Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5954

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
20-002822-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:4797
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

1. Veroordeling wegens het medeplegen van een poging tot doodslag, gepleegd op 4 januari 2013 op de Vestdijk te Eindhoven, tot 8 maanden jeugddetentie, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

2. Strafvermindering wegens een schending van artikel 8 EVRM.

Het hof stelt vast dat met het integraal vertonen van de camerabeelden van de geweldplegingen op Omroep Brabant, niet is voldaan aan de eis van subsidiariteit zodat reeds om die reden sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Het hof overweegt dat de vertoning van de beelden op deze vergaande wijze de schending van een fundamenteel recht, te weten de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, meebrengt. Zoals ook door de officier van justitie zelf in de appelschriftuur is aangegeven, had voor een minder zwaar middel kunnen worden gekozen om de identiteit van de verdachten te achterhalen. Een zorgvuldige afweging van belangen had naar het oordeel van het hof hetzelfde resultaat (voor de opsporing) kunnen opleveren, maar dan wel met een minder ingrijpende inbreuk op het privéleven en aldus met minder nadeel voor de verdachte.

Dat de geweldshandelingen plaatsvonden in de openbare ruimte maakt nog niet dat de verdachten daardoor minder recht zouden hebben op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Het laat onverlet dat een burger er op mag vertrouwen dat zorgvuldig met zijn belangen wordt omgegaan bij de beoordeling of, en zo ja, in welke vorm eventuele camerabeelden publiek worden gemaakt. Van het openbaar ministerie mag immers worden verwacht dat de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat dat, gezien de bewoordingen in de appelschriftuur, in de onderhavige zaak in het geheel niet is geschied. Al met al is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het handelen van het openbaar ministerie dermate onzorgvuldig is geweest, dat hierdoor strafvermindering gerechtvaardigd is.

3. Vormverzuim wegens handelen in strijd met de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving.

Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met bepaling 4.1 van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving, inhoudende dat voorafgaand aan de vertoning/uitzending van de camerabeelden in de media toestemming van de hoofdofficier van justitie is vereist. Deze bepaling leent zich naar inhoud en strekking er toe als rechtsregel jegens de verdachte te worden toegepast. Nu de toestemming van de hoofdofficier van justitie ontbreekt en de verdachte zich op deze bepaling van de Aanwijzing kan beroepen, en zulks ook heeft gedaan, is er sprake van een vormverzuim. Gelet echter op de mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep dat de hoofdofficier van justitie, als hem voorafgaand aan de vertoning/uitzending van de camerabeelden om toestemming zou zijn gevraagd, hij deze toestemming zeker zou hebben verleend, overweegt het hof dat kan worden volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan en er zullen aan dit verzuim dan ook geen rechtsgevolgen worden verbonden.

4. De bepalingen van de Aanwijzing onder 4.4, betreffende de belangenafweging bij de inzet van opsporingsberichtgeving, en 7.1.2, betreffende de inschakeling van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving, zijn naar het oordeel van het hof te beschouwen als instructienormen voor het openbaar ministerie, waar de verdachte geen rechten aan kan ontlenen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287/45/47, geldigheid: 2013-12-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002822-13

Uitspraak : 11 december 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-855012-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 28 augustus 2013 de verdachte voor het medeplegen van een poging tot doodslag veroordeeld tot 6 maanden jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Volgens de advocaat-generaal heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en dient hij te worden veroordeeld tot 18 maanden jeugddetentie, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft verweer gevoerd tegen de opname van het geweldsincident door camera’s van de Regionale ToezichtsRuimte (RTR) en de wijze waarop het openbaar ministerie van die beelden gebruik heeft gemaakt. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet heeft gehandeld overeenkomstig de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Het openbaar ministerie moet dan ook niet-ontvankelijk in de strafvervolging worden verklaard. Mocht het hof dat verweer niet volgen, dan moet de handelwijze van het openbaar ministerie leiden tot bewijsuitsluiting, met vrijspraak als gevolg, ofwel tot strafvermindering.

Voor zover het hof niet tot een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of tot bewijsuitsluiting komt, heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van een poging tot doodslag dan wel zware mishandeling (het primair ten laste gelegde feit). De openlijke geweldpleging (subsidiair ten laste gelegd) kan wel bewezen worden verklaard, aldus de raadsman.

Voor wat betreft een eventuele straf vindt de raadsman het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie die gelijk is aan de periode die verdachte al in voorarrest heeft gezeten, gepast. Mocht het hof daarin niet meegaan, dan vindt de raadsman dat de straf gelijk dient te zijn aan de door de rechtbank opgelegde straf.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 28 augustus 2013 zal worden vernietigd omdat het hof op onderdelen tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 januari 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] -al dan niet terwijl die [slachtoffer], roerloos, in elk geval in een kwetsbare positie op de grond lag- meermalen, althans éénmaal, tegen diens hoofd en/of lichaam heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 januari 2013 te Eindhoven met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Vestdijk, althans op of aan een openbare weg, in elk geval ten aanschouwen van, althans zichtbaar voor het publiek, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, schoppen en/of trappen en/of slaan en/of duwen tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De verweren van de verdediging

Door de raadsman van de verdachte zijn in hoger beroep de volgende verweren naar voren gebracht.

1. De raadsman stelt zich op standpunt dat de opnamen van het geweldsincident niet hadden mogen worden gemaakt.

Er is een inbreuk gemaakt op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 10 van de Grondwet. De raadsman is niet gebleken dat er op 4 januari 2013 toestemming was voor het plaatsen van de toezichtcamera’s. Artikel 2.10.1 van de APV Eindhoven is daarmee niet nageleefd. Bovendien was op 4 januari 2013 niet duidelijk (aangegeven) dat er sprake was van cameratoezicht in het uitgaanscentrum van Eindhoven.

2. De raadsman heeft aangevoerd dat de gemaakte opnamen/camerabeelden niet aan derden hadden mogen worden verstrekt. Ook hadden de beelden niet mogen worden uitgezonden. Hier zijn de volgende argumenten aan ten grondslag gelegd.

  1. Artikel 8 EVRM biedt bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De uitzondering die artikel 19 van de Wet politiegegevens biedt om beelden in een aantal gevallen wel aan derden te verstrekken, te weten dat in bijzondere gevallen van de hoofdregel mag worden afgeweken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend belang, doet zich in de onderhavige zaak niet voor. Er was geen sprake van een bijzonder geval, omdat zich regelmatig vele schoppartijen in het horecagebied van Eindhoven voordoen. Ook was er geen noodzaak, omdat het op 8 januari 2013 (de datum waarop de officier van justitie toestemming gaf om de camerabeelden bij het opsporingsprogramma Bureau Brabant uit te laten zenden en te verspreiden via internet) nog niet duidelijk was of de verdachten niet via ander materiaal of op andere wijze konden worden opgespoord.

  2. Het openbaar ministerie heeft niet gehandeld conform de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving.

- Er is voor het naar buiten brengen van de camerabeelden geen toestemming gegeven door de hoofdofficier van justitie zoals door de Aanwijzing wordt voorgeschreven.

- Er heeft, zoals eveneens is voorgeschreven in de Aanwijzing, geen belangenafweging plaatsgevonden tussen de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, waaronder verdachte en het slachtoffer. Het openbaar ministerie had bij de belangenafweging rekening moeten houden met de belangen van het slachtoffer, met de minderjarigheid van de verdachte en met de gevolgen van de mediabelangstelling die zou worden veroorzaakt door het uitzenden van de beelden. Uit niets blijkt dat het openbaar ministerie deze belangen heeft afgewogen.

