Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5986

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
HD 200.135.289_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding: Verkrijging eigendom door extinctieve verjaring? bezit? interversie van houderschap?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.135.289/01

arrest van 10 december 2013

in de zaak van

1 [appellant 1.],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J. Ossewaarde te Middelburg,

tegen

de openbare rechtspersoon Gemeente Middelburg,

gevestigd te Middelburg,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. van den Berg te Middelburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in kort geding gewezen vonnis van 5 september 2013 tussen appellanten – [appellanten] – als gedaagden en geïntimeerde – de Gemeente – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/266897/KG ZA 13-407)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

- de memorie van antwoord met producties;

Vervolgens heeft het hof datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de dagvaarding.

4 De beoordeling

4.1.

In r.o. 2.1 tot en met 2.5 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief 2 wordt deze vaststelling deels bestreden, maar zoals hierna zal worden overwogen, onterecht. Het hof gaat daarmee uit van dezelfde feiten als de rechtbank, die het hof hierna zal herhalen en aanvullen.

a. a) Bij koopovereenkomst van 4 december 1998 heeft de Gemeente van de erven van de heer [erflater] gekocht en bij notariële akte van 14 april 1999 is aan de Gemeente geleverd:

“het recht van eigendom van een perceel grond met onroerende opstal, plaatselijk aangeduid [straatnaam 1.] ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Middelburg, [sectieletter 1.] [sectienummer A], groot 4 are en tachtig centiare” (hierna: perceel [sectienummer A]).Volgens de bepalingen van de leveringsakte is het perceel geleverd vrij van huur of ander gebruiksrecht.

b) Na verkrijging heeft de Gemeente de woning, die op perceel [sectienummer A] stond, gesloopt.

c) Op een gedeelte van een aangrenzend perceel (kadastraal nummer [sectienummer B]) dat de Gemeente in eigendom heeft, heeft zij een parkeerterrein gerealiseerd. In verband met deelname aan en Europees project genaamd “Bike Friendly cities”, is de gemeente onder meer van plan het parkeerterrein uit te breiden met een zogenaamde “cycle hub”, waar goed kan worden overgestapt van de auto naar de fiets. Daarvoor wil zij (een deel van) perceel [sectienummer A] gebruiken.

d) [appellanten] zijn vader en zoon. Op perceel [sectienummer A] bevindt zich een paardenbak, die in de tweede helft van de vorige eeuw door [erflater] aan vader [appellanten] in gebruik is gegeven. [appellanten] maakt daarnaast gebruik van paardenstallen op een gedeelte van perceel [sectienummer B].
e) [appellanten] gebruikte ook het nabij de paardenbak gelegen weiland dat deel uitmaakt van perceel [sectienummer A]. Dat gebruik heeft hij gestaakt na door de gemeente te zijn gesommeerd tot het ontruimen van perceel [sectienummer A].

f) [appellanten] heeft geweigerd de grond onder de stallen en de paardenbak te ontruimen.

4.2.

De Gemeente heeft [appellanten] in kort geding betrokken tot (gedeeltelijke) ontruiming van de percelen [sectienummer A] en [sectienummer B] binnen zeven dagen na het wijzen van het vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,= per dag met een maximum van
€ 30.000,=.

4.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [appellanten] door verjaring eigenaar is geworden van de grond met paardenbak. [appellanten] is veroordeeld om binnen drie maanden na betekening van het vonnis de percelen [sectienummer A] en [sectienummer B] deels (niet voor zover het betreft de paardenstallen) te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 250,= per dag tot het gevorderde maximum. Daarnaast is [appellanten] in de proceskosten en in de nakosten veroordeeld.

4.4.

Met grief 1 klaagt [appellanten] (onder meer) dat spoedeisend belang aan de zijde van de gemeente ontbreekt. Naar het oordeel van het hof heeft de Gemeente voldoende aannemelijk gemaakt dat zij spoedeisend belang heeft. De gemeente heeft aangevoerd dat zij de uitbreiding van het parkeerterrein vóór 1 juli 2014 moet hebben gerealiseerd om op de in het kader van voornoemd project toegekende subsidie aanspraak te kunnen maken. De stelling van [appellanten] dat de in het kader van het project te realiseren voorziening al is gerealiseerd met de aanleg van een transferium (afsluitbare fietsenstalling), is door de gemeente voldoende weersproken en vindt ook geen steun in het door [appellanten] ter onderbouwing van zijn stelling overgelegde artikel waaruit blijkt dat het transferium niet de cycle hub is, maar de opmaat naar de cycle hub. Uit het enkele feit dat wethouder [wethouder] op 26 juni 2013 aan [appellanten] schreef dat de directe haast eraf was kan, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet worden afgeleid dat de Gemeente geen spoedeisend belang meer heeft.

4.5.

Met de grieven 2 tot en met 4 bestrijdt [appellanten] dat de gemeente kan worden beschouwd als eigenaar van de percelen [sectienummer A] en [sectienummer B] voor zover delen daarvan door [appellanten] in bezit zijn genomen als paardenbak en stal.

