ 9.357

€ 0

ZFW 2004

S.46

20-05-2008

€ 38.614

€ 9.357

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. Zijn de onderhavige naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente tijdig vastgesteld; en zo ja, rechtmatig en tot het juiste bedrag opgelegd?

II. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van schade die hij heeft geleden wegens onzorgvuldig handelen van de Inspecteur, alsmede op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?

III. Dient aan belanghebbende een integrale vergoeding van de kosten van de bezwaarfase en van de proceskosten te worden verleend, dan wel is de forfaitaire vergoeding wat betreft de samenhang van zaken en wegingsfactor in eerste aanleg te laag berekend?

Belanghebbende is van mening, dat de eerste vraag ontkennend en de laatste twee vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.1.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.2.2.

Belanghebbende heeft een overzicht overgelegd van te declareren verrichtingen van zijn onder 1.8 vermelde gemachtigde. In dit overzicht is voor de periode 6 juni 2008 tot en met 4 december 2012, gespecificeerd per datum een omschrijving van verrichtingen opgenomen, met de daaraan bestede tijd en het in rekening gebrachte tarief, alsmede een verhoging met 7,5% als opslag voor kantoorkosten. De gemachtigde heeft vermeld dat het totaalbedrag van € 24.380,11, bestaande uit € 19.046,25 aan verrichtingen, te verhogen met € 3.626,39 aan omzetbelasting, en € 1.428,47 aan opslag kantoorkosten, te verhogen met € 279 aan omzetbelasting, aan belanghebbende in rekening zal worden gebracht. Voorts heeft de gemachtigde medegedeeld dat dit totaalbedrag nog verhoogd zal worden met de kosten van het voorbereiden en bijwonen van de zitting van het Hof en de kosten van de, door hem zogenoemde, afwikkeling van de aanslagen en van de door de Ontvanger gelegde beslagen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en, primair, van de naheffingsaanslag, naar het Hof uit belanghebbendes brief van 3 juni 2010 begrijpt, subsidiair, vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van (19/119 x € 7.700 =) € 1.229 aan omzetbelasting en dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente, alsmede vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep en van schade.

De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende, tot gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van de kosten van bezwaar, en handhaving van de uitspraken op bezwaar, alsmede van de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

4 Gronden

Vooraf

Verzoek uitstel zitting

4.1.1.

De Inspecteur heeft telefonisch op 19 september 2013 verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling en dit verzoek herhaald in zijn onder 1.9 vermelde pleitnota. De Inspecteur heeft aangevoerd dat de namens de Inspecteur optredende procesvoerder, in verband met een ernstige aandoening aan zijn ogen, niet ter zitting kan verschijnen, dat tijdens een vergadering op 29 augustus 2013 is afgesproken dat bedoelde procesvoerder de onderhavige procedure overneemt van de behandelend ambtenaar, die op de zittingsdatum om gezondheidsredenen verhinderd zou zijn, alsmede het gegeven dat met een tweetal medewerkers van de Belastingdienst, bekend uit de stukken, geen contact werd verkregen, zij blijkens hun agenda’s niet beschikbaar waren en hun bemoeienis met het dossier alweer geruime tijd geleden was. Gegeven deze omstandigheden en het feit dat de onderhavige procedure tweeëntwintig zaken betreft, waardoor de procesvoering volgens de Inspecteur niet op korte termijn door een collega kan worden overgenomen, is de Inspecteur van mening dat er sprake is van een gewichtige reden om het verzoek om uitstel van de zitting te honoreren en acht hij zich bij het doorgaan van de zitting geschaad in zijn processuele positie. Het Hof heeft dit verzoek om uitstel afgewezen.

4.1.2.

Het Hof is van oordeel dat het belang dat de Inspecteur heeft bij de behandeling ter zitting vertegenwoordigd te zijn door een procesvoerder, die zich naar de mening van de Inspecteur voldoende op de behandeling van de onderhavige procedure heeft kunnen voorbereiden, in de omstandigheden van het onderhavige geval minder zwaar weegt dan een voortvarende behandeling van de zaken (vergelijk Hoge Raad, 28 januari 2011, 09/04360, ECLI:NL;HR;2011:BN3529).

4.1.3.

Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het hier gaat om

(i) oude, tussen 28 december 2006 en 20 mei 2008 opgelegde (naheffings- en navorderings-) aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2005, welke aanslagen in merendeel na een gedurende enige jaren lopende bezwaarprocedure zijn vernietigd en/of grotendeels zijn verminderd,

(ii) dat belanghebbende zich in de bezwaarfase, onder meer, erover heeft beklaagd dat de Inspecteur jegens hem onzorgvuldig is opgetreden,

(iii) dat de Inspecteur destijds geen overleg met hem wilde voeren, alsmede geen dan wel onvoldoende inzage in stukken heeft verleend,

(iv) dat het geschil zich feitelijk nog toespitst op de vergoeding van werkelijke proceskosten en onder andere van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn,

(v) dat de Inspecteur er zelf voor heeft gekozen de behandeling van de hoger beroepsprocedure in weerwil van de door hem geschetste omvang van de procedure en de voorafgaande langdurige bezwaarfase bij één medewerker te concentreren en

(vi) dat de Inspecteur geen maatregelen heeft getroffen voor de, thans ontstane, situatie dat die medewerker, zoals ook de eerdere met de zaak belaste medewerker, ziek kan worden.

4.1.4.

Onder genoemde omstandigheden is het Hof van oordeel dat de voortgang van de zaak, niet alleen vanwege het algemene belang van een doelmatige procesgang en een goede procesorde, maar met name vanwege de belangen van belanghebbende bij de behandeling van de onderhavige procedure, zwaarder moet wegen en heeft het Hof het verzoek van de Inspecteur tot uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak op 20 september 2013 niet ingewilligd.

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.2.

De Inspecteur betoogt dat belanghebbende niet ontvankelijk in hoger beroep is, omdat belanghebbende na de vernietiging van de naheffingsaanslag door de Rechtbank geen belang, in de zin van een verdere vermindering van de onderhavige aanslag, meer heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep. Het Hof kan de Inspecteur in dit standpunt niet volgen en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad, voor zover hier van belang, heeft overwogen in het arrest van 27 november 2009, nr. 08/00316, ECLI:NL:HR:2009: BJ7919, BNB 2010/60:

“3.4. In 's Hofs uitspraak ligt het oordeel besloten dat het mogelijk is om uitsluitend in (hoger) beroep te komen tegen een proceskostenveroordeling, welk oordeel juist is.“

en van 3 december 2010, nr. 09/04397, ECLI:NL:HR:2010:BO5988, BNB 2011/69:

“3.5.4. Indien het bestuursorgaan volledig aan de bezwaren van de belanghebbende is tegemoetgekomen, is het wel mogelijk dat deze belang behoudt bij een oordeel van de rechter over de gegrondheid van het beroep met het oog op een vordering tot schadevergoeding. Indien een dergelijk belang aanwezig is, rechtvaardigt dat een uitzondering op de in 3.5.2 vermelde regel [niet-ontvankelijkverklaring; Hof]. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de belanghebbende stelt dat hij als gevolg van het bestreden besluit ook afgezien van de proceskosten schade heeft geleden.”

Gelet op belanghebbendes verzoeken om vergoeding van schade en kosten heeft hij een belang bij het door hem ingestelde (hoger) beroep en acht het Hof hem ontvankelijk.

Verweer incidenteel hoger beroep

4.3.

Belanghebbende is voor de zitting door het Hof niet in de gelegenheid gesteld te reageren op het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep. In zijn pleitnota ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn standpunten omtrent de niet tijdigheid van de aanslagen voor het jaar 2002, zoals bij de Rechtbank aangevoerd, gehandhaafd en ter zitting van het Hof verklaard het toereikend te achten dat zijn eerder ingebrachte verweer omtrent de niet tijdigheid van de aanslagen over 2002 als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Ten aanzien van het geschil

Tijdigheid opleggen naheffingsaanslag

4.4.

Belanghebbende handhaaft zijn stellingen in eerste aanleg, dat hij het aanslagbiljet op 7 januari 2008 heeft ontvangen en dat de onderhavige aanslag niet tijdig is vastgesteld, dan wel niet tijdig is verzonden, zoals dat ook door de Rechtbank is geoordeeld. Verder is hij van mening dat aan de door de Inspecteur ingebrachte ambtsedige verklaring van 22 februari 2011 geen waarde kan worden toegekend.

4.5.

