Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6033

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
10-00128 tot en met 10-00147
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KB-Lux affaire. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende houder van een rekening was bij de KB-Lux en dat deze rekening in juli 1995 is opgeheven. De fiche vertoont een saldo per 31 januari 1994 van hfl 20.000. Belanghebbende stelt gemotiveerd dat de rekening wegens gering saldo werd opgeheven. Volgens het Hof heeft de Inspecteur voor de jaren ná 1995 niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan of dat er andere redenen bestaan om de bewijslast verzwaard op belanghebbende te leggen. Voor de eerdere jaren wordt de bewijslast wel omgekeerd. De door de Inspecteur geschatte bedragen aan inkomen en vermogen zijn redelijk. Belanghebbendes stelling dat de Inspecteur onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld wordt verworpen, omdat belanghebbende deze stelling niet heeft onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0096
V-N Vandaag 2014/46
V-N 2014/16.4
mr.drs. R. Steenman annotatie in NTFR 2014/789

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00128 tot en met 10/00147

Uitspraak op de gelijktijdig behandelde twintig hoger beroepen van

De voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Zuidwest/[vestigingsplaats],

hierna: de Inspecteur,

en de twintig incidentele hoger beroepen van

de heer [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 11 januari 2010, nummers AWB 08/3292 tot en met 08/3311 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn opgelegd de volgende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV):

Jaar

Aanslagnummer

Dagtekening

1992

[aanslagnummer 1]H.28

31 december 2004

1993

[aanslagnummer 1]H.38

31 december 2004

1994

[aanslagnummer 1]H.48

31 december 2004

1995

[aanslagnummer 1]H.58

31 december 2004

1996

[aanslagnummer 1]H.68

31 december 2004

1997

[aanslagnummer 1]H.78

31 december 2004

1998

[aanslagnummer 1]H.88

31 december 2004

1999

[aanslagnummer 1]H.97

25 februari 2005

2000

[aanslagnummer 1]H.07

25 februari 2005

2001

[aanslagnummer 1]H.17

6 januari 2005

2002

[aanslagnummer 1]H.27

6 januari 2005

2003

[aanslagnummer 1]H.37

6 januari 2005

de navolgende navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB):

Jaar

Aanslagnummer

Dagtekening

1993

[aanslagnummer 1]K.38

31 december 2004

1994

[aanslagnummer 1]K.48

31 december 2004

1995

[aanslagnummer 1]K.58

31 december 2004

1996

[aanslagnummer 1]K.68

31 december 2004

1997

[aanslagnummer 1]K.78

31 december 2004

1998

[aanslagnummer 1]K.88

31 december 2004

1999

[aanslagnummer 1]K.98

31 december 2004

2000

[aanslagnummer 1]K.07

7 januari 2005

alsmede de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen respectievelijk de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen vastgestelde boetebeschikkingen, alsmede tegen de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen vastgestelde beschikkingen heffingsrente (hierna: de aanslagen en de beschikkingen). De in de aanslagen begrepen verhogingen na eventuele kwijtschelding worden hierna begrepen onder ‘boeten’. Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij de bestreden, in één geschrift vervatte, uitspraken de aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

1.2.1.

Belanghebbende is van deze uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van de beroepen met nummer 08/3292 en 08/3304 heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van, elk, € 39.

1.2.2.

De Rechtbank heeft door middel van twintig uitspraken de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 en 1993 verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 102.125, respectievelijk ƒ 105.027, de op die navorderingsaanslagen betrekking hebbende beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig vernietigd, de op die navorderingsaanslagen betrekking hebbende kwijtscheldingsbesluiten vernietigd, de op de navorderingsaanslag IB/PVV 1992 betrekking hebbende verhoging verminderd tot een bedrag van ƒ 816, de op de navorderingsaanslag IB/PVV 1993 betrekking hebbende verhoging vernietigd, de overige navorderingsaanslagen en de daarop betrekking hebbende verhogingen, kwijtscheldingsbesluiten, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 125,15 per beroep en de Inspecteur gelast het door belanghebbende ter zake van de beroepen tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 en VB 1993 betaalde griffierecht van € 39 per beroep te vergoeden.

1.3.

Tegen deze uitspraken heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 12 juni 2012 te ‘s-Hertogenbosch.

1.6.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.7.

De nadere zitting heeft plaatsgehad op 4 september 2013 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde mr.[B], advocaat, alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw mr. [C] en de heer mr.[D].

1.8.

De Voorzitter heeft partijen voorgehouden dat de samenstelling van de kamer was gewijzigd, en dat het feuille van de zitting van 12 juni 2012 in het ongerede was geraakt, zodat het onderzoek ter zitting niet zou worden voortgezet in de stand waarop dat zich bevond, maar opnieuw zou plaats vinden.

1.9.

Belanghebbende heeft ter zitting op verzoek van het Hof de originele bankafschriften en brieven ontvangen van de Kredietbank Luxemburg getoond. Het Hof heeft geconstateerd dat een (afschrift van) een brief in het dossier ontbrak en daarvan een kopie doen maken die, zonder bezwaar van de Inspecteur, tot de stukken van het geding wordt gerekend. Een kopie is tevens aan de Inspecteur verstrekt.

1.10.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten, waarna de voorzitter een schriftelijke uitspraak heeft aangekondigd.

1.11.

Van de zitting van 4 september 2013 is een proces-verbaal opgemaakt, dat met de uitspraak in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt. Hierbij hanteert het Hof dezelfde nummering als de Rechtbank.

“2.1. Belanghebbende, geboren op 25 september 1947, is gehuwd met mevrouw [E], geboren 19 februari 1947. Het sofinummer van belanghebbende is [aanslagnummer 1]

De overdracht van gegevens door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten

2.2.1.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan de heer (D), Ministerie van Financiën, Belastingdienst/FIOD/Haarlem Internationaal, met als onderwerp: “Administratieve bijstand tussen België en Nederland. Spontane uitwisseling van inlichtingen. Zaak: NV KREDIETBANK en KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-LUX)”. Voor de regeling inzake de spontane uitwisseling van inlichtingen verwijst de brief naar artikel 4 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG), en voorts naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische Belastingverdrag van 19 oktober 1970.

2.2.2.

De brief van 27 oktober 2000 luidt vervolgens, voor zover thans van belang:

"Hierbij worden u fotokopieën van microfiches (rechtbank: hierna de fotokopieën) overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens KREDIETBANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met de financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-Lux) op naam van inwoners van uw land.

(..)

KB-Lux betwist de juridische geldigheid van de stukken in het gerechtelijk dossier als bewijsmiddel. De Belgische fiscale administratie beschikt echter over de toelatingen tot consultatie van het betrokken gerechtelijk dossier.

Deze toelating is rechtsgeldig verleend door de heer Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel en laat de inzage en afschriftname toe, evenals het gebruik van de stukken met inachtname van de

- Belgische fiscale wetgeving, meer bepaald artikel 338 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 (WIB 92),

- beschikkingen van toepassing inzake overeenkomsten ondertekend door België en partnerlanden, ter voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van de uitwisseling van informatie.

(..)

Deze zending bevat fotocopieën van de afgedrukte microfiches.

Van sommige afdrukken is de leesbaarheid niet optimaal. Het is dus niet uitgesloten dat sommige van de u toegestuurde copieën moeilijk leesbaar zijn.

De bewuste stukken stellen per pagina voor:

De “Rechtvaardiging van de saldi per LMI rubrieken op 31/01/1994”

Hoewel de meeste saldi positief zijn, kunnen negatieve saldi eveneens voorkomen.

(..) De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van KB-Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB-Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk.

De overgemaakte gegevens zijn de enige die blijken uit het gerechtelijk dossier. Verdere informatie betreffende de rekeninghouders (bijvoorbeeld voor identificatie) is niet beschikbaar."

2.2.3.

In een namens de Belgische federale minister van financiën aan de Belastingdienst/ FIOD te Haarlem gericht schrijven van 20 februari 2003, met als onderwerp "Inlichtingenuitwisseling inzake (..) Kredietbank Luxembourg", is onder meer het volgende opgenomen:

"Teneinde aan te tonen dat de betreffende microfiches effectief afkomstig zijn van KB-Lux, werden de afdrukken van bepaalde van deze microfiches vergeleken met documenten die met zekerheid afkomstig waren van KB-Lux (papier met hoofding en logo van KB-Lux) en die door sommige belastingplichtigen zelf ter beschikking werden gesteld als antwoord op de aan hen gestelde vragen om inlichtingen. Bij die vergelijking werd vastgesteld dat de rekeningnummers en de saldo's die voorkomen op de microfiches wel degelijk overeenkomen met deze die voorkomen op de door de betrokken belastingplichtigen ter beschikking gestelde documenten.".

2.2.4.

Op welke wijze de in voormelde brieven genoemde fotokopieën in het bezit van de Belgische justitiële autoriteiten zijn gekomen, is tot op heden niet duidelijk geworden.

2.2.5.

Over de fotokopieën is in het onder 2.3.1 nader beschreven ‘Draaiboek rekeningenproject’, pagina’s 23 tot en met 26, vermeld:

"Aan de print van het microfiche is niet te zien dat deze afkomstig is van de KB Lux. Naast het gegeven dat de Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat de rekeningen worden gehouden bij de KB Lux, heeft de ervaring uit de strafrechtelijke onderzoeken en de pilot (rechtbank: een onderzoek naar een beperkt aantal microfiches) duidelijk gemaakt dat de gegevens zien op de rekeninghouders van de KB Lux.

