Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6101

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
20-004052-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BL7686, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ0905
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2012:BY0052
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij McDonald's te Best. Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad spreekt het hof de verdachte vrij van poging tot moord. Het hof veroordeelt de verdachte voor poging tot doodslag en het bezit van een vuurwapen, patroonhouders en munitie tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004052-12

Uitspraak : 19 december 2013

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 maart 2010 (ECLI:NL:RBSHE:2010:BL7686), in de strafzaak met parketnummer 01/845052-09 tegen de verdachte:

[verdachte P],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1958,

thans verblijvende in de Penitentiair Inrichting Rotterdam, locatie De Schie.

A. Procesgang

Bij voormeld vonnis werd kort gezegd bewezen verklaard dat de verdachte twee personen heeft geprobeerd te vermoorden (feit 1) en een vuurwapen met munitie, twee patroonhouders met munitie en een lege patroonhouder voorhanden heeft gehad (feit 2). De rechtbank veroordeelde hem daarvoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank nam verder beslissingen omtrent alle in beslag genomen goederen.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Dit hof heeft op 12 april 2011 op dat hoger beroep beslist; zijn arrest (ECLI:NLGHSHE:2011:BQ0905) hield een vrijspraak in ten aanzien van één van die pogingen tot moord en een veroordeling voor de andere poging (feit 1) alsook voor het bezit van het vuurwapen, de patroonhouders en de munitie (feit 2). Voor die feiten werd aan de verdachte wederom een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren opgelegd. Het hof nam, anders dan de rechtbank, geen beslissing omtrent het in beslag genomen vuurwapen, de in beslag genomen patroonhouders en de in beslag genomen munitie, omdat de verdachte daarvan afstand had gedaan. Het hof nam slechts een beslissing ten aanzien van de in beslag genomen kleding van de verdachte.

De Hoge Raad heeft deze uitspraak van het hof, bij arrest van 20 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0052), gecasseerd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van feit 1 en de strafoplegging. De Hoge Raad heeft vervolgens de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het cassatieberoep is voor het overige verworpen.

B. Omvang van het hoger beroep

Het hof heeft zich ter terechtzitting van 18 april 2013 reeds uitgelaten over de omvang van het bestaande hoger beroep en heeft toen als volgt beslist.

“In het verleden was cassatieberoep tegen een vrijspraak niet mogelijk. Per 1 januari 2003 is art. 430 van het Wetboek van Strafvordering dat dit cassatieverbod bij vrijspraak regelde vervallen verklaard en is beroep in cassatie tegen vrijspraken wettelijk onbeperkt mogelijk, ook voor de verdachte. De Hoge Raad pleegt sindsdien echter het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde cassatieberoep op te vatten als kennelijk niet te zijn gericht tegen de vrijspraak indien sprake is van een cumulatief ten laste gelegd feit. Dit is anders indien sprake is van een primaire-subsidiaire tenlastelegging en er is vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zie HR 12 oktober 2010, LJN BN4347.

In de onderhavige zaak is onder 1. sprake van een, zij het impliciet, cumulatieve tenlastelegging. De Hoge Raad heeft in zijn arrest in de onderhavige zaak (van 20 november 2012) niet expliciet overwogen het cassatieberoep beperkt op te vatten. Nu het hof geen aanwijzingen heeft dat de Hoge Raad heeft willen afwijken van zijn algemene en in HR 12 oktober 2010, LJN BN4347 expliciet geformuleerde lijn in een geval als het onderhavige het cassatieberoep beperkt op te vatten, is het hof echter van oordeel dat enkel aan de orde is de poging tot moord dan wel doodslag op [W] en dat de onder 1. cumulatief ten laste gelegde feiten waarvan verdachte door het hof bij arrest van 12 april 2011 is vrijgesproken, niet langer aan de orde zijn.