[appellanten] stelt - kort samengevat - dat hij zich als eigenaar mag beschouwen en als zodanig gekwalificeerd dient te worden met een beroep op verkrijging door extinctieve verjaring (art. 3:105 BW), nu hij de stal en paardenbak al meer dan 20 jaar in bezit heeft gehad. [appellanten] voert daartoe aan dat hij stal en paardenbak van wijlen [erflater] in gebruik heeft gekregen en dat hij zich na het overlijden van [erflater] op 26 september 1986 als eigenaar is gaan beschouwen omdat niemand zich om perceel [sectienummer A] leek te bekommeren.

4.6.

Het hof constateert dat partijen in dit hoger beroep weliswaar spreken over stal en paardenbak, maar dat de voorzieningenrechter de vordering van de gemeente heeft toegewezen onder de uitdrukkelijke vermelding dat dit niet geldt voor zover het de paardenstallen betreft. Nu hiertegen geen incidenteel appel is ingesteld beperkt dit hoger beroep zich tot de vordering zoals die is toegewezen. Hierna zal dan ook alleen nog worden gesproken over de (grond onder de) paardenbak.

4.7.

Voor verkrijging door extinctieve verjaring is bezit vereist. Naar het voorlopig oordeel van het hof bestrijdt de gemeente het onder 4.5. weergegeven betoog van [appellanten] terecht met een beroep op art. 3:111 BW.

Wat er ook zij van het (door de gemeente bestreden) door [appellanten] omheinen van de paardenbak, op grond van het indertijd volgens eigen verklaring van [appellanten] van wijlen [erflater] verkregen gebruiksrecht is [appellanten] de paardenbak gaan houden voor [erflater].

Wanneer men eenmaal heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te gaan houden, gaat men daarmee onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (art. 3:111 BW).

Onder tegenspraak van recht dient te worden verstaan de situatie dat de houder openlijk het recht van de eigenaar betwist. Dat heeft [appellanten] niet gedaan. Het omheinen van de paardenbak (waarvan overigens volgens de gemeente op het moment dat zij de eigendom van perceel [sectienummer A] kreeg geen sprake was) geldt niet als zodanig. Dat [appellanten] eerder dan bij de brief die door de gemeente op 27 februari 2013 van hem is ontvangen (prod. 8 bij inl. dagv.) het eigendomsrecht van de erven [erflater] of de gemeente heeft betwist, is gesteld noch gebleken. Integendeel, [appellanten] heeft aangevoerd dat na het overlijden van [erflater] niemand zich om perceel [sectienummer A] leek te bekommeren en dat hij niet op de hoogte was van de eigendomsoverdracht aan de gemeente. [appellanten] heeft in het geheel geen feiten aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat hij van houder bezitter is geworden. Afgezien van het feit dat de aard van het kort geding zich niet leent voor bewijslevering als door [appellanten] aangeboden, passeert het hof dat bewijsaanbod op grond van het niet voldoen aan de stelplicht.

4.8.

Naar het voorlopig oordeel van het hof had [appellanten] in elk geval geen bezit tot op of omstreeks 27 februari 2013, zodat de gestelde verjaringstermijn van 20 jaar niet eerder een aanvang kan hebben genomen.

De grieven 2 tot en met 4 falen.

4.9.

Met grief 5 komt [appellanten] op tegen de door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis bepaalde ontruimingstermijn van drie maanden. Hij voert aan dat die termijn te kort is voor het vinden van een andere rijbak, verwijzend naar de termijn dat hij voorafgaand aan dit geding al samen met de gemeente heeft gezocht naar een redelijke vervanging. Met recht voert de gemeente daartegen aan dat [appellanten] inmiddels al geruime tijd rekening heeft moeten houden met ontruiming. Uit voornoemde brief van [appellanten] aan de gemeente begrijpt het hof dat [appellanten] in elk geval bij brief van 24 januari 2013 al door de gemeente is aangeschreven tot ontruiming, zodat hij daar in elk geval vanaf die datum rekening mee heeft kunnen en moeten houden. Gelet hierop weegt het belang van de gemeente bij ontruiming op een termijn waarbij de realisatie van de cycle hub niet in het geding komt zwaarder dan de wens van [appellanten] om meer tijd te krijgen om een alternatief voor de rijbak te kunnen vinden. [appellanten] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van de Gemeente bij het bekrachtigen van de toegewezen voorlopige voorziening.

Ook grief 5 faalt daarom.

4.10.

Nu de grieven 6 en 7 blijkens de toelichting daarop naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis hebben, kunnen deze onbesproken blijven.

4.11.

De slotsom van het voorgaande is dat alle grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep vermeerderd met de wettelijke rente daarover indien niet binnen 14 dagen voldaan. De door de gemeente bij memorie van antwoord gevorderde veroordeling in de nakosten zal worden afgewezen nu die veroordeling in eerste aanleg al is uitgesproken en in hoger beroep in stand blijft.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 683,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris advocaat;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, J.C.J. van Craaikamp en P.M. Arnoldus-Smit en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 december 2013.