Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6076

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
HD 200.126.257-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding;, gebondenheid aan (wijziging van) franchiseovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.126.257/01

arrest van 17 december 2013

in de zaak van

Bridge Benelux B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. H. Knotter te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.L.M. van Gastel te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 april 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant sector kanton in kort geding gewezen vonnis van 13 maart 2013 tussen appellante – Bridge – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 876614 CV EXPL 13-1491)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met één productie;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Partijen hebben op 10 april 2009 een franchiseovereenkomst (hierna “de franchiseovereenkomst”) gesloten, waarbij Bridge de franchisegever is en [geïntimeerde] de franchisenemer. In dit kader verzorgde [geïntimeerde] opleidingen en trainingen en verrichtte hij coachwerkzaamheden bij bedrijven, overheden en instellingen als zelfstandig ondernemer met gebruikmaking van de handelsnaam en de daarbij behorende woord- en beeldmerken van Bridge.

b. Bridge heeft op grond van de franchiseovereenkomst recht op betaling van een fee door [geïntimeerde] over de door [geïntimeerde] gerealiseerde en gefactureerde omzet.

c. In artikel 4 lid 5 van de franchiseovereenkomst is bepaald:

De franchisenemer verbindt zich jegens de franchisegever om zijn huishoudelijk reglement, instructies en richtlijnen op het terrein van (…) rapportages, (…) het gebruik van het softwarepakket “B.A.S.”, inclusief agenda en facturatie (…) strikt en nauwgezet te zullen opvolgen.

De franchisegever is bevoegd wijzigingen in en aanvullingen op de instructies en richtlijnen aan te brengen.”

d. In artikel 9 lid 2 van de franchiseovereenkomst is bepaald:

“De franchisenemer is verplicht maandelijks op de laatste dag van de maand aan de franchisegever de maandrapportages te verstrekken, waaronder een overzicht van de door franchiser in deze kalendermaand verzonden facturen.”

e. Tussen partijen is een conflict ontstaan. [geïntimeerde] heeft op een zeker moment samen met enkele andere franchisenemers een gerechtelijke procedure aangespannen tegen Bridge en de aan Bridge op grond van de bepalingen uit de overeenkomst verschuldigde fee niet langer voldaan.

f. [geïntimeerde] heeft in november 2012 twee opdrachten uitgevoerd voor een klant genaamd [klant]. [geïntimeerde] heeft [klant] hiervoor op 14 respectievelijk 23 november 2012 een bedrag van in totaal € 9.830 gefactureerd. [klant] heeft dit bedrag in januari 2013 rechtstreeks aan Bridge betaald. Bridge heeft dit bedrag ondanks sommatie van [geïntimeerde] niet aan [geïntimeerde] doorbetaald.

g. [geïntimeerde] heeft bij brief van 29 november 2012 van zijn advocaat de nietigheid van de franchiseovereenkomst ingeroepen, althans de buitengerechtelijke ontbinding daarvan, althans de franchiseovereenkomst opgezegd.

4.2.

[geïntimeerde] heeft in kort geding – kort gezegd – betaling van genoemd bedrag van
€ 9.830, vermeerderd met rente en kosten gevorderd.

4.3.

Bridge heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingediend, waarbij zij heeft gevorderd – kort gezegd – veroordeling van [geïntimeerde] tot het in overeenstemming brengen van zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel met de franchiseovereenkomst en het door Bridge gehanteerde huishoudelijk reglement, veroordeling van [geïntimeerde] tot verschaffing aan Bridge van zijn volledige rapportages (offertes, getekende opdrachtbevestigingen, kopieën van facturen en maandrapportages) vanaf december 2012 overeenkomstig de franchiseovereenkomst dan wel het huishoudelijk reglement en veroordeling van [geïntimeerde] tot nakoming van het bepaalde in artikel 4 van de franchiseovereenkomst, alles op straffe van een dwangsom en vermeerderd met kosten.

4.4.

De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en de vorderingen van Bridge afgewezen.

4.5.

Bridge kan zich met deze uitspraak niet verenigen en is hiervan in beroep gekomen. Bridge heeft – kort gezegd – geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] en tot toewijzing van de vorderingen van Bridge, vermeerderd met rente en kosten. Bridge heeft in de memorie van grieven en ten pleidooie te kennen gegeven slechts voormelde vordering tot verschaffing van de rapportages door [geïntimeerde] te handhaven en de overige onderdelen van haar vordering thans niet meer opportuun te achten, nu Bridge de franchiseovereenkomst bij brief van 1 augustus 2013 heeft ontbonden.

4.6.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.7.