Met de vernietiging van de beslissingen, meervoud, ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde feit, heeft de Hoge Raad naar het oordeel van het hof gedoeld op alle beslissingen die het hof ten aanzien van de bewezen verklaarde poging tot moord op [W] heeft genomen. Naast de bewijsbeslissing zijn dat bijvoorbeeld ook de beslissingen ten aanzien van de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de dader.”

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft daarom uitsluitend betrekking op de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord of doodslag op [W] en de strafoplegging. Het hof zal geen beslissing nemen op het nog niet afgewikkelde beslag (de kleding en een katapult), nu de verdachte ter zitting van 5 december 2013 afstand van deze goederen heeft gedaan en de raadsman vervolgens heeft medegedeeld dat het hof daarover geen beslissing meer hoeft te nemen. De advocaat-generaal heeft ook geen standpunt meer ingenomen met betrekking tot het beslag op deze goederen.

C. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. Th. de Jong en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.J.A. van de Laar naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord op [W] bewezen zal verklaren en de verdachte voor dat feit en voor de in stand gelaten bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte van de poging tot moord zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van de poging tot doodslag zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

D. Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - worden vernietigd, aangezien het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

E. Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - onder 1 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 februari 2009 te Best ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [W] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, ongeveer 13, althans meerdere, malen, in elk geval eenmaal, met een vuurwapen op, althans in de richting van die [W] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

F. Bewijswaardering: geen verdediging, evenmin voorbedachte raad

F.1

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof - conform zijn eerdere beslissing bij arrest van 12 april 2011 - poging tot moord op voornoemde [W] bewezen zal verklaren. De gehele handelwijze van de verdachte duidt erop dat hij heeft gehandeld ter uitvoering van een, zij het korte tijd daarvoor, genomen besluit om [W] van het leven te beroven. Dat is naar het oordeel van de advocaat-generaal, ook volgens de recente jurisprudentie van de Hoge Raad, aan te merken als handelen met voorbedachte raad.

De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat het hof dient uit te gaan van de lezing van de verdachte, inhoudende dat de verdachte door [W] werd beschoten en daarom slechts ter noodzakelijke verdediging heeft teruggeschoten. De verklaringen die in een andere richting wijzen, moeten volgens de verdediging als onbetrouwbaar terzijde worden geschoven. Echter, ook indien van die verklaringen zou worden uitgegaan, kan voorbedachte raad niet worden bewezen, aldus de raadsman.

F.2

Het hof stelt voorop dat de waardering van het bewijs bepalend is voor de vraag of er destijds sprake was van een verdediging door de verdachte dan wel van een aanval van zijn kant. Daarom komt het verweer van de verdachte dat hij schoot om zich te verdedigen, reeds bij de bewijswaardering en niet uitsluitend bij de bespreking van de strafbaarheid aan de orde.

Het hof acht het op basis van diverse getuigenverklaringen waarschijnlijk dat [W] ten tijde van het ten laste gelegde schietincident in het bezit was van een vuurwapen.

De lezing van de verdachte houdt in dat [W] op het parkeerterrein van McDonald’s te Best als eerste op hem heeft geschoten. De verdachte heeft daarover bij herhaling, waaronder ter terechtzitting van 5 december 2013, verklaard dat [W] eerst twee keer vanuit zijn jaszak op hem schoot voordat de verdachte zelf overging tot schieten en dat [W] daarna liggend vanaf de grond rechtsreeks op de verdachte schoot.

Deze lezing wordt niet bevestigd door de uitkomst van het NFI onderzoek aan de jas die onder [W] in beslag is genomen, blijkens welk onderzoek in de zakken van de jas geen beschadigingen en/of sporen zijn aangetroffen die wijzen op het schieten met een vuurwapen uit één van de zakken van deze jas. De verdediging heeft in twijfel getrokken of die jas wel dezelfde jas is als die [W] tijdens het schietincident heeft gedragen. Het hof heeft ter terechtzitting van 5 december 2013 de bewakingsbeelden bestudeerd waarop [W] zeer kort voor het schietincident is te zien en deze vergeleken met de foto’s van de in beslag genomen en onderzochte jas. Het hof ziet op grond van de overeenkomsten tussen de op de bewakingsbeelden en de foto’s afgebeelde jas, alsook gelet op het bloed op en de beschadiging aan de jas - anders dan de verdediging - geen reden om eraan te twijfelen dat [W] die jas tijdens het schietincident heeft gedragen.