De Inspecteur weerspreekt in incidenteel hoger beroep de stelling van belanghebbende, dat hij het aanslagbiljet op 7 januari 2008 heeft ontvangen. De Inspecteur zet uiteen dat de vaststelling van een belastingaanslag in eerste instantie een interne aangelegenheid van de Belastingdienst is en dat voor buitenstaanders niet kenbaar is, wanneer een inspecteur zijn inhoudelijke beslissing neemt en vastlegt. Om deze reden wordt binnen het belastingrecht de datum van vaststelling van een belastingaanslag gefixeerd op de dagtekening van het aanslagbiljet, waaruit van de belastingaanslag blijkt, aldus de Inspecteur. De Inspecteur betoogt dat, gelet op de combinatie van de ingebrachte ambtsedige verklaring, de gebruikelijke handelwijze bij de Belastingdienst, waarbij de dagtekening van een aanslagbiljet nà de datum van verzending pleegt te liggen, de verzending per 48-uurs postdienst van TNT, alsmede de vertraging in de postbezorging in de periode rond Kerst en Nieuwjaar, aannemelijk is dat het betreffende aanslagbiljet nog in 2007 is verzonden.

4.6.

De Rechtbank heeft overwogen:

“2.4. Artikel 20, vijfde lid, van de AWR bepaalt dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. In het geval van belanghebbende betekent dat voor het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 dat de naheffingsaanslag uiterlijk op 31 december 2007 moet zijn vastgesteld.

2.5.

Als datum van vaststelling geldt in beginsel de datum van de dagtekening van de aanslag (artikel 5 van de AWR). De onderhavige naheffingsaanslag heeft als dagtekening 29 december 2007. Het feit dat de aanslag belanghebbende na de termijn heeft bereikt, is daarbij niet relevant. Dit is echter anders indien zou blijken dat, ofschoon vaststaat dat de vaststelling van de aanslag, overeenkomstig de dagtekening van het aanslagbiljet, binnen de termijn is geschied, de verzending later plaatsvond. Alsdan treedt de datum van verzending in de plaats van die van de dagtekening c.q. de vaststelling (in gelijke zin HR 7 februari 1990, nr. 26377, BNB 1990/86). De bewijslast met betrekking tot de datum van verzending rust op de inspecteur.

2.6.

De inspecteur heeft als bewijs van verzending […] een ambtsedige verklaring overgelegd, waarin een medewerker van de Belastingdienst/Centrum voor Infrastructuur en Exploitatie op 22 februari 2011 verklaart dat de naheffingsaanslag op 28 december 2007 is verzonden.

2.7.

Nu belanghebbende […] heeft gesteld dat hij het aanslagbiljet op 7 januari 2008 heeft ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur, gelet op het bewijs dat hij daartegenover in het geding heeft gebracht, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanslagbiljet vóór of uiterlijk op 31 december 2007 ter post is bezorgd. De […] verklaring van de ambtenaar komt, gezien het tijdsverloop tussen de veronderstelde datum van de ter post bezorging en die van het afleggen van die verklaring, zonder enig ander ondersteunend bewijs, naar het oordeel van de rechtbank te weinig bewijskracht toe. […]”

4.7.

Het Hof sluit aan bij vorenvermelde overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Het onder 4.5 vermelde betoog van de Inspecteur slaagt niet. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van belanghebbende dat hij het aanslagbiljet op 7 januari 2008 heeft ontvangen. Verder heeft belanghebbende, zoals onder feiten vermeld, bij de inzage in het dossier geconstateerd dat gegevens over de vaststelling van de aanslagen en duplicaten van aanslagen ontbraken. Het Hof voegt hieraan toe dat de Inspecteur geen nadere gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn betoog omtrent de interne verwerking en vastlegging en de datering van de vaststelling van de onderhavige aanslag. In onderlinge samenhang beschouwd, is het Hof van oordeel dat niet gesteld of gebleken is dat bij de onderhavige naheffingsaanslag, mede gelet op de omstandigheid dat deze tegen het einde van de geldende vijfjaarstermijn is opgelegd, de door de Inspecteur beschreven gebruikelijke handelwijze van datering van de aanslag na de verzending, is gevolgd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur tegenover de betwisting door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het aanslagbiljet vóór of uiterlijk op 31 december 2007 ter post is bezorgd. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag terecht vernietigd.

4.8.

Vraag I moet ontkennend worden beantwoord. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur dient ongegrond te worden verklaard.

Schadevergoeding en kostenvergoeding

4.9.

