Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:6032

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
12-00344
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende krijgt een proceskostenvergoeding omdat de Heffingsambtenaar in de bezwaarprocedure weigerde de concept-matrix, waarop zijn waardering van de onroerende zaak was gebaseerd, in afschrift aan belanghebbende te verstrekken. Het verstrekken van de concept-matrix had de gang naar de rechter kunnen voorkomen.

De redelijke termijn is in de bezwaarprocedure niet overschreden gelet op het bepaalde in artikel 30, lid 8, Wet WOZ.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 30, geldigheid: 2013-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0038
V-N Vandaag 2014/20
Belastingblad 2014/86
V-N 2014/15.7

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00344

Uitspraak op het hoger beroep van



de heer [belanghebbende], wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 mei 2012, nummer AWB 11/176, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden beschikking en aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij door de Heffingsambtenaar aan belanghebbende krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) gezonden beschikking van 28 februari 2010 (hierna: de beschikking) is de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 23 te [woonplaats] per de waardepeildatum 1 januari 2009 voor het belastingjaar 2010 vastgesteld op € 469.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2010 (hierna: de aanslag) bekend gemaakt.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar (ingekomen op 18 maart 2010) heeft de Heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken van 17 december 2010 de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken op 17 januari 2011 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en gelast dat de Heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbend heeft een conclusie van repliek ingediend, de Heffingsambtenaar een conclusie van dupliek.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 26 september 2013 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mevrouw [B] verbonden aan [C] te [woonplaats], als gemachtigde van belanghebbende, en namens de Heffingsambtenaar de heer [D].

Ter zitting zijn tevens behandeld de zaken met hofkenmerknummers 12/00345 tot en met 12/00349.

1.8.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Bij de beschikking is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum
1 januari 2009 vastgesteld op € 469.000.

2.2.

Belanghebbende is tegen de beschikking bij brief van 17 maart 2010, bij de Heffingsambtenaar binnengekomen op 18 maart 2010, in bezwaar gekomen. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht te worden gehoord.

2.3.

Het hoorgesprek heeft op 9 december 2010 plaatsgevonden, nadat de taxateur van de gemeente de onroerende zaak op 21 september 2010 inpandig had opgenomen. Tijdens het hoorgesprek heeft de gemachtigde van belanghebbende inzage gehad in de concept-matrix, welke naar aanleiding van de inpandige opname door de taxateur was opgemaakt. Het verzoek van de gemachtigde om een kopie van de concept-matrix aan haar te verstrekken, is door de Heffingsambtenaar afgewezen. In de conclusie van dupliek van de Heffingsambtenaar is vermeld dat de concept-matrix na het hoorgesprek is vernietigd.

2.4.

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraken, gedagtekend 17 december 2010, de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

2.5.

Belanghebbende is tegen de uitspraken op 17 januari 2011 in beroep gekomen.
Tot de door de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingediende stukken behoort een taxatierapport, gedagtekend 28 februari 2011, uitgebracht door [E], taxateur onroerende zaken van [F]. In dat taxatierapport, voorzien van vergelijkingsobjecten en van een matrix, is de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 2009 vastgesteld op € 469.000.

2.6.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de waarde van de onroerende zaak en de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil uitsluitend het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding in verband met het niet verstrekken door de Heffingsambtenaar van een kopie van de concept-matrix?

2. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade op grond van het overschrijden van de redelijke termijn?

De waarde van de onroerende zaak is niet meer in geschil.

Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, voor zover deze betrekking heeft op de proceskostenvergoeding en de schadevergoeding, de veroordeling van de Heffingsambtenaar tot de vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg tot een bedrag van € 1.092,50 en tot de veroordeling van de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade wegens het overschrijden van een redelijke termijn.

De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van de geschilpunten

Proceskostenvergoeding voor de procedure in eerste aanleg

4.1.

De Rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om een proceskostenvergoeding afgewezen, omdat zij het niet aannemelijk heeft geacht, dat het niet verstrekken van de concept-matrix de reden is geweest voor het instellen van het beroep. De Rechtbank heeft evenmin aannemelijk geacht dat belanghebbende door de gang van zaken in zijn processuele belangen is geschaad. Wel zag de Rechtbank reden om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze betaalde griffierecht vergoedt.

