Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6063

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
HD 200.113.410_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

recht op uitkering uit hoofde van arbeidsongeschiktheid? Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.113.410/01

arrest van 17 december 2013

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. R. Haouli,

tegen

Taf B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. Lameris,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 september 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank 's Hertogenbosch gewezen vonnissen van 15 februari 2012 en 13 juni 2012 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – Taf – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 235157/HA ZA 11-1386)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan vorafgegane vonnis van 26 oktober 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In overweging 2 van het bestreden vonnis van 15 februari 2012 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

( a) [appellant] heeft in 2008 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Taf die inging op 1 november 2008 (hierna: de arbeidsongeschiktheidsverzekering). De verzekering is ondergebracht bij Quantum Leben AG te [vestigingsplaats], Lichtenstein, voor wie Taf optreedt als gevolmachtigd agent.

( b) De arbeidsongeschiktheidsverzekering geeft [appellant] recht op een uitkering van € 1.800,= per maand ingeval van arbeidsongeschiktheid.

( c) In de algemene verzekeringsvoorwaarden die behoren bij de verzekeringspolis van de arbeidsongeschiktheidsverzekering (prod. 4 inl. dagv.) wordt onder meer als volgt vermeld:

2. Grondslag van de verzekering

(..)

2.2

Bij elke opzettelijke onjuistheid of onvolledigheid in de opgaven en/of verklaringen die van belang zijn voor de administrateur voor de beoordeling van de aanvraag tot verzekering, heeft de verzekeraar het recht de verzekering te beëindigen conform het bepaalde in art. 7:930 lid 4 en 5 BW.

(..)

3. Aanvang, duur en einde van de verzekering

(..)

3.4

de verzekering, en daarmee het recht op uitkering, eindigt voor een verzekerde onverminderd het elders in deze voorwaarden bepaalde over opzegging en beëindiging van de verzekering, wanneer één van de volgende situatie zich voordoet:

(..)

d. Op de datum dat verzekerde emigreert;

(..)

f. Indien de verzekerde of de verzekeringnemer opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of heeft laten verstrekken;

(..)

h. Indien verzekerde de actieve beroepsbezigheden definitief stopzet door een andere oorzaak dan arbeidsongeschiktheid;

(..)

5. Dekking bij arbeidsongeschiktheid

(..)

5.4.

Verzekerde dient voorafgaand aan de eerste dag van arbeidsongeschiktheid voor tenminste 16 uur per week en voor tenminste 4 weken betaald en actief aan het arbeidsproces te hebben deelgenomen, bij gebreke waarvan arbeidsongeschiktheid geen recht op uitkering geeft.

(..)

10. Algemene uitsluitingen

Voor de verzekering geldt dat er geen recht op uitkering bestaat voor:

(..)

o. Indien verzekerde na het ontstaan van arbeidsongeschiktheid niet volledig, en/of niet tijdig mee werkt en/of in het geheel niet meewerkt aan de vaststelling van de oorzaak en mate van zijn arbeidsongeschiktheid;

p. Indien verzekerde na het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid de verplichtingen tot het verstrekken van informatie en/of het meewerken aan onderzoek(en) ter vaststelling van de oorzaak en mate van arbeidsongeschiktheid niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar/administrateur te misleiden.

(..)

11. Verplichtingen bij schade

(..)

11.4.

Verzekerde is, op straffe van verval van (het recht op) uitkering verplicht:

a. Zich onmiddellijk onder behandeling van een huisarts of specialist te stellen, alle adviezen van zijn behandelend huisarts, specialist en/of geneeskundig adviseur van verzekeraar op te volgen totdat hij weer geheel hersteld is, al het mogelijke te doen om het herstel te bevorderen en verder na te laten wat het herstel kan verhinderen of vertragen;

(..)

c. Alle door de verzekeraar benodigde gegevens aan hem of aan door hem aangewezen (medische) deskundigen te (doen) verstrekken of daartoe de nodige machtigingen te verlenen. Voorts geen feiten of omstandigheden te verzwijgen of onjuist voor te stellen die voor de vaststelling van het recht op uitkering of de mate van arbeidsongeschiktheid van belang zijn. (..)

g. Indien verzekerde of verzekeringnemer één of meer verplichtingen bij schade zoals vermeld in deze verzekeringsvoorwaarden niet is nagekomen, en daardoor de belangen van de verzekeraar heeft geschaad, bestaat geen recht op enige uitkering. Elke aanspraak op enige vergoeding, premierestitutie daaronder begrepen, komt tevens te vervallen.