De lezing van de verdachte wordt evenmin bevestigd door de op voormeld parkeerterrein aangetroffen 7.65 mm huls die niet blijkt te zijn verschoten met het wapen van de verdachte - een pistool van het merk Walther, type P99 -, aangezien niet is komen vast te staan dat die huls daar op die dag terecht is gekomen. De huls is volgens het onderzoek van het NFI bovendien vermoedelijk verschoten met een semi-automatisch pistool van het merk Manurhin, kaliber 7.65 mm Browning, hetgeen niet overeenkomt met het wapen dat [W], volgens de verklaring van de verdachte bij de rechtbank, bij zich droeg. Ter terechtzitting van de rechtbank verklaarde hij immers dat [W] een “Walther PPK” bij zich had (proces-verbaal van terechtzitting van de rechtbank van 30 juni 2009, pagina 4). Ter terechtzitting van 5 december 2013 heeft de verdachte enerzijds verklaard dat [W] over een pistool van het merk “Manurhin” beschikte, maar heeft hij anderzijds zijn eerder afgelegde verklaring bevestigd dat [W] op de dag van het incident een Walther PPK gebruikte.

Bovendien staan tegenover de lezing van de verdachte de verklaringen van observant NR26 en de eveneens onafhankelijke getuige [A]. Deze getuigen verklaren dat de verdachte met een wapen in de hand uit zijn auto is gestapt en kort nadien op [W] is gaan schieten. Uit die verklaringen blijkt dat de verdachte een aanval op [W] heeft ingezet. Het hof zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan die verklaringen zou moeten worden getwijfeld, temeer nu verbalisant NR26 ter plaatse was om [W] te observeren en derhalve geacht moet worden zich van een zo goed mogelijk zicht te hebben verzekerd op hetgeen zich daar heeft afgespeeld. Hoewel er veel getuigen op de parkeerplaats aanwezig waren, is er in geen enkele verklaring steun te vinden voor de lezing van de verdachte dat [W] als eerste schoot of dat er eerst een dreiging van [W] uitging voordat de verdachte overging tot schieten.

Al met al is het hof van oordeel dat de lezing van de verdachte dat hij als eerste door [W] is beschoten, niet aannemelijk is geworden.

F.3

Dat maakt ook dat het hof voorbijgaat aan het door de raadsman, in subsidiaire zin, geschetste scenario dat er sprake was van een zeer dreigende situatie doordat [W] met zijn hand naar zijn jaszak zou zijn gegaan omdat het voor de verdachte bekend was dat [W] altijd een wapen op zak had. Het hof begrijpt dit subsidiair naar voren gebrachte scenario aldus dat [W] weliswaar niet heeft geschoten, maar dat de verdachte zich door het gedrag van [W] en zijn wetenschap omtrent wapenbezit van laatstgenoemde ernstig bedreigd voelde. Het door de raadsman subsidiair naar voren gebrachte scenario vindt geen bevestiging in de verklaringen van NR26 en [A] en er is ook voor het overige geen enkele verklaring die erop wijst dat [W] met zijn hand naar zijn jaszak ging voordat de verdachte schoot. Dit scenario past overigens ook niet bij de verklaringen die de verdachte zelf tegenover de rechtbank en het hof heeft afgelegd. Er zijn verschillen tussen die verklaringen van de verdachte, maar volgens al die verklaringen heeft [W] daadwerkelijk op hem geschoten voordat hijzelf tot schieten overging.