Betekenis van de aanduidingen op de afgedrukte microfiches:



Er is sprake van twee soorten microfiches:

1. Microfiches waarop spaarsaldi zijn vermeld;

2. Microfiches waarop rekening-courantsaldi zijn vermeld.

Een microfiche met spaarsaldi.

(rechtbank: volgt een afbeelding van het ‘microfiche’ waarop in het Draaiboek de cijfers 1 tot en met 10 zijn geplaatst)



(1) Elke pagina van een afgedrukt microfiche bevat de datum van het saldo, zijnde 31-01-1994 (justificatif des soldes par rubriques IML au).

(2) In de rechterbovenhoek staan vermeld: de uitgiftedatum (17-02-1994) en een paginanummer (5.554).

(3) In de kolom "Rubrique IML" (IML = Institut Monetaire Luxembourgeois) staat aangegeven wat voor soort rekening het betreft, b.v. rekening-courant, termijn(deposito)rekening, (deposito)rekening met opzegtermijn of spaarrekening. Op dit blad staat vermeld: TERME/PREAVIS: dit betekent dat hier sprake is van een depositorekening (met opzegtermijn).

(4) In dezelfde kolom staat de valuta (devise) vermeld, waar het rekeningsaldo betrekking op heeft. (..)

(5) In de volgende kolom staat achter "Cle IML" (Cle = sleutel) o.a. het woonland van de rekeninghouder aangegeven. Door de Belgische BBI zijn aan de FIOD alleen de "NL"-rekeningen toegestuurd. Elke regel betreft één aparte rekening. Één persoon kan verschillende rekeningen hebben en dus op verschillende overzichten voorkomen*.

(6) Elke regel vermeldt het rekeningnummer van de rekeninghouder; alleen de eerste 10 cijfers komen daarvoor in aanmerking.

(7) In dit nummer behoren de 6 cijfers tussen de gedachtestrepen toe aan één enkele rekeninghouder. Deze 6 cijfers zijn altijd opgenomen in zijn rekeningnummer, ongeacht het soort van de rekening. Dit betreft dus een uniek nummer.

(8) Hier staan de namen van de rekeninghouder(s).

(9) Wanneer de naam wordt voorafgegaan door de letters "W.K." dan betreft het een codenaam, waarover geen informatie beschikbaar is.

(10) Hier staat het rekeningsaldo in de betreffende valuta.

*Men zal tenminste beschikken over een zichtrekening en daarnaast nog over andere spaar- of beleggingsrekeningen. Veelal zal sprake zijn van een groot aantal rekeningnummers welke slechts gedurende een korte tijd zijn gebruikt, bijvoorbeeld rekeningnummers van deposito's.

Dit verklaart ook waarom rekeningen vaak een zeer gering of negatief saldo vertonen. Het betreft dan een zichtrekening (rekening-courant) waaraan waarschijnlijk nog een andere rekening is gekoppeld (of meerdere).

Als voorbeeld hiervan het volgende microfiche:

(rechtbank: volgt een afbeelding van het ‘microfiche’)

Het afschrift van het microfiches is de enige informatie waarover we per rekeninghouder feitelijk beschikken.

Hierna volgt nog enige algemene informatie met betrekking tot de KB Lux, welke bij het vaststellen van de feiten behulpzaam kan zijn.

De dienstverlening en producten van de KB Lux



De KB Lux is een bank met het bekende scala aan dienstverlening, betaal-, spaar- en beleggingsmogelijkheden, zoals (niet uitputtend):

Soort

Kenmerken

Zichtrekening (compte vue)  

Gewone betaalrekening voor het ontvangen van geld en het doen van betalingen

Zichtspaarrekening (compte épargne a vue)

Spaarrekening met basisrente +aangroeipremie *1 + getrouwheidspremie *2

Kasbonnen (bons de caisse)   

Schuldbekentenis van de kredietinstelling die de bon uitgeeft tegenover de belegger die de kasbon koopt, doorgaans aan toonder. Klassieke variant: vaste looptijd, vaste jaarlijkse rente. Hierop bestaan vele varianten.

Termijndeposito (depot a terme (a preavis))  

Gebruikelijke termijn: 1, 2, 3, 8 of 12 maanden. Stortingen en opnames uitsluitend op de vervaldag. Verlenging: automatisch, behoudens andersluidende instructie *4

Deposito(rekening) met opzegtermijn (terme a preavis/compte a preavis)  

Gebruikelijke termijn: 24 en 48 uur. Stortingen en opnames met een opzegtermijn van 24 of 48 uur

Beleggingsfondsen  

In obligaties, aandelen, sectorfondsen (BEVEK of SICAV) *3

(Internationale) Beleggingen  

Buitenlandse valuta's, obligaties, beleggingsfondsen en aandelen

Edelmetaalrekeningen  

Goud, zilver, platina, palladium etc.

(..)

De KB-Lux biedt de mogelijkheid te betalen, sparen, beleggen in verschillende valuta's. De KB-Lux maakt daarbij gebruik van codes voor de diverse valuta's. De code 040 staat bijvoorbeeld voor de Nederlandse gulden."

De identificatie van op de fotokopieën vermelde rekeninghouders

2.3.1.

Op basis van de gegevens, verstrekt bij de brief van 27 oktober 2000 door de BBI, is een onderzoek ingesteld door de FIOD-ECD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Over de ontwikkelingen binnen onder andere dit project is onder verantwoordelijkheid van de directeuren van drie belastingeenheden een voor intern gebruik op alle eenheden Particulieren en (Grote) Ondernemingen in het land bestemde reader gemaakt, genaamd Draaiboek rekeningenproject. Naast het Draaiboek zijn de eenheden door middel van Nieuwsbrieven op de hoogte gehouden van deze ontwikkelingen. Waar het Draaiboek rekeningenproject en de Nieuwsbrieven in het vervolg van deze uitspraak worden genoemd, is steeds de versie bedoeld die door de inspecteur is overgelegd overeenkomstig de tussenuitspraken van Hof Amsterdam van 19 april 2006, LJN AW2127 en rechtbank Breda van 3 januari 2007, LJN AZ5534.

2.3.2.

In het verweerschrift, gedagtekend 3 september 2008, is op pagina 22 onder andere het volgende vermeld:

"Op verschillende manieren is gebleken dat de microfiches gegevens van bankrekeningen bij de KBL betroffen:

1.  door de Belgische autoriteiten is meegedeeld dat de rekeningen werden gehouden bij de KBL (…)

2.  de valutacodes op de microfiches komen overeen met de valutacodes van de KBL;

3.  uit een pilot (= een onderzoek naar een beperkt aantal microfiches) is gebleken dat het microfiches waren van de KBL;

4.  tevens is uit de database (…) gebleken dat alle geïdentificeerde microfiches van belastingplichtigen die wel informatie verschaften, afkomstig waren van de KBL. Tot nu toe heeft 85% van de geïdentificeerde rekeninghouders bekend een rekening te bezitten.
Op pagina 24: “Overigens kan ik er op wijzen dat naar aanleiding van de microfiches vele belastingplichtigen er voor hebben gekozen openheid van zaken te geven. Uit die zaken blijkt ook dat de gegevens van de microfiches van KBL afkomstig zijn. De gegevens van de microfiches vermelden in die zaken exact dezelfde bedragen als de verstrekte overzichten van de bankafschriften. Als bijlage (…) geef ik uw Hof een overzicht van de door de Belastingdienst geïdentificeerde gevallen per 7 juli 2004. Daaruit blijkt o.a., dat van het totale aantal behandeltrajecten in 3464 gevallen (87,7%) door belanghebbenden is toegegeven dat zij rekeninghouder zijn (geweest) van het tegoed bij de KBL naar aanleiding waarvan de Belastingdienst het feitenonderzoek is gestart."

2.3.3.

De onder 2.3.2 genoemde bijlage is een door de Belastingdienst opgesteld "Cijfermatig overzicht behandeltrajecten per 7 juli 2004" en bevat de volgende gegevens:

" Overzicht 2

Aantal behandeltrajecten      

3952

Van dit aantal behandeltrajecten is om de volgende redenen het feitenonderzoek beëindigd zonder dat een belastingaanslag is opgelegd:    

- Volledige openheid van zaken gegeven, geen heffingsbelang aanwezig  

601

- Belanghebbende niet te vinden  

11

- Belanghebbende overleden  

16

- Belanghebbende vertrokken naar buitenland  

29

- Twijfel aan juiste identificatie  

20

- Onjuiste identificatie  

18

Totaal    

695

Resteert

3257

Waarvan nog in behandeling zonder dat al een aanslag is opgelegd   

134

Behandeltrajecten waarin een aanslag is opgelegd    

3123

Aantal behandeltrajecten waarbij bezwaar is gemaakt  

1196

Weigeraar  308

Ontkenner 189

Meewerker 699

Van het totaal aantal behandeltrajecten is in 3464 gevallen (87,7%) door belanghebbende toegegeven dat hij/zij rekeninghouder is (geweest) van het tegoed bij de KB naar aanleiding waarvan de Belastingdienst het feitenonderzoek is gestart.”

2.3.4.

Over de identificatie van de op de fotokopieën genoemde rekeninghouders is in het Draaiboek onder 3.1.2. het volgende opgenomen:

"Van een groot aantal rekeninghouders is op de microfiches de eigen naam vermeld, dat wil zeggen 1e voornaam c.q. doopnaam en achternaam van de rekeninghouder en evt. achternaam van 2e rekeninghouder (meestal echtgenote van 1e rekeninghouder), dan wel namen van mederekeninghouders. Adresgegevens en geboortedata zijn niet bekend.