De door [geïntimeerde] gevraagde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. In kort geding is een dergelijke vordering slechts toewijsbaar als het bestaan en de omvang van de vordering in voldoende mate aannemelijk zijn, terwijl uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling, bij afweging van de belangen van partijen, aan toewijzing niet in de weg staat. De rechtbank heeft overwogen dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat zijn vordering een aanzienlijk deel van zijn inkomen betreft. Nu dit in hoger beroep niet ter discussie is gesteld, zal ook het hof hiervan uitgaan. Met de rechtbank oordeelt het hof dat hiermee het spoedeisend belang is gegeven. Voorts overweegt het hof ten aanzien van de toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] het volgende.

4.8.

Bridge heeft aangevoerd dat zij op 12 december 2012 aan [geïntimeerde] een brief heeft verzonden, waarin, voor zover hier van belang, staat vermeld:

“Geachte heer [geïntimeerde], Beste [geïntimeerde],

Tot onze grote spijt blijft u in gebreke t.a.v. uw betalingsverplichtingen uit hoofde van onze franchiseovereenkomst met u. Op grond hiervan, alsook uw positie op grond van het schrijven van uw advocaat d.d. 29 november jl. in aanmerking nemende, hebben wij besloten onze richtlijn aan u ten aanzien uw facturatie procedure te wijzigen.

Op grond van artikel 4 lid 5 in uw franchiseovereenkomst met ons dient u hieraan onmiddellijk gevolg te geven.

Wijziging facturatie

Onmiddellijk na uitvoering van iedere trainingsessie dient u al uw werkzaamheden voor opdrachtgevers te factureren conform de prijzen zoals deze in de getekende opdrachtbevestiging staan vermeld op de FTP server (…).

(…)

Wijziging: U dient als bankrekening te vermelden: RABO BANK nr. [rekeningnummer] t.n.v.
BridgeMoore.

Tekst op de factuur: U gelieve bovenstaand bedrag binnen 14 dagen over te maken op
Bankrekeningnr. [rekeningnummer] t.n.v. BridgeMoore.

Wij sommeren u tevens, om al uw opdrachtgevers met openstaande rekeningen (…) onmiddellijk te instrueren om hun betalingen aan bovenstaand bankrekening nummer te voldoen.

Na ontvangst van betalingen inzake facturen (…), zullen wij binnen 2 werkdagen zorgdragen voor afdracht aan u, onder aftrek van de (…) verschuldigde franchisefee hierover en onder aftrek van eventuele openstaande en vervallen facturen van Bridge Benelux BV (…). (…)

Wij behouden ons het recht voor, om uw relaties van deze wijziging op de hoogte te stellen en te verzoeken om alle betalingen (…) te voldoen op rekening nr. [rekeningnummer] t.n.v. BridgeMoore.

(…)

Bridge heeft voorts aangevoerd dat zij deze wijzigingen mocht doorvoeren op grond van het hierboven weergegeven bepaalde in artikel 4 lid 5 van de franchiseovereenkomst. Het huishoudelijk reglement, waarin Bridge deze wijziging heeft opgenomen, maakt integraal onderdeel uit van de franchiseovereenkomst. Toen Bridge op 21 januari 2013 door [klant] werd benaderd met de mededeling dat het niet lukte aan [geïntimeerde] te betalen, omdat het rekeningnummer dat op de facturen van [geïntimeerde] stond niet overeenkwam met de tenaamstelling van die rekening, heeft Bridge [klant] verzocht om een kopie van deze facturen. Bridge heeft geconstateerd dat [geïntimeerde] geen gehoor heeft gegeven aan voormelde sommatiebrief van 12 december 2012. [geïntimeerde] had [klant] niet op de hoogte gebracht van de gewijzigde facturatie procedure. Bridge heeft [klant] hierop haar rekeningnummer opgegeven en de facturen van [geïntimeerde] aangepast geretourneerd aan [klant]. Dit handelen van Bridge is in het licht van het feit dat Bridge nog een vordering op [geïntimeerde] had betreffende de achterstallige franchisefee die de betaling van [klant] ruim overschrijdt en het feit dat [geïntimeerde] op ondeugdelijke gronden had aangegeven de franchisefee in de toekomst ook niet meer te zullen afdragen, alleszins gerechtvaardigd, aldus Bridge.

4.9.