F.4

Het hof kan zich, op een ondergeschikt punt na (het door NR26 genoemde aantal knallen), vinden in de selectie van de bewijsmiddelen die dit hof eerder bij zijn arrest van 12 april 2011 heeft gemaakt. Het hof zal die bewijsmiddelen ten grondslag leggen aan zijn beslissing. Omwille van de leesbaarheid zijn de bewijsmiddelen als een aanvulling op dit arrest opgenomen.

F.5

Vervolgens dient te worden beoordeeld of met inachtneming van de huidige stand van de jurisprudentie nog kan worden vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte raad meermalen op [W] heeft geschoten. In dat verband wordt het volgende vooropgesteld.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbedachte raad. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

F.6

In het onderhavige geval moet worden uitgegaan van een spontaan treffen tussen de verdachte en [W]. Weliswaar is duidelijk dat er een zakelijk conflict tussen beiden bestond, maar niet kan worden vastgesteld dat de verdachte naar het terrein van McDonald’s is gegaan om [W] daar te treffen. De verdachte had enige tijd tevoren het vuurwapen aangeschaft naar aanleiding van een mededeling van de politie dat hij op een dodenlijst stond. Hij reed naar eigen zeggen het terrein van de McDonald’s op om een happy meal te kopen, maar zag van dit voornemen af toen hij daar de auto zag waarmee [W] zich vaak vervoerde. Dat was aanleiding voor hem om (nagenoeg) meteen zijn auto te stoppen. De verdachte heeft toen, zo volgt uit de bewijsmiddelen, zijn doorgeladen vuurwapen gepakt en is met dat vuurwapen in de hand uit de auto gestapt. Hij heeft vervolgens [W] aangeroepen om daarna direct 13 keer op en in de richting van [W] te schieten. De verdachte is na het schieten - voor zover te zien - rustig naar zijn auto teruggelopen en is daarmee vervolgens van de parkeerplaats weggereden.

F.7

Het hof overweegt dat uit deze gang van zaken niet valt af te leiden dat de verdachte het besluit om op [W] te gaan schieten, eerder heeft genomen dan bij het stoppen van zijn auto. Het hof overweegt voorts dat de tijd tussen dat moment en het moment van de uitvoering niet meer dan enkele seconden heeft geduurd, zelfs indien ervan zou worden uitgegaan dat de verdachte vanaf zijn auto eerst nog een klein stukje heeft gelopen. Op de beelden is niet te zien op welk moment de verdachte heeft geschoten, maar wel dat er slechts 38 seconden zijn verlopen tussen het moment waarop de verdachte zijn auto tot stilstand bracht en het moment waarop hij, na het schieten, weer is gaan rijden. Het gaat dus hoe dan ook om een zeer korte tijd. Volgens de verklaring die de onafhankelijke getuige [A] op de dag van het schietincident heeft afgelegd, stak de man die uit de auto kwam (hof: de verdachte) zijn arm meteen naar voren en begon hij ook meteen een aantal keer te vuren. Ook uit de verklaring van ooggetuige [B] blijkt dat de verdachte na het uitstappen iets riep en vervolgens direct op [W] begon te schieten.

De zeer korte tijdspanne tussen het stoppen van de auto en het schieten in aanmerking nemende en indachtig hetgeen is vooropgesteld over de reikwijdte van het begrip “voorbedachte raad”, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de verdachte de voor voorbedachte raad vereiste tijd en gelegenheid heeft gehad. Daaraan doet niet af dat de verdachte ogenschijnlijk rustig heeft gehandeld en dat ook overigens geen aanwijzingen bestaan voor een gemoedsopwelling. De voorbedachte raad dient namelijk bewezen te worden en de mogelijkheid kan niet worden uitgesloten dat de verdachte alleen al door het zien van [W] in een opwelling, van bijvoorbeeld woede, zonder zich te (kunnen) bezinnen, heeft gehandeld.

F.8

Het hof oordeelt dan ook dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dat betekent dat de verdachte van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord zal worden vrijgesproken. In zoverre slaagt het verweer van de raadsman.

G. Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van het vorenstaande wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij op 2 februari 2009 te Best ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [W] van het leven te beroven, met dat opzet 13 malen met een vuurwapen op, althans in de richting van, die [W] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

H. Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 287 juncto artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als “poging tot doodslag” gekwalificeerd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

I. Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dat verweer. Uit de bewijsmiddelen van het hof komt naar voren dat de verdachte uit zichzelf, zonder enige aanleiding ter plaatse, de aanval op [W] heeft geopend. Dat betekent in de visie van het hof dat de verdachte niet uit verdediging heeft gehandeld; er was met andere woorden geen sprake van een noodweersituatie. Daarom strandt niet alleen het beroep op noodweer, maar ook dat op noodweerexces.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

J. Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. De verdachte heeft zich voorts - de bewezenverklaring daarvan heeft de Hoge Raad immers in stand gelaten - schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen, patroonhouders en munitie.

Het hof overweegt omtrent de daarvoor op te leggen straf als volgt.

Bij de bepaling van de straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Gelet daarop is naar het oordeel van het hof evident dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

De verdachte heeft midden op de dag ‘en plein public’ - op een openbare parkeerplaats, nabij de ingang van een vestiging van de McDonald’s waar zich binnen en buiten andere personen bevonden - dertien keer met een vuurwapen gericht op, althans in de richting van iemand geschoten. Dat het slachtoffer heeft kunnen vluchten en alleen letsel heeft overgehouden aan het incident, is bepaald niet te danken aan de handelwijze van de verdachte. Dat het handelen van verdachte mogelijk te maken had met een conflict in het criminele milieu maakt een en ander niet minder ernstig. Ook de omstandigheid dat de verdachte vanwege het opgroeien in een woonwapenkamp een afwijkende levensstijl heeft, zoals hij verklaarde, verontschuldigt op geen enkele manier zijn gedrag. Naast het geschetste door hem veroorzaakte gevaar heeft hij ervoor gezorgd dat verschillende personen die zich in de McDonald’s of (in de auto) op de nabijgelegen parkeerplaats bevonden, getuige waren van de schietpartij. Zelfs het feit dat daar geregeld kinderen zijn te vinden, heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om op klaarlichte dag meerdere keren doelgericht kogels af te vuren. Het hof rekent dat de verdachte zwaar aan.

Daar komt nog bij dat het niet de eerste keer is dat de verdachte tot zulk geweld komt. Uit zijn strafblad blijkt dat de verdachte al drie keer eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens een soortgelijk feit (veroordeling d.d. 29 november 2000 voor “medeplegen van poging tot doodslag” tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren door de rechtbank 's-Hertogenbosch,
een veroordeling d.d. 5 december 1989 voor “poging tot doodslag” tot een gevangenisstraf van 2 jaren en 6 maanden door dit hof en een veroordeling d.d. 3 april 1984 voor onder meer “poging tot doodslag” tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden door dit hof). Ook prijken er meerdere onherroepelijke veroordelingen wegens andere geweldsdelicten en vuurwapenbezit op zijn strafblad. Hoewel deze veroordelingen soms van enige tijd geleden dateren, illustreert het voor het hof hoe de verdachte in het leven staat. Het tekent eens te meer de bittere ernst van het bewezen verklaarde en maakt ook dat niet kan worden volstaan met een straf die wellicht in vergelijkbare gevallen aan een first offender zou worden opgelegd. Dat wordt niet anders doordat de verdachte op een dodenlijst stond en om die reden meende dat hij een doorgeladen vuurwapen bij zich moest dragen. Ook in hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen.

Het hof is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden is.