Het voorgaande dient volgens de raadsman te leiden tot:

Primair: niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

Subsidiair: vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat het beeldbewijs onrechtmatig/onwetmatig is verkregen, althans onrechtmatig/onwetmatig naar buiten is gebracht of aan derden is verstrekt. De beelden van het ten laste gelegde geweldsincident moeten om die reden van het bewijs worden uitgesloten, evenals al het bewijs wat daaruit is voortgekomen.

Meer subsidiair: De hiervoor vermelde handelwijze van het openbaar ministerie dient te leiden tot strafvermindering.

De standpunten van het openbaar ministerie

Met betrekking tot het standpunt van de raadsman dat er geen toestemming was voor het plaatsen van de toezichtcamera’s heeft de advocaat-generaal gesteld dat het plaatsen en het gebruik van die camera’s wordt bepaald en uitgevoerd door de gemeente Eindhoven. Eventuele onrechtmatigheden op dit punt kunnen dan ook niet leiden tot onrechtmatig handelen door het openbaar ministerie. Een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, dan wel bewijsuitsluiting of strafvermindering, zoals door de raadsman is bepleit, kan dan ook niet aan de orde zijn.

Voorts heeft de advocaat-generaal gesteld dat de aanwezigheid van cameratoezicht in het gebied rondom de Vestdijk door de gemeente Eindhoven duidelijk kenbaar is gemaakt. Uit het aanvullend proces-verbaal van de politie d.d. 19 november 2013 blijkt immers dat in genoemd gebied borden zijn geplaatst waarop is aangeduid dat men een gebied met cameratoezicht betreedt. Volgens de gemeente Eindhoven waren die borden ook ten tijde van het geweldsincident op 4 januari 2013 zeer waarschijnlijk al aanwezig. De advocaat-generaal volgt de verdediging dan ook niet in het standpunt dat op 4 januari 2013 niet duidelijk was (aangegeven) dat er sprake was van cameratoezicht in het uitgaanscentrum van Eindhoven.

De advocaat-generaal heeft met de rechtbank en met de verdediging vastgesteld dat de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving niet is nageleefd. Er is namelijk geen toestemming voor het uitzenden van de beelden gegeven door de hoofdofficier van justitie. De advocaat-generaal vindt echter dat daarmee geen sprake is van een vormverzuim. Hij heeft op dat punt aangedragen dat de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving, waar het gaat om de inzet van het bijzondere opsporingsmiddel (uitzending van beelden op Omroep Brabant en internet van het ten laste gelegde geweldsincident), ziet op de interne organisatiestructuur van het openbaar ministerie. Het is naar zijn mening niet een bepaling (toestemming alvorens beelden uit te zenden) die de positie van de verdachte (belang van de privacy) beoogt te beschermen. Dit zelfde geldt voor de inschakeling van het R.O.O.

Mocht het hof wel tot de conclusie komen dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, dan vindt de advocaat-generaal niet dat dat moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, dan wel tot bewijsuitsluiting of strafvermindering. Er kan in dat geval worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een schending van de bepaling uit de Aanwijzing (toestemming hoofdofficier van justitie en betrokkenheid R.O.O.).

Bespreking van de verweren van de verdediging en de standpunten van het openbaar ministerie

Het hof zal in zijn overwegingen hierna de volgorde van de door de verdediging naar voren gebrachte standpunten (verweren) hanteren, en daarbij ook het standpunt van de advocaat-generaal bespreken.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1. Algemeen

Het ten laste gelegde geweldsincident is blijkens het procesdossier opgenomen door camera’s van de Regionale ToezichtsRuimte (RTR). De aldaar regiehoudende politieambtenaar [verbalisant 1] zag op 4 januari 2013, omstreeks 03:39 uur, op één van de bewakingscamera’s dat een groep van acht mannen op de Vestdijk te Eindhoven een voorbijganger mishandelde en in bewusteloze toestand achter liet.1 De opnamen van dit geweldsincident zijn in beslag genomen voor verder onderzoek. Op 8 januari 2013 is telefonisch overleg gevoerd met officier van justitie Van Hees om de zaak te bespreken en de zaak bij opsporingsprogramma Bureau Brabant uit te laten zenden met het doel de identiteit van de verdachten te achterhalen. Van Hees gaf hiervoor zijn toestemming, evenals voor het plaatsen van het filmpje en/of de afbeeldingen op internet.2

2. Hadden de opnamen gemaakt mogen worden?

Het ten laste gelegde geweldsincident is blijkens het procesdossier opgenomen door camera’s van de Regionale ToezichtsRuimte (RTR), met als regiehouder politieambtenaar [verbalisant 1]. Voor zover al:

- de burgemeester, dan wel het overig bevoegd gezag van de gemeente Eindhoven, niet heeft besloten dat vaste camera’s in het centrum van Eindhoven mogen worden geplaatst, ofwel;

- niet is besloten overeenkomstig de regeling in de toen geldende APV (artikel 2.10.1) in verbinding met artikel 151c van de Gemeentewet, ofwel;

- zich eventuele onregelmatigheden bij het aanduiden/kenbaar maken van cameratoezicht in het gebied rondom de Vestdijk te Eindhoven op 4 januari 2013 hebben voorgedaan,

kan niet worden gesteld dat het cameratoezicht heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend strafrechtelijk onderzoek van het in de onderhavige strafzaak aan verdachte (primair en subsidiair) ten laste gelegde.

Voor zover er al sprake van een verzuim zou zijn geweest, is dat begaan buiten het verband van dit voorbereidend strafrechtelijk onderzoek. Blijkens bestendige jurisprudentie leveren eventuele gebreken die zijn gelegen buiten het voorbereidend onderzoek jegens een verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit, geen vormverzuimen op als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.3

De vragen van de raadsman, te weten of cameratoezicht in de binnenstad van Eindhoven had mogen plaatsvinden, of hiervoor al dan niet de vereiste bevoegdheid was verleend en of het cameratoezicht wel (op juiste wijze) kenbaar was gemaakt, kan het hof derhalve verder onbesproken laten.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

3. Hadden de camerabeelden aan derden mogen worden verstrekt en mogen worden uitgezonden?

Het hof stelt voorop dat artikel 8 EVRM bescherming biedt tegen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Op deze bescherming is een inbreuk mogelijk, voor zover deze inbreuk bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Met de advocaat-generaal acht het hof de algemene bepalingen van de artikelen 141 en 148 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing op de opsporingsberichtgeving. In de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving van het College van procureurs-generaal4 zijn dienaangaande nadere regels gesteld over de inhoud van de berichtgeving, hoe en wanneer het openbaar ministerie de verschillende vormen kan inzetten en aan welke omstandigheden het openbaar ministerie nog speciale aandacht moet geven. Zoals ook blijkt uit de Aanwijzing zelf, kan bij de inzet van opsporingsberichtgeving sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, ook wel het privéleven, dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM.

a. Was er sprake van een zwaarwegend belang?

Op 21 januari 2013 zijn camerabeelden van het ten laste gelegde geweldsincident vertoond in het tv-programma Bureau Brabant van Omroep Brabant. Het doel was het achterhalen van de identiteit van de verdachten.