Op verzoek van de ROD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst/Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

Dit cliëntenbestand KB Lux is op verzoek van de ROD Opsporingsinformatie Haarlem door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie.

Op deze manier zijn ruim 2000 rekeninghouders vrijwel zeker geïdentificeerd en is voornoemd cliëntenbestand KB Lux onder meer aangevuld met de sofinummers van de vermoedelijke rekeninghouders. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CRB). In dit bestand zijn de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam opgenomen van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat. Dit bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

De wijze van identificatie heeft geleid tot een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de juistheid daarvan.

(…)

In geval van blijvend geschil over de wijze van identificatie wordt op verzoek een ambtsedige verklaring opgemaakt (..)".

2.3.5.1. Op één van de fotokopieën komen onder meer de volgende regels voor:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

52-35044-25- 0000 00 0040 VUE [E] - 0,74."

[Hof: "JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

52-350440-25-0000 00 0040 VUE [E] - 0,74."]

2.3.5.2. Op één van de fotokopieën komen onder meer de volgende regels voor:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

5235044-52- 0000 00 0040 TER LDO [E] 20.214,22."

[Hof: "JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)
53-350440-52-0000 00 0040 TER LDO [E] 20.214,22."]

2.3.5.3. In een proces-verbaal van ambtshandeling, gedagtekend 17 december 2004, opgemaakt in het kader van het onder 2.3.4 beschreven onderzoek, is onder meer opgenomen:

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[E]

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu de heer [belanghebbende], gehuwd met Mw. [E].

3.Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [belanghebbende] de partner is van [E] (opmerking verbalisant: op de microfiche van de KB Lux staat een spatie tussen [E], terwijl in BVR de naam achter elkaar is geschreven. In BVR komt niet de naam voor van Mw. [E] gehuwd met [belanghebbende]).
Bovengenoemde personen betreffen:
[belanghebbende], geboren op 25-09-1947, met sofinummer [aanslagnummer 1], gehuwd met [E], geboren op [geboortedatum], met sofinummer [aanslagnummer 2].

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van [belanghebbende] is: [F].

5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per 10-10-1969.

Conclusie .

Uit de match van de rekeninghouders, zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden en het RDW, komt slechts voornoemde [belanghebbende], gehuwd met [E], als enige rekeninghouder van de KB Lux- rekening [rekeningnummer] in aanmerking.”

Contacten tussen partijen vóór het opleggen van de navorderingsaanslagen

2.4.1.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 12 oktober 2004 onder meer het volgende geschreven:

"De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigde zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit.

Uit dit onderzoek is gebleken dat u gerechtigd bent (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. De gegevens hiervan kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing over de afgelopen twaalf jaren. Ik verzoek u daarom mij de gegevens en inlichtingen over die jaren te verstrekken welke worden gevraagd op de ingesloten Opgaaf Buitenlands vermogen”.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen de door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.

Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.

Na invulling moet u de opgaaf ondertekend aan mij terugsturen binnen vijf werkdagen . U kunt daarbij gebruik maken van de bijgevoegde portvrije retourenvelop. Gezien de aard en omvang van de gevraagde gegevens en inlichtingen zal géén uitstel worden verleend voor het aanleveren daarvan."

De bijlage bevat een formulier ‘Opgaaf Buitenlands vermogen - waarin belanghebbende gevraagd wordt om - onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen - aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest. Op 22 oktober 2004 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals een brief gestuurd waarbij hij belanghebbende in de gelegenheid stelt om binnen twee werkdagen het formulier aan hem terug te sturen.

2.4.2.

Belanghebbende heeft dit formulier op 25 oktober 2004 geretourneerd. Hij heeft het formulier als volgt ingevuld:

“1a.

Bent u gerechtigd (geweest) tot een of meerdere bankrekeningen in het buitenland?

Nee

1b.

Bent u gerechtigd (geweest) tot een of meerdere onroerende zaken in het buitenland?

Nee

1c.

Bent u gerechtigd (geweest) tot een of meerdere andere buitenlandse vermogensbestanddelen?

Nee”

2.4.3.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 26 oktober 2004 onder meer het volgende geschreven:

"De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigde zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit.

Uit dit onderzoek is gebleken dat u gerechtigd bent (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. In reactie op mijn brieven van 12 en 22 oktober 2004 heeft u schriftelijk verklaard niet gerechtigd te zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen. Gelet op de ernst van de feiten wil ik u persoonlijk wijzen op de mogelijke gevolgen van uw ontkenning. Daarom nodig ik u - conform onze telefonische afspraak van heden - uit voor een gesprek.

(..)

U kunt zich bij het gesprek laten vergezellen door een vertegenwoordiger, maar u dient in ieder geval persoonlijk bij het gesprek aanwezig te zijn. De verplichting daartoe is opgenomen in artikel 41 lid 2 AWR..”

2.4.4.

Met dagtekening 5 november 2004 heeft de inspecteur een conceptverslag van het hoorgesprek van 2 november 2004 naar belanghebbende gezonden. Belanghebbende heeft tijdens dit gesprek op uitdrukkelijk verzoek van de inspecteur toegezegd een brief naar KB Lux te sturen. Hiertoe heeft de inspecteur aan belanghebbende een voorbeeldbrief overhandigd met daarop de volledige naam en adres van de bank in Luxemburg alsmede de door belanghebbende in te vullen gegevens zoals naam, geboortedatum en adres. Belanghebbende heeft die brief op 18 januari 2005 opgesteld en verzonden.

2.4.5.

Bij brief van 3 december 2004 heeft de inspecteur aan belanghebbende onder andere meegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen op te leggen. In deze brief heeft de inspecteur bericht:

Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat u tenminste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

(..)

Ik ben door uw ontkenning c.q. weigering om volledig en juist antwoord te geven op mijn vragen genoodzaakt de aanslagen vast te stellen als volgt.

De hoogte van de correctiebedragen wordt gesteld op een zodanig bedrag dat 95% van de bedragen die zijn gecorrigeerd bij personen die wel volledig en juist hebben geantwoord daar binnen valt. Aangezien bij personen die niet of onjuist hebben geantwoord de saldi gemiddeld een factor 1,5 hoger liggen, heb ik dit bedrag met 1,5 vermenigvuldigd.

(..)

De verdeling van deze totale correctiebedragen over de diverse belastingjaren is gebaseerd op de gemiddelde correctiebedragen per jaar zoals die blijken uit de gegevens van belanghebbende die wel volledig en juist antwoord gaven op de gestelde vragen. In het als bijlage meegezonden overzicht kunt u de verdeling van de totale correctiebedragen over de belastingjaren terugvinden.

Voor u leidt dit nu tot de volgende consequenties:

(..)

Motivering boete

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. (hierna: de AWR), alwaar geregeld is dat de inspecteur alvorens hij een vergrijpboete gaat opleggen de belastingplichtige van zijn voornemen daartoe in kennis stelt onder vermelding van de gronden waarop dat voornemen berust.

Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden op een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is. De vragen in het aangifte biljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.

Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van ) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1988 (hierna: het Boetebesluit). Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen.

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PH tot en met 1997 en VB tot en met 1998;

De boeten in die jaren zijn gebaseerd op artikel 18, eerste lid AWR. Op grond van artikel 18, tweede lid AWR, juncto paragraaf (..) 15 van de Leidraad administratieve boeten 1984 en hoofdstuk IV van het Voorschrift administratieve boeten 1993 zal geen vrijstelling verleend worden.”

Als bijlagen bij deze brief zijn overzichten gevoegd, waarin onder meer de volgende gegevens zijn opgenomen (met correcties worden bedragen bedoeld die de grondslag voor de navorderingsaanslag vormen).

Jaar

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Belastbaar inkomen (in ƒ):

Aanslag

100.000

105.000

110.365

107.632

101.272

111.105

117.811

174.245

174.207

Correctie

23.333

20.633

17.235

17.100

17.190

18.360

19.013

20.025

22.208

Navordering

123.333

125.633

127.600

124.732

118.462

129.465

136.824

194.270

196.415

Belasting

13.999

12.378

10.340

10.260

9.763

10.962

11.129

12.015

13.324

Belastbaar vermogen:

Jaar

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

Aanslag

0

0

0

0

0

0

0

0

Correctie/navordering

493.000

498.000

488.000

553.000

547.000

628.000

621.000

621.000

Belastingbedrag

2.944

2.896

2.624

3.120

3.048

2.709

2.625

3.080

Jaar

2001 (ƒ)

2002 (€)

2003 (€)

Rendementsgrondslag box 3

0

0

0

Correctie grondslag box 3

734.229

332.086

330.778

Na te vorderen belastingbedrag

8.810

3.985

3.969

2.4.6.

Op 9 december 2004 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de inspecteur een brief gezonden waarin hij bericht dat hij de in de kennisgeving vermelde gronden betwist en dat hij gebruik wenst te maken van het inzagerecht.

2.4.7.

Op 17 december 2004 heeft gemachtigde inzage gehad. Hierbij heeft hij een lijst van stukken overgelegd die hij wenste in te zien. Die lijst luidt als volgt:

Inzage 17-12-2004

1. De inspecteur beschikt over de volgende gegevens (dat is dus in meervoud) waaruit blijkt (dat is in fiscalibus volledig bewezen/overtuigend aangetoond) u tenminste 1 rekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

GEGEVENS/MEERVOUD.

