Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6067

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
HD 200.117.534-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vorderingen tot vernietiging van akte verdeling en akte huwelijkse voorwaarden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.117.534/01

arrest van 17 december 2013

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart,

tegen

  1. [geïntimeerde 1.], executeur testamentair van dhr.[erflater],

    wonende te [woonplaats 2],

  2. [geïntimeerde 2.],

    wonende te [woonplaats 3],

  3. [geïntimeerde 3.],

    wonende te [woonplaats 4],

geïntimeerden,

advocaat: mr. W.H. Benard,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 november 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 10 oktober 2012 tussen appellante – de vrouw – als eiseres en geïntimeerden – hierna: de erven [erflater] – als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 246844/HA ZA 12-188)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het daaraan vooraf gegane tussenvonnis van 16 mei 2012, waarbij een comparitie van partijen is gelast.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties, tevens eiswijziging;

- de memorie van antwoord;

- het pleidooi, waarbij de vrouw is bijgestaan door mr. Voorvaart en mr. F.G.G. Franssen en waarbij mr. Voorvaart pleitnotities heeft overgelegd;

- de op 15 oktober 2013 door de vrouw in het geding gebrachte productie 5.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft in rov. 3.1. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht zodat het hof van dezelfde feiten uitgaat.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

De vrouw is op [trouwdatum] 1978 in gemeenschap van goederen gehuwd met[erflater] (hierna: de man). Bij akte huwelijkse voorwaarden van 5 juni 2000 zijn de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk van de vrouw en de man met ingang van 6 juni 2000 geregeld door huwelijkse voorwaarden, inhoudende een beperkte gemeenschap van goederen en is de tussen hen bestaande algehele gemeenschap van goederen opgeheven en verdeeld. De akte van verdeling van 5 juni 2000, waaraan een “Opstelling met betrekking tot de verdeling” is gehecht, bevat – voor zover hier van belang – de navolgende bepalingen:

“(…)

I. INLEIDING

(…) De deelgenoten zijn overeengekomen de goederen behorende bij voormelde ontbonden algehele gemeenschap van goederen te verdelen, onder de opschortende voorwaarde dat de algehele gemeenschap van goederen door invoering van voormelde huwelijksvoorwaarden ontbonden is.

Als de dag van verdeling geldt 1 november negentienhonderd negen en negentig. (…).

II. VERDELING

(…) Thans overgaande tot verdeling, verklaarden comparanten (…) toe te delen, als volgt:

aan de verschenen persoon sub a. [erflater], die bij deze mitsdien in volledige gerechtigheid aanvaardt:

de op voormelde staat sub 1 vermelde baten, (…) en om wegens overbedeling aan zijn echtgenote uit te keren het op voormelde staat vermelde bedrag van overbedeling;

aan de verschenen persoon sub b. [appellante], die bij deze mitsdien in volledige gerechtigheid aanvaardt:

de op voormelde staat sub 2 vermelde baten, waaronder: (…)

alsmede voormelde vordering wegens overbedeling op haar echtgenoot. Voormelde vordering uit hoofde van overbedeling is door verrekening voldaan, waarvoor de verschenen persoon sub b. aan haar echtgenoot kwijting verleent. (…).

IV. OVERIGE BEPALINGEN

(…) Voormelde verdeling is geschied onder de volgende bepalingen:

(…) 3. Partijen hebben ter zake deze verdeling niets meer van elkaar te vorderen, zodat zij elkaar kwijting en décharge verlenen zonder enig voorbehoud. (…)”

4.1.2.

Uit de aan de akte van verdeling gehechte “opstelling met betrekking tot de verdeling” valt op te maken dat de in de akte vermelde vordering van de vrouw op de man uit hoofde van overbedeling fl. 607.212,-- (derhalve € 275.540,--) bedraagt.

4.1.3.

De man is overleden op 3 maart 2011. De vrouw is door de man bij testament van 8 juli 1991 uitgesloten als zijn erfgenaam. De enig erfgenamen van de man zijn de drie dochters van de man uit zijn eerste huwelijk, geïntimeerden in dit hoger beroep.

4.1.4.

