Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6099

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
HD 200.128.397-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot betaling geldsom. Opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.397/01

arrest van 17 december 2013

in de zaak van

1 [Technische dienst] Technische Dienst B.V.,

handelend onder de naam “[Projecten] Projecten”,

hierna: [Projecten] Projecten,

2. [Transport] Transport B.V.,

handelend onder de naam “[Transport 1.] Transport”,

hierna: [Transport 1.] Transport,

beide gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen,

tegen

1 [geintimeerde 1.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: [geintimeerde 1.],

2. [geintimeerde 2.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: [geintimeerde 2.],

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.L. Stegeman,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, afdeling handelsrecht, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in kort geding gewezen vonnis van 10 april 2013 tussen appellanten – hierna gezamenlijk: [appellanten] – als gedaagden en geïntimeerden – hierna gezamenlijk: [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] – als eiseressen.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/01/259903/KG ZA 13-136)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- het pleidooi op 29 november 2013 waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De door de rechtbank in r.o. 2.1-2.8 vastgestelde feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Zij houden onder meer het volgende in.

4.1.1.

[geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] hebben in 2012 werkzaamheden uitgevoerd voor [appellanten]. [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] hebben werk uitgevoerd terzake een project in de [project 1.] te [plaats 1.]. [geintimeerde 2.] heeft daarnaast werk uitgevoerd voor het project aan de [project 2.] te [plaats 2.]. Deze projecten zijn door [appellanten] aangenomen van [Bouwbedrijf]. [appellanten] had van [Bouwbedrijf] de opdracht gekregen om in de betreffende wijken een nieuwe riolering aan te leggen.

4.1.2.

De opdrachten werden wekelijks aan [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] verstrekt. Per week werd het aantal ter beschikking te stellen machines bepaald en besteld. [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] stelden de machines vervolgens met bedienend personeel op de aangegeven locaties ter beschikking.

4.1.3.

Van de wekelijks ter beschikking gestelde machines en personeel hebben [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] steeds werkbonnen opgesteld. Conform afspraak met [appellanten] zijn deze werkbonnen steeds door de uitvoerders van [Bouwbedrijf], die op locatie aanwezig waren, afgetekend. Vervolgens zijn de afgetekende werkbonnen steeds ter accordering naar [appellanten] gezonden. Na enkele weken of soms zelfs maanden heeft [appellanten] de werkbonnen steeds geaccordeerd door middel van verbonningsbonnen en deze verbonningsbonnen ter facturering aan [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] retour gezonden. Op grond van de verbonningsbonnen hebben [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] aan [appellanten] facturen gezonden.

4.1.4.

De (afgetekende) werkbonnen van [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.], de door [appellanten] ondertekende verbonningsbonnen en de op grond daarvan opgemaakte facturen zijn overgelegd als:

- producties 1a tot en met 1o ter zake van door [geintimeerde 1.] voor [Projecten] Projecten verrichte werkzaamheden van in totaal € 59.796,15;

- producties 5a tot en met 5g ter zake van door [geintimeerde 1.] voor [Transport 1.] Transport verrichte werkzaamheden van in totaal € 9.462,12;

- producties 7a tot en met 7y ter zake van door [geintimeerde 2.] voor [Projecten] Projecten verrichte werkzaamheden van in totaal € 116.616,69.

4.1.5.

Tot medio oktober 2012 zijn de facturen door [appellanten] steeds voldaan. Vanaf dat moment is betaling door [appellanten] uitgebleven. [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] hebben [appellanten] gesommeerd tot betaling van de openstaande facturen.

4.1.6.

Bij brief van haar advocaat van 29 maart 2013 heeft [appellanten] de overeenkomsten met [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] buitengerechtelijk ontbonden.

4.2.

[geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] vorderen in dit kort geding, kort gezegd, veroordeling van [Projecten] Projecten tot betaling van de in 4.1.4 vermelde bedragen van € 59.796,15 en € 116.616,69, veroordeling van [Transport 1.] Transport tot betaling van het in 4.1.4 vermelde bedrag van € 9.462,12, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, en hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen bij vonnis van 10 april 2013 toegewezen. [appellanten] is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

4.3.

De door [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat (vgl. HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0263). Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op haar plaats en mag van een partij die een zodanige voorziening vraagt – en van de rechter die haar toewijst – worden verlangd dat naar behoren feiten en omstandigheden worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden (vgl. HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522).

Het hof zal partijen niet toelaten tot bewijslevering. Voor nader onderzoek naar de feiten is in deze kort gedingprocedure geen plaats. Dit dient te gebeuren in een eventuele bodemprocedure.

Spoedeisend belang

4.4.

Het hof stelt voorop dat voldoende aannemelijk is dat [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] nog steeds een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Zij hebben onder meer gesteld dat zij een dringende behoefte hebben om over liquide middelen te beschikken ter continuering van hun bedrijfsvoering. Ter onderbouwing van deze stelling hebben zij een verklaring van de accountant van [geintimeerde 2.] van 5 maart 2013 (productie 18 bij de akte van 3 april 2013 van [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.]) alsmede een verklaring van de accountant van [geintimeerde 1.] van 12 maart 2013 (productie 19 idem) overgelegd. Uit deze verklaringen blijkt dat de liquiditeit van [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] (ernstig) onder druk is komen te staan. Uit de verklaring met betrekking tot [geintimeerde 1.] blijkt dat [geintimeerde 1.], ondanks een door de bank verstrekte uitbreiding van het krediet, haar crediteuren niet meer tijdig kan betalen. Uit de verklaring met betrekking tot [geintimeerde 2.] blijkt dat het resultaat van de vennootschap in 2012 onder druk staat en dat de ontvangst van de openstaande vordering op [Projecten] Projecten noodzakelijk is om een normale bedrijfsvoering te continueren. Het hof acht het spoedeisend belang, gelijk ook de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, gelet op deze verklaringen genoegzaam aangetoond.