Ambtshalve heeft het hof zich voor de vraag gesteld of er een schending van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

Het hof stelt vast dat de bewezen verklaarde schietpartij heeft plaatsgevonden op 2 februari 2009, dat de verdachte kort daarop in verzekering is gesteld en dat de rechtbank op 18 maart 2010 - en dus ruimschoots binnen de redelijke termijn van 16 maanden - vonnis heeft gewezen. Het hoger beroep daartegen werd op 19 maart 2010 ingesteld. Ook het hof deed ruimschoots binnen de redelijke termijn uitspraak, namelijk op 12 april 2011. Wel is tussen het cassatieberoep (12 april 2011) en het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad (27 december 2011) meer tijd verstreken dan de door de Hoge Raad voorgeschreven termijn van 6 maanden. Die overschrijding wordt echter in voldoende mate gecompenseerd door de voortvarende afdoening van de zaak door de Hoge Raad (20 november 2012) en het hof in tweede instantie. Het hof ziet in de termijnoverschrijding daarom geen aanleiding tot strafvermindering.

De verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot de gepast geachte gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

K. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof, rechtdoende op het hoger beroep na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dat als

Poging tot doodslag.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor dit bewezen verklaarde, alsmede voor het eerder door dit hof bij arrest van 12 april 2011 onder 2 bewezen verklaarde, gekwalificeerd als

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd,

tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. J.F.M. Pols en mr. F.L. Muskens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 19 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.L. Muskens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

AANVULLING BEWIJSMIDDELEN

1. Het ambtsedig proces-verbaal van Dienst Nationale Recherche, Unit Operationele Expertise, Groep Observatie & Techniek (als bijlage opgenomen bij het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 090202.NR26, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], Teamleider O & T, dossierpagina’s 103), in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant NR26, opsporingsambtenaar, dossierpagina’s 104-105 van het proces-verbaal (met bijlagen) met dossiernummer 2009018924, onderzoek 221909004 “Kegelbij”, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

het relaas van verbalisant NR26:

Op 2 februari 2009 zag ik dat een personenauto, merk Audi, type A8, kleur grijs, werd geparkeerd op de parkeerplaats van McDonald’s te Best. Ik zag dat de Audi A8 met de voorzijde in de richting van de hoofdingang stond. Ik bevond mij op een afstand van vijftien tot twintig meter van de auto en had goed en onbelemmerd zicht. Ik zag dat de mij bekende [B] als bestuurder in de Audi A8 zat en [W] als bijrijder. Ik zag dat [W] de McDonald’s binnen kwam lopen en ik zag dat kort daarna [W] naar buiten ging.

Ik zag dat [W] en [B] in de richting van de Audi A8 liepen en bleven staan aan de bijrijderzijde van de Audi A8. Ik zag dat [W] en [B] zich omdraaiden en in de richting keken van een bestelauto, Volkswagen Caddy, kenteken [kenteken]. Ik zag dat uit de [kenteken] een man (verder te noemen NN3; het hof begrijpt verdachte) stapte en in zijn rechterhand een zwart vuurwapen vast hield. Ik zag dat hij het vuurwapen gericht hield in de richting van [W]. Ik hoorde (…) knallen en zag dat uit het vuurwapen mondingsvuur kwam. Ik zag dat [W] hard wegrende in de richting van het naastgelegen pand waar een Volvo dealer gevestigd is. Ik zag dat NN3 het vuurwapen gericht hield in de richting waar [W] wegrende. Ik zag dat NN3 rustig naar de [kenteken] liep en instapte en wegreed in de richting van de uitgang van de parkeerplaats.

2.

Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche, proces-verbaalnummer 2009018924-69, d.d. 10 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, en [verbalisant 3], hoofdagent van politie, dossierpagina’s 98-100 van het proces-verbaal (met bijlagen) met dossiernummer 2009018924, onderzoek 221909004 “Kegelbij”, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

de verklaring van aangever [W]:

Op 2 februari 2009 ging ik met [B] (het hof begrijpt: getuige [B]), met de auto van [B], een grijze Audi A8, richting Best. Op de A2 in Best namen we de afslag om naar McDonald’s te rijden en op de parkeerplaats van McDonald’s werd onze auto ter hoogte van de ingang van het gebouw geparkeerd. Ik ben binnen naar het toilet geweest.