Belanghebbende beklaagt zich erover dat hij buitengewoon onzorgvuldig door de Inspecteur is behandeld, waardoor hij bijna “kopje onder” is gegaan. Om te voorkomen dat hij ten onder zou gaan heeft belanghebbende hoge kosten moeten maken, die hij zich eigenlijk niet kon permitteren. Daarvoor acht belanghebbende, ondanks de in eerste aanleg verleende proceskostenvergoeding van ruim € 4.600, zich nog onvoldoende gecompenseerd, waarbij hij van belang vindt dat er uiteindelijk vrijwel niets van de opgelegde aanslagen in stand is gebleven. Het onzorgvuldig handelen van de Inspecteur begint naar de mening van belanghebbende ermee dat ter behoud van rechten aanslagen over de jaren 2001 en 2002 worden opgelegd, terwijl het boekenonderzoek bijna anderhalf jaar stil komt te liggen. tot op 20 mei 2008, met huiszoekingen bij belanghebbende en zijn schoonfamilie, het rapport van het boekenonderzoek en aanslagen tot een bedrag van € 150.000 worden uitgereikt, welke aanslagen direct invorderbaar worden verklaard, dwangbevelen worden uitgereikt en beslag wordt gelegd op bankrekeningen, auto’s, inventaris en verzekeringspolissen. De aanleiding hiervoor is belanghebbende nooit duidelijk gemaakt en de inzage in stukken verloopt uiterst moeizaam, waarbij ook stukken blijken te zijn vernietigd. Verder ligt de behandeling van de bezwaarschriften in het jaar 2009 geheel stil en in het najaar van 2010 worden uitspraken op bezwaar gedaan, waarbij de aanslagen worden vernietigd, dan wel drastisch verminderd.

4.10.

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand en verwijst daarbij naar het onder 3.2.2 vermelde overzicht, waaraan wordt toegevoegd dat het in dit overzicht vermelde totaalbedrag nog verhoogd zal worden met de kosten van het voorbereiden en bijwonen van de zitting van het Hof en de kosten van de, door hem zogenoemde, afwikkeling van de aanslagen en van de door de Ontvanger gelegde beslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Hij verwijst bij dit verzoek naar het oordeel van de Hoge Raad omtrent het bedrag van € 500 per zes maanden overschrijding en de redelijke termijn voor de bezwaarfase van een halfjaar. Belanghebbende is van mening dat een dergelijke vergoeding per afzonderlijke aanslag toegekend dient te worden. Verder handhaaft belanghebbende zijn verzoek om vergoeding van schade wegens onzorgvuldig handelen van de Inspecteur op 20 mei 2008, welk handelen heeft geleid tot een ernstige stagnatie van zijn bedrijfsvoering voor een lange periode, aldus belanghebbende. Hij verzoekt het Hof eerst te bepalen of sprake is van een dergelijke schadevergoedingsplicht, waarna in een afzonderlijke procedure de hoogte van de schadevergoeding voor materiële schade is vast te stellen. Belanghebbende stelt deze werkwijze voor ter besparing van kosten.

4.11.

De Inspecteur bestrijdt dat belanghebbende als gevolg van een verregaande onzorgvuldige werkwijze van de Belastingdienst behoorlijke schade heeft geleden en voert aan dat belanghebbende op geen enkele wijze noch op enig moment aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden, noch dat deze schade aan het optreden van de Belastingdienst kan worden toegerekend.

Met betrekking tot het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft de Inspecteur ter zitting aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat sprake is van samenhang betreffende de aan belanghebbende opgelegde twintig aanslagen en dat voor zover de overschrijding van de redelijke termijn aan belanghebbende is te wijten, geen vergoeding toegekend dient te worden.
Voorts betwist de Inspecteur dat sprake is van een situatie waarin hem het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak heeft gegeven, terwijl op dat moment duidelijk was dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden en dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor een vergoeding van integrale proceskosten, waarbij de Inspecteur van belang acht dat niet aannemelijk is dat belanghebbende de gestelde kosten ook daadwerkelijk heeft betaald.
Evenmin acht de Inspecteur voor een vergoeding van deze kosten sprake van een situatie waarin de Belastingdienst verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld. De Inspecteur kan zich vinden in de door de Rechtbank verleende vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Met betrekking tot het onder 3.2.2 vermelde overzicht heeft de Inspecteur verklaard dat belanghebbende een ondernemer is en een verhoging van de vergoeding vanwege de in rekening te brengen omzetbelasting achterwege dient te blijven.

4.12.

Het Hof dient onderscheid te maken naar de aard van de door een belangplichtige geleden schade en door hem gemaakte kosten vanwege de bestrijding van aan hem opgelegde aanslagen. Daarbij gelden de volgende regels.
Artikel 8:73 van de Awb geeft de belastingrechter de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding bij gegrondheid van het beroep. Daarnaast geeft artikel 8:75 van de Awb aan op welke wijze “kosten die een (…) partij in verband met de behandeling van het beroep (bij de rechter) redelijkerwijs heeft moeten maken” worden vergoed. Ingevolge dit artikel is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) het kostenbegrip nader, limitatief, gedefinieerd en de omvang van de vergoeding vastgesteld. De schadevergoeding van artikel 8:73 van de Awb betreft andere schade dan proceskosten en kent geen forfaitaire beperking. Een vergoeding van deze andere schade wordt toegekend als sprake is van een onrechtmatige daad van de inspecteur. De belastingplichtige moet stellen en, bij betwisting, bewijzen dat de inspecteur jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat hij als gevolg daarvan schade in materiële zin heeft geleden. Ook dient hij de omvang van de materiële schade te bewijzen.