In dit verband is van belang het bepaalde in de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Bij opsporingsberichtgeving kan sprake zijn van het verwerken van politiegegevens in de zin van de Wpg. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat de desbetreffende beelden van de toezichtcamera’s politiegegevens in de zin van de Wpg zijn. Artikel 19 van de Wpg bepaalt dat in bijzondere gevallen, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, ten behoeve van (onder meer) de opsporing van strafbare feiten politiegegevens aan personen of instanties kunnen worden verstrekt.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het buiten kijf staat dat er sprake is van een zeer ernstig feit, waardoor de rechtsorde is geschokt. Op de beelden is immers door politieambtenaren waargenomen dat er in het centrum van Eindhoven, in de openbare ruimte door meerdere personen ernstig geweld werd gepleegd tegen één persoon. De vermoedelijke daders zijn weggerend met achterlating van het bewusteloze slachtoffer. Het was aldus van groot belang dat deze daders werden opgespoord. Met de rechtbank en de advocaat-generaal, maar anders dan de verdediging, is het hof dan ook van oordeel dat met het doel de identiteit van de verdachten te achterhalen een zwaarwegend algemeen belang was gediend.

Dat, zoals de raadsman heeft betoogd, de beslissing van de officier van justitie tot het verstrekken van de beelden reeds op 8 januari 2013 is genomen, nog vóórdat andere opsporingsmiddelen waren ingezet, maakt het bovenstaande niet anders. Door de advocaat-generaal is namelijk in hoger beroep - onbetwist - gesteld dat het vanwege het productieschema altijd enige tijd duurt voordat camerabeelden daadwerkelijk in een tv-programma worden getoond en dat de officier van justitie te allen tijde de beslissing om uit te zenden kan herzien.

Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen.

De vraag die vervolgens dient te worden gesteld is of de wijze waarop die beelden vervolgens door het openbaar ministerie zijn gebruikt toelaatbaar is geweest.

De Aanwijzing Opsporingsberichtgeving

Hoewel het hof heeft vastgesteld dat met de opsporing van de daders een zwaarwegend algemeen belang is gediend, is daarmee niet tevens de vraag beantwoord of de officier van justitie op 8 januari 2013 een juiste beslissing heeft genomen door toestemming te geven de beelden integraal uit te zenden. Bij het nemen van die beslissing door de officier van justitie speelt de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving een rol.

In die Aanwijzing wordt uiteengezet welke soorten opsporingsberichtgeving het openbaar ministerie kan inzetten en welke procedure daartoe moet worden gevolgd.

De eerste vraag die in verband met de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving echter moet worden beantwoord is of de bepalingen van de Aanwijzing ‘recht’ als bedoeld in artikel 79 Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO) opleveren. Alleen in dat geval kunnen er door een verdachte rechten aan de betreffende bepaling worden ontleend.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de Aanwijzing een interne instructienorm voor het openbaar ministerie is, die niet ziet op de bescherming van de rechtspositie van de verdachte. Met andere woorden: de verdachte kan zich niet beroepen op het niet naleven van de Aanwijzing, omdat de Aanwijzing is geschreven voor de interne werkwijze van het openbaar ministerie bij de inzet van opsporingsberichtgeving als opsporingsmiddel.

De advocaat-generaal heeft gesteld dat in de onderhavige zaak de Aanwijzing op onderdelen niet is nageleefd. Zo ontbreekt de toestemming van de hoofdofficier van justitie voor de inzet van opsporingsberichtgeving (4.1) en heeft geen overleg plaatsgevonden met het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving (hierna: R.O.O.) (7.1.2).

In verband met onderdeel 4.1 heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat de hoofdofficier van justitie desgevraagd (naar het hof begrijpt: mondeling aan de advocaat-generaal) heeft medegedeeld dat hij, indien hem vooraf toestemming was gevraagd voor het vertonen van de hier aan de orde zijnde camerabeelden, toestemming voor verstrekking van de beelden aan Omroep Brabant zou hebben verleend.

Ook de belangenafweging die is voorgeschreven in 4.4 ziet de advocaat-generaal, naar het hof begrijpt, als een instructienorm en levert volgens hem geen recht in de zin van artikel 79 RO op. Voor zover de rechter de belangenafweging van het openbaar ministerie wil toetsen, dient dit plaats te vinden in het kader van artikel 8 EVRM en niet in het kader van de Aanwijzing, aldus de advocaat-generaal.

Ten slotte is de advocaat-generaal van mening dat de betrokkenheid van het R.O.O. als vermeld in onderdeel 7.1.2, slechts beleidsmatig is bedoeld en niet ziet op de bescherming van de rechtspositie van de verdachte. Ook op dit punt zou het derhalve gaan om een instructienorm en niet om recht in de zin van artikel 79 RO.

Blijkens de aanhef betreft de Aanwijzing een aanwijzing in de zin van artikel 130, vierde lid, RO, dat wil zeggen dat het College van procureurs-generaal, het college dat aan het hoofd van het openbaar ministerie staat, algemene en bijzondere aanwijzingen kan geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie.

De Aanwijzing opsporingsberichtgeving (registratienummer 2009A0004, in werking getreden op 16 maart 2009) luidt – voor zover van belang – als volgt:

(…)

2. Wat is opsporingsberichtgeving

Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel in strafvorderlijke zin waarbij de hulp van het publiek wordt ingeroepen via de media en andere openbare berichten, om voor het opsporingsonderzoek relevante informatie te verkrijgen.

Onder deze ruime definitie vallen opsporingsberichten die gepubliceerd worden via de tv, radio, krant, telefoon of het internet. Ook berichten op publieke beeldschermen, in flyers en berichten die, na overleg met OM en/of politie, in de media als resultaat van onderzoeksjournalistiek worden getoond, zijn aan te merken als vormen van opsporingsberichtgeving wanneer daarbij de hulp van het publiek wordt gevraagd.

(…)

4 Eisen aan inzet opsporingsberichtgeving

4.1

Toestemming (hoofd)officier van justitie

Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de inzet van opsporingsmiddelen in het onderzoek naar strafbare feiten. Voor de inzet van opsporingsberichtgeving moet de hoofdofficier van justitie, op voorstel van de (zaaks)officier van justitie, toestemming geven. De hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek plaatsvindt, is verantwoordelijk voor de plaatsing en de inhoud van het opsporingsbericht.

(…)

4.3

Alleen in specifieke gevallen

Opsporingsberichtgeving is toegestaan in de volgende gevallen:

4.3.1

Onderzoek naar onbekende verdachten:

a. bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 67 lid 1 Strafvordering);

(…)

4.4

Na bewuste belangenafweging

Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van opsporingsberichtgeving maakt het OM altijd een afweging van verschillende belangen, in de regel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Daarbij is van belang dat het OM nadrukkelijk rekening houdt met het grote (en steeds grotere) bereik van verschillende mediavormen zoals het internet en de omstandigheid dat eenmaal gepubliceerde berichtgeving zich – bijvoorbeeld van het internet – niet meer zonder meer laat verwijderen of herroepen. Opsporingsberichtgeving kan de persoonlijke levenssfeer of andere belangen van betrokkenen raken (verdachte, slachtoffer, eventueel getuigen). Het OM moet met ieders belang rekening houden bij de beslissing om dit middel in te zetten.

