Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6104

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
HV200.133.374_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253a lid 1 BW. Verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing met de kinderen van {plaats A} naar een op circa 53 kilometer afstand gelegen dorp: {plaats B}.

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft de moeder met de kinderen, wegens de verkoop van de echtelijke woning per 1 november 2013, tijdelijk haar intrek genomen bij haar partner in {plaats B}. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij na levering van de echtelijke woning genoodzaakt was gebruik te maken van de voor haar direct beschikbare woonruimte bij haar partner in {plaats B}. Of die noodzaak er ook was voor de kinderen, nu zij in {plaats A} op school bleven en de vader in {plaats A} woonachtig is, is niet geheel duidelijk. Feit is dat zij de moeder zijn gevolgd naar {plaats B}.

Hoewel de moeder thans wellicht op korte termijn in aanmerking zou kunnen komen voor een huurwoning in {plaats A}, is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen het meest wenselijk voorkomt dat zij in {plaats B} blijven wonen en in die omgeving voortaan ook naar school zullen gaan. Het hof vernietigt de bestreden beschikking en verleent aan de moeder alsnog vervangende toestemming om met de kinderen naar {plaats B} te verhuizen, alsmede vervangende toestemming voor inschrijving van beide kinderen op een school in {plaats C}, zodat zij daar na de kerstvakantie van 2013/2014 kunnen starten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a, geldigheid: 2013-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/21.6

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 19 december 2013

Zaaknummer: HV 200.133.374/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/260515 / FA RK 13-1414

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.M. Bakker,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.J.A. van den Hoogen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 september 2013, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om met de kinderen te verhuizen naar [plaats B.], gemeente Deurne.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2013, heeft de vader:

  • -

    primair verzocht het beroep van de moeder en de daarbij door haar aangevoerde grieven ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen, alsmede voormelde beschikking te bekrachtigen, rekening houdend met alle stellingen en onderbouwingen van de vader in dezen zoals verwoord in eerste aanleg en in hoger beroep;

  • -

    subsidiair verzocht, indien vervangende toestemming wordt verleend voor verhuizing van de kinderen naar [plaats B.], te bepalen dat de kinderen dan hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben en daarbij een zorgregeling tussen de kinderen en de moeder te bepalen, inhoudende dat de kinderen eenmaal per twee weken een weekend bij de moeder verblijven van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Bakker;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van den Hoogen;

2.3.1.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [zoon 1.] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 mei 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 20 september 2013;

  • -

    de brief met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 1 oktober 2013;

  • -

    de brief met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 11 oktober 2013;

  • -

    de brief met één bijlage van de advocaat van de vader d.d. 18 oktober 2013;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 21 oktober 2013;

  • -

    de brief van de raad d.d. 12 november 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 11 juni 1999 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [zoon 1.] (hierna: [zoon 1.]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],

  • -

    [zoon 2.] (hierna: [zoon 2.]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 21 september 2012 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 9 oktober 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om vervangende toestemming tot verhuizing met de kinderen naar [plaats B.], gemeente Deurne, afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder stelt dat zij en haar nieuwe partner (hierna: [nieuwe partner van moeder]) sinds 4 augustus 2012 een stabiele relatie hebben. [nieuwe partner van moeder] woont in [plaats B.] in een koopwoning. Hij heeft daar een eigen bedrijf en is mede daarom aan [plaats B.] gebonden. De afstand tussen [plaats A.] en [plaats B.] bedraagt slechts 53 kilometer, aldus de moeder.

Sinds de bestreden beschikking zijn de omstandigheden gewijzigd. De echtelijke woning van partijen is verkocht en op 1 november 2013 geleverd aan de nieuwe eigenaar. De moeder is, als tijdelijke oplossing, met de kinderen bij [nieuwe partner van moeder] ingetrokken. Zij heeft in de korte tijd tussen de verkoop en de levering van de echtelijke woning – mede in overleg met de woningcorporatie – geen mogelijkheid gezien om een woning in [plaats A.] te verkrijgen. De moeder stelt dat zij voor de verkoop van de echtelijke woning, niet reeds op zoek kon gaan naar een huurwoning is [plaats A.], daar zij niet in staat was zowel de kosten van de echtelijke woning als een huurwoning te voldoen. De moeder zou het bovendien niet in het belang van de kinderen hebben geacht om hen in korte tijd twee verhuizingen te laten ondergaan (eerst naar een nieuwe huurwoning; later naar [plaats B.]).