(..)

12. Einde van (het recht op) uitkering

12.1.

Een periodieke uitkering eindigt:

(..)

d. Indien verzekerde of verzekeringnemer één of meer verplichtingen bij schade zoals vermeld in de bijzondere bepalingen niet is nagekomen, en daardoor de belangen van de verzekeraar heeft geschaad, bestaat geen recht op uitkering. Elke aanspraak op enige vergoeding, premirestitutie daaronder begrepen, komt tevens te vervallen;

25. Meldingsplicht

Naast het elders in deze algemene verzekeringsvoorwaarden vermelde over meldingsplicht is/zijn verzekeringnemer, verzekerde en/of nabestaande(n) verplicht verzekeraar direct schriftelijk kennis te geven, wanneer:

a. verzekerde voor langer dan twee maanden naar het buitenland vertrekt;

b. verzekerde verhuist tijdens de looptijd van de verzekering; ’

( d) Op of omstreeks 28 december 2008 is [appellant] arbeidsongeschikt geworden.

( e) Na psychiatrisch onderzoek heeft Taf bij brief van 21 september 2009 (prod. 7 inl. dagv.) besloten tot toekenning van de claim.

( f) Bij brief van 7 oktober 2009 (prod. 8 inl. dagv.) heeft Taf de claim alsnog afgewezen en heeft zij de verzekering per 1 oktober 2009 geroyeerd.

4.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd:

( a) veroordeling van Taf tot betaling van € 41.880,=, vermeerderd met wettelijke rente;

( b) verklaring voor recht dat Taf onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld door hem zonder reden in het EVA-register te (laten) registreren, met veroordeling van Taf tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

( c) veroordeling van Taf om binnen veertien dagen na vonnis in deze zaak te bewerkstelligen dat (de registratie van) [appellant] uit het EVA-register wordt verwijderd op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,= per dag;

( d) veroordeling van Taf tot betaling van een schadevergoeding van EUR 1.788,= vanwege buitengerechtelijke kosten;

( e) veroordeling van Taf in de proceskosten, vemeerderd met wettelijke rente en nakosten.

4.3.

Taf heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.4.

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 februari 2012 [appellant] in de gelegenheid gesteld bewijs en tegenbewijs te leveren. [appellant] heeft afgezien van bewijslevering. Bij vonnis van 13 juni 2012 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen, onder veroordeling van hem in de proceskosten.

4.5.

De grieven I tot en met V zijn gericht tegen een aantal overwegingen in de bestreden vonnissen die hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen van [appellant].

Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.

[appellant] heeft geen grieven gericht tegen afwijzing van zijn vorderingen tot (1) verklaring voor recht dat Taf onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem zonder reden in het EVA-register te laten opnemen onder veroordeling van Taf tot vergoeding van de hiermee gemoeide schade nader op te maken bij staat (4.2 sub b) en (2) veroordeling van Taf om te bewerkstelligen dat de registratie van [appellant] in het EVA-register wordt verwijderd op straffe van een dwangsom (4.2 sub c). Deze vorderingen zijn derhalve in hoger beroep niet meer aan de orde.

4.6.

[appellant] legt aan zijn vordering tot betaling van € 41.880,= ten grondslag dat hij op 1 november 2008 een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten met Taf. Nu [appellant] vanaf 28 december 2008 tot 16 januari 2011 arbeidsongeschikt is geweest, is Taf gehouden [appellant] in totaal een bedrag van € 41.880,= te voldoen, zo stelt [appellant].

4.7.1.

Taf betwist niet dat [appellant] in voormelde periode arbeidsongeschikt is geweest in de zin van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Nu dit derhalve vaststaat, is Taf naar het oordeel van het hof in beginsel gehouden [appellant] over voormelde periode een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering te betalen.

4.7.2.