4.2.

Het Hof neemt de oordelen van de Rechtbank, dat niet aannemelijk is dat het ontbreken van de concept-matrix de reden was beroep in te stellen en dat belanghebbende niet geschaad is in zijn processuele belangen, niet over. De concept-matrix gold als onderbouwing van de door de Heffingsambtenaar verdedigde waarde en zou belanghebbende inzicht in de opbouw van de vastgestelde waarde hebben kunnen verschaffen. Het verstrekken van een kopie van de concept-matrix aan belanghebbendes gemachtigde had de gang naar de rechter kunnen voorkomen. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende door de gang van zaken in zijn processuele belangen is geschaad. Dat, zoals de Heffingsambtenaar heeft gesteld, doch belanghebbende heeft betwist, de gemachtigde tijdens de hoorzitting in de gelegenheid is gesteld om de gegevens van de concept-matrix over te schrijven, maakt dat oordeel niet anders.

4.3.

Het Hof acht, gelet op de geschetste gang van zaken, termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op 2 (punten) x € 472 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak), is € 236. Het Hof past de factor ”gewicht van de zaak” van 0,25 toe, omdat het beroep bij de Rechtbank ongegrond is.

4.4.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Vergoeding van immateriële schade

4.5.

De Rechtbank heeft overwogen, dat ingevolge artikel 30, lid 8, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar op een bezwaarschrift, dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in afwijking van artikel 7:10, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak doet in het kalenderjaar, waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Met deze bepaling heeft de wetgever voor zaken als de onderhavige de mogelijkheid geschapen om een langere beslistermijn te hanteren dan neergelegd in de Awb. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld, dat dit een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, in samenhang met het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AT4468, BNB 2005/337.

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de Rechtbank. De wetgever heeft met het stellen van deze langere termijn voor bezwaar rekening willen houden met de “piekbelasting”, die de afhandeling van de grote stroom van bezwaarschriften in het kader van de Wet WOZ voor de gemeenten betekent (vgl. Rechtbank Breda, 25 mei 2012, nr. 11/679, ECLI:RBBRE:2012:BX4353, NTFR 2012/2169).
Het bezwaarschrift is ingekomen op 18 maart 2010 en de uitspraak op bezwaar is gedaan op 17 december 2010. De redelijke termijn als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, is derhalve niet overschreden.

4.6.

De bestreden uitspraken zijn gedagtekend 17 december 2010. Sinds die datum tot aan het doen van de uitspraak door de Rechtbank, op 24 mei 2012, zijn minder dan 18 maanden verstreken, zodat ook de Rechtbank de redelijke termijn niet heeft overschreden.

4.7.

Het hoger beroep is door belanghebbende ingesteld op 5 juli 2012. Het Hof doet heden uitspraak, derhalve binnen twee jaren die daarvoor gelden. Ook in de hoger beroepsfase is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 plus € 115, is
€ 156 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Nu het bezwaarschrift ongegrond is verklaard, is er voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase geen plaats.

4.11.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.12.

Het Hof stelt deze kosten vast op 2,5 punt (beroepschrift + conclusie van repliek + verschijnen ter zitting) x € 472 x 0,25 (factor gewicht van de zaak), is € 295. Het Hof past de factor “gewicht van de zaak” van 0,25 toe, gelet op het feit dat het materiële geschil in beroep in het nadeel van belanghebbende is beslist en belanghebbende in hoger beroep slechts voor wat betreft de proceskostenvergoeding in het gelijk wordt gesteld.

Ter zitting van het Hof zijn tevens behandeld de zaken met hofkenmerknummers 12/00345 tot en met 12/00349, van vijf andere belanghebbenden met dezelfde gemachtigde en eendere geschilpunten. Er is derhalve sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de totale tegemoetkoming wordt gesteld op € 295 x factor 1,5, is € 442,50.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

Het Hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van (€ 442,50 : 6 =) € 73,75.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    bevestigt de uitspraken van de Heffingsambtenaar;

  • -

    handhaaft de beschikking en de aanslag;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 156 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 236 plus € 73,75, is in totaal € 309,75.

Aldus gedaan op 12 december 2013 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.G.M. Cools en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.