De moeder erkent dat zij voorafgaand aan het inleidend verzoek, hierover onvoldoende met de vader heeft gecommuniceerd. Zij stelt evenwel dat zij later getracht heeft met de vader in onderling overleg tot nadere afspraken en een alternatieve contactregeling te komen. Thans geldt een zorgregeling, waarbij de kinderen een weekend in de veertien dagen, alsmede iedere week van woensdagmiddag tot vrijdagochtend vóór school, bij de vader verblijven. De vader werkt sinds 24 augustus 2013 echter fulltime, zodat hij dan niet langer na school de kinderen kan opvangen, terwijl zij 10 en 12 jaar oud zijn en beiden persoonlijke problematiek hebben. De moeder stelt dat zij de kinderen iedere doordeweekse dag kan opvangen. De moeder heeft een alternatieve regeling voorgesteld waarbij de kinderen drie van de vier weekenden, van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader verblijven, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen.

Ter voorbereiding op de verhuizing heeft de moeder onderzoek gedaan naar potentiële scholen in [plaats B.] en [plaats C.], waarbij zij de huidige leraressen van de kinderen en de vader actief heeft betrokken. Het Alfrinkcollege en de brede school ‘D’n Bogerd’ zouden volgens de moeder goede scholen zijn voor [zoon 1.] respectievelijk [zoon 2.]. De moeder en de vader hebben het Alfrinkcollege samen bezocht.

Voorts stelt de moeder dat een verhuizing naar [plaats B.] in het belang van de kinderen is. De kinderen hebben aangegeven dat zij graag naar [plaats B.] zouden willen verhuizen. [zoon 1.] heeft zijn mening in een brief neergelegd. Hij heeft een hele hechte band met [nieuwe partner van moeder]. [zoon 1.] kan zich moeilijk neerleggen bij de beslissing van de rechtbank. Ook [zoon 2.] heeft het naar zijn zin in [plaats B.] en voelt zich daar vertrouwd, kan ook goed met [nieuwe partner van moeder] opschieten en heeft zelfs al een vriendje in [plaats B.]. De kinderen zijn inmiddels vertrouwd in [plaats B.]: zij hebben er gedurende vijftien maanden geregeld verbleven en sinds 1 november 2013 wonen zij er zelfs. De moeder merkt dat de kinderen meer tot rust komen als zij in [plaats B.] zijn. De moeder en [nieuwe partner van moeder] kunnen de kinderen in [plaats B.] een vaste, stabiele en rustige gezinssituatie bieden.

Tot slot voert de moeder aan dat zij de mogelijkheid moet krijgen een eigen leven te gaan leiden, waarbij de kinderen de moeder, als ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben, volgen. De moeder stelt dat zij de beslissing om te gaan samenwonen met haar nieuwe partner, niet overhaast heeft genomen.

3.6.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

Volgens de vader heeft de moeder pas sinds juli 2012 een relatie met [nieuwe partner van moeder]. Vrij kort daarna heeft zij haar voornemen om te verhuizen met de kinderen bij de vader kenbaar gemaakt. De vader betwist derhalve dat de moeder de beslissing om te verhuizen niet overhaast heeft genomen. De moeder stelt haar belang om een eigen leven te leiden, boven het belang van de kinderen om hun eigen leven te behouden, aldus de vader.

De vader ziet niet in waarom [nieuwe partner van moeder] niet naar [plaats A.] zou kunnen verhuizen, mede gelet op de afstand tussen [plaats B.] en [plaats A.]. Het zou voor [nieuwe partner van moeder] veel minder ingrijpend zijn om zijn onderneming vanuit [plaats A.] te exploiteren dan het voor de kinderen zou zijn om hun leven op te pakken en te verplaatsen naar [plaats B.].

De vader stelt dat hij de door de moeder, na de procedure in eerste aanleg gedane voorstellen om het contactverlies tussen de vader en de kinderen zo beperkt mogelijk te houden – méér weekenden bij de vader – serieus in overweging heeft genomen. De vader is echter van mening dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun leven in [plaats A.] kunnen voortzetten, hetgeen zijns inziens zwaarder woog dan het belang van de kinderen bij een einde van de juridische strijd tussen de ouders. Bovendien komt de door de moeder voorgestelde regeling erop neer dat de kinderen op jaarbasis dertig dagen minder bij de vader zullen verblijven. De gelijkwaardigheid van de ouders in de verzorging en opvoeding van de kinderen, zou daarmee te zeer in het gedrang komen.