2. Analyse van de FIOD.

ANALYSE FIOD.

3. Gegevens van belanghebbenden die juist en volledig hebben geantwoord in een database .

GEGEVENS DATABASE.

4. Vergelijking met gegevens van personen die niet volledig of onjuist hebben geantwoord.

GEGEVENSVERGELIJKING.

5. Bij mij bekende bankoverzicht van personen die wel en juist hebben geantwoord.

BANKOVERZICHT.

6. Bij mij bekende bankoverzicht van personen die de vragen niet of onjuist hebben beantwoord.

BANKOVERZICHT.

7. De hoogte van de correctiebedragen op een zodanig bedrag dat 95% van de bedragen die zijn gecorrigeerd bij personen die wel volledig en juist hebben geantwoord daar binnen valt.

OVERZICHT VAN CORRECTIEBEDRAGEN.

8. Saldi van personen die niet of onjuist hebben geantwoord zijn factor 1,5 hoger.

LIJST MET SALDI VAN PERSONEN DIE ..

9. Gemiddelde correctiebedragen per jaar zoals die blijken uit de gegevens van belanghebbenden die wel volledig en juist antwoord gaven.

LIJST MET GEMIDDELDE CORRECTIEBEDRAGEN

Bij de inzage heeft de inspecteur de onder 2.3.5.1 en 2.3.5.2 genoemde fotokopieën van de fiches overgelegd en een informatieset (bijlage 13 bij het beroepschrift).

2.4.8.

Naar aanleiding van dit onderhoud heeft de inspecteur belanghebbende op 17 december 2004 een brief gezonden in antwoord op de door belanghebbende gevraagde stukken, met – voor zover te dezen van belang – de volgende inhoud:

Database rekeningenproject

Vanaf het begin van het rekeningenproject werd duidelijk dat er sprake zou zijn van een massaal proces. Daarom is ten behoeve van de ondersteuning én voor het genereren van informatie een database ontworpen, het zogenaamde zoeklicht. (..).

In dit zoeklicht was o.a. de volgende informatie beschikbaar:

- het renseignement: bankrekeningnummer en bedrag op het renseignement;

- naam, adres, woonplaats en eventuele branche belastingplichtige

- (..)

- aanslaggegevens, met name van oude jaren (1990-1994)

(..)

In het zoeklicht (..) moesten ook gegevens worden ingevuld aan de hand waarvan de Belastingdienst een beeld kon vormen van de belastingplichtige met een buitenlandse bankrekening. Deze gegevens betroffen o.a.:

- (..)

- is er sprake van iemand die gegevens verstrekt (meewerker), dan wel ontkent of informatie weigert?;

- de totale correcties die voortvloeiden uit de overgelegde gegevens.

Een en ander resulteerde in een door vele belastingambtenaren gevuld zoeklicht, welk een totaal beeld kon vormen van de grote groep belastingplichtigen die over een verzwegen buitenlandse bankrekening beschikte.

Vervolgens is een aparte applicatie geïmplementeerd. De bedoeling van deze applicatie was om informatie te verkrijgen waarop redelijke aanslagen gebaseerd konden worden voor belastingplichtigen die ontkenden een bankrekening te hebben dan wel die in het geheel geen informatie verstrekten. De aanslagregelend ambtenaren dienden dit ook in te vullen. Deze aparte applicatie werd applicatie correcties genoemd.

Voor wat betreft de applicatie correcties waren in oktober 2002 deze cijfers alleen nog aanwezig voor zogenaamde meewerkers. Voor belastingplichtigen die weigerden informatie te verstrekken of ontkenden waren toen nog geen aanslagen opgelegd (..) Daarbij zijn ook de gegevens verwerkt van belanghebbenden die zich met een beroep op de werking van art. 67n AWR en/of art. 69a AWR, de zogenoemde inkeerders, gemeld hebben bij de inspecteur in verband met het aanhouden van buitenlandse tegoeden.

In deze applicatie correcties werd o.a. ten behoeve van de hardheid van de cijfers een vraag opgenomen over de kwaliteit van de cijfers. Daartoe diende de aanslagregelend ambtenaar te onderscheiden naar de volgende keuzes:

- vaststellingsovereenkomst gesloten;

- getekende afspraak over omvang correcties

- geen getekende afspraak maar overeenstemming omvang correcties

- geen overeenstemming maar harde correcties volgens inspecteur

- geen overeenstemming, omvang correcties onzeker

Verder diende er ingevuld te worden of er zogenaamde broncorrecties waren. Dat zijn correcties die zijn opgelegd naar aanleiding van het belasten van de vergaring van het vermogen in tegenstelling tot correcties betreffende het rendement op dit vermogen.

(..)

Door het zoeklicht enerzijds en de applicatie correcties anderzijds, kon ik verbanden leggen tussen de renseignementen en de uiteindelijke correcties. Tevens stelde het mij in staat om cijfers aan deze database te ontlenen o.a. via het maken van tabellen die een overzicht gaven van bepaalde relaties tussen de cijfers. Dit inzicht is dus verkregen uit de gegevens van personen die wel medewerking hebben verleend en alle gegevens hebben verstrekt. In oktober 2002 waren de cijfers van 434 ondernemersposten en 829 particuliere posten verwerkt waarbij IB correcties waren aangebracht. (..)

Voor de vermogensbelasting waren 338 posten van particulieren en 264 posten van ondernemers verwerkt (..). Hierbij zijn de posten geselecteerd van de vier hardste categorieën namelijk:

- vaststellingsovereenkomst gesloten;

- getekende afspraak over omvang correcties

- geen getekende afspraak maar overeenstemming omvang correcties

- geen overeenstemming maar harde correcties volgens inspecteur

De hoogte van de ingevulde correctiebedragen betreft de bedragen na verwerking van vrijstellingen en heffingsvrije bedragen en inclusief eventuele nevencorrecties (bijvoorbeeld drempel buitengewone lasten gewijzigd etc.).

Uit deze gegevens is het volgende gebleken:

1. Bij een groot aantal rekeninghouders bestond de rekening ook al in de periode vóór 1994. Indien ik alleen de gevallen uitselecteer die de Belastingdienst op het spoor is gekomen door de renseignering (dus exclusief inkeerders) dan betreffen dit volgens de meest recente gegevens 2320 gevallen. Daarvan bezat in 2264 gevallen de rekeninghouder ook vóór 1 januari 1994 al de rekening, dat is 97,6 %. Dit is nog verder te preciseren naar de diverse jaren daarvoor:

1993: 95,7 %

1992: 77,2 %

1991: 58,3 %

1990: 39,1 %

2. Het overgrote deel van de rekeninghouders bezit ook in de jaren na 1994 nog een buitenlandse rekening. In het volgende overzicht zijn de cijfers opgenomen welk percentage van de rekeninghouders in de jaren daarna ook nog over een rekening beschikte:

1995: 97,8 %

1996: 86%

1997: 81%

1998:76%

1999: 73%

2000: 71%

3. Het saldo dat is vermeld op het microfiche hoeft niet het saldo te zijn dat in werkelijkheid in 1994 uitstond op naam van de belanghebbende bij de KBL. In een groot aantal gevallen is gebleken dat een laag saldo op het microfiche een hoge correctie met zich bracht. Een saldo van ƒ 1.475 op het microfiche resulteerde bijvoorbeeld in een afschrift met een vermogen van ƒ 515.633. Uit de tabellen, resultaat 95%, waar de correcties van hoog naar laag zijn weergegeven met daarachter het saldo zoals dat op het microfiche is vermeld, blijkt dit. Hieruit valt af te leiden dat een laag renseignementssaldo een zeer hoge correctie met zich mee kan brengen. Dit kan simpel worden verklaard. De gang van zaken bij de KBL is als volgt. De cliënt opent een rekening-courant rekening. Uiteraard wordt op deze rekening niet veel rendement behaald. Er wordt dan ook een onderliggende rekening geopend, als effectenrekening. (..) Uit de applicatie blijkt dan ook dat in een groot deel van de gevallen een tweede rekening is geopend. Het microfiche vermeldt alleen het saldo van de rekening-courant en het deposito. Voor wat betreft de gang van zaken bij de KBL wordt dit bevestigd in de overeenkomsten zoals deze door de KBL wordt gebruikt. Hierin is sprake van een contantenrekening en een rekening effectendepot. Ik wil in dit kader ook noemen de brief van de Belgische autoriteiten waar is vermeld dat de aard van de betrokken rekening van 5 types kan zijn . Dit impliceert dat als het ene type rekening is vermeld op het microfiche er ook een ander type rekening kan zijn. (..) Dit betekent dat het saldo dat vermeld staat op het microfiche geen indicatie geeft over de daadwerkelijke omvang van het vermogen of de genoten inkomsten.

4. (..)

5. Het gemiddeld saldo van de renseignementen van de meewerkers is ƒ 93.000. Het gemiddeld saldo van de weigeraars en ontkenners is f 146.000. Deze cijfers betreffen zowel ondernemers en particulieren tezamen, aangezien de afzonderlijke cijfers niet veel verschilden.

6. Uitgaande van een grote hoeveelheid microfiches geldt voor die massa: hoe hoger het saldo van het microfiche is, hoe hoger de correctie is.

7. De spreiding van de correcties over de jaren vertoont een dalende trend van 1990 tot en met 1995 en een stijgende trend van 1996 tot en met 2000. Ik heb het gemiddelde bepaald van alle meewerkers welk procentueel deel van de totale correctie in elk jaar viel. Deze verdeling is gemaakt voor ondernemers en particulieren afzonderlijk en voor vermogensbelasting en inkomstenbelasting.