De door Bridge gestelde feiten maken naar het voorlopig oordeel van het hof evenwel nog geenszins dat Bridge heeft mogen handelen zoals zij heeft gedaan jegens [geïntimeerde]. Dat Bridge rechtsgeldig eenzijdig de contractuele verhouding tussen – kennelijk alleen – [geïntimeerde] en haarzelf kon wijzigen, is in onderhavige procedure onvoldoende aannemelijk geworden. Bridge heeft naar voren gebracht dat [geïntimeerde] contractuele mogelijkheden had bezwaar te maken tegen door haar aangebrachte wijzigingen en dat zulk bezwaar tot overleg en nadere afspraken zou hebben geleid. Dit lijkt te impliceren dat Bridge ook volgens haar eigen stellingen eenzijdige wijzingen niet zonder meer kon doorvoeren. In de conflictueuze situatie waarin partijen zich reeds bevonden lijkt geen ruimte te zijn geweest voor een eenzijdige wijziging als onderhavige. De stelling van Bridge dat zij uit het feit dat [geïntimeerde] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot bezwaar heeft mogen afleiden dat [geïntimeerde] zich bij de wijziging had neergelegd, kan het hof niet volgen, vooral niet in het licht van de in r.o. 4.1. onder g genoemde brief van 29 november 2012 van de advocaat van [geïntimeerde] aan Bridge. Voorts was Bridge, voor zover zij toch geacht moet worden eenzijdig de contractuele verhouding te hebben mogen wijzigen, daarmee naar het voorlopig oordeel van het hof in ieder geval nog niet zonder meer gerechtigd [klant] op voormelde wijze aan haar te laten betalen. Dat [geïntimeerde] nog franchisefee aan Bridge verschuldigd was en zou zijn, is daarvoor onvoldoende. Met bovenstaand oordeel kan het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] op de hoogte was van de in r.o. 4.8. geciteerde sommatie van Bridge van 12 december 2012 – [geïntimeerde] weerspreekt genoemde brief te hebben ontvangen – in het midden blijven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vraag betreffende de toepasselijkheid van het door Bridge gestelde huishoudelijk reglement.

4.10.

Nu overigens niet in geschil is dat [geïntimeerde], in het geval waarin van voormelde wijziging geen sprake zou zijn, gerechtigd was de betaling van [klant] te incasseren, komt het hof in onderhavige procedure tot het oordeel dat aan de hierboven onder 4.7. vermelde criteria is voldaan en dat de vordering van [geïntimeerde] dient te worden toegewezen.

4.11.

Bridge heeft de spoedeisendheid van haar vordering tot verschaffing door [geïntimeerde] van genoemde rapportages onder meer onderbouwd met de stelling dat zij geen franchisefee kan incasseren bij [geïntimeerde]. Het hof begrijpt dat Bridge in de lopende procedure(s) de betreffende informatie nodig heeft ter onderbouwing van haar vordering op [geïntimeerde]. Hiermee is ook het spoedeisend belang van voormelde vordering van Bridge gegeven.

4.12.

Zoals reeds vermeld staat vast dat de franchiseovereenkomst bepaalde dat [geïntimeerde] genoemde rapportages aan Bridge diende te verschaffen. Thans is nog niet duidelijk of en in hoeverre de bepalingen van de franchiseovereenkomst nog van kracht waren vanaf december 2012. [geïntimeerde] heeft aanvullend ten verweer nog slechts aangevoerd dat Bridge bewijsbeslag heeft doen leggen, zodat het in onderhavige procedure door Bridge gevorderde reeds verkregen is. Dit laatste is echter niet het geval, daar bewijsbeslag niet meer is dan een conservatoire maatregel. Aan Bridge is hiermee geen inzage verschaft in de in onderhavige procedure gevorderde informatie. Nu [geïntimeerde] de vordering van Bridge overigens niet heeft weersproken, is deze naar het voorlopig oordeel van het hof toewijsbaar, voor zover ziende, in aansluiting op de stellingen van partijen, op de periode van december 2012 tot 1 augustus 2013. Nu Bridge haar vordering voor het overige niet handhaaft, komt het restant daarvan niet voor toewijzing in aanmerking.

4.13.

Bridge heeft niets gesteld op grond waarvan het opleggen van een dwangsom aangewezen is. Dit deel van de vordering zal dan ook niet worden toegewezen.

4.14.

Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden vonnis in conventie zal worden bekrachtigd en in reconventie zal worden vernietigd.

4.15.

In het feit dat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren als na te melden.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 13 maart 2013 van de rechtbank Oost-Brabant voor zover ziende op de in conventie toegewezen hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente;

vernietigt het bestreden vonnis van 13 maart 2013 van rechtbank Oost-Brabant voor het overige en,

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] aan Bridge genoemde rapportages vanaf december 2012 tot
1 augustus 2013 te verschaffen binnen twee weken na betekening van dit arrest;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg en de procedure in hoger beroep tussen partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, E.K. Veldhuijzen van Zanten en G.M.J. Ackermans en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 december 2013.