De vader acht een verhuizing van de kinderen naar [plaats B.] niet in hun belang. De kinderen zouden moeten wennen in een nieuwe, voor hen niet vertrouwde omgeving, naar andere scholen moeten gaan en nieuwe vrienden moeten maken. De vader stelt dat [plaats B.] voor de kinderen wellicht steeds vertrouwder wordt, maar dat [plaats A.] nog altijd de basis van hun sociale leven vormt, nu zij daar naar school gaan en daar al jaren wonen. De vader is meegegaan naar het Alfrinkcollege, om aan [zoon 1.] niet te laten merken dat de ouders van mening verschilden over de verhuizing. De kosten welke gemoeid zouden zijn bij een gewijzigde zorgregeling, heeft de vader ook in zijn overwegingen betrokken, daar hij maar een beperkt inkomen heeft.

De vader betwijfelt of de brief van [zoon 1.] recht uit het hart is geschreven. De vader vindt het niet leuk om te horen dat [zoon 1.] voorafgaand aan de zitting van het hof heeft aangegeven dat hij het liefst in [plaats B.] zou blijven wonen, maar hij begrijpt wel dat hij liever daar in de bosrijke omgeving woont dan in een rijtjeshuis bij de vader. Volgens de vader kan [zoon 1.] de situatie echter niet overzien. Bovendien doen de kinderen tegen de vader andersluidende uitspraken. De vader is van mening dat de ouders, dan wel de rechter, een beslissing in dezen dienen c.q. dient te geven en dat de kinderen hiermee niet belast zouden moeten worden.

De moeder lijkt zich financieel afhankelijk op te stellen in een nog prille relatie en daar de kinderen in mee te willen slepen. Voorts is de band tussen de kinderen en de vader zijns inziens belangrijker dan de band tussen kinderen en de nieuwe partner van een ouder en de opbouw van een prille relatie van een ouder met diens nieuwe partner.

De vader stelt dat hij wel degelijk in staat is na school de kinderen op te vangen, omdat hij de kinderen boven alles stelt en dit ook mogelijk is omdat hij een soepele werkgever heeft. [zoon 1.] hoeft alleen op donderdag slechts een uurtje alleen te zijn, hetgeen hij zelfs wel prettig vindt. Volgens de vader staat vast dat beide kinderen bijzondere aandacht nodig hebben en een grote behoefte hebben aan structuur, regelmaat en duidelijkheid. Het is volgens de vader een taak van de ouders is om dit de kinderen te bieden. [zoon 2.] heeft ADHD en [zoon 1.] heeft PDD-NOS.

De moeder had volgens de vader veel kans op een woning van wooncorporatie Brabant Wonen, nu die organisatie rekent met ‘woonjaren’ en de moeder al sinds 1998 in [woonplaats] woont.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen in beginsel toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Bij een dergelijke beslissing dient het hof - conform vaste rechtspraak - alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Hoewel het belang van de kinderen een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, kunnen andere belangen ertoe leiden dat deze zwaarder dienen te wegen dan het belang van de kinderen. Het gaat onder meer om: het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten, de onmogelijkheid om op een andere wijze aan dat belang tegemoet te komen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen te verzachten en/of te compenseren, de leeftijd van de kinderen, de te overbruggen afstanden en de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg.

3.7.2.

Het hof stelt vast dat de moeder met de kinderen, wegens de verkoop van de echtelijke woning per 1 november 2013, tijdelijk haar intrek heeft genomen bij haar partner in [plaats B.]. De moeder stelt dat zij, hoewel zij stond ingeschreven bij de woningcorporatie Brabant Wonen, zij in de korte periode tussen de verkoop van de echtelijke woning en de levering daarvan niet in staat was in [plaats A.] een huurwoning te vinden waar zij met de kinderen kon gaan wonen. Nu de moeder onbetwist heeft gesteld dat zij voorheen de lasten droeg van de echtelijke woning van partijen en zij, zolang de echtelijke woning niet was verkocht, niet tevens de lasten van een huurwoning kon dragen, beschikte zij op dat moment niet over zelfstandige woonruimte. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij na levering van de echtelijke woning genoodzaakt was gebruik te maken van de voor haar direct beschikbare woonruimte bij haar partner in [plaats B.]. Of die noodzaak er ook was voor de kinderen, nu zij in [plaats A.] op school bleven en de vader in [plaats A.] woonachtig is, is niet geheel duidelijk. Feit is dat zij de moeder zijn gevolgd naar [plaats B.].

3.7.3.