Redelijke aanslag: manier van berekening

Als sprake is van omkering van de bewijslast, dan mag de inspecteur de aanslag niet naar willekeur vaststellen. Het dient een redelijke aanslag te zijn. In oktober 2002 diende ik dus de aanslagen naar redelijkheid te bepalen. Aangezien het niet te verwachten viel dat als ik alleen 1990 zou opleggen belanghebbende over de andere jaren alsnog aan zijn informatieplicht zou voldoen heb ik de aanslagen over alle jaren opgelegd.

Voor de berekening van een redelijke aanslag heb ik een verschil gemaakt tussen de microfiches met een saldo boven de ƒ 500.000 en de microfiches met een saldo lager dan ƒ 500.000. Uitgaande van een in beginsel onvolledig saldo per datum op de microfiche acht ik de kans groter dat ik over het werkelijke saldo beschik naarmate dit saldo hoger is. Ik verwijs hiervoor ook naar punt 3 onder database rekeningenproject. (..)

(..)

Manier van berekening saldi onder ƒ 500.000

Wat is nu redelijk? Ik ben uitgegaan van de applicatie correcties als basis voor mijn correcties en de daaruit te trekken conclusies. Het lijkt mij dat dit redelijk is, aangezien ik geen andere bron kan aanboren die mij zicht geeft op een gemiddelde belanghebbende die in het bezit is van een buitenlandse bankrekening. De applicatie geeft een beeld van wat een gemiddelde bezitter van een buitenlandse bankrekening bezit. In die zin is het te vergelijken met de branche-informatie zoals die naar voren komt als een gemiddeld cijfer van een bepaalde branche. Ook daar zitten verschillen in, net zo als deze ook aanwezig zullen zijn bij buitenlandse bankrekeninghouders, maar niettemin worden er aanslagen opgelegd met omkering van de bewijslast die op een gemiddelde zijn gebaseerd. Zo moest ik mij ook baseren op gemiddelden. Uitgaande van de cijfers uit de applicatie, maar ook rekening houdende met aannames die waarschijnlijk voorkomen, heb ik mij bij het opleggen van de aanslagen op de volgende uitgangspunten gebaseerd:

Ten eerste is het gemiddelde saldo van de microfiches bij weigeraars/ontkenners 1,5 maal hoger dan dat bij meewerkers. Zie hiervoor onder 4 database rekeningenproject (93.000:146.000). Dit lijkt mij ook logisch. Immers, hoe hoger het saldo, hoe hoger het belang en hoe meer men moet betalen als men meewerkt. Als je dus op basis van meewerkers corrigeert, moet je een correctie op de cijfers van meewerkers toepassen om tot een correctie bij weigeraars/ontkenners te komen. De groep weigeraars/ontkenners heeft namelijk hogere saldi, dus moet je ook de correctie hierop aanpassen. Aangezien gemiddeld het saldo bij weigeraars/ontkenners 1,5 maal hoger ligt is gekozen om de correctie ook 1,5 maal hoger te stellen.

Ten tweede is het saldo dat op het microfiche staat vaak niet representatief voor het werkelijke verzwegen bedrag. Onder punt 2 bij database blijkt namelijk dat achter een klein renseignementssaldo een hoog daadwerkelijk fiscaal nadeel kan schuilen. Het individuele renseignementssaldo is daarom niet geschikt als uitgangspunt voor de in die individuele zaak toe te passen correctie. Dat heb ik ook niet als uitgangspunt genomen.

Ten derde dien ik een correctie te bepalen. Waarop kan ik deze correctie baseren? Het antwoord is dat ik een representatieve groep bezitters met een buitenlandse bankrekening heb, die ik daarvoor kan gebruiken, de meewerkers. Daarom ben ik uitgegaan van een gemiddelde correctie van de groep meewerkers die ik vermenigvuldig met 1,5 omdat het saldo op het microfiche gemiddeld 1,5 maal hoger is. Welke correctie moet ik dan vermenigvuldigen met 1,5? Moet ik mij baseren op de hoogste, het gemiddeld of de laagste correctie bij de meewerkers? Stel dat de belanghebbende het hoogste verzwegen vermogen heeft van alle weigeraars en ik leg een correctie op van de gemiddelde correctie bij meewerkers en vermenigvuldig deze met 1,5, dan zal deze correctie hoogstwaarschijnlijk te laag zijn. Heeft de belanghebbende namelijk het hoogste verzwegen vermogen, dan zal dit in de buurt moeten liggen van het hoogste bedrag dat meewerkers hebben verzwegen en bovendien moet dit nog vermenigvuldigd worden met 1,5. Uitgaande van de waarschijnlijkheid dat de hogere bedragen niet worden toegegeven (het saldo op het microfiche is tenslotte bij weigeraars 1,5 maal hoger), ben ik uitgegaan van een zodanige correctie dat 95% van alle correcties bij meewerkers kleiner zijn. Ik heb dus de 5% hoogste correcties bij meewerkers geëlimineerd omdat ik ervan uitgegaan ben dat ook bij meewerkers sprake is van uitschieters die de belanghebbende dan zouden benadelen. Ik verwijs naar bijlage D3 t/m D6, de tabellen betreffende de zogenaamde 95% norm voor IB en VB die zijn gemaakt voor ondernemers en particulieren afzonderlijk. (..)

Ten vierde dien ik de berekende totale correctie te verdelen over de jaren afzonderlijk. De totale correctie voor de jaren 1990-2000 voor de belanghebbende is bepaald via de formule 95% norm van de bepaalde groep waarin hij valt (ondernemers/particulieren) vermenigvuldigd met 1,5. Ik heb nu dus de totale correctie 1990-2000 voor IB en VB berekend. Ik heb deze totale correctie over de jaren verdeeld via de gemiddelden van de diverse jaren van de meewerkers, zie hierboven onder punt 7 database.

Op deze manier is dus voor alle weigeraars/ontkenners dezelfde correctie voor IB en VB berekend, waarbij alleen gedifferentieerd is naar particulier en ondernemer en saldi boven en onder de ƒ 500.000. Uitgaande van het feit dat ik volgens de heersende jurisprudentie de redelijke aanslag aannemelijk dien te maken, acht ik mij daarin geslaagd.

(..)

Ik wijs erop tot slot op dat de door u meergevraagde gegevens op grond van artikel 67 AWR niet zullen worden verstrekt.”

2.4.9.

Bij brief van 21 december 2004 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen en boeten aangekondigd. De navorderingsaanslagen zijn overeenkomstig de brief van 3 december 2004 opgelegd.

Contacten tussen partijen na het opleggen van de navorderingsaanslagen

2.5.1.

Bij brief van 4 januari 2005 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen.

2.5.2.

In de bezwaarfase heeft belanghebbende op 2 maart 2005 een brief naar de inspecteur gestuurd met als bijlage twee brieven van KB Lux van 7 februari 2005 en 9 februari 2005. In de brief van 7 februari 2005 staat het volgende:

Naar aanleiding van uw verzoek bevestigen wij u hierbij dat de rekening onder stamnummer – [rekeningnummer] – in onze boeken werd geopend op datum van 12-11-1990.

In de bijlage behorend bij de brief van 7 februari 2005 staat vervolgens:

Gevolggevend op Uw vraag worden de volgende documenten voorbereid:

- duplicaat van uw rekeninguittreksels

- staat van tegoeden van eindejaar

- bevestiging opening rekening

(..)

“U vindt dus hierbij ingesloten:

- bevestiging opening van rekening

Wij maken van dit schrijven gebruik om U er op te wijzen dat wij, overeenkomstig de Luxemburgse wetgeving, klantgegevens slechts gedurende 10 jaar dienen te bewaren. Wij bevinden ons hierdoor in de onmogelijkheid informatie te bezorgen betreffende de voorafgaande periode.”

Bij de brief van 9 februari 2005 behoort een bijlage en een overzicht:

In de bijlage wordt vermeldt:

“U vindt dus hierbij ingesloten:

- duplicaat van uw rekeninguittreksels

- staat van tegoeden – geen

Het overzicht vermeldt het volgende:

[rekeningnummer]

Ancien solde au 31-12-1994

-/- 12,21

Portokosten

-/- 0,76

03/04/1995

Commissieloon post

-/- 0,54

03/04/1995

Solde au 31/03/1995

-/- 13,51

Iiquidation compte

13,51

22/06/1995

Solde au 22/06/1995

Portokosten

-/- 0,87

03/07/1995

Commissieloon post

-/- 0,54

03/07/1995

Solde au 30/06/1995

-/- 1,41

Extourne agios

1,41

30/06/1995

Solde au 12/07/1995

0

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.6.

Na ontvangst van de informatie zijn door de Belastingdienst de volgende acties ondernomen:

  • -

    Om zekerheid te krijgen over de rechtmatigheid van de verkrijging van de informatie vanuit België is door B/CPP een ‘tafeltje’ ingericht. Daaraan namen vertegenwoordigers deel van het Ministerie, de kennisgroep Boete- en strafrecht, FIOD internationaal, een contactambtenaar en het Openbaar Ministerie (hierna: OM)/Expertisecentrum Fiscale Fraude (hierna: EFF). De vraag of de van de Belgische autoriteiten ontvangen informatie fiscaal (en strafrechtelijk) rechtmatig is te gebruiken, heeft deze groep in een nota van 16 augustus 2001 beantwoord.