Net als bij de inzet van andere opsporingsmiddelen gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Proportionaliteit: de zwaarte van het in te zetten middel dient in verhouding te staan tot het beoogde doel. Hierbij speelt de ernst van het gepleegde delict een rol.

Subsidiariteit: het middel wordt ingezet als een eventueel lichter middel niet tot voldoende resultaat heeft geleid dan wel zal kunnen leiden. Als het doel ook met een voor de verdachte minder belastend middel kan worden bereikt, moet voor dat middel worden gekozen.

Vertaald naar opsporingsberichtgeving: hoe ernstiger het opsporingsbericht de belangen van de verdachte schendt, hoe belangrijker het is dat het doel in verhouding staat tot het middel én het beoogde doel niet op een andere manier kan worden bereikt die de verdachtes privacy of andere belangen minder schendt.

Een algemeen opsporingsbericht dat informatie geeft over het gepleegde delict en getuigen vraagt zich te melden, zal de privacy of een ander belang van de verdachte niet snel schenden. Dit is uiteraard anders als een compositietekening of zelfs camerabeelden worden getoond.

De politiek en andere instanties, zoals het College Bescherming Persoonsgegevens, waken voor inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van burgers, vooral gepleegd door de overheid. In de strafzaak is het de zittingsrechter die achteraf de rechtmatigheid van de inzet van het middel toetst.

Als de rechter tot het oordeel komt dat de inzet niet rechtmatig was of dat daarbij de belangen van verdachte onevenredig zijn geschonden, kan de rechter art. 359a Sv toepassen. Als de verdachte de rechtmatigheid in een verzoek om schadevergoeding aan de orde stelt, zal dit verzoek – zoals gebruikelijk – door het College worden behandeld, waarbij het ook mogelijk is dat de civiele rechter zich uiteindelijk over de rechtmatigheid van de inzet van het middel uitspreekt.

(…)

7 Besluitvorming, procedure en overleg

7.1

Twee niveaus van besluitvorming over publicatie en verwijdering

Er zijn twee niveaus waarop besloten wordt over de publicatie en verwijdering van opsporingsberichten: landelijk en regionaal. Hiervoor gelden verschillende procedures.

(…)

7.1.1

Landelijk niveau

Publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving:

- die als doel heeft landelijk aandacht voor het bericht te krijgen,

- in landelijk gevoelige zaken en/of

- in zaken waarin de identiteit van verdachte personen wordt prijsgegeven

wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie onder wiens gezag het betreffende opsporingsonderzoek plaatsvindt.

Voor publicatie van landelijke opsporingsberichtgeving is een advies vereist van de voorzitter of plv. voorzitter van het L.O.O.

(…)

7.1.2

Regionaal niveau

Publicatie en verwijdering van opsporingsberichtgeving
- die als doel heeft beperkt, namelijk lokaal of regionaal, aandacht voor het bericht te krijgen

wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Regionaal Overleg Opsporingsberichtgeving (R.O.O.). Voor regionale opsporingsberichtgeving is toestemming vereist van de hoofdofficier van justitie.

7.1.2.1 Procedure regionale opsporingsberichten

Een politieproducer maakt, onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van het R.O.O., de selectie van opsporingsonderzoeken waarin opsporingsberichten worden uitgestuurd. Deze politieproducer adviseert de voorzitter van het R.O.O. en de proceseigenaar Opsporing van het regiokorps over de inzet van de opsporingsberichtgeving.

(…)

10 Gebruik beeld- en geluidsmateriaal

Steeds vaker zijn strafbare feiten vastgelegd op beeld- en geluidsdragers. Veel opnamen zijn geschikt om te worden ingezet voor opsporingsberichtgeving, op voorwaarde dat daarbij voldaan wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

(…)

Bijlage 2 Aanmelden voor Regionale Opsporingsberichtgeving

 Namens het onderzoeksteam wordt toestemming gevraagd aan de zaaksofficier van justitie.

 De zaaksofficier bespreekt e.e.a. met de persofficier van justitie/voorzitter van het R.O.O., waarna de laatste toestemming vraagt aan de hoofdofficier van Justitie.

 Na verkregen toestemming voor uitzending/publicatie meldt het onderzoeksteam de zaak aan bij de regionale politieproducer volgens de in die regio geldende procedure.

 Het onderzoeksteam spreekt af met de politieproducer hoe, wanneer en in welke media de zaak wordt uitgezonden/gepubliceerd.

 Het opsporingsbericht wordt uitgezonden/gepubliceerd.

 De media die het bericht hebben gebracht, maken de resultaten aan het publiek bekend.

 Als uitzending/publicatie in de regionale media niet het gewenste resultaat heeft, kan worden overwogen of het opsporingsbericht geschikt is voor uitzending/publicatie in de landelijke media en wordt de procedure voor landelijke opsporingsberichtgeving gevolgd. Hiervoor is eerst weer toestemming van de hoofdofficier van justitie nodig.

De onderdelen van de Aanwijzing afzonderlijk bekeken.

In 4.1 van de Aanwijzing is bepaald dat voor de inzet van opsporingsberichtgeving de hoofdofficier van justitie toestemming moet geven.

Onder 4.4 van de Aanwijzing is bepaald dat bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van de inzet van opsporingsberichtgeving het openbaar ministerie altijd een afweging maakt van verschillende belangen, in de regel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Daarbij is van belang dat het openbaar ministerie nadrukkelijk rekening houdt met het grote (en steeds grotere) bereik van verschillende mediavormen zoals het internet en de omstandigheid dat eenmaal gepubliceerde berichtgeving zich – bijvoorbeeld van het internet – niet zonder meer laat verwijderen of herroepen. Opsporingsberichtgeving kan de persoonlijke levenssfeer of andere belangen van betrokkenen raken (verdachte, slachtoffer, eventueel getuigen). Het openbaar ministerie moet met ieders belang rekening houden bij de beslissing om dit middel in te zetten, aldus de Aanwijzing.

Mede in het licht van voornoemde belangenafweging moet naar het oordeel van het hof de vereiste toestemming van de hoofdofficier van justitie worden bezien. Naar het oordeel van het hof wordt hiermee uitgedrukt dat door het betrekken van de hoofdofficier van justitie in de besluitvorming moet worden voorkomen dat opsporingsberichtgeving al te lichtvaardig wordt ingezet. De beslissing voor de plaatsing en de inhoud van het opsporingsbericht dient immers plaats te vinden op hoog niveau binnen het openbaar ministerie, zodat daarmee - naar het hof begrijpt - de vereiste toestemming met enige distantie van “de dagelijkse werkvloer” kan worden verleend. Tegen die achtergrond bezien, bevat de Aanwijzing een waarborg om burgers te beschermen tegen het onzorgvuldig gebruiken van de inzet van opsporingsberichtgeving.

Anders dan de advocaat-generaal en met de verdediging is het hof van oordeel dat het in 4.1 vermelde toestemmingsvereiste zich naar inhoud en strekking er toe leent als rechtsregel jegens de verdachte te worden toegepast. Verdachte kan zich daar dan ook op beroepen.

Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met de in de Aanwijzing voorgeschreven bepaling 4.1. Nu de toestemming van de hoofdofficier van justitie ontbreekt en de verdachte zich op deze bepaling van de Aanwijzing kan beroepen, en zulks ook heeft gedaan, is er sprake van een vormverzuim.