Aannemelijkheid van de vorderingen

4.5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] werkzaamheden hebben verricht voor [appellanten] in het kader van de projecten “[project 1.]” en “[project 2.]” en dat deze werkzaamheden gefactureerd zouden worden tegen uurtarief (dus geen vaste prijs). Tussen partijen is evenmin in geschil dat [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] ten behoeve van de uitvoering van bedoelde projecten personeel en materiaal ter beschikking hebben gesteld en dat facturering diende plaats te vinden op basis van door [appellanten] af te geven verbonningsbonnen. De werkwijze tussen partijen was, zoals vermeld hiervoor in 4.1.3, aldus dat [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] hun werkbonnen lieten aftekenen door (de uitvoerder van) [Bouwbedrijf] en dat op basis van deze afgetekende werkbonnen [appellanten] door haar geaccordeerde verbonningsbonnen aan [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] verstrekte, op basis waarvan de facturen vervolgens konden worden opgemaakt. [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] hebben de verbonningsbonnen, conform de op deze bonnen vermelde instructie (“Zonder bon geen betaling!”), steeds bij de facturen gevoegd.

4.5.2.

[geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] hebben hun vorderingen onderbouwd met de overlegging van de nog openstaande facturen alsmede de daaraan ten grondslag liggende, door [appellanten] ondertekende verbonningsbonnen en de afgetekende werkbonnen. Op de bonnen staan het aantal uren en het gehanteerde uurtarief vermeld, alsmede de werkzaamheden waarop de in rekening gebrachte uren betrekking hebben. De verbonningsbonnen zijn namens [appellanten] ondertekend door de heer [bedrijfsleider bij Transport 1.]. Door [appellanten] is niet betwist dat [bedrijfsleider bij Transport 1.], bedrijfsleider bij [appellanten], bevoegd was om namens [Projecten] Projecten en [Transport 1.] Transport de verbonningsbonnen te ondertekenen.

4.5.3.

Namens [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] is ter zitting in hoger beroep onweersproken verklaard dat het werken met verbonningsbonnen een gebruikelijke werkwijze in de branche is en dat bij de afgifte van dergelijke bonnen nooit, ook niet in het onderhavige geval, een voorwaarde van controle of nacalculatie achteraf is gesteld. Van de zijde van [appellanten] is ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zij vaker heeft gewerkt met verbonningsbonnen en dat de ontvangen werkbonnen worden vertaald naar werk en productie en worden gecontroleerd op juistheid. Indien er commentaar is op een bon, dan wordt daarover contact opgenomen. Het duurt doorgaans twee tot drie weken na binnenkomst van de afgetekende werkbonnen dat de verbonningsbon wordt afgegeven.

4.5.4.

Dat het opmaken van verbonningsbonnen, zoals door [appellanten] is betoogd, een louter administratieve handeling zou betreffen, kan naar het oordeel van het hof, in het licht van de gebleken controle op juistheid van de werkbonnen, niet worden aangenomen. Dat de bewuste verbonningsbonnen, zoals door [appellanten] verder nog is aangevoerd, door [bedrijfsleider bij Transport 1.] zonder controle zijn ondertekend toen hij in het ziekenhuis lag, is naar het oordeel van het hof voorts een omstandigheid die voor rekening en risico van [appellanten] dient te blijven. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om maatregelen te treffen teneinde de controle van de afgetekende werkbonnen en de ondertekening van de verbonningsbonnen adequaat te kunnen laten plaatsvinden, bijvoorbeeld door dit aan iemand anders op te dragen of door bij de ondertekening, in afwijking van de gebruikelijke gang van zaken, een voorbehoud van controle of nacalculatie te maken.

4.5.5.

Naar het oordeel van het hof konden [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] na ontvangst van de zonder voorbehoud van controle of nacalculatie door [appellanten] getekende verbonningsbonnen op goede grond ervan uitgaan dat de op basis van deze bonnen opgemaakte facturen de instemming hadden van [appellanten] en dat betaling zou volgen. Nu [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] de facturen met de door [appellanten] getekende verbonningsbonnen hebben overgelegd, acht het hof het bestaan en de omvang van de vorderingen in hoge mate aannemelijk.

4.5.6.

De verweren van [appellanten] dat niet alle gefactureerde werkzaamheden in haar opdracht zijn uitgevoerd, dat ten onrechte zogenaamde “stilstanduren” in rekening zijn gebracht en dat de door [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] gehanteerde prijzen niet redelijk zijn, zijn door [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] gemotiveerd weersproken en in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd om voorshands aan de toewijsbaarheid van de vorderingen in een eventuele bodemprocedure te twijfelen.

Restitutierisico

4.6.

Partijen zijn het erover eens dat er een zeker restitutierisico bestaat. Het hof is echter van oordeel dat dit risico niet opweegt tegen het grote belang van [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] bij een onverwijlde voldoening van hun vorderingen. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor over het spoedeisend belang is overwogen. Gelet op de gebleken liquiditeitsnood kan het stellen van een bankgarantie niet van [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] verlangd worden.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat de grieven falen en dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd. Het hof zal [Projecten] Projecten en [Transport 1.] Transport veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] Projecten en [Transport 1.] Transport in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerde 1.] en [geintimeerde 2.] worden begroot op € 4.961,-- aan verschotten en op € 7.896,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep,

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, P.Th. Gründemann en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 december 2013.