Taf voert echter het verweer dat [appellant]

(1) niet voldoet aan de voorwaarde dat hij voorafgaand aan 28 december 2008 gedurende minimaal 4 weken minstens 16 uur per week betaald en actief aan het arbeidsproces heeft deelgenomen (artikel 5 lid 4 polisvoorwaarden);

(2) op het aanvraagformulier ter zake de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het schade aangifteformulier (met de opzet Taf te misleiden) in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat hij woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats];

(3) Taf - bij het aangaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en bij het verzoek om een uitkering - (met de opzet Taf te misleiden) niet op de hoogte heeft gesteld van het (gestelde) gegeven dat de onderneming van [appellant] was beëindigd;

(4) in het kader van zijn beroep op een uitkering (met de opzet Taf te misleiden) vervalste opdrachtformulieren aan Taf heeft verstrekt;

(5) geweigerd heeft een medische machtiging te verstrekken aan de medisch adviseur van Taf; en

(6) niet heeft voldaan aan zijn verplichting zijn herstel zoveel mogelijk te bevorderen. Voormelde feiten brengen ieder voor zich en/of tezamen met zich dat [appellant] geen recht heeft op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, aldus Taf.

4.8.

Partijen bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn formeel [appellant] en Quantum Leben AG. Taf heeft echter gesteld dat zij als gevolmachtigd agent van Quantum Leben AG in Nederland optreedt als ware zij deze verzekeraar, en zich derhalve gebonden acht aan de arbeidsongeschiktheidsverzekering. [appellant] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Het hof zal dan ook – evenals de rechtbank – er van uitgaan dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering is gesloten tussen [appellant] en Taf.

4.9.

Taf voert onder meer het verweer dat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarde dat hij gedurende minimaal vier weken vóór zijn arbeidsongeschiktheid op 28 december 2008 minstens 16 uur per week betaald en actief aan het arbeidsproces deelnam (artikel 5 lid 4 polisvoorwaarden).

[appellant] stelt dat hij voorafgaand aan de eerste dag van arbeidsongeschiktheid op 28 december 2008 wel degelijk voor tenminste 16 uur per week en voor tenminste 4 weken betaald en actief aan het arbeidsproces heeft deelgenomen.

Naar het oordeel van het hof rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast dat zich een onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering gedekt voorval heeft voorgedaan dat als rechtsgevolg heeft dat Taf tot uitkering is gehouden, op [appellant]. De bepaling als opgenomen in artikel 5 lid 4 van de polisvoorwaarden komt neer op een voorwaarde voor het recht van [appellant] op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering (evenals de in de andere leden van artikel 5 (‘dekking bij arbeidsongeschiktheid’) opgenomen voorwaarden). Derhalve rust de stelplicht en bewijslast dat aan de voorwaarde van artikel 5 lid 4 is voldaan op [appellant].

Overigens is artikel 5 lid 4 niet onduidelijk in de zin van artikel 6:238 lid 2 BW (voor zover deze bepaling al toepasselijk is).

4.10.

Ter onderbouwing van de stelling van [appellant] dat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij gedurende voor zijn arbeidsongeschiktheid op 28 december 2008 minimaal vier weken minstens 16 uur per week betaald en actief aan het arbeidsproces deelnam, voert [appellant] het volgende aan.

[appellant] verrichte zijn werkzaamheden als assurantietussenpersoon – vanwege fiscale redenen - vanuit de stichting Aandelenbeheer Adviesgroep Nederland (hierna: de stichting). Uit de jaarrekening van de stichting over het jaar 2008 blijkt dat de stichting in dat jaar een omzet heeft gemaakt van € 128.726,= en dat aan [appellant] een managementfee is toegekend van € 36.800,=. Bovendien blijkt uit de door [appellant] overgelegde opdrachtformulieren en bankafschriften dat hij in 2008 heeft gewerkt, zo stelt hij.

4.12.