Het hof zal vervolgens bepaling 4.4 van de Aanwijzing nader beschouwen. Kort gezegd komt die bepaling, zoals hiervoor al is weergegeven, neer op het volgende. Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van de inzet van opsporingsberichtgeving maakt het openbaar ministerie altijd een afweging van verschillende belangen. Een aantal van die belangen is in de Aanwijzing vermeld. Bij de belangenafweging gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Met de advocaat-generaal en anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat deze bepaling 4.4 dient te worden beschouwd als een interne instructienorm over de inhoud van en de wijze waarop de belangenafweging dient plaats te vinden. Genoemde bepaling is immers bedoeld om het openbaar ministerie in het algemeen en de hoofdofficier van justitie in het bijzonder houvast te geven bij de in concrete situaties te maken afwegingen betreffende het al dan niet inzetten van opsporingsberichtgeving en zo ja, op welke wijze die inzet vervolgens dient te geschieden. De bepaling 4.4 is naar het oordeel van het hof alleen maar een vertaling en concretisering van de belangenafweging die reeds op grond van artikel 8 EVRM dient plaats te vinden. In tegenstelling tot de bepaling van 4.1 (toestemming hoofdofficier van justitie vereist) kan de verdachte aan de bepaling van 4.4 van de Aanwijzing dan ook geen rechten ontlenen.

Geldt hetgeen het hof hiervoor heeft geoordeeld met betrekking tot de bepaling van 4.4 nu ook met betrekking tot de bepaling onder 7.1.2?

Met betrekking tot de bepaling van de Aanwijzing dat publicatie (en verwijdering) van opsporingsberichtgeving onder verantwoordelijkheid van het R.O.O. plaatsvindt (7.1.2) heeft de advocaat-generaal – onbetwist – gesteld dat het overleg met de voorzitter van de R.O.O. met name gaat over de invulling en regie van de uitzending (het hof begrijpt: de wijze van publicatie).

Het hof is van oordeel, dat dit inderdaad kan worden afgeleid, uit, niet alleen de tekst van hetgeen onder 7.1.2 is opgenomen, maar ook uit de bij de Aanwijzing behorende bijlage 2. Immers in 7.1.2 wordt – kort gezegd – gesproken over de uitvoering van de publicatie en verwijdering van opsporingsberichten onder verantwoordelijkheid van het R.O.O., terwijl in de bijlage 2, die de tekst heeft “aanmelden voor regionale opsporingsberichtgeving” onder het tweede aandachtstreepje is opgenomen: de zaaksofficier van justitie bespreekt e.e.a. met de persofficier van justitie/voorzitter R.O.O.

Door de uitdrukkelijke vermelding van de persofficier van justitie is naar het oordeel van het hof duidelijk dat het gaat om de verwerking van het opsporingsbericht. Derhalve is ook deze bepaling te beschouwen als een instructienorm voor het openbaar ministerie en kan de verdachte hieraan geen rechten ontlenen.

Gevolgen vormverzuim

Uit het vorenstaande volgt dat de bepaling onder 4.1 van de Aanwijzing, inhoudende dat de hoofdofficier van justitie toestemming moet geven voor de inzet van opsporingsberichtgeving, een bepaling is waarop de verdachte zich kan beroepen. Dat levert naar het oordeel van het hof, anders dan de advocaat-generaal stelt, een vormverzuim op.

De advocaat-generaal heeft gesteld, dat, als er volgens het hof sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim, voor wat betreft de daaraan te verbinden gevolgen, kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim. De advocaat-generaal heeft betoogd dat niet valt in te zien dat verdachte door de schending van 4.1 van de Aanwijzing nadeel heeft geleden. De advocaat-generaal heeft daaraan toegevoegd, dat de hoofdofficier van justitie, hem, advocaat-generaal - weliswaar achteraf - heeft laten weten dat hij een verzoek vooraf zeker zou hebben gehonoreerd.

Het hof oordeelt als volgt. De toestemming vooraf van de hoofdofficier van justitie om

– kortweg – beelden te gebruiken/vertonen is uitdrukkelijk en dwingend voorgeschreven, teneinde te bewerkstelligen dat een beslissing wordt genomen op een zeker niveau, met een zekere distantie, en voorts na een gedegen belangenafweging. Tegen die achtergrond brengt het ontbreken van die toestemming in deze zaak met zich dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Daar doet niet aan af dat de hoofdofficier van justitie achteraf te kennen heeft gegeven dat hij in casu een verzoek tot toestemming vooraf zeker zou hebben gehonoreerd.

Het hof dient thans te beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter:

1. (…) indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

  • -

    a) de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

  • -

    b) de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;

  • -

    c) het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Het hof ziet in de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren geen aanleiding voor toepassing van enig rechtsgevolg. Het hof heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte in de onderhavige zaak door het verzuim van het openbaar ministerie om vooraf geen toestemming te vragen aan de hoofdofficier van justitie niet daadwerkelijk in enig concreet belang is geschaad en daardoor ook geen nadeel heeft ondervonden in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hierbij heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de mededeling van de advocaat-generaal dat de hoofdofficier van justitie, als hem voorafgaand aan de vertoning/uitzending van de camerabeelden om toestemming zou zijn gevraagd, hij deze toestemming zeker zou hebben verleend. Derhalve kan worden volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan en ziet het hof geen reden om ten aanzien van voornoemd vormverzuim, zoals door de verdediging is bepleit, de officier van justitie niet-ontvankelijk te achten in de strafvervolging.

Het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen.

De toetsing aan artikel 8 EVRM

De verweren van de verdediging, zoals hiervoor vermeld onder het kopje “verweren van de verdediging”, noodzaken tot bespreking van de vraag of een inbreuk is gemaakt op artikel 8 EVRM. Ook de advocaat-generaal is van mening dat voor zover de rechter de belangenafweging van het openbaar ministerie toetst, dit plaats moet vinden in het kader van artikel 8 EVRM en niet in het kader van de bepaling 4.4 van de Aanwijzing.

In de onderhavige zaak dient, los van het vorenstaande, een toetsing van nationale bepalingen plaats te vinden aan de fundamentele rechtsbeginselen die zijn neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat gebeurt onder meer door de nationale wet te toetsen aan het ”necessary in a democratic society”-criterium.

Artikel 8 EVRM biedt bescherming tegen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Op deze bescherming van het privéleven is in lid 2 van artikel 8 EVRM een inbreuk mogelijk gemaakt, voor zover deze inbreuk “bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”. Bij die beoordeling dient te worden getoetst aan de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals een redelijke en billijke belangenafweging. Een geconstateerde schending van artikel 8 EVRM levert, ten opzichte van het hiervoor geconstateerde onherstelbare vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, een zelfstandig verzuim op.

Blijkens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) levert het publiceren van een foto in de media van een verdachte, die geen publiek persoon is in beginsel (toevoeging hof) een ernstige inbreuk op van de privacy van die verdachte, zelfs wanneer deze zich op de openbare weg bevond maar geen deel nam aan een publieke gebeurtenis.5

Gelet op de in de voetnoot opgenomen uitspraken van het EHRM stelt het hof thans vast dat het gebruik maken van opsporingsberichtgeving in deze strafzaak, door camerabeelden te verstrekken aan Omroep Brabant en het vertonen daarvan, zonder meer een inbreuk op het privéleven van de verdachte oplevert. Vervolgens dient het hof te onderzoeken of het aangewende middel noodzakelijk was. Daarbij is het de vraag of de beslissing om van de camerabeelden gebruik te maken en de beelden integraal te vertonen onder de gebleken omstandigheden de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit doorstaat.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat in casu is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uit de aanvullende processen-verbaal d.d. 12 augustus 2013 en 19 november 2013 die zijn opgemaakt door brigadier van politie [verbalisant 2], blijkt dat onderzoek door de politie is verricht teneinde de identiteit van de verdachten van het geweldsincident op de Vestdijk van 4 januari 2013 te achterhalen.