De vrouw vorderde in eerste aanleg betaling door de erven [erflater] van een bedrag van € 275.540,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 1999, omdat zij de in de akte van verdeling vermelde door de man verschuldigde uitkering wegens overbedeling van hem ad fl. 607.212,-- (€ 275.540,00) nimmer heeft ontvangen.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van de vrouw afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat in de akte van verdeling weliswaar enerzijds is opgenomen dat de man wegens overbedeling verplicht is aan de vrouw uit te keren het bedrag dat volgt uit de bij die akte gevoegde vermogensopstelling, zijnde fl. 607.212,--, doch dat tevens in deze akte is opgenomen dat deze vordering van de vrouw uit hoofde van overbedeling door verrekening is voldaan, waarvoor zij aan de man kwijting verleent. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit de overeenkomst tot verdeling thans geen verplichting voortvloeit aan de zijde van de man tot betaling van enig bedrag aan de vrouw.

4.2.

De vrouw kan zich met dit vonnis niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

4.3.

De vrouw heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd. De vrouw heeft thans de volgende vordering ingesteld:

Vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende:

Primair:

I. te vernietigen de op 5 juni 2000 door notaris M. Rompes te Nieuwerkerk aan den IJssel verleden akte van huwelijkse voorwaarden;

II. te vernietigen ex artikel 1:88 onder b BW jo. artikel 1:89 lid 1 BW de schenkingen die de man in de periode 6 juni 2000 tot en met 3 maart 2011 aan geïntimeerden heeft gedaan;

III. te verdelen de wettelijke gemeenschap van goederen die tussen de man en de vrouw heeft bestaan van [trouwdatum] 1978 tot en met 3 maart 2011, een en ander met inachtneming van hetgeen onder punt 33 tot en met 36 door appellante is opgemerkt, althans een zodanige verdeling vast te stellen als het hof juist acht;

IV. geïntimeerden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk, des de een meer heeft betaald de ander zal zijn gekweten, althans gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 afzonderlijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw een bedrag te betalen ad € 275.540,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2000, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;

V. geïntimeerden sub 1, sub 2 en sub 3 afzonderlijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de helft van de door de man verrichte kennelijke schenkingen aan geïntimeerden tot een bedrag ad € 117.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat zij de schenking hebben ontvangen, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening.

Subsidiair:

I. te verdelen de wettelijke gemeenschap van goederen die tussen de man en de vrouw heeft bestaan van [trouwdatum] 1978 tot en met 5 juni 2000, een en ander met inachtneming van hetgeen onder 40 door appellante is opgemerkt en voorts geïntimeerden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk, des de een heeft betaald de ander zal zijn gekweten, althans gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 afzonderlijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw een bedrag te betalen ad € 275.540,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2000, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening.

Meer subsidiair:

I. te vernietigen de op 5 juni 2000 door notaris M. Rompes te Nieuwerkerk aan den IJssel verleden akte van verdeling;

II. te verdelen de wettelijke gemeenschap van goederen die tussen de man en de vrouw heeft bestaan van [trouwdatum] 1978 tot en met 5 juni 2000, een en ander met inachtneming van hetgeen onder 42 door appellante is opgemerkt en voorts geïntimeerden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk, des de een heeft betaald de ander zal zijn gekweten, althans gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 afzonderlijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw een bedrag te betalen ad € 275.540,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2000, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening.

Uiterst subsidiair:

Geïntimeerden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk, des de een heeft betaald de ander zal zijn gekweten, althans gedaagden sub 1, sub 2 en sub 3 afzonderlijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw een bedrag te betalen ad € 275.540,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juni 2000, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;

Primair, subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair:

Geïntimeerden sub 1, sub 2 en sub 3 hoofdelijk, des de een heeft betaald de ander zal zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

4.4.

De vrouw heeft voorts twee grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis:

  • -

    ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de in de akte van verdeling opgenomen vordering van de vrouw op de man wegens overbedeling door middel van verrekening is voldaan (grief 1);

  • -

    ten onrechte heeft de rechtbank de vrouw niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs ex artikel 151 lid 2 Rv (grief 2).

4.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Eiswijziging

4.6.

De vrouw heeft de grondslag van haar vordering en haar eis in hoger beroep gewijzigd.