Taf betwist dat [appellant] zijn werkzaamheden als assurantietussenpersoon verrichtte vanuit de stichting. [appellant] verrichtte deze werkzaamheden vanuit Intermediair Nederland Limited (hierna: Intermediair Nederland Ltd.), zo stelt Taf. Intermediair Nederland Ltd. beschikte over de benodigde vergunning van de Autoriteit Financiële Markten om als assurantietussenpersoon werkzaam te zijn, terwijl de stichting zo’n vergunning niet had. Nu [appellant] vanaf 1 juni 2008 geen werkzaamheden meer verricht via Intermediair Nederland Ltd., is hij sedertdien gestopt met zijn werk als assurantietussenpersoon, aldus Taf.

4.13.1.

Nu Taf de stelling van [appellant] dat hij voorafgaand aan de eerste dag van arbeidsongeschiktheid op 28 december 2008 minimaal vier weken minstens 16 uur per week betaald en actief aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, gemotiveerd betwist, dient [appellant] deze te bewijzen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dit bewijs niet op voorhand geleverd. Ter motivering hiervan wordt als volgt overwogen.

4.13.2.

[appellant] betwist niet dat hij sedert 1 juni 2008 geen werkzaamheden heeft verricht via Intermediair Nederland Ltd., zodat het hof hiervan uitgaat. De stelling van [appellant] dat hij sedertdien werkzaamheden heeft verricht via een ander, met name de stichting, is op voorhand niet komen vast te staan. In de (gestelde) jaarrekening over 2008 van de stichting (prod. 10 inl. dagv.) wordt immers niet vermeld dat deze is samengesteld en/of gecontroleerd door een accountant. Voorts blijkt uit de jaarrekening niet dat haar inkomsten het resultaat zijn van werkzaamheden door [appellant], en evenmin welk deel van deze (eventuele) werkzaamheden in december 2008 zijn verricht. Hetzelfde geldt voor de overgelegde bankafschriften (prod. 12 inl. dagv.) uit de periode januari – november 2008 (en één van december 2008) van – naar het hof begrijpt – de stichting.

Evenmin is komen vast te staan dat [appellant] voor een ander dan de stichting heeft gewerkt. Volgens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg heeft [appellant] weliswaar verklaard dat dit het geval was (met name voor Novatrust VOF), maar hij heeft deze stelling niet onderbouwd met stukken. Voorts heeft [appellant] geen aangifte IB/pvv 2008 of een biljet van een proces over het jaar 2008 overgelegd, noch uitgelegd waarom dit niet mogelijk is.

Het verlangde bewijs wordt ook niet geleverd door de opdrachtformulieren (prod. 11 inl. dagv.) van de heer [heer 1.] van 17 september 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 1.500,=), de heer [heer 2.] van 11 november 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 6.500,=), de heer [heer 3.] van 29 november 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 795,=) en mevrouw [mevrouw 1.] van 7 december 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 6.000,=). Allereerst volgt uit de opdrachten niet, althans niet zonder meer dat [appellant] in december minimaal 4 weken minstens 16 uur per week heeft gewerkt. Daarbij betwist Taf de echtheid van de handtekeningen onder deze formulieren, onder verwijzing naar verklaringen van voormelde heer Janssen van 26 september 2011 (prod. 5 cva) en mevrouw [echtgenote van heer 1.] (echtgenote voormelde heer Altena; prod. 5 cva), ongedateerd (hierover nader 4.17).

4.13.3.

Voor zover uit de jaarrekening, de bankafschriften en de opdrachtformulieren al enig bewijs zou kunnen worden afgeleid, leiden deze stukken niet tot een ander oordeel. [appellant] heeft immers niet betwist dat de stichting niet beschikte over de benodigde vergunning van de Autoriteit Financiële Markten om als assurantietussenpersoon werkzaam te zijn en dat de vergunning van Intermediair Nederland Ltd. was ingetrokken, zodat dit vaststaat. Verder komen werkzaamheden door de stichting als assurantietussenpersoon niet overeen met de bedrijfsomschrijving van de stichting in het uitreksel van het handelsregister, te weten het beheren van aandelen in- en de uitoefening van bestuurstaken over vennootschappen en ondernemingen (prod. 1 inl. dagv.). Voorts blijkt uit de overeenkomst tussen Taf en Intermediair Nederland Ltd. van 24 februari 2006 (prod. 1 cva) dat [appellant] zijn werkzaamheden als assurantietussenpersonen voor Taf in ieder geval verrichtte vanuit Intermediair Nederland Ltd., en niet vanuit de stichting.