Zo zijn vanaf 8 januari 2013 printjes van de verkregen camerabeelden op de regionale en landelijke briefings van de politie getoond. Voorts is er contact geweest met de Koninklijke Marechaussee omdat er rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat de groep personen uit militairen van de legerbasis Oirschot bestond. Tevens werden aanvragen voor vorderingen opgemaakt voor het verkrijgen van de camerabeelden van parkeerplaatsen

Q-park Lage Landen en Q-park Ten Hagestraat. Ten slotte werd een aanvraag voor een vordering opgemaakt om de kentekens van de verkeerscamera’s in Eindhoven op te vragen. De hier bedoelde onderzoekshandelingen hebben niet tot resultaat geleid.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, is het standpunt van de advocaat-generaal dat met vorenstaande onderzoekshandelingen is voldaan aan de beginselen van subsidiariteit. Nu deze handelingen niet hebben geleid tot de vaststelling van de identiteit van de verdachten en om de mensen, die dicht rondom de verdachte staan (familie, vrienden) te bewegen om de identiteit (van de verdachten) aan de politie kenbaar te maken, mochten de camerabeelden op 21 januari 2013 worden uitgezonden in de vorm waarin zij thans zijn vertoond, aldus de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat met de opsporing van de daders een zwaarwegend belang was gediend, omdat er sprake is van een ernstig feit, waardoor de rechtsorde is geschokt. De inzet van opsporingsberichtgeving is in de onderhavige strafzaak dan ook niet zonder meer strijdig met het vereiste van proportionaliteit. Dat neemt niet weg dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, bij de keuze van het opsporingsmiddel, in casu het verstrekken en integraal vertonen van de camerabeelden, andere belangen en mogelijkheden moesten worden meegewogen. In dit kader zal de vraag moeten worden beantwoord of het integraal vertonen van de camerabeelden op de regionale zender in een redelijke verhouding stond tot het doel om de identiteit van de vermoedelijke daders te achterhalen. Het hof overweegt in dat verband dat de eis van subsidiariteit voorschrijft dat te allen tijde wordt gegrepen naar het voor de betrokkenen minst ingrijpende middel dat voorhanden is.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat de camerabeelden zeer scherp zijn en dat de verdachten daarop duidelijk te zien zijn. De beelden starten, zoals door verbalisanten in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 januari 2013 wordt omschreven6, op het moment dat een groep mannen over de Oude Stadsgracht in de richting van de Vestdijk te Eindhoven loopt. De groep wordt gevolgd met de camera. Om 03.40.11 uur is te zien dat een persoon uit die groep een fiets omver schopt, een fietsslot van de grond raapt en daarmee meermalen tegen een aantal fietsen slaat terwijl hij doorloopt richting de Vestdijk. Omstreeks 3.40.39 uur komen over de Vestdijk twee personen aangelopen vanuit de richting Ten Hagestraat. Vervolgens vindt een confrontatie plaats tussen één van hen, het latere slachtoffer, en een aantal personen uit voornoemde groep, waaronder de verdachte.

In de onderhavige zaak zijn op 21 januari 2013 de bewegende beelden van het geweldsincident integraal bij Bureau Brabant vertoond. Tevens staat vast dat de gezichten van de vermeende verdachten niet onherkenbaar zijn gemaakt.

Uit de hiervoor genoemde aanvullende processen-verbaal leidt het hof af dat andere toegepaste opsporingsmiddelen op dat moment niet tot enig resultaat hebben geleid.

Het hof betrekt bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel de door de officier van justitie ingediende appelschriftuur, bij het hof binnengekomen op

10 september 2013. De officier van justitie meldt daarin:

“Het vertonen van “stills” had gekund en was voor verdachten waarschijnlijk minder belastend geweest,

maar gaat voorbij aan het feit dat verdachte samen met anderen in het openbaar, en plein public, onder toezicht van camera’s iemand ernstig, bijna dodelijk, heeft toegetakeld.

Waarom de samenleving onkundig houden van beelden die een belangrijke, doorslaggevende, bijdrage kunnen leveren aan de opsporing van de daders?

Waarom zou het Openbaar Ministerie de zeer indringende beleving van dit soort geweldsincidenten voor slachtoffers en omstanders de samenleving willen ontzeggen?

Omwille van het welhaast op ultieme wijze willen tegemoet komen aan de privacybelangen van verdachten die besluiten in het openbaar dit soort ernstige, de samenleving ontwrichtende, feiten te plegen?

Ik zou menen van niet! Hierbij past naar mijn mening enkel het inzetten van “de troefkaart”, het middel dat het grootste bereik heeft, de meest slagkracht en burgers maximaal prikkelt mee te helpen aan een snelle oplossing van de zaak; het uitzenden van de beelden dus!”.

Uit het vorenstaande volgt dat, zoals de officier van justitie zelf aangeeft, voor een minder zwaar middel had kunnen worden gekozen om hetzelfde doel te bereiken. Reeds om die reden is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat aan het vereiste van subsidiariteit niet is voldaan. Uit hetgeen in de appelschriftuur is vermeld, blijkt het hof niet van een zorgvuldige belangenafweging.

De advocaat-generaal heeft in dat verband nog aangevoerd dat bewust is gekozen voor het vertonen van de bewegende beelden van het geweldsincident om daarmee een indringend beroep te doen op de familie, dan wel op de directe omgeving van de verdachten, om hun identiteit kenbaar te maken. Naar het oordeel van het hof valt echter niet in te zien waarom met het inzetten van een minder zwaar middel, zoals bijvoorbeeld met het vertonen van zogenaamde “stills”, zijnde foto’s gemaakt van een filmbeeld, - nogmaals - van welke mogelijkheid de officier van justitie zelf uitdrukkelijk melding maakt, de identiteit van de verdachten niet snel achterhaald zou kunnen worden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangegeven dat de verdachte zich ook zou hebben gemeld bij de politie als enkel stilstaande beelden, dan wel foto’s zouden zijn vertoond.

Alles overziende stelt het hof vast dat met het integraal vertonen van de camerabeelden op Omroep Brabant, niet is voldaan aan de eis van subsidiariteit, zodat reeds om die reden sprake is van schending van artikel 8 EVRM.

De gevolgen van de schending artikel 8 EVRM

Bij de beoordeling welke rechtsgevolgen dienen te worden verbonden aan voornoemde schending sluit het hof aan bij de hiervoor genoemde factoren van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten:

- het belang dat het geschonden voorschrift dient;

- de ernst van het verzuim;

- het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Het hof overweegt dat de vertoning van de beelden op deze vergaande wijze de schending van een fundamenteel recht, te weten de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, meebrengt. Verdachte heeft als gevolg van deze schending ernstig nadeel geleden. Dat nadeel bestaat uit de enorme media-aandacht voor en in de richting van de verdachte en zijn directe omgeving en de hetze die daardoor jegens hem in de diverse media, onder welke internet, is ontketend. Dat de verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een ernstig geweldsincident in de openbare ruimte, doet aan het voorgaande niet af. Immers, een zorgvuldige afweging van belangen had hetzelfde resultaat (voor de opsporing) kunnen opleveren, maar dan wel met een minder ingrijpende inbreuk op het privéleven en aldus met minder nadeel voor de verdachte. Tegen de achtergrond van voornoemde factoren is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met de enkele vaststelling van de schending, maar dat die schending consequenties moet hebben.