  • -

    Er is nauw overleg gevoerd met het OM over de mate waarin posten konden worden voorgedragen voor strafrechtelijke vervolging en de criteria die daarbij van belang waren. Het aantal posten dat kon worden voorgedragen werd bepaald door de capaciteit bij het OM. Besloten werd om maximaal 200 posten daarvoor te selecteren. Op 10 oktober 2001 is gestart met de vervolging van een beperkt aantal personen met Duitse bankrekeningen. Op 30 oktober 2001 is de eerste tranche gestart met de vervolging van 50 posten KB-Lux. Op 12 december 2001 stond de tweede tranche van ongeveer 150 posten gepland.

  • -

    Door de Directies Particulieren (hierna: DPU), Ondernemingen Noord (hierna: DON), Ondernemingen Zuid (hierna: DOZ) en de FIOD is vooronderzoek gedaan op basis van een aantal van de beschikbaar gekomen gegevens. Dit vooronderzoek betrof onder meer de identificatie van de in de ontvangen documentatie vermelde namen.

  • -

    Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is, na consultatie van de politieke leiding, besloten over te gaan tot een landelijke actie in ITO-verband (Intensief Toezicht en Opsporing) in het najaar van 2001 en de eerste maanden van 2002. Voor de uitvoering van deze actie heeft de Directieraad op 29 augustus 2001 besloten een project te starten waarin de FIOD, de DPU, DON, DOZ en het OM/EFF participeren. De directeuren van de FIOD, de DPU, DON, en DOZ zijn opdrachtgever voor dit zogenoemde Rekeningenproject. Namens deze opdrachtgevers is een stuurgroep ingesteld. Namens de directies is een Projectgroep Rekeningenproject ingesteld bestaande uit vier projectleiders.

  • -

    De projectopdracht is als volgt geformuleerd:

- Draag zorg voor de identificatie van de beschikbare renseignementen;

- Selecteer op basis van vooraf vastgestelde criteria (Aanmeldings- Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen, hierna: ATV-richtlijnen) posten voor strafrechtelijke behandeling en ontwikkel een draaiboek voor de uitvoering van het traject;

- Ontwikkel een geïntegreerd draaiboek voor de administratiefrechtelijke behandeling van de posten op de eenheden Particulieren en (Grote) Ondernemingen. Besteed daarbij aandacht aan nieuwe vervolgenswaardige zaken die voldoen aan de ATV-richtlijnen;

- Draag zorg voor eenheid van beleid en uitvoering door de coördinatie van de verschillende acties, door zorg te dragen voor een geïntegreerde aanpak en door een strakke regie bij de uitvoering;

- Draag zorg voor de voortgangsbewaking, voor informatie en communicatie en (tussentijdse) rapportages.

Het totaal aantal mensdagen dat benodigd is voor het project wordt geschat op 9.280.

De startdatum van het Rekeningenproject is 1 november 2001. De verwachte einddatum was toen eind juni 2002, welke einddatum kon worden verschoven indien daarvoor aanleiding bestond.

2.7.

Op 30 januari 1995 meldt zich onaangekondigd een persoon, zichzelf noemende[G], bij de FIOD. Hij heeft een envelop achtergelaten inhoudende een notitie en een fotokopie van bankgegevens van X. De heer Van Boxtel van de FIOD heeft [G] op 6 februari 1995 ontvangen. In dat gesprek deelt [G] mee dat hij van drie verschillende banken in Luxemburg informatie kan verstrekken. Hij noemt de namen van KB-Lux en Norske Bank Luxemburg. Om aan te geven wat de inhoud van zijn informatie is, heeft hij van een drietal personen bankgegevens verstrekt. [G] heeft om een provisie gevraagd. Het Ministerie van Financiën besloot niet in te gaan op het voorstel. Nadat dit aan [G] was meegedeeld is niets meer van hem vernomen. In 1998 of 1999 is van Boxtel in Luxemburg gehoord in een strafzaak over diefstal van bankgegevens. Daar bleek hem dat [G] in werkelijkheid [H] heette, zijnde een ex-werknemer van KB-Lux en Norske Bank Luxemburg.

2.8.

Belanghebbende was tot en met 1996 werkzaam bij Shell. Vanaf 1997 heeft belanghebbende looninkomsten ontvangen van Elsevier opleidingen en Van Nierop assuradeuren. Belanghebbende heeft de volgende inkomsten genoten:

1994: ƒ 133.441, 1995: ƒ 135.602, 1996: ƒ 125.543, 1997: ƒ 135.148, 1998: ƒ 139.470, 1999: ƒ 207.384, 2000: ƒ 192.694, 2003: ƒ 87.847, 2004: ƒ 122.614,

2005: ƒ 77.450, 2006: ƒ 89.962, 2007: ƒ 77.646, 2008: ƒ 64.698.

De eigen woningschuld van belanghebbende bedroeg: 1994: ƒ 281.000, 1995: ƒ 253.456, 1996: ƒ 250.294, 1997: ƒ 246.907, 1998: ƒ 344.210, 1999: ƒ 344.210,

2000: ƒ 309.120, 2001: ƒ 344.211.

Belanghebbende heeft in de jaren 2001 tot en met 2003 geen inkomsten uit sparen en beleggen opgenomen in zijn aangifte. Vanaf 2004 heeft belanghebbende de volgende gegevens in zijn aangiften opgenomen:

2004

2005

2006

2007

2008

Banktegoed 1/1

50.000

98.600

72.726

21.727

64.000

Banktegoed 31/12

99.000

72.000

54.127

44.827

106.000

Schuld

1/1

161.000

200.000

204.200

200.000

Nihil

Schuld 31/12

206.000

200.000

205.044

200.000

Nihil

Op 25 september 2009 hebben belanghebbende en zijn vrouw samen een bedrag van € 22.760 geschonken aan hun zoon [K] en een bedrag van € 2.734 aan hun kleinkind [M].

2.9.

Belanghebbende heeft ter nadere zitting een brief getoond (zie hiervóór, 1.9), waarvan een kopie tot de stukken van het geding behoort, afkomstig van de KBL, gericht aan zijn gemachtigde, met de volgende inhoud.

Luxembourg, 4 août 2008

Geachte Meester,

Betreft: de rekening Nr. [rekeningnummer]

Op uw verzoek bevestigen wij dat de rekening onder stamnummer [rekeningnummer] in onze boeken werd geschrapt op datum van 21 juli 1995.

Daarnaast kunnen wij u mededelen dat het saldo op de rekening nul bedroeg op de datum van afsluiting.

(volgt groet en ondertekening)

2.10.

Het in de brief genoemde stamnummer betreft de rekening waarop het renseignement uit België (de microfiche) betrekking had.

2.11.

Tot de stukken van het geding behoort een brief van de Inspecteur aan belanghebbende, met bijlage, gedagtekend 14 juni 2012. De brief is verzonden naar aanleiding van de eerste zitting van het Hof van 12 juni 2012. De bijlage bevat een herrekening van de na te vorderen belasting en boeten. In de berekeningen zijn de boeten naar nihil teruggebracht en zijn de correcties met 1/3de deel (de verhoging met factor 1,5 verviel) verminderd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de aanslagen en de beschikkingen terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Het gaat daarbij om de volgende vragen:

A. Beschikt de Inspecteur over een zogenoemd nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dat navordering rechtvaardigt? Zo niet, is belanghebbende dan te kwade trouw als bedoeld in dat artikel?

B. Heeft de Inspecteur de navorderingstermijn overschreden?

C. Voor het geval vraag A bevestigend en vraag B ontkennend wordt beantwoord: heeft de Inspecteur de correcties op het aangegeven inkomen en vermogen juist berekend, dat wil zeggen: zijn zij gebaseerd op een redelijke schatting?

3.2.

Belanghebbende beantwoordt vraag B bevestigend; de overige vragen beantwoordt hij ontkennend; de Inspecteur verdedigt telkens het tegenovergestelde antwoord.

3.3.

In hoger beroep zijn de volgende punten niet langer in geschil:

  • -

    De hoogte van de boete: de Inspecteur heeft gesteld dat, gelet op de inmiddels gewezen jurisprudentie van de Hoge Raad, alle verhogingen en boeten dienen te vervallen.

  • -

    De vraag of belanghebbende terecht als houder van de bankrekening(en) is geïdentificeerd; belanghebbende erkent dat hij de rekeninghouder was, althans tot 12 juli 1995.

  • -

    De vraag of de Inspecteur alle op het geding betrekking hebbende stukken heeft ingediend. Belanghebbende heeft zijn stelling dat zulks niet het geval was, ingetrokken.

3.4.

Voorts heeft belanghebbende zijn stelling dat de hoger beroepen van de Inspecteur te laat zouden zijn ingediend, en deswege niet-ontvankelijk zouden zijn, ingetrokken. Het Hof, dat gehouden is ambtshalve de ontvankelijkheid te toetsen, sluit zich aan bij de eensluidende opvatting van partijen dat de hoger beroepen van de Inspecteur ontvankelijk zijn.

3.5.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij ter nadere zitting daaraan hebben toegevoegd, verwijst het Hof naar het proces-verbaal van die zitting.

3.6.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van de door hem ingestelde principale hoger beroepen, tot ongegrondverklaring van de door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroepen, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en, naar het Hof verstaat, de uitspraken op bezwaar, en vermindering van de aanslagen conform zijn onder 2.11 genoemde berekeningen alsmede vermindering tot nihil dan wel vernietiging van de opgelegde verhogingen en boeten.