4.13.

Het Hof overweegt omtrent de vergoeding van materiële schade als volgt. Met de onder 4.7 vermelde vernietiging van de naheffingsaanslag staat vast dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de beoordeling of een schadevergoeding in het kader van deze procedure kan worden verleend, moet sprake zijn van schade die in zodanig verband staat met de vernietiging van deze aanslag, dat zij de Inspecteur als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend en van welke omvang deze schade is. Belanghebbende heeft weliswaar aangeduid dat door hem schade is geleden vanwege stagnatie van zijn bedrijfsvoering, maar op geen enkele wijze een onderbouwing gegeven van de schadeposten, noch van enige indicatie van de omvang van de geleden schade. Voorts is niet duidelijk of en in welke mate er een causale relatie bestaat tussen de door belanghebbende gestelde materiële schade en de vernietiging van de aanslag of het optreden van de Belastingdienst op 20 mei 2008. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat door hem materiële schade is geleden door de onrechtmatige daad van de Inspecteur. Het Hof zal daarom belanghebbendes verzoek om een afzonderlijke schadevergoedingsprocedure en in verband daarmee het verzoek tot heropening van het onderzoek niet honoreren.

4.14.

Met betrekking tot het door belanghebbende aangegeven tijdsverloop in de bezwaarfase van de onderhavige procedure ziet het Hof evenwel aanleiding aan hem de navolgende tegemoetkoming voor immateriële schade te verlenen. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat het onderhavige hoger beroep betrekking heeft op een twintigtal zaken, betreffende zeventien (naheffings- en navorderings-)aanslagen.

4.15.

In zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/233, heeft de Hoge Raad beslist dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen binnen een redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dienen te worden beslecht en dat overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, leidt tot immateriële schade. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. Als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank uitspraak doet binnen twee jaar nadat de inspecteur het bezwaar heeft ontvangen. In gevallen, waarin de bezwaar- en de beroepsfase samen zo lang hebben geduurd, dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, die door dat tijdsverloop is ontstaan, te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (zie Hoge Raad 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof, behoudens bijzondere omstandigheden, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel van hoger beroep is aangewend. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.16.

Het Hof stelt vast dat na de indiening van de bezwaarschriften betreffende twee naheffingsaanslagen OB 2001 en de, nog in geschil zijnde, navorderingsaanslagen IB/PVV 2001 en Zfw 2001 op 25 januari 2007 tot de datum van deze uitspraak zes jaren en bijna elf maanden zijn verstreken.

Voorts stelt het Hof vast dat na de indiening van de bezwaarschriften betreffende twee naheffingsaanslagen OB 2002 en de, nog in geschil zijnde, navorderingsaanslagen IB/PVV 2002 en Zfw 2002 op 18 januari 2008 tot de datum van deze uitspraak vijf jaren en elf maanden zijn verstreken.

Verder stelt het Hof vast dat na de indiening van de bezwaarschriften betreffende de naheffingsaanslag OB 2003, de naheffingsaanslag OB 2003 tot en met 2005 en de (navorderings-)aanslagen IB/PVV 2003, 2004 en 2005, Zfw 2003, 2004 en 2005 en Waz 2003 op 26 juni 2008 tot de datum van deze uitspraak vijf jaren en bijna zes maanden zijn verstreken.

4.17.

Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn in elke fase van de procedure stelt het Hof vast, dat belanghebbende van de onderhavige uitspraken van de Inspecteur, en van nog eenentwintig op of rond dezelfde datum door de Inspecteur gedane uitspraken op bezwaar, bij zijn brieven van 3 september 2010, bij de Rechtbank binnengekomen op 21 september 2010 in beroep is gekomen. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 21 maart 2012 en daarmee heeft de procedure bij de Rechtbank een jaar en zes maanden geduurd. Het Hof doet uitspraak op 19 december 2013 en de procedure bij het Hof heeft daarmee een jaar en bijna negen maanden geduurd. Hieruit kan worden afgeleid dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel kan worden toegerekend aan de bezwaarfase.