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het verzuim of de schending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. Het hof overweegt dat de schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet zonder meer een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces oplevert. Ook in de onderhavige strafzaak is daarvan naar het oordeel van het hof geen sprake. Zo kan uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet volgen dat op enigerlei wijze is tekortgedaan aan het recht van de verdediging om de vertoonde camerabeelden te betwisten. Gelet hierop verbindt het hof aan de schending van artikel 8 EVRM niet het rechtsgevolg dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk zou dienen te worden verklaard.

Het (primaire) verweer van de verdediging wordt verworpen.

Of de door het hof geconstateerde schending van artikel 8 EVRM dient te leiden tot bewijsuitsluiting, dan wel tot strafvermindering zal door het hof hierna worden besproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 januari 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet tezamen met zijn mededader die [slachtoffer] meermalen tegen diens hoofd en lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman van de verdachte heeft subsidiair aangevoerd dat de vertoonde beelden onrechtmatig/onwetmatig zijn verkregen, althans onrechtmatig/onwetmatig naar buiten zijn gebracht of aan derden zijn verstrekt. De beelden moeten om die reden van het bewijs worden uitgesloten, evenals al het bewijs wat daaruit is voortgekomen. De raadsman pleit dan ook voor vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het hof verwijst ter bespreking van de verweren van de verdediging naar hetgeen hierover reeds is overwogen onder het kopje “Ontvankelijkheid openbaar ministerie”.

Of de hiervoor vastgestelde schending van artikel 8 EVRM dient te leiden tot bewijsuitsluiting is afhankelijk van de vraag of het bewijsmateriaal, in casu de camerabeelden, door het verzuim is verkregen. Daarbij is het ook de vraag of door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

In lijn met bestendige jurisprudentie is het hof van oordeel dat bewijsuitsluiting niet aan de orde kan zijn, reeds omdat de camerabeelden niet door of vanwege de ongeoorloofde inbreuk op de bescherming van het privéleven zijn verkregen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan volgen dat op enigerlei wijze is tekort gedaan aan het recht van de verdediging om de vertoonde camerabeelden te betwisten, kan niet worden gezegd dat de beelden van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten.

Het (subsidiaire) verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wordt niet gehonoreerd, en aldus verworpen.

Door de verdediging is in hoger beroep voorts aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem (primair) ten laste gelegde poging tot doodslag/zware mishandeling dan wel het medeplegen daarvan. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat de door de verdachte verrichte geweldshandelingen, bestaande uit duwen en schoppen tegen het bovenbeen of de onderrug, geen poging tot doodslag of zware mishandeling opleveren. Ook de geweldshandelingen van de medeverdachte, te weten het schoppen tegen het hoofd leveren geen poging tot doodslag/zware mishandeling op, omdat omtrent het zetten van kracht bij het schoppen van het slachtoffer niet veel bekend is. Daarnaast kan, gelet op het schoeisel dat de medeverdachte de bewuste nacht droeg (te weten schoenen van stof althans een zacht materiaal, een soort slofjes, aldus de raadsman), alsmede gelet op de aard en de geringe ernst van het bij het slachtoffer geconstateerde letsel, niet worden vastgesteld dat de handelwijze van de medeverdachte tot de dood van of tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer had kunnen leiden.

Voorts stelt de raadsman dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1].

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof het navolgende af.

In de nacht van 4 januari 2013 is op de Vestdijk te Eindhoven door een aantal personen, waaronder verdachte, ten opzichte van [slachtoffer] geweld gepleegd. Verdachte is als eerste op het slachtoffer afgegaan. Hij heeft het slachtoffer met kracht tegen de borst geduwd, waardoor het slachtoffer op de grond terecht kwam. Nadat het slachtoffer was opgestaan is hij meermalen geslagen door de medeverdachte [medeverdachte 2], waardoor hij opnieuw op de grond terecht kwam. Vervolgens werd het slachtoffer geschopt door de verdachte. Toen het slachtoffer overeind krabbelde en op de grond zat, werd hij door verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] tegelijkertijd meermalen geschopt. De verdachte heeft daarbij hard tegen de onderrug, zoals het hof zelf op de ter terechtzitting vertoonde beelden heeft waargenomen, en het been van het slachtoffer geschopt. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft met kracht en met geschoeide voet op zeer korte afstand tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt. Verdachte is hierna weggelopen. De medeverdachte [medeverdachte 1] is doorgegaan met schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer.

Op de vraag of de geweldshandelingen tot de dood van dan wel tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer hadden kunnen leiden, overweegt het hof als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een explosie van geweld, waarbij de medeverdachte [medeverdachte 1] meermalen met kracht vol heeft uitgehaald naar het hoofd van het slachtoffer en ook verdachte zich niet onbetuigd heeft gelaten door eveneens meermalen met kracht vol uit te halen naar de onderrug van het slachtoffer. Gedurende deze explosie van geweld zat of lag het slachtoffer op de grond. Op enig moment kon het slachtoffer zich niet meer verweren waarna hij nog een aantal keren tegen het hoofd werd geschopt. Het slachtoffer raakte toen kennelijk buiten bewustzijn.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is en dat zich in het lichaam ter hoogte van de onderrug vitale en kwetsbare organen bevinden. Evenals ieder weldenkend mens moeten verdachte en de medeverdachte daarvan op de hoogte zijn geweest.

Het hof is van oordeel dat, door op deze wijze met geschoeide voet meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen in combinatie gezien met de handelwijze van het hard tegen de onderrug van het slachtoffer te schoppen, verdachten zich hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zodanig letsel zou oplopen dat hij als gevolg daarvan zou komen te overlijden.

De verdachten hebben die kans, blijkens hun handelen, ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen. Derhalve acht het hof opzet in voorwaardelijke zin op het van het leven beroven van het slachtoffer [slachtoffer] bij beide verdachten aanwezig. Dat het letsel van het slachtoffer desondanks -gelukkig- beperkt is gebleven, doet daar niet aan af.

De stelling van de verdediging dat de door de medeverdachte gedragen schoenen niet geschikt waren om dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, wordt door het hof verworpen. Het hof heeft immers vastgesteld dat de medeverdachte meermalen met kracht vol heeft uitgehaald naar het hoofd van het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof had deze handelwijze dodelijk letsel kunnen veroorzaken. Dat de medeverdachte [medeverdachte 1], zoals hij als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 25 juni 2013 heeft verklaard, “All Stars” droeg, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen en de daarvoor vereiste nauwe en bewuste samenleving overweegt het hof als volgt.