Ik liep naar de Audi en toen voelde ik een klap en ik kwam daardoor op de grond te liggen. Ik voelde hevige pijn aan de rechterkant van mijn lichaam. Ik hoorde een knal. Ik hoorde dat iemand iets zei. Ik zag toen de mij bekende [verdachte P]. Ik zag dat de rechterarm van [verdachte P] gestrekt in mijn richting wees. Ik zag dat hij een zwart pistool in zijn hand had. Ik zag dat [verdachte P] het pistool op mij bleef richten en ik hoorde en ik zag dat hij in mijn richting bleef schieten. Ik ben gevlucht. [B] vroeg: ben je geraakt?”. Ik zei: “mijn rechterarm.” Ik ben bij een Volvo garage naar binnen gegaan.

3.

Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (met bijlage) van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Best Oirschot Son, proces-verbaal nummer 2009018924-2, d.d. 2 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van politie, en [verbalisant], brigadier van politie, dossierpagina’s 364-367 van het proces-verbaal (met bijlagen) met dossiernummer 2009018924, onderzoek 221909004 “Kegelbij”, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van getuige [B]:

Ik zat op 2 februari 2009 met [W] in de auto. We zijn richting Eindhoven gereden en we zijn over de A2 richting Best gereden. Bij Best zijn we de snelweg afgegaan en we zijn bij McDonald’s gestopt. Wij hadden de auto voor de ingang van McDonald’s geparkeerd. [W] ging McDonald’s binnen. Op het moment dat [W] McDonald’s uit kwam gelopen heeft hij nog even staan buurten. Er stond een andere auto achter ons en daar stapte een man uit. Deze riep iets en begon vervolgens direct op [W] te schieten. Ik zag dat [W] het op ’n lopen zette in de richting van Volvo De Beemd. Ik hoorde hem zeggen dat hij in zijn arm geraakt was.

4.

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (met bijlagen) van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Gezamenlijke Recherche Helmond, proces-verbaalnummer

2009018924-73, d.d. 11 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent van politie, dossierpagina’s 370-375 van het proces-verbaal (met bijlagen) met dossiernummer 2009018924, onderzoek 221909004 “Kegelbij”, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

het relaas van voornoemde verbalisanten:

Getuige [A] vertelde dat zij op 2 februari 2009 een afspraak had bij McDonald’s te Best. Zij vertelde dat zij haar auto richting ingang McDonald’s had geparkeerd.

Zij zei dat een auto aan kwam rijden die schuin midden op de toegangsweg van het parkeerterrein stopte. Zij vertelde dat zij de deur aan de bestuurderszijde open zag gaan en dat zij een man uit zag stappen. Zij vertelde dat die man meteen zijn arm naar voren stak met daarin een pistool, zo’n zwart ding met een loop. Zij vertelde dat zij zag dat die man meteen zo’n vijf of zes keer zonder twijfelen vuurde.

5.

Het ambtsedig proces-verbaal Sporenonderzoek van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche, Forensisch Technische Ondersteuning, proces-verbaalnummer 2009018924-44, d.d. 24 maart 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6], brigadier van politie, dossierpagina’s 74-77 van het proces-verbaal met BVH nummer 09-182924, als bijlage opgenomen bij het dossier met dossiernummer 2009018924, onderzoek 221909004 “Kegelbij”, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van voornoemde verbalisant:

Bij de regionale intake arrestanten werd mij een pistool overhandigd. Het wapen was van [verdachte P] in beslaggenomen bij diens aanhouding.

Wapen spoor

Referentie : AAAW4882NL

Soort : Vuurwapen

Type : Pistool

6.