Nu de behandeling van het hoger beroep bij het Hof sneller heeft plaatsgevonden dan de onder 4.15 vermelde termijn van twee jaar die als uitgangspunt wordt genomen, komt de vraag aan de orde of deze voortvarende behandeling kan worden gecompenseerd met de termijn die de bezwaarfase in beslag heeft genomen en aldus tot een vaststelling van een kortere overschrijding van de redelijke termijn kan leiden. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend. De aan het einde van de bezwaarfase vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid tot spanning en frustratie en vormt op dat moment de grond voor een toekenning van een immateriële schadevergoeding. Die spanning en frustratie is geleden en kan niet meer worden weggenomen door een snelle behandeling in een latere fase van de gehele procedure.

4.18.

Het vorenstaande betekent dat in de onderhavige zaak moet worden vastgesteld hoe groot de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is en in hoeverre die overschrijding niet aan de Inspecteur valt toe te rekenen. Voorts heeft de Inspecteur aangevoerd dat voor een vergoeding van immateriële schade rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat sprake is van samenhang betreffende de aan belanghebbende opgelegde, thans nog in geschil zijnde zeventien aanslagen.

4.19.

In verband met de omstandigheid dat de negentien aanslagen zijn opgelegd naar aanleiding van het boekenonderzoek, waarvan het controlerapport is opgemaakt, is het Hof is van oordeel dat sprake is van een inhoudelijke samenhang van alle negentien aanslagen. De betreffende aanslagen zijn echter met verschillende dagtekeningen opgelegd. Voor een beperking van de toekenning van een vergoeding van immateriële schade is het Hof van oordeel dat daarvan sprake is bij een inhoudelijke en temporele samenhang van de aanslagen. Gelet op dit oordeel merkt het Hof de vier aanslagen over 2001 als samenhangend aan, alsmede de vier aanslagen over 2002 en tenslotte de onder 2.10 vermelde negen aanslagen als samenhangend aan.

Voor de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase heeft het Hof onder 4.16 vastgesteld de data waarop de Inspecteur de bezwaarschriften het ontvangen. De uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur in de periode tussen 3 september 2010 en 4 november 2010 gedaan. Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn neemt het Hof per samenhangend aangemerkt aantal aanslagen de laatste datum van een uitspraak van de Inspecteur in aanmerking.

4.20.

Gelet op hetgeen onder 4.16 en 4.19 is overwogen stelt het Hof vast

- dat tussen de ontvangst van de bezwaarschriften door de Inspecteur op 25 januari 2007 voor de aanslagen over 2001 en de uitspraken op bezwaar op 29 oktober 2010 drie jaren en ruim negen maanden zijn verstreken,

- dat tussen de ontvangst van de bezwaarschriften door de Inspecteur op 18 januari 2008 voor de aanslagen over 2002 en de uitspraken op bezwaar op 4 november 2010 twee jaren, negen maanden en ruim twee weken zijn verstreken, alsmede

- dat tussen de ontvangst van de bezwaarschriften door de Inspecteur op 26 juni 2008 voor de aanslagen over 2003 tot en met 2005 en de uitspraken op bezwaar op 29 oktober 2010 twee jaren en ruim vier maanden zijn verstreken.

4.21.

Het vorenstaande betekent dat in de onderhavige procedure de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase in deze procedures kan worden vastgesteld;

- voor de aanslagen over 2001 op drie jaren en ruim negen maanden minus zes maanden is drie jaren en ruim drie maanden,

- voor de aanslagen over 2002 op twee jaren, negen maanden en ruim twee weken minus zes maanden is twee jaren, drie maanden en ruim twee weken, en

- voor de overige aanslagen op twee jaren en ruim vier maanden minus zes maanden is een jaar en ruim tien maanden.

4.22.

In de omstandigheid dat de Inspecteur, zoals onder de feiten vermeld, belanghebbende op zijn verzoek de gelegenheid heeft geboden het bezwaar (nader) te motiveren, ziet het Hof reden deze vertraging in de bezwaarfase aan te merken als aan belanghebbende toe te rekenen tijdsverloop waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit tijdsverloop omvat de periode van de brief van 25 juni 2008 en de brief van 30 juni 2008 van belanghebbende en zijn reactie verstrekt in de brief van 29 augustus 2008, zijnde een termijn van twee maanden. Voorts heeft de Inspecteur gehoor gegeven aan het verzoek van belanghebbende om uitstel voor een reactie op het in zijn brief van 11 januari 2010 gedane voorstel voor de duur van anderhalve maand. Dit tijdsverloop kan naar het oordeel van het Hof niet de Inspecteur worden toegerekend. Verder heeft belanghebbende verzocht om uitstel voor zijn reactie op het in de brief van 11 juni 2010 gedane voorstel van circa een maand. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het als aan belanghebbende toe te rekenen tijdsverloop waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarvoor geen recht op schadevergoeding bestaat, is te bepalen op twee maanden plus anderhalve maand plus een maand is vierenhalve maand.