Het hof stelt voorts vast dat partijen na de procedure in eerst aanleg veelvuldig hebben gecommuniceerd over de wens van de moeder met de kinderen naar [plaats B.] te verhuizen. Ook hebben zij tezamen een school bezocht in [plaats C.], het Alfrinkcollege, waar [zoon 1.] geplaatst zou kunnen worden. Ook voor [zoon 2.] heeft de moeder een geschikte school gevonden. Vader bestrijdt de geschiktheid van de gekozen school in [plaats C.] niet.

3.7.4.

Vervolgens is tussen partijen onbetwist dat bij een verhuizing naar [plaats B.] en een schoolgang van de kinderen in [plaats C.] de huidige zorgregeling niet langer uitvoerbaar is. De moeder heeft een alternatieve zorgregeling voorgesteld die inhoudt dat de kinderen drie weekenden achtereen - van vrijdagmiddag tot zondagavond - bij de vader zullen verblijven, gevolgd door een weekend bij de moeder. De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden gedeeld. Voorts heeft de moeder verklaard bereid te zijn de kinderen steeds te halen en te brengen.

3.7.5.

Tot slot overweegt het hof dat de kinderen sinds enige tijd leven met de idee van een mogelijke verhuizing naar [plaats B.]. Op dit moment wonen zij er ook feitelijk al. De omgeving in [plaats B.] is voor hen inmiddels vertrouwd terrein geworden. [zoon 1.] heeft tijdens het minderjarigenverhoor aangegeven graag in [plaats B.] te blijven wonen. Hij kan goed overweg met [nieuwe partner van moeder] en heeft er al een hobby gevonden (mountainbiken in de bossen) en hij heeft aangegeven tegenwoordig in staat te zijn sneller vrienden te maken. [zoon 2.] heeft ook al een vriend gevonden. Het hof acht het aannemelijk dat de kinderen het prettig vinden om in [plaats B.] te wonen, waarbij niet ter zake doet of de kinderen in staat zijn om de gehele situatie te overzien.

3.7.6.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de situatie van de moeder en de kinderen sinds de beoordeling door de rechtbank aanzienlijk is gewijzigd en de moeder alsnog voldoende zorgvuldig de verhuizing heeft voorbereid en voldoende alternatieven heeft geboden om de gevolgen van de verhuizing voor de kinderen en de vader te verzachten dan wel te compenseren.

3.7.7.

Hoewel de moeder thans wellicht op korte termijn in aanmerking zou kunnen komen voor een huurwoning in [plaats A.], is het hof op grond van al het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de kinderen het meest wenselijk voorkomt dat zij in [plaats B.] blijven wonen en in die omgeving voortaan ook naar school zullen gaan. Dit belang weegt zwaarder dan het belang van de kinderen om thans weer naar [plaats A.] te verhuizen. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking vernietigen en aan de moeder alsnog vervangende toestemming verlenen om met de kinderen naar [plaats B.] te verhuizen.

Het hof gaat ervan uit dat partijen de door de moeder voorgestelde alternatieve zorgregeling ten uitvoer zullen brengen (zie hiervoor onder 3.7.4.). Het hof is van oordeel dat ook dan nog sprake zal zijn van een voldoende evenwichtige verdeling van de zorgtaken en dat daarmee de continuïteit van de zorg van de kinderen door de vader niet in het gedrang zal komen.

3.8.

Het voorwaardelijk verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor inschrijving van beide kinderen op een school in [plaats C.] is in eerste aanleg niet meer aan de orde gekomen, aangezien de rechtbank het verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaats B.] had afgewezen.

Het hof zal, voor zover nodig, alsnog vervangende toestemming verlenen voor inschrijving van beide kinderen op een school in [plaats C.], zodat zij daar na de kerstvakantie van 2013/2014 kunnen starten.

3.9.

Het hof begrijpt het subsidiaire verzoek van de vader aldus dat, indien het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing ook in hoger beroep zou worden afgewezen en de moeder zonder de kinderen in [plaats B.] zou blijven wonen, hij het hof verzoekt het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en een contactregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen. Gelet op het oordeel van het hof als na te melden, behoeft het subsidiaire verzoek van de vader geen bespreking meer.

3.10.

Al het voorgaande leidt het hof tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 juni 2013;

verleent aan de moeder alsnog vervangende toestemming om met de minderjarigen:

  • -

    [zoon 1.], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

  • -

    [zoon 2.], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],

naar [plaats B.], gemeente Deurne te verhuizen;

verleent aan de moeder alsnog vervangende toestemming voor inschrijving van de kinderen op scholen in [plaats C.];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, C.D.M. Lamers en H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2013.