Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6034

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
HV200.133.601_01 en HV200.133.610_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art.1:268, lid 2 aanhef en onder a BW.

Het hof komt tot afwijzing van het verzoek tot gedwongen ontheffing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268, geldigheid: 2013-12-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0230

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 december 2013

Zaaknummer: HV 200.133.601/01 en HV 200.133.610/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/04/122123 / FA RK 13-397 en C/04/122122 / FA RK 13-396

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] en [de man],

beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de moeder en de vader, dan wel tezamen de ouders,

advocaat: respectievelijk mr. S.H.M. Strotsky en mr. D. Dronkers,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Eindhoven,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 12 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschriften met producties, ingekomen ter griffie op 9 september 2013, hebben de ouders verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen.

2.2.

Op 24 oktober 2013 is ter griffie ingekomen een verweerschrift, zonder conclusie aangaande de te nemen beslissing over de bestreden beschikkingen, van Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de stichting).

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Strotsky;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Dronkers;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door de heer F. Janssen en de heer S. van der Vorst.

De heer [pleegvader] en mevrouw [pleegmoeder] (de pleegouders) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de raad d.d. 23 september 2013 met bijgevoegd het raadsrapport van 2 april 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels beëindigde relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [kind 1.] (hierna: [kind 1.]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],

  • -

    [kind 2.] (hierna: [kind 2.]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

De vader heeft [kind 1.] en [kind 2.] erkend. [kind 1.] en [kind 2.] verblijven sinds juni 2011 bij de pleegouders.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikkingen, heeft de rechtbank de ouders van het ouderlijk gezag over [kind 1.] (zaaknummer eerste aanleg C/04/122123 / FA RK 13-397) en [kind 2.] (zaaknummer eerste aanleg C/04/122122 / FA RK 13-396) ontheven en de stichting tot voogdes benoemd.

3.3.

De ouders kunnen zich met deze beslissingen niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voeren in hun gezamenlijk ingediende beroepschriften aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van pedagogische onmacht bij hen. De rechtbank, die heeft overwogen dat het verleden heeft uitgewezen dat de ouders steeds terugvallen in oude patronen, gaat ten onrechte voorbij aan de situatie zoals die heden ten dage is. De ouders zetten alles op alles om de in het verleden gemaakte fouten de rug toe te keren. Bij beiden is sprake van een stabiele(re) situatie, alle afspraken worden nagekomen en de omgang met de kinderen verloopt uitstekend. Er is duidelijk een stijgende lijn ingezet. Uit niets blijkt dat moet worden gevreesd voor een terugval van de ouders.

Er is bovendien geen grond voor een gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag, nu er sprake is van duurzame bereidheid van de ouders om de kinderen uit huis geplaatst te laten, in welk verband de ouders erop wijzen dat zij het zelfs goed vinden dat de kinderen de pleegouders aanduiden als papa en mama. De ouders betwisten tegen de kinderen te hebben gezegd dat zij over een poosje weer thuis kunnen komen wonen. De ouders hebben enkel te kennen gegeven dat zij het fijn zouden vinden als ze allemaal weer samen zouden kunnen wonen. Uiteraard koesteren de ouders deze wens. De kinderen vormen de motivatie voor de ouders hun leven weer op de rit te krijgen. De ouders zijn echter realistisch en zien in dat terug thuisplaatsing van de kinderen op korte termijn niet aan de orde is. Zij zijn zich ervan bewust dat voor de kinderen de beste plaats bij de pleegouders is. De situatie verloopt thans ook goed. De relatie tussen de ouders en de pleegouders is zeer goed en er is een constructieve verstandhouding met de stichting. De ouders willen echter wel actief betrokken blijven bij beslissingen aangaande de kinderen.

Een ontheffing van het gezag zal de ouders ieder perspectief op terugkeer van de kinderen, hoe klein en ver verwijdert ook, ontnemen, hetgeen zijn weerslag heeft op de relatie met de stichting en de pleegouders. Een ontheffing zal aldus de rust die er is, nu constructief overleg altijd mogelijk is gebleken, verstoren. Een ontheffing is dan ook niet in het belang van de kinderen.