3.7.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de door hem ingestelde incidenteel hoger beroepen, en primair tot ongegrondverklaring van de door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, tot vernietiging van de aanslagen en de beschikkingen; subsidiair concludeert belanghebbende, naar het Hof verstaat, tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4 Gronden

De bewijslast

4.1.1.

Belanghebbende heeft erkend dat hij houder was van de rekening waarop het renseignement uit België (de microfiche) betrekking had (hierna: “de rekening”). Belanghebbende stelt dat de rekening per 21 juli 1995 werd opgeheven. De Inspecteur heeft dit erkend en tevens erkend dat het stamnummer werd opgeheven. De Inspecteur heeft bevestigd dat het feit dat het stamnummer werd opgeheven, betekent dat alle eventueel aan dat stamnummer gekoppelde rekeningen, zoals depositorekeningen, spaarrekeningen etc, ook zijn vervallen.

4.1.2.

Tussen partijen staat dus vast dat belanghebbende houder was van de rekening tot 21 juli 1995 en daarna niet meer.

4.1.3.

Deze constatering heeft gevolgen voor de verdeling van de bewijslast.

4.1.4.

De Inspecteur stelt dat de bewijslast verzwaard op belanghebbende rust, omdat belanghebbende niet voldaan zou hebben aan de verplichtingen van artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dat artikel schrijft voor, kort gezegd, dat een belastingplichtige verplicht is de vragen van de Inspecteur over zijn belastingaangelegenheden naar waarheid te beantwoorden en de door de Inspecteur gevraagde gegevens te verschaffen. Als een belastingplichtige dat niet doet, treedt de zogenoemde omkering van de bewijslast in, dat wil zeggen, dat de belastingplichtige moet doen blijken (dat betekent: overtuigend aantonen) dat de schatting die de Inspecteur gemaakt heeft bij het berekenen van de aanslag, onjuist is (aldus artikelen 27e en 27j AWR).

4.1.5.

In hoger beroep heeft belanghebbende zijn ontkenning houder van de rekening te zijn geweest, laten varen. Hij erkent nu dat hij tot 21 juli 1995 houder van de rekening was. De Inspecteur heeft belanghebbende meermalen gevraagd of hij houder van een buitenlandse bankrekening was, en hem verzocht daarover gegevens te verstrekken, en belanghebbende heeft meermalen ontkend. Hij heeft dus, althans voor wat betreft de periode tot aan de opheffing van de rekening, niet aan de verplichtingen van artikel 47 AWR voldaan. Dat betekent dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de omkering van de bewijslast van toepassing is.

4.1.6.

Voor de tijdvakken ná de opheffing van de rekening ligt dit anders. Het betreft dus de aanslagen IB/PVV en VB over de jaren 1996 en later.

4.1.7.

De bewijslast dát de bewijslast moet worden omgekeerd ligt op de Inspecteur. Hij zal moeten bewijzen (in de zin van ‘aannemelijk maken’) dat de feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan die de omkering van de bewijslast doen intreden. Die feiten en omstandigheden doen zich niet alleen voor als de belastingplichtige de verplichtingen van artikel 47 AWR schendt, maar ook als hij niet de vereiste aangifte doet.

4.1.8.

De Inspecteur zal dus aannemelijk moeten maken, dat belanghebbende voor de jaren 1996 en verder

  • -

    hetzij de door de Inspecteur gestelde vragen niet naar waarheid heeft beantwoord, dan wel gevraagde gegevens niet heeft verstrekt;

  • -

    hetzij over die jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.1.9.

De Inspecteur stelt, naar het Hof begrijpt, dat hij aan deze bewijslast heeft voldaan. Hij erkent weliswaar dat belanghebbende na 21 juli 1995 niet langer houder was van de rekening, maar nu vaststaat, aldus de Inspecteur, dat belanghebbende op 31 januari 1994 op de rekening een saldo had van Hfl. 20.000, en ervaringsregels leren dat een dergelijk bedrag niet zomaar verdwijnt, is het redelijk te veronderstellen dat dit bedrag ook in latere jaren aanwezig was en buiten het zicht van de fiscus is gehouden, bijvoorbeeld op andere buitenlandse rekeningen. Hieruit volgt, dat belanghebbende de fiscus ook voor de jaren 1996 en verder onjuiste gegevens heeft verstrekt (dus artikel 47 AWR heeft geschonden) en niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

4.1.10.

Belanghebbende heeft deze stellingen van de Inspecteur weersproken. Hij zegt dat het bedrag van de rekening is opgemaakt, dat hij in die periode (het jaar 1993) verbouwingen heeft gedaan, dat hij het geld voor die verbouwing wellicht niet meteen van de rekening heeft opgenomen, maar toch zeker nadien om door de verbouwing ontstane op andere rekeningen tekorten aan te vullen, en dat op een gegeven moment het niet de moeite was om de rekening aan te houden.

4.1.11.

Anders dan de Inspecteur, acht het Hof het op 31 januari 1994 aanwezige bedrag niet zodanig groot, dat, gelet op de weerspreking door belanghebbende, aangenomen moet worden dat het bedrag geheel of gedeeltelijk na opheffing van de rekening in juli 1995 nog in het vermogen van belanghebbende aanwezig moet zijn geweest.

4.1.12.

Overig bewijs dat belanghebbende onjuiste inlichtingen of gegevens zou hebben verstrekt, dan wel niet de vereiste aangifte zou hebben gedaan, heeft de Inspecteur niet geleverd.

4.1.13.

Het Hof is evenmin gebleken van andere redenen die voor de jaren 1996 en verder omkering van de bewijslast zouden rechtvaardigen.

4.1.14.

Het Hof komt tot het oordeel dat de bewijslast voor de belastingjaren tot en met 1995 moet worden omgekeerd, maar voor de jaren daarna niet. Anders gezegd: belanghebbende zal voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 t/m 1995 en voor de navorderingsaanslagen VB 1993 t/m 1995 overtuigend moeten aantonen dat zij te hoog zijn. Voor de jaren 1996 en verder ligt de bewijslast op de Inspecteur.

De jaren 1996 en verder

4.2.1.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat belanghebbende over de jaren 1996 en verder vermogen en/of inkomen heeft verzwegen. In confesso is dat de rekening in juli 1995 is opgeheven, en het Hof heeft hierboven reeds geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het op de rekening aangehouden bedrag na opheffing nog in het vermogen van belanghebbende aanwezig was. Van het bestaan van andere rekeningen, danwel andersoortig vermogen of inkomen heeft de Inspecteur geen bewijs bijgebracht.

4.2.2.

Hieruit volgt, dat het gelijk voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 t/m 2003 en VB 1996 t/m 2000 aan de zijde van belanghebbende is, en dat deze navorderingsaanslagen terecht door de Rechtbank zijn vernietigd. De overige vragen behoeven voor deze jaren geen behandeling.

De jaren t/m 1995

Vraag A: Beschikt de Inspecteur over een zogenoemd nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dat navordering rechtvaardigt? Zo niet, is belanghebbende dan te kwade trouw als bedoeld in dat artikel?

4.3.1.

De Rechtbank heeft in onderdelen 4.7 en 4.8. overwogen, dat de informatie die stond op het microfiche en hetgeen daaromtrent later is bekend geworden, een nieuw feit opleverde in de zin van artikel 16 AWR, nu deze informatie de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag niet bekend was, noch redelijkerwijs bekend kon zijn. Het Hof is het met dit oordeel en de motivering daarvan eens.

4.3.2.

De Rechtbank heeft voorts overwogen, dat aannemelijk is dat belanghebbende opzettelijk de (inkomsten uit de) bankrekening niet heeft aangegeven, zodat eveneens sprake is van kwade trouw van belanghebbende. Het Hof sluit zich ook bij dit oordeel aan. Bij dat oordeel is van belang, dat belanghebbende een bedrag van Hfl. 20.000 had staan op een bankrekening in een land met een bankgeheim en noch dat bedrag noch de inkomsten daaruit in zijn aangiften heeft vermeld, terwijl het van algemene bekendheid was dat dergelijke tegoeden en inkomsten aangegeven dienden te worden en – voor zover zij de toepasselijke vrijstellingen te boven gingen – belastbaar waren (vgl. Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 11/04152).

4.3.3.

Er was dus zowel sprake van een nieuw feit als van kwade trouw. Artikel 16 AWR verhindert de navordering niet.

Vraag B. Heeft de Inspecteur de navorderingstermijn overschreden?

4.4.1.

De vraag of de Inspecteur de navorderingstermijn heeft overschreden kent twee subvragen. De eerste subvraag is of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR van toepassing is. Indien deze subvraag bevestigend beantwoord wordt, dient de tweede subvraag te worden beantwoord, te weten of de Inspecteur, conform (onder andere) het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 430670bis, voldoende voortvarend gehandeld heeft.

4.4.2.

Opmerking verdient dat het precieze in voornoemd arrest gegeven criterium luidt, dat de Inspecteur, na het bekendworden van aanwijzingen dat belanghebbende over een buitenlandse bankrekening beschikt, de navorderingsaanslag moet opleggen

“met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan”.

Wanneer het Hof hierna spreekt over “voldoende voortvarend” of het “voortvarendheidscriterium” (e.d.), dan wordt daarmee het zojuist geformuleerde criterium bedoeld.

4.4.3.