De erven [erflater] hebben bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van eis vanwege strijd met de goede procesorde. Volgens de erven [erflater] verlaat de vrouw volledig de grondslag van haar oorspronkelijke vordering, welke oorspronkelijke vordering slechts terugkomt in hetgeen in appel uiterst subsidiair gevorderd wordt. Er is sprake van een geheel nieuwe rechtsstrijd in hoger beroep. Met betrekking tot de vernietiging van de akte huwelijkse voorwaarden, de vernietiging van de schenkingen en de vernietiging van de akte van verdeling wordt hen een feitelijke instantie ontnomen, aldus de erven [erflater]. Gezien de verstrekkendheid van de gevolgen indien de huidige vordering wordt toegewezen, had met betrekking tot deze vorderingen een nieuwe procedure bij de rechtbank gestart moeten worden. De erven [erflater] verzoeken het hof dan ook uitsluitend de grieven I en II van de vrouw in behandeling te nemen.

4.6.2.

Het hof overweegt als volgt.

De erven [erflater] hebben aangevoerd dat hen door de wijziging van eis in het debat over de vernietigbaarheid van de akte van huwelijkse voorwaarden, de schenkingen en de akte van verdeling een rechterlijke instantie wordt onthouden. Het verlies van een instantie is echter inherent aan het feit dat de wet toestaat dat een eis ook in hoger beroep kan worden gewijzigd, artikel 130 jo. 353 lid 1 Rv. Bijzondere omstandigheden die maken dat door de wijziging van eis sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde zijn gesteld noch gebleken. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

Vernietiging van de akte van huwelijkse voorwaarden wegens wilsgebrek

4.7.

De vrouw doet een beroep op vernietiging van de akte van huwelijkse voorwaarden omdat deze onder invloed van een wilsgebrek, namelijk bedrog, dwaling en/of misbruik van omstandigheden, tot stand zou zijn gekomen. Haar stelling komt er – kort samengevat – op neer dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de man haar in zijn testament had onterfd en daardoor de gevolgen die het aangaan van de huwelijkse voorwaarden voor haar zouden hebben niet dan wel onvoldoende kon overzien.

4.7.1.

Ten aanzien van de door de vrouw gestelde wilsgebreken overweegt het hof dat ter terechtzitting omtrent de reden voor het staande het huwelijk opmaken van de huwelijkse voorwaarden het volgende is gebleken.

In 2000 weigerde de man nog langer betalingen te verrichten ten behoeve van de zoon van de vrouw. In het bijzonder wilde hij niet betalen voor de zelfstandige huisvesting van de zoon van de vrouw. Ook wenste de man te voorkomen dat de zoon van de vrouw in de toekomst iets van hem zou erven. In verband met voornoemde omstandigheden hebben partijen besloten huwelijkse voorwaarden aan te gaan en het huwelijksvermogen te delen, teneinde er voor te zorgen dat de vrouw kon beschikken over eigen vermogen waarmee zij desgewenst kon voorzien in het levensonderhoud van haar zoon en een eigen woning voor hem kon aanschaffen, hetgeen ook is gebeurd.

De vrouw heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij ook zou hebben gekozen voor het opstellen van huwelijkse voorwaarden indien zij bekend was geweest met de inhoud van het testament van de man, aangezien zij anders niet had kunnen beschikken over de benodigde financiële middelen om haar zoon te helpen.

Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden aangenomen dat de huwelijkse voorwaarden onder invloed van een wilsgebrek tot stand zijn gekomen.

4.7.2.

Daar komt bij dat het verzwijgen van de inhoud van zijn testament niet als bedrog van de man kan worden aangemerkt. Nog los van het feit dat de man niet verplicht was de vrouw de inhoud van zijn testament mede te delen, is de man duidelijk geweest in zijn motieven voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden. De man kon het door hem gewenste doel – voorkomen dat de zoon van de vrouw in de toekomst iets van hem zou erven – slechts bereiken door middel van het opstellen van huwelijkse voorwaarden in combinatie met een testament waarin de vrouw als erfgenaam werd uitgesloten. Van enig bedrieglijk gedrag van de man is derhalve geen sprake geweest.

4.7.3.