Van de zijde van de vader is ter zitting benadrukt dat nog steeds sprake is van een stijgende lijn bij hem. Het gaat in dat opzicht met de vader beter dan met de moeder. De vader kan steeds beter denken in het belang van de kinderen. De vader ziet in dat de kinderen niet op korte termijn bij hem kunnen wonen. Hij wil wel hoop blijven koesteren. Dit vormt zijn motivatie om de stijgende lijn vast te houden. De vader acht het ook niet in het belang van de kinderen om het perspectief op terugkeer bij hem, terwijl hij zo zijn best doet, weg te nemen. De verwarring voor de kinderen wordt ook niet minder als de vader uit het gezag wordt ontheven, in welk verband de vader opmerkt dat hij, als hij uit het gezag wordt ontheven, op den duur kan verzoeken wederom met het gezag te worden belast.

Wat de opvoedkundige kwaliteiten van de vader is opgemerkt dat het moeilijk is die te laten zien in de korte tijd die de vader met de kinderen doorbrengt. De vader is wel ontvankelijk voor hulp. Hij heeft hierbij opgemerkt dat hij in het verleden wel kwaad is geweest over het feit dat er nooit hulp is ingezet in het gezin van de vader en de moeder. Nu koestert hij hier geen wrok meer over.

Ook van de zijde van de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat de moeder het perspectief op terugkeer van de kinderen wil behouden. De kinderen hebben er geen last van als de moeder met het gezag blijft belast. De moeder ondersteunt het pleeggezin en belast de kinderen niet. De kinderen kunnen er daarentegen wel last van krijgen als de moeder uit het gezag wordt ontheven. De huidige situatie zorgt voor stress bij de moeder. Zij voelt zich niet serieus genomen en is bang de kinderen te verliezen. Het contact tussen de moeder en de stichting zal er bij een ontheffing ook niet beter op worden, aldus de moeder.

De moeder onderschrijft dat ze een tijd buiten beeld is geweest. Over de tijd dat ze wel in beeld is geweest wordt echter niet gesproken. Toen is het goed gegaan. De moeder zou het fijn vinden als ze net zo veel omgang met de kinderen kan hebben als de vader. De moeder acht het in het belang van de kinderen ook niet wenselijk als de vader alleen met het gezag over de kinderen belast blijft en zij niet.

3.4.

In het raadsrapport van 2 april 2013 wordt vermeld dat de raad van mening is dat een ontheffing zal bijdragen aan het veilig stellen van de ingezette positieve ontwikkeling van [kind 1.]. Wat [kind 2.] betrecht acht de raad een ontheffing noodzakelijk om haar veilige hechting in het pleeggezin niet te doorbreken. Ontheffing van het gezag betekent een bekrachtiging en formalisering van de situatie. Het geeft duidelijkheid voor alle betrokkenen, hetgeen het belang van de kinderen dient. Opbouw van een pedagogische- en gezagsrelatie met de ouders acht de raad niet realistisch.

De raad heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht blij te zijn met de positieve ontwikkeling van de vader. Thuisplaatsing van de kinderen is thans echter niet aan de orde is. Hoe dit op termijn is weet niemand. Zoals het er thans naar uitziet is er geen perspectief voor volledige zorg in de toekomst. De kinderen zijn op hun plek in het pleeggezin. Het moet voor de kinderen ook duidelijk zijn dat hun perspectief daar ligt. De raad wijst er in dit verband op dat de kinderen en met name [kind 1.], extra zorg nodig hebben. De ouders moeten in beeld blijven middels contact. De stichting moet dit benadrukken naar zowel de kinderen als de ouders.

3.5.

De stichting onderschrijft dat er bij de vader een stijgende lijn is. Er zijn met betrekking tot gezagskwesties geen problemen wat de vader aangaat. Wat zijn opvoedingsvaardigheden betreft merkt de stichting op dat hier momenteel alleen een beroep op wordt gedaan tijdens de omgang en momenteel ook niet op deze vaardigheden wordt ingezet. De stichting is van oordeel dat de huidige opzet van de omgang (een maal in de twee weken vier uur) en de vraag daarin naar de vader en de kinderen het meest haalbare en veilige is met betrekking tot het hanteren van een passende ouder-kind relatie. De duur en frequentie van de omgang kan in de toekomst veranderen. Hierin wordt groeiperspectief gezien.