4.23.

Gelet op het overwogene onder 4.18 tot en met 4.22 komt het Hof tot het oordeel dat de aan de Inspecteur toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn moet worden vastgesteld op

- voor de aanslagen over 2001 op drie jaren en ruim drie maanden minus vierenhalve maand is twee jaren en ruim tien maanden (afgerond op drie jaren),

- voor de aanslagen over 2002 op twee jaren, drie maanden en ruim twee weken minus vierenhalve maand is een jaar en elf maanden (afgerond op twee jaren), en,

- voor de overige aanslagen op een jaar en ruim tien maanden minus vierenhalve maand is een jaar en ruim vijf maanden (afgerond op anderhalf jaar).

Deze termijnoverschrijding vormt grond voor een immateriële schadevergoeding, waartoe de Inspecteur veroordeeld wordt. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan die vergoeding achterwege zou moeten blijven zijn het Hof niet gebleken.

4.24.

Het Hof is van oordeel dat door de Inspecteur aan belanghebbende een vergoeding voor immateriële schade dient te worden betaald

- voor de aanslagen over 2001 ten bedrage van € 3.000 (6 x € 500 schadevergoeding per half jaar), dit is per aanslag een vierde of € 750,

- voor de aanslagen over 2002 ten bedrage van € 2.000 (4 x € 500 schadevergoeding per half jaar), dit is per aanslag een vierde of € 500, en

- voor de overige aanslagen ten bedrage van € 1.500 (3 x € 500 schadevergoeding per half jaar) en dit is per aanslag een negende of € 167.

4.25.

Vraag II moet (deels) bevestigend worden beantwoord.

4.26.

Gelet op onder 4.12 vermelde onderscheid, overweegt het Hof omtrent de door belanghebbende gemaakte kosten vanwege de bestrijding van aan hem opgelegde aanslagen als volgt.

4.27.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de kosten zoals opgenomen in het onder 3.2.2 vermelde overzicht met een verhoging ter zake van de kosten van het voorbereiden en bijwonen van de zitting van het Hof door zijn gemachtigde en van de kosten van de afwikkeling van de aanslagen en van de door de Ontvanger gelegde beslagen. Naar de mening van belanghebbende is in de onderhavige procedure(s), kort gezegd, sprake van bijzondere omstandigheden die een integrale vergoeding van proceskosten rechtvaardigt.

De Inspecteur bestrijdt dat voldaan is aan de voorwaarden voor een dergelijke vergoeding.

4.28.

Het Hof overweegt omtrent de integrale vergoeding van de hier bedoelde kosten als volgt. Naar het oordeel van het Hof is in de onderhavige procedure(s) sprake van bijzondere omstandigheden die een integrale vergoeding rechtvaardigen. Het Hof verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, BNB 2011/103, waarin voor zover van belang is overwogen:

“3.3. Voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is, zoals het Hof terecht heeft overwogen, grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, nr. 41235, LJN BA2802, BNB 2007/260).

(..)

3.5.

De hiervoor in 3.3 bedoelde regel sluit echter niet uit dat ook in andere gevallen aanleiding kan bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit.

In de rechtsoverwegingen (…) van zijn uitspraak heeft het Hof - zakelijk weergegeven - overwogen dat de navorderingsaanslag zonder afdoende rechtvaardiging versneld is opgelegd en terstond tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard, dat de Inspecteur onvoldoende voortvarend te werk is gegaan om het voor de onderbouwing van de navorderingsaanslag vereiste bewijs te verkrijgen, dat de procedure voor het Hof niet zou zijn gevoerd indien de Inspecteur voor het opleggen van de navorderingsaanslag in contact was getreden met belanghebbende, en voorts dat de Inspecteur zich onvoldoende moeite heeft getroost om de bij belanghebbende ontstane indruk van oneigenlijk handelen door de Inspecteur weg te nemen. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld en dat dit grond oplevert om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig te achten. Aldus opgevat geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Het is evenmin onbegrijpelijk dat het Hof artikel 2, lid 3, van het Besluit ook van toepassing heeft geacht op de kosten die belanghebbende in beroep en in hoger beroep heeft gemaakt om een integrale vergoeding van de kosten van het bezwaar te verkrijgen.”