4.13.4.

Het hof zal [appellant] alsnog in de gelegenheid stellen te bewijzen dat hij in de periode voorafgaand aan 28 december 2008 minimaal 4 weken minstens 16 uur per week betaald en actief aan het arbeidsproces heeft deelgenomen.

Wanneer [appellant] niet slaagt in dit bewijs, is niet komen vast te staan dat aan alle voorwaarden voor zijn recht op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is voldaan. De vorderingen van [appellant] zullen dan worden afgewezen.

4.14.

Taf beroept zich voorts op een aantal (gestelde) omstandigheden (4.7 sub 2 tot en met 6) die volgens haar - ieder voor zich en/of tezamen - met zich brengen dat het recht van [appellant] op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, komt te vervallen.

De stelplicht en bewijslast van deze vervalbedingen en/of uitsluitingen rust naar het oordeel van het hof op Taf.

4.15.1.

Taf stelt onder meer dat [appellant] op het aanvraagformulier ter zake de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het schade aangifteformulier (met de opzet Taf te misleiden) in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat hij woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats].

4.15.2.

[appellant] betwist niet dat hij op het aanvraagformulier ter zake de arbeidsongeschiktheidsverzekering en in het schade aangifteformulier heeft ingevuld dat hij woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats], maar wél dat dit (met de opzet Taf te misleiden) in strijd met de waarheid is geschied. [appellant] woonde ten tijde van het invullen van voormelde formulieren immers op voormeld adres te [woonplaats], aldus [appellant].

Nu voormelde stelling door [appellant] gemotiveerd wordt betwist, dient Taf deze te bewijzen. Naar het oordeel van het hof heeft Taf het bewijs voorshands geleverd. Volgens het afschrift uit de basisadministratie persoonsadministratie van de gemeente [woonplaats] (prod. 4 cva) is [appellant] van 18 oktober 2007 tot 12 augustus 2010 wegens vertrek naar de Bondsrepubliek Duitsland uitgeschreven geweest uit de gemeente [woonplaats]. Het hiermee voorshands geleverde bewijs dat [appellant] destijds niet woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats], wordt onvoldoende ontkracht door diens verklaring volgens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg dat hij sinds 1991 een appartement aan de [woonadres] te [woonplaats] huurt en daarvoor huur en de gemeentelijke belastingen betaalt. Het enkele (gestelde) feit dat [appellant] ten tijde van het invullen van het aanvraagformulier een woning huurde in [woonplaats], laat de mogelijkheid onverlet dat hij daar niet woonde. Evenmin wordt het voorshands geleverde bewijs ontkracht door de verklaring van de advocaat van [appellant] volgens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg dat [appellant] zich had uitgeschreven uit [woonplaats] om schuldeisers te ontlopen.

Voorshands ervan uitgaande dat [appellant] van (ongeveer) 18 oktober 2007 tot 12 augustus 2010 niet woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats], is voorshands evenzeer bewezen dat [appellant] dit adres - met de opzet Taf te misleiden – eind 2008/begin 2009 heeft ingevuld op het aanvraagformulier ter zake de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het schade aangifteformulier.

4.15.3.

Het hof zal [appellant] toelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [appellant] op het aanvraagformulier ter zake de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het schade aangifteformulier (met de opzet Taf te misleiden) in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat hij woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats].

4.15.4.

Indien [appellant] niet erin mocht slagen het vereiste tegenbewijs te leveren, komt vast te staan dat [appellant] op het aanvraagformulier ter zake de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het schade aangifteformulier (met de opzet Taf te misleiden) in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat hij woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats]. Alsdan moet de vraag worden beantwoord of dit tot gevolg heeft dat [appellant] geen recht heeft op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Taf stelt dat dit het geval is, maar deze stelling wordt door [appellant] gemotiveerd betwist. Nu de discussie tussen partijen op dit punt onvoldoende is uitgekristalliseerd, verzoekt het hof partijen om deze discussie in de memories na enquête voort te zetten. Aangezien de stelplicht in dezen rust op Taf, verdient het de voorkeur dat zij straks als eerste haar memorie na enquête neemt.