Wat de moeder aangaat is minder sprake van een stijgende lijn ten aanzien van de omgang met de kinderen en de contacten met derden. De moeder is vergeleken met de vader minder ontvankelijk voor sturing en advies van anderen en denkt minder in het belang van de kinderen. Daarnaast heeft de moeder soms een terugval en is dan niet bereikbaar. Ook de afgelopen maanden is de moeder nog enige tijd voor de kinderen uit beeld geweest, waarna zij vervolgens weer structurele omgang met de kinderen wenst, hetgeen verwarrend is voor de kinderen. Momenteel heeft de moeder een maal in de vier weken gedurende een uur contact met de kinderen onder begeleiding van de stichting. De omgang is minimaal omdat er zorgen zijn over het pedagogisch handelen van de moeder, waarbij de stichting onder meer opmerkt dat er signalen zijn dat de moeder drugs gebruikt tijdens de omgang. Uitbreiding van de omgang is bespreekbaar. De moeder moet dan wel laten zien dat ze stabiel en betrouwbaar is.

De stichting is van mening dat er binnen afzienbare tijd geen sprake kan zijn van terug thuisplaatsing van de kinderen bij een van de ouders. Daarnaast acht de stichting een verplicht kader noodzakelijk om voor de kinderen een optimale ontwikkelingsgroei te kunnen blijven creëren. Er is nog geen sprake van een duurzame betrokkenheid van de ouders bij het hulpverleningstraject van de kinderen.

De stichting merkt verder op dat er niet alleen sprake is van onrust omtrent de ontheffing. Ook de omgang, de positie van de moeder als opvoeder en het bieden van transparantie door de ouders over hun persoonlijke omstandigheden zorgen met momenten voor onrust. Het feit dat de ouders, hoe marginaal ook, de hoop koesteren dat de kinderen in de toekomst mogelijk weer bij een van hen zouden kunnen opgroeien, duidt er volgens de stichting op dat de ouders het perspectief niet geaccepteerd hebben. Dit zorgt ook voor onduidelijkheid, onrust en spanning bij de kinderen. De stichting onderschrijft wel dat de ouders zich thans niet verzeten tegen het verblijf van de kinderen bij het huidige pleeggezin. Er zijn ook geen signalen dat de ouders nog tegen de kinderen zeggen dat zij weer thuis komen wonen.

3.6.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

Ingevolge artikel 1:268 eerste lid BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 1:268 tweede lid aanhef en onder a BW lijdt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 261 van dit boek van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 254 af te wenden.

Ingevolge artikel 1:254 eerste lid BW kan de kinderrechter, indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.

3.7.

Het hof overweegt dat aan de vereisten van artikel 1:266 BW is voldaan. Vanwege de pedagogische onmacht van de ouders op dit moment om de plicht tot verzorging en opvoeding van de kinderen te vervullen is er grond om de ouders te ontheffen van het gezag over de kinderen. Het belang van de kinderen verzet zich ook niet tegen een ontheffing. Het hof is, met het oog op artikel 1:268 BW, evenwel van oordeel dat een ontheffing niet kan worden uitgesproken. De ouders verzetten zich tegen ontheffing en de uitzondering van artikel 1:268, tweede lid, onder a, BW, waar van de zijde van de raad in het verzoek om ontheffing een beroep op is gedaan, is naar het oordeel van het hof niet van toepassing. Niet is gebleken dat uithuisplaatsing van de kinderen onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke en geestelijke belangen en de gezondheid van de kinderen af te wenden. Naar het oordeel van het hof hebben de ouders blijk gegeven van een duurzame bereidheid de kinderen in het pleeggezin waarin ze zijn geplaatst te laten opgroeien, in welk verband het hof erop wijst dat, zo is door de ouders onbetwist gesteld, de ouders zich erin kunnen vinden dat de kinderen de pleegouders aanduiden als papa en mama. Weliswaar koesteren de ouders de wens dat de kinderen in de toekomst weer bij een van hen kunnen komen wonen, maar zij zien in dat thuisplaatsing op korte termijn niet aan de orde is en dat de kinderen thans het beste af zijn bij de pleegouders, met wie de ouders een goed contact hebben. Er zijn ook geen signalen dat de ouders de kinderen thans nog belasten met de mededeling dat zij mogelijk op termijn weer bij de vader dan wel de moeder kunnen komen wonen. Voorts is gesteld noch gebleken dat de ouders beslissingen ten aanzien van de kinderen frustreren en dat de kinderen of de pleegouders last of hinder ondervinden rondom de jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtigingen uithuisplaatsing.

3.8.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikkingen waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de raad tot ontheffing van de ouders van het gezag alsnog afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikkingen van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 12 juni 2013;

en opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek van de raad tot ontheffing van de ouders van het gezag over [kind 1.], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats], en [kind 2.], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], alsnog af;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C.G. Brants, M.J.C. Koens en C.D.M. Lamers en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2013.