4.29.

Zoals onder 2 door het Hof is vastgesteld aan feiten en omstandigheden is in de onderhavige procedure(s) sprake van het versneld opleggen van een negental aanslagen, waarbij belanghebbende zich beklaagt, dat deze zonder een behoorlijke wijze van afronding van het boekenonderzoek zijn vastgesteld, alsmede dat deze aanslagen terstond tot het volle bedrag invorderbaar zijn verklaard, waarbij de Inspecteur ter zitting heeft verklaard dat voor deze wijze van invordering afstemming tussen de ontvanger en hem plaatsheeft. Voorts is de Inspecteur onvoldoende serieus aan de slag gegaan om de gemotiveerde bestrijding van de aanslagen door belanghebbende te beoordelen en eventueel nader bewijs voor de onderbouwing te verkrijgen. Verder zouden geen bezwaarprocedures (hoger)beroepsprocedures gevoerd hoeven worden indien de Inspecteur voor het opleggen van de aanslagen over 2002 en 2003 tot en met 2005 in contact was getreden met belanghebbende over de afronding van het boekenonderzoek en de toe te passen correcties. Voorts heeft de Inspecteur zich onvoldoende moeite getroost om de bij belanghebbende ontstane indruk van oneigenlijk handelen door de Inspecteur, zoals vermeld onder 2, weg te nemen. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur bij het opleggen van de onderhavige aanslag(en) in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld, hetgeen grond oplevert om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig te achten. Het Hof zal aan belanghebbende een vergoeding verlenen van de kosten opgenomen in het onder 3.2.2 vermelde overzicht. Deze vergoeding wordt verhoogd met de kosten van de gemachtigde verband houdende met het de zitting bij het Hof, welke kosten het Hof bepaalt op € 900, exclusief omzetbelasting. Voor de kosten omtrent de afwikkeling van de aanslagen en van de door de Ontvanger gelegde beslagen, ziet het Hof geen aanleiding omdat deze kosten geen betrekking hebben op het bestrijden van de aanslagen.

4.30

Met betrekking tot het betoog van de Inspecteur dat de vergoeding van de proceskosten niet verhoogd moet worden met omzetbelasting, omdat belanghebbende aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting als ondernemer kan verrekenen, is het Hof van oordeel dat deze verhoging achterwege dient te blijven voor zover de vergoeding betrekking heeft op de zes naheffingsaanslagen OB en de twee boetebeschikkingen OB 2002, maar niet op de vergoeding betreffende de aan belanghebbende opgelegde (navorderings-)aanslagen IB/PVV, Zfw en Waz en de boetebeschikking IB/PVV 2002.

Nu partijen geen stellingen hebben ingenomen over de toerekening van het totaalbedrag aan kosten en de bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures gelijk op zijn gegaan, zal het Hof het totaalbedrag voor een helft, zonder omzetbelasting, toerekenen aan zes naheffingsaanslagen OB en twee boetebeschikkingen OB 2002 en voor de andere helft, met omzetbelasting, aan de overige elf aanslagen en de boetebeschikking IB/PVV 2002.

4.31.

Gelet op hetgeen onder 4.29 en 4.30 is overwogen dienen de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen te worden gesteld op € 19.046,25 plus € 1.428,47 plus € 900 is € 21.374,72, exclusief omzetbelasting.

In ieder van de zes procedures aangaande de naheffingsaanslagen en de twee aangaande de boetebeschikkingen OB 2002 bedraagt de vergoeding 1/8 x ½ x € 21.374,72 = € 1.335,92.
In ieder van de overige procedures bedraagt de vergoeding 1/12 x ½ x € 21.374,72 = € 890,61, exclusief omzetbelasting € 170,60.

Slotsom

4.32.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en het incidenteel hoger beroep ongegrond. De naheffingsaanslag alsmede de daarbij bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente zijn door de Rechtbank terecht vernietigd en aan belanghebbende moet een vergoeding van immateriële schade en van werkelijke kosten voor rechtsbijstand ter bestrijding van de onderhavige beschikkingen worden verleend.

Ten aanzien van het griffierecht

4.33.

Nu in de onderhavige zaak van belanghebbende ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof geen griffierecht is geheven, is een vergoeding hiervan niet aan de orde.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de schade aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 500; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding in bezwaar, bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.335,92.

Aldus gedaan op 19 december 2013 door V. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, J. Swinkels en L.M. Brouwer-Harten, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.