Naar het hof begrijpt doet Taf ter onderbouwing van haar stelling dat [appellant] door de (gestelde) onjuiste vermelding van zijn woonplaats geen recht op een uitkering heeft, een beroep op de artikelen 2 lid 2, 3 lid 4 sub d en f, 10 sub p, 11 lid 4 sub c en g, 12 lid 1 sub d en artikel 25 sub a en b van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de artikelen 7:928, 930 en 941 BW. Het hof verzoekt Taf (nader) te motiveren (1) waarom uit voormelde bepalingen (al dan niet in samenhang beschouwd) volgt dat [appellant] geen recht heeft op een uitkering (niet bij alle bepalingen waarop een beroep wordt gedaan ligt dit evenzeer voor de hand) en (2) dat aan alle vereisten van deze (afzonderlijke) bepalingen is voldaan (zie bijvoorbeeld de vereisten als opgenomen in artikel 7:928 BW en/of artikel 2 lid 2 van de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Het hof verzoekt Taf tevens daarbij een onderscheid te maken tussen het geval dat de opzet tot misleiding wél komt vast te staan en het geval deze niet komt vast te staan.

4.16.1.

Taf stelt dat [appellant] - bij het aangaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en bij het verzoek om een uitkering - (met de opzet Taf te misleiden) Taf niet op de hoogte heeft gesteld van het gegeven dat de onderneming van [appellant] was beëindigd.

4.16.2.

[appellant] betwist dat hij Taf - bij het aangaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en bij het verzoek om een uitkering - (met de opzet Taf te misleiden) niet op de hoogte heeft gesteld van het (gestelde) gegeven dat zijn onderneming was beëindigd. De onderneming van [appellant] was immers niet beëindigd, aldus [appellant].

Nu voormelde stelling door [appellant] gemotiveerd wordt betwist, dient Taf deze te bewijzen. Naar het oordeel van het hof heeft Taf het bewijs voorshands geleverd.

[appellant] betwist immers niet dat hij sedert 1 juni 2008 geen werkzaamheden heeft verricht via Intermediair Nederland Ltd., zodat het hof hiervan uitgaat. [appellant] voert weliswaar aan dat hij sedertdien werkzaamheden heeft verricht via een ander, met name de stichting, maar bij betwist niet dat de stichting niet beschikte over de benodigde vergunning van de Autoriteit Financiële Markten om als assurantietussenpersoon werkzaam te zijn en de vergunning van Intermediair Nederland Ltd. was ingetrokken, zodat dit vaststaat. Verder komen werkzaamheden door de stichting als assurantietussenpersoon niet overeen met de bedrijfsomschrijving van de stichting in het uitreksel van het handelsregister, te weten het beheren van aandelen in- en de uitoefening van bestuurstaken over vennootschappen en ondernemingen (prod. 1 inl. dagv.). Voorts blijkt uit de overeenkomst tussen Taf en Intermediair Nederland Ltd. van 24 februari 2006 (prod. 1 cva) dat [appellant] zijn werkzaamheden als assurantietussenpersonen voor Taf in ieder geval verrichtte vanuit Intermediair Nederland Ltd., en niet vanuit de stichting.

Voormeld bewijs wordt tot nu toe onvoldoende ontzenuwd. Gesteld noch gebleken is dat de jaarrekening over 2008 van de stichting (prod. 10 inl. dagv.) door een onafhankelijke derde (accountant) is samengesteld en/of gecontroleerd. Voorts blijkt uit de jaarrekening niet dat haar inkomsten het resultaat zijn van werkzaamheden door [appellant], en evenmin welk deel van deze (eventuele) werkzaamheden in december 2008 zijn verricht. Hetzelfde geldt voor de overgelegde bankafschriften (prod. 12 inl. dagv.) uit de periode januari – november 2008 (en één van december 2008) van – naar het hof begrijpt – de stichting. Verder heeft [appellant] volgens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg weliswaar verklaard dat hij voor een ander dan de stichting heeft gewerkt (met name voor Novatrust VOF), maar [appellant] heeft deze stelling niet onderbouwd met stukken. Daarbij heeft [appellant] geen aangifte IB/pvv 2008 of een biljet van een proces over het belastingjaar 2008 overgelegd, noch uitgelegd waarom dit niet mogelijk is.