Het hof is voorts van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de vrouw door de man onwetend is gehouden omtrent de inhoud van het testament onvoldoende is om misbruik van omstandigheden of dwaling aan te nemen. Andere feiten en omstandigheden zijn door de vrouw niet gesteld.

4.7.4

Het hof is derhalve van oordeel dat er geen grond aanwezig is voor vernietiging van de akte van huwelijkse voorwaarden, zodat deze vordering van de vrouw zal worden afgewezen.

4.7.5.

Nu blijkens het vorenoverwogene vernietiging van de akte van huwelijkse voorwaarden niet aan de orde is, zal het hof hetgeen door partijen over en weer is gesteld omtrent de eventuele verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging onbesproken laten.

Vernietiging van de schenkingen op grond van artikel 1:88 lid 1 onder b jo. artikel 1:89 lid 1

4.8.

Ten aanzien van de schenkingen begrijpt het hof de stellingen van de vrouw aldus dat voor zover het hof de akte van huwelijkse voorwaarden zou vernietigen, dit gevolgen heeft voor de schenkingen die de man in de periode van 6 juni 2000 tot de datum van zijn overlijden aan zijn dochters (de erven) heeft gedaan. (Het hof verwijst hiervoor naar punt 37 van de memorie van grieven en punt 30 van de pleitnotities van mr. Voorvaart). Wat er ook zij van deze veronderstelling van de vrouw: de consequentie van haar stellingname is dat, nu

de vordering tot vernietiging van de akte van huwelijkse voorwaarden niet toewijsbaar is, daarmee de grondslag van haar vordering tot vernietiging van de door haar bedoelde schenkingen vervalt.

4.9.

De primaire vordering van de vrouw dient derhalve integraal te worden afgewezen.

Vernietiging van de akte van verdeling

4.10.

Het beroep van de vrouw op vernietiging van de akte van verdeling stuit af op de vervaltermijn opgenomen in artikel 3:200 BW, welke bepaling het hof ambtshalve dient toe te passen, zoals ook is besproken ter gelegenheid van het pleidooi.

Het hof zal de subsidiaire en meer subsidiaire vordering van de vrouw derhalve afwijzen.

Nakoming van de akte van verdeling

4.11.

Uiterst subsidiair vordert de vrouw nakoming van de akte van verdeling en betaling van een bedrag ad € 275.540,--, zijnde de overbedelingsuitkering die in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen in 2000 was berekend (grief 1).

De vrouw stelt dat weliswaar in de notariële verdelingsakte is opgenomen dat de overbedelingsuitkering door middel van verrekening is voldaan, doch volgens haar is dit onjuist en is de vordering niet door verrekening voldaan. De erven [erflater] stellen daarentegen dat de vordering door verrekening is voldaan en dat partijen elkaar over en weer kwijting hebben verleend. Voorts stellen de erven [erflater] dat de vordering tot nakoming is verjaard.

4.11.1.

Het hof is van oordeel dat, nu in de akte van verdeling ten aanzien van de overbedelingsvordering van de vrouw op de man is opgenomen dat deze door verrekening is voldaan en hierbij ook uitdrukkelijk is bepaald dat de vrouw hiervoor aan de man kwijting verleent, de vrouw thans geen beroep kan doen op nakoming van deze akte. De vrouw heeft middels de (ten aanzien van de verrekening van de overbedelingsvordering uitdrukkelijke) kwijtingsbepaling afstand gedaan van haar recht.

4.11.2.

Gelet op het voorgaande kan het hof hetgeen door partijen over en weer is gesteld omtrent de eventuele verjaring van de rechtsvordering tot nakoming onbesproken laten.

4.11.3.

De eerste grief van de vrouw faalt derhalve en de uiterst subsidiaire vordering van de vrouw dient te worden afgewezen. Ook het leveren van tegenbewijs is gelet op het voorgaande niet aan de orde, zodat ook de tweede grief van de vrouw faalt.

4.12.

Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de vermeerderde eis afwijzen.

4.13.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Breda van 10 oktober 2012, onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor is overwogen;

wijst af hetgeen in hoger beroep bij vermeerdering van eis is gevorderd;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, M.J. van Laarhoven en T.J. Mellema, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 december 2013.