Het ambtsedig proces-verbaal Forensisch Onderzoek PD McDonalds van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Divisie Recherche, Forensisch Technische Ondersteuning, proces-verbaalnummer 2009018924-24, d.d. 14 mei 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie, [verbalisant 8] brigadier van politie, [verbalisant 9], medewerker Forensisch Technische Ondersteuning, [verbalisant 9], medewerker Forensisch Technische Ondersteuning, [verbalisant 11], medewerker Forensisch Technische Ondersteuning, en [verbalisant 12], opperwachtmeester van politie, dossierpagina’s 13-22 van het proces-verbaal met BVH nummer 09-182924, als bijlage opgenomen bij het dossier met dossiernummer 2009018924, onderzoek 221909004 “Kegelbij”, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relaas van voornoemde verbalisanten:

Pag. 13:

Op 2 februari 2009 werd door ons een forensisch onderzoek naar sporen verricht.

Omschrijving plaats delict

Het feit was gepleegd op het parkeerterrein van McDonald’s gelegen te Best.

Onderzoek plaats delict

Wij zagen dat in het midden van het parkeerterrein in de rij parkeervakken die het dichtst bij de voorgevel van de McDonald’s was gelegen, een grijze Audi stond. Het voertuig stond met de voorzijde in de richting van de hoofdingang van McDonald’s geparkeerd.

Rechts naast de Audi zagen wij een groot aantal hulzen gegroepeerd op de grond liggen. Tijdens het onderzoek bleek ons dat dit 13 hulzen waren van het kaliber 9x19 mm. Deze hulzen werden door ons in beslaggenomen, afzonderlijk verpakt en gewaarmerkt met de spoornummers PD.02 tot en met PD.13 en PD.15.

Pag. 19-21:

Munitie sporen

Referentie : AAAC9834NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.02

Referentie : AAAC9835NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.03

Referentie : AAAC9836NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.04

Referentie : AAAC9837NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.05

Referentie : AAAC9838NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.06

Referentie : AAAC9839NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.07

Referentie : AAAC9840NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.08

Referentie : AAAC9841NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.09

Referentie : AAAC9842NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.10

Referentie : AAAC9843NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.11

Referentie : AAAC9844NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.12

Referentie : AAAC9845NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.13

Referentie : AAAC9847NL

Soort : Huls

Type : 9x19 mm luger

Bijzonderheden : Pd1.15

7.

Het geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2009.02.04.138, d.d. 14 april 2009, opgemaakt door ing. P.J.M. Pauw-Vugts, dossierpagina’s 140-148 van het proces-verbaal met BVH nummer 09-182924, als bijlage opgenomen bij het dossier met dossiernummer 2009018924, onderzoek 221909004 “Kegelbij”, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Pag. 141:

Onderzoeksmateriaal

TR nummer Omschrijving

AAAC9834NL Huls 9 mm

AAAC9835NL Huls 9 mm

AAAC9836NL Huls 9 mm

AAAC9837NL Huls 9 mm

AAAC9838NL Huls 9 mm

AAAC9839NL Huls 9 mm

AAAC9840NL Huls 9 mm

AAAC9841NL Huls 9 mm

AAAC9842NL Huls 9 mm

AAAC9843NL Huls 9 mm

AAAC9844NL Huls 9 mm

AAAC9845NL Huls 9 mm

AAAC9847NL Huls 9 mm

AAAW4882NL Pistool Walther P99, zonder serienummer

Pag. 147:

Conclusie

De dertien hulzen [AAC9834NL t/m -45NL en -47N] zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met het pistool [AAAW4882NL].

8.

Het proces-verbaal (met bijlage) van de terechtzitting in de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 30 juni 2009 (pag.’s 1-9), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende de verklaring van verdachte (pag. 3-4):

Ik reed op 2 februari 2009 als bestuurder van mijn Volkswagen Caddy het parkeerterrein van McDonald’s te Best op. Ik zag een mij bekende auto staan, een zilvergrijze Audi A8. Ik stapte uit en zag [W] [W]. Ik riep hem toe. Ik heb dertien schoten afgevuurd. De schoten die ik heb gelost heb ik in de richting van [W] afgevuurd.