Het benodigde tegenbewijs wordt ook niet geleverd door de opdrachtformulieren (prod. 11 inl. dagv.) van de heer [heer 1.] van 17 september 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 1.500,=), de heer [heer 2.] van 11 november 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 6.500,=), de heer [heer 3.] van 29 november 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 795,=) en mevrouw [mevrouw 1.] van 7 december 2008 (vermeld bij ‘prijs’: € 6.000,=). Taf betwist de echtheid van de handtekeningen onder deze formulieren, onder verwijzing naar verklaringen van voormelde heer Janssen van 26 september 2011 (prod. 5 cva) en mevrouw [echtgenote van heer 1.] (echtgenote voormelde heer Altena; prod. 5 cva), ongedateerd (hierover nader 4.17).

Voorshands ervan uitgaande dat de onderneming van [appellant] eind 2008/begin 2009 was beëindigd, is voorshands evenzeer bewezen dat [appellant] bij het aangaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het verzoek om een uitkering - met de opzet Taf te misleiden – Taf niet heeft medegedeeld dat de onderneming van [appellant] toen was beëindigd.

4.16.3.

Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [appellant] Taf - bij het aangaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en bij het verzoek om een uitkering - (met de opzet Taf te misleiden) niet op de hoogte heeft gesteld van het (gestelde) gegeven dat zijn onderneming was beëindigd.

4.16.4.

Indien [appellant] er niet in slaagt het verlangde tegenbewijs te leveren, is voormelde stelling (4.16.1) komen vast te staan. Alsdan moet de vraag worden beantwoord of dit tot gevolg heeft dat [appellant] geen recht heeft op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Taf stelt dat dit het geval is, maar deze stelling wordt door [appellant] gemotiveerd betwist. Nu de discussie tussen partijen op dit punt onvoldoende is uitgekristalliseerd, verzoekt het hof partijen om deze discussie in de memories na enquête voort te zetten. Aangezien de stelplicht in deze rust op Taf, verdient de voorkeur dat zij als eerste aan zet komt.

Naar het hof begrijpt doet Taf ter onderbouwing van haar stelling dat [appellant] geen recht op een uitkering heeft, een beroep op de artikelen 2 lid 2 en 3 lid 4 sub f en h van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de artikelen 7:928, 930 en 941 BW. Het hof verzoekt Taf (nader) te motiveren (1) waarom uit voormelde bepalingen (al dan niet in samenhang beschouwd) volgt dat [appellant] geen recht heeft op een uitkering (niet bij alle bepalingen waarop een beroep wordt gedaan ligt dit evenzeer voor de hand) en (2) dat aan alle vereisten van deze (afzonderlijke) bepalingen is voldaan (zie bijvoorbeeld de vereisten als opgenomen in artikel 7:928 BW en/of artikel 2 lid 2 van de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Het hof verzoekt Taf tevens daarbij een onderscheid te maken tussen het geval dat de opzet tot misleiding wél komt vast te staan en het geval deze niet komt vast te staan.

4.17.1.

Taf stelt dat [appellant] in het kader van zijn beroep op een uitkering (met de opzet Taf te misleiden) vervalste opdrachtformulieren aan Taf heeft verstrekt.

4.17.2.

Nu voormelde stelling door [appellant] gemotiveerd wordt betwist, dient Taf de juistheid van deze stelling te bewijzen. Naar het oordeel van het hof heeft Taf dit bewijs voorshands geleverd. Janssen verklaart immers dat hij het desbetreffende formulier van 29 november 2008 (prod. 11 inl. dagv.) niet kende en dat de in het formulier bij zijn naam geplaatste handtekening niet van hem afkomstig is (zie de brief van Janssen van 26 september 2011; prod. 5 cva). Bovendien verklaart J. Altena (echtgenote van de inmiddels overleden [heer 1.]) – naar het hof begrijpt – dat de handtekening bij de naam van haar echtgenoot het bewuste formulier van 17 september 2008 niet van hem afkomstig is (zie haar ongedateerde verklaring; prod. 5 cva). Voormeld bewijs wordt onvoldoende ontkracht door de verklaring van [appellant] volgens het proces-verbaal van de competitie in eerste aanleg met de strekking dat Janssen niet betrouwbaar zou zijn. Evenmin wordt het bewijs ontkracht door de verklaring van [appellant] volgens voormeld proces-verbaal dat de heer Altena veel overeenkomsten met [appellant] is aangegaan, waar mevrouw Altena niets vanaf wist.