De Rechtbank heeft alleen de eerste subvraag - is de verlengde navorderingstermijn van toepassing? - behandeld. De Rechtbank heeft die vraag terecht en op goede gronden bevestigend beantwoord. Het Hof verwijst naar onderdelen 4.9. t/m 4.11 van de uitspraken van de Rechtbank met nummer 08/3292, 08/3293, 08/3294, 08/3304 en 08/3305. Het Hof is van oordeel dat de verlengde navorderingstermijn op dezelfde gronden ook van toepassing is ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1995.

4.4.4.

De Rechtbank heeft de tweede subvraag echter niet behandeld, kennelijk omdat belanghebbende, in de visie van de Rechtbank, die niet had opgeworpen. Hij rept in zijn beroepschrift inderdaad met geen woord over het voortvarendheidscriterium, doch neemt slechts het standpunt in dat artikel 16, lid 4, AWR onverbindend zou zijn wegens strijd met EU-recht.

4.4.5.

Belanghebbende heeft deze lezing van zijn grief door de Rechtbank niet, althans niet zichtbaar, bestreden. In zijn incidenteel hoger beroepen heeft hij weliswaar plichtmatig gesteld dat hij “onverkort (handhaaft) al zijn in de bezwaarfase en beroepsfase in eerste aanleg ingenomen standpunten en stellingen”, maar hij heeft geen afzonderlijke grieven geformuleerd tegen voornoemd onderdeel van de uitspraak. Hij heeft (dus) nagelaten aan te geven op welke wijze en op welke momenten de Inspecteur nalatig zou zijn geweest bij de identificatie, het verzamelen en verwerken van relevante gegevens en het vervolgens opleggen van de aanslag. De Inspecteur heeft in zijn geschriften dan ook, begrijpelijkerwijs, niet gereageerd op deze niet-ingenomen stelling.

4.4.6.

Pas ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat hij óók een beroep wenste te doen op actuele jurisprudentie over voortvarendheid.

4.4.7.

Het Hof verwerpt dit beroep op twee gronden. Ten eerste acht het Hof de stelling dat de Inspecteur niet voortvarend zou hebben gehandeld onvoldoende onderbouwd; belanghebbende heeft niet – ook niet ter zitting – aangegeven wanneer en hoe het gestelde gebrek aan voortvarendheid zich heeft gemanifesteerd. Ten tweede acht het Hof, het procesbelang van belanghebbende afwegende tegen het belang van een behoorlijke en voortvarende procesgang, de stelling tardief ingebracht. De stelling vormt een uitbreiding van het geschil zoals dat zich tot het moment van de zitting had ontwikkeld; de stelling had (veel) eerder door belanghebbende opgeworpen kunnen worpen en zij vergt een nader onderzoek van feitelijke aard, hetgeen aanhouding van de zaken en daarmee verlenging van de procedures noodzakelijk zou maken. Zelfs indien aangenomen zou moeten worden, dat de stelling omtrent een gebrek aan voortvarendheid besloten lag in belanghebbendes reeds voor de Rechtbank aangevoerde klacht dat artikel 16, lid 4, AWR zich niet verdroeg met EU-recht, leidt dat niet tot een ander oordeel. De Rechtbank en de Inspecteur hebben deze klacht, gezien haar formulering, beperkter kunnen lezen en belanghebbende heeft in hoger beroep het eventuele misverstand – zo daarvan sprake was - niet weggenomen. Pas ter zitting heeft hij de voortvarendheid terloops genoemd.

4.4.8.

Het Hof is daarom met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur de navorderingstermijn niet heeft overschreden.

Vraag C. Heeft de Inspecteur de correcties op het aangegeven inkomen en vermogen juist berekend, dat wil zeggen: zijn zij gebaseerd op een redelijke schatting?

4.5.1.

Gelet op het arrest Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, acht het Hof de door de Inspecteur in hoger beroep in zijn nadere berekening van 14 juni 2012 (zie hiervoor, onderdeel 2.11) verdedigde schattingen redelijk. De schattingen zijn conform de in genoemd arrest door de Hoge Raad aanvaarde methode. Belanghebbende, op wie de verzwaarde bewijslast rust te doen blijken dat deze schattingen onjuist zijn, heeft daartoe onvoldoende bijgebracht.

4.5.2.

Het gelijk met betrekking tot vraag C is aan de Inspecteur, zodat zijn hoger beroepen slagen.

Slotsom

4.6.1.

Uit het voorgaande volgt dat voor de jaren t/m 1995 de hoger beroepen van de Inspecteur gegrond zijn, en de incidenteel hoger beroepen van belanghebbende ongegrond is.

4.6.2.

Voor de jaren 1996 en later zijn het hoger beroepen van de Inspecteur ongegrond; de incidenteel hoger beroepen van belanghebbende over die jaren zijn niet-ontvankelijk. Belanghebbende is over die jaren immers door de Rechtbank volledig in het gelijk gesteld, zodat het incidenteel hoger beroep niet kan leiden tot een voor hem gunstigere uitkomst.

Proceskostenvergoeding

4.7.1.

Nu de door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen voor de jaren 1996 en later ongegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de betreffende hoger beroepen (c.q. het voeren van verweer) bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.7.2.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op (verweerschrift/incidenteel hoger beroep = 1; verschijnen ter eerste zitting = 1; schriftelijke uiteenzetting na eerste zitting = 0,5; verschijnen ter tweede zitting = 1: in totaal] 3,5 punten x € 472 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.478. Belanghebbende heeft niet om vergoeding van reis- of verletkosten verzocht.

4.7.3.

Daarbij wordt uitgegaan van 13 samenhangende zaken waarin belanghebbende met succes verweer heeft gevoerd, te weten de zaken met betrekking tot de inkomstenbelasting 1996 t/m 2003 (8 zaken) en de zaken met betrekking tot de vermogensbelasting 1996 t/m 2000 (5 zaken).

4.7.4.

Het Hof ziet geen termen aanwezig voor een integrale proceskostenvergoeding, noch voor de Rechtbank, noch voor het Hof. Het sluit zich aan bij de overwegingen van de Rechtbank op dat punt.

4.7.5.

Hoewel het hoger beroep van de Inspecteur over de jaren t/m 1995 gegrond is, zal het Hof de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding om twee redenen in stand laten. Ten eerste heeft de Inspecteur zijn schattingen in hoger beroep herzien, zoals neergelegd in zijn brief van 14 juni 2012 (zie feiten, onderdeel 2.11). Dat betekent dat het beroep van belanghebbende bij de Rechtbank, zij het om andere dan door de Rechtbank genoemde redenen, gegrond zou zijn geweest. Ten tweede heeft de Inspecteur te kennen gegeven te berusten bij de proceskostenvergoeding die de Rechtbank heeft toegekend voor de jaren t/m 1995.

Griffierecht

4.8.

Nu de uitspraken van de Rechtbank over de jaren 1996 en verder in stand blijven, wordt ter zake van de door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen in de zaken met kenmerk 10/00132 en 10/00143 een griffierecht geheven van elk € 448. Het Hof zal gezien de samenhang van de zaken ten aanzien van de IB/PVV slechts eenmaal griffierecht heffen alsook ten aanzien van de VB slechts eenmaal griffierecht heffen.

5 Beslissing

Met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV

Jaar Aanslagnummer

1992 [aanslagnummer 1]H.28

1993 [aanslagnummer 1]H.38

1994 [aanslagnummer 1]H.48

1995 [aanslagnummer 1]H.58

en de navorderingsaanslagen VB

Jaar Aanslagnummer

1993 [aanslagnummer 1]K.38

1994 [aanslagnummer 1]K.48

1995 [aanslagnummer 1]K.58

geldt de volgende beslissing.

Het Hof

  • -

    verklaart de hoger beroepen van de Inspecteur gegrond,

  • -

    verklaart de incidenteel hoger beroepen van belanghebbende ongegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Rechtbank, behoudens wat betreft de proceskostenvergoeding,

  • -

    verklaart de tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 1992 tot € 4.235 aan belasting en tot € 1.610 aan heffingsrente,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 1993 tot € 3.745 aan belasting en tot € 1.236 aan heffingsrente,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 1994 tot € 3.128 aan belasting en tot € 893 aan heffingsrente,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 1995 tot € 3.104 aan belasting en tot € 803 aan heffingsrente,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1993 tot € 741 aan belasting en tot € 281 aan heffingsrente,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1994 tot € 712 aan belasting en tot € 235 aan heffingsrente,

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag VB 1995 tot € 603 aan belasting tot € 172 aan heffingsrente,

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.478.

Met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV

Jaar Aanslagnummer

1996 [aanslagnummer 1]H.68

1997 [aanslagnummer 1]H.78

1998 [aanslagnummer 1]H.88

1999 [aanslagnummer 1]H.97

2000 [aanslagnummer 1]H.07

2001 [aanslagnummer 1]H.17

2002 [aanslagnummer 1]H.27

2003 [aanslagnummer 1]H.37

en de navorderingsaanslagen VB

1996 [aanslagnummer 1]K.68

1997 [aanslagnummer 1]K.78

1998 [aanslagnummer 1]K.88

1999 [aanslagnummer 1]K.98

2000 [aanslagnummer 1]K.07

geldt de volgende beslissing.

Het Hof

  • -

    verklaart de hoger beroepen van de Inspecteur ongegrond,

  • -

    verklaart de incidenteel hoger beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk,

  • -

    bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Inspecteur ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroepen met kenmerk 10/00132 en 10/00143 een griffierecht wordt geheven van, elk, € 448.

Aldus gedaan op 12 december 2013 door J.W.J. Huige, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.