Overigens zijn de opdrachtformulieren van Altena en Janssen in de rechtsverhouding tussen Taf en [appellant] geen onderhandse akten als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv, zodat de bewijsregel van artikel 159 lid 2 Rv in deze verhouding niet van toepassing is.

Voorshands ervan uitgaande dat [appellant] Taf vervalste opdrachtformulieren heeft verstrekt, is voorshands evenzeer bewezen dat [appellant] dit heeft gedaan met de opzet Taf te misleiden.

4.17.3.

Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [appellant] in het kader van zijn beroep op een uitkering (met de opzet Taf te misleiden) vervalste opdrachtformulieren aan Taf heeft verstrekt.

4.17.4.

Indien [appellant] niet slaagt in het verlangde tegenbewijs, is komen vast te staan dat [appellant] in het kader van zijn beroep op een uitkering (met de opzet Taf te misleiden) vervalste opdrachtformulieren aan Taf heeft verstrekt. Alsdan moet de vraag worden beantwoord of dit tot gevolg heeft dat [appellant] geen recht heeft op een uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Taf stelt dat dit het geval is, maar deze stelling wordt door [appellant] gemotiveerd betwist. Nu de discussie tussen partijen op dit punt onvoldoende is uitgekristalliseerd, verzoekt het hof partijen om deze discussie in de memories na enquête voort te zetten. Aangezien de stelplicht in deze rust op Taf, verdient de voorkeur dat zij als eerste aan zet komt.

Naar het hof begrijpt doet Taf ter onderbouwing van haar stelling dat [appellant] geen recht op een uitkering heeft, een beroep op de artikelen 2 lid 2 en 3 lid 4 sub f van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 7:941 BW. Het hof verzoekt Taf (nader) te motiveren (1) waarom uit voormelde bepalingen (al dan niet in samenhang beschouwd) volgt dat [appellant] geen recht heeft op een uitkering (niet bij alle bepalingen waarop een beroep wordt gedaan ligt dit evenzeer voor de hand) en (2) dat aan alle vereisten van deze (afzonderlijke) bepalingen is voldaan (zie bijvoorbeeld de vereisten als opgenomen in artikel 7:941 BW en/of artikel 2 lid 2 van de arbeidsongeschiktheidsverzekering). Het hof verzoekt Taf tevens daarbij een onderscheid te maken tussen het geval dat de opzet tot misleiding wél komt vast te staan en het geval deze niet komt vast te staan.

4.18.

Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.

5 De uitspraak

Het hof:

5.1.

laat [appellant] toe te bewijzen dat hij voorafgaand aan 28 december 2008 gedurende minimaal 4 weken minstens 16 uur per week betaald en actief aan het arbeidsproces heeft deelgenomen;

5.2.

laat [appellant] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat

  • -

    [appellant] op het aanvraagformulier ter zake de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het schade aangifteformulier (met de opzet Taf te misleiden) in strijd met de waarheid heeft ingevuld dat hij woonachtig was aan de [woonadres] te [woonplaats];

  • -

    [appellant] Taf - bij het aangaan van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en bij het verzoek om een uitkering - (met de opzet Taf te misleiden) niet op de hoogte heeft gesteld van het (gestelde) gegeven dat zijn onderneming was beëindigd;

  • -

    [appellant] in het kader van zijn beroep op een uitkering (met de opzet Taf te misleiden) vervalste opdrachtformulieren aan Taf heeft verstrekt;

5.3.

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. L.R. van Harinxma thoe Slooten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 7 januari 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 8 tot 20 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, L.R. van Harinxma thoe Slooten en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 december 2013.