Zoals hiervoor weergegeven, is het de verdachte geweest die is begonnen met de geweldpleging jegens het slachtoffer [slachtoffer]. Toen de medeverdachte [medeverdachte 1] bleef schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer, heeft de verdachte zich van het slachtoffer verwijderd. Echter, uit de ter terechtzitting in hoger beroep vertoonde camerabeelden leidt het hof af dat de verdachte op korte afstand naar het schoppen door [medeverdachte 1] heeft staan kijken. Vervolgens heeft de verdachte opnieuw deelgenomen aan de geweldshandelingen door (als enige van de groep) nogmaals op het slachtoffer af te rennen, terwijl deze door de medeverdachte [medeverdachte 1] op de grond werd geslingerd. Terwijl het slachtoffer weerloos op de grond lag en door de medeverdachte werd geschopt, heeft de verdachte, terwijl hij zich op korte afstand ter hoogte van het hoofd van het slachtoffer bevond, nog een schoppende beweging gemaakt in de richting van dat hoofd. Daarna zijn de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] weggelopen.

Dat er sprake is geweest van het medeplegen van een poging tot doodslag, leidt het hof af uit het volgende. Niet alleen de medeverdachte heeft het slachtoffer geschopt, maar ook de verdachte, hetgeen een bewuste en nauwe samenwerking impliceert. Een vorm van overleg is daarvoor geen vereiste. Voorts heeft de verdachte zich niet van het handelen van zijn mededader gedistantieerd. Hij is zelfs, nadat hij zich in eerste instantie had verwijderd, teruggekomen terwijl de medeverdachte het slachtoffer nog steeds tegen het hoofd aan het schoppen was. Bovendien heeft de verdachte zelf ook nog, terwijl hij zich ter hoogte van het hoofd van het slachtoffer bevond, een schoppende beweging gemaakt in de richting van het hoofd van het slachtoffer. Dat de verdachte het slachtoffer niet daadwerkelijk tegen het hoofd heeft geschopt, maar tegen de onderrug, neemt niet weg dat verdachte als medepleger verantwoordelijk is voor het handelen van zijn medeverdachte. Door zo te handelen als de verdachte heeft gedaan, heeft hij immers doelbewust deelgenomen aan de ernstige geweldshandelingen die op dat moment gaande waren en door de medeverdachte [medeverdachte 1] werden gepleegd. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat daarom kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] ten aanzien van de poging tot doodslag.

De stelling van de verdachte dat hij zich (naar het hof begrijpt) heeft verstapt en dus slechts een stapbeweging heeft gemaakt en niet een schoppende beweging in de richting van het hoofd van het slachtoffer heeft gemaakt, heeft het hof bij de waarneming van de camerabeelden niet kunnen vaststellen. Met de rechtbank neemt het hof op die beelden een schopbeweging waar en niet de (stap)beweging, zoals door de verdachte is omschreven en ook ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte is voorgedaan. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat de stelling van de verdachte dat hij terug is gegaan om de medeverdachte weg te halen, niet geloofwaardig is, gelet op de omstandigheid dat de verdachte nog een schoppende beweging in de richting van het hoofd van het slachtoffer heeft gemaakt op het moment dat deze op de grond lag.

Aldus komt het hof, evenals de rechtbank, op grond van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag, waarvan [slachtoffer] het slachtoffer is geworden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de verdachte minderjarig was ten tijde van het bewezen verklaarde, zodat het minderjarigenstrafrecht van toepassing is. Op grond van artikel 77i van het Wetboek van Strafrecht is, anders dan bij volwassenen, de maximale duur van een vrijheidsbenemende straf die kan worden opgelegd 24 maanden

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat het om een gewelddadig feit gaat waardoor de rechtsorde is geschokt en waardoor in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid zijn teweeg gebracht.

Het hof heeft in het bijzonder gelet op het gewelddadige en levensbedreigende karakter van het bewezen verklaarde en de mate waarin dit heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer. Het incident vond bovendien plaats op de openbare weg en in het bijzijn van anderen.

Verdachte heeft zich niet bekommerd om het slachtoffer maar heeft hem in hulpeloze toestand achtergelaten en is weggerend. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk. Hoewel de heftigheid van de camerabeelden anders doet vermoeden, is het fysieke letsel bij het slachtoffer (gelukkig) relatief beperkt gebleven.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte, door het slachtoffer [slachtoffer] met kracht te duwen waardoor deze op de grond belandde, min of meer de aanstichter is geweest van het bewezen verklaarde. Hij heeft het slachtoffer als eerste op agressieve wijze benaderd, hetgeen het startsein is geweest voor het verdere geweld dat daarna is gevolgd. De medeverdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij zich in de hele situatie door de verdachte heeft laten meeslepen.7

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op de omstandigheid dat uit de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d.
4 oktober 2013 niet blijkt dat hij in Nederland eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Het hof gaat bij de beoordeling van de zaak dan ook uit van een zogenaamde first offender, te weten iemand die voor het eerst met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Voorts heeft het hof gelet op de inhoud van de over de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages en hetgeen ter terechtzitting omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren is gebracht.

Zowel uit het psychiatrisch rapport d.d. 26 mei 2013, als uit het psychologisch rapport d.d. 27 mei 2013, betreffende de verdachte, volgt dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd en dat het recidiverisico op het plegen van geweldsdelicten als laag wordt ingeschat. Het hof kan zich vinden in deze conclusies van de gedragsdeskundigen en maakt die tot de zijne. Het hof wordt hierin bevestigd door de indruk die het hof van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekomen. Het hof zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.

Voorts heeft het hof zich rekenschap gegeven van hetgeen door de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Gelet op de persoon van de verdachte, zal het opleggen van een straf die hem (opnieuw) van zijn vrijheid berooft schadelijk zijn voor de ontwikkeling van de verdachte. Bovendien heeft een dergelijke straf volgens de Raad pedagogisch gezien geen meerwaarde. De ernst van het feit waar hij zich schuldig aan heeft gemaakt, alsmede alle media-aandacht, heeft namelijk een grote impact op de verdachte gehad. Omdat een onvoorwaardelijke straf, gelet op de ernst van het feit en het aandeel van de verdachte daarin, wel geboden is, adviseert de Raad om

- in plaats van de verdachte na zijn schorsing weer naar de jeugdinrichting te sturen - een werkstraf op te leggen.

Uit het proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg is gebleken dat verdachte zich ter zitting rechtstreeks tot het daar aanwezige slachtoffer heeft gewend en spijt heeft betuigd.

Ook in hoger beroep heeft de verdachte tegenover het hof – ogenschijnlijk oprecht – spijt betuigd in de richting van het slachtoffer. Verdachte heeft aangegeven dat hetgeen die nacht is gebeurd hem nog steeds erg bezig houdt en dat hij daar veel spijt van heeft. In hoger beroep is voorts gebleken dat de door het slachtoffer geleden schade inmiddels – mede door de verdachte – is vergoed.

Ten slotte houdt het hof rekening met de nadelige gevolgen die de ook thans nog voortdurende media-aandacht voor de verdachte heeft.

Alles overziende, neemt het hof als uitgangspunt dat in beginsel het opleggen van jeugddetentie voor de duur van 10 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk passend is. Daarbij heeft het hof acht geslagen op straffen die doorgaans door dit hof in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de genoemde (bij wet bepaalde) maximale duur van een vrijheidsbenemende straf van 24 maanden. Tevens heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte in mindere mate geweld heeft gepleegd dan de medeverdachte. Voor het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf zoals door de raadsman is verzocht en zoals door de Raad voor de Kinderbescherming is geadviseerd, ziet het hof, daarbij met name gelet op de rol die de verdachte heeft gespeeld bij het geweldsincident, geen aanleiding. Een dergelijke straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit, het vergeldingsdoel in het strafrecht, dat ook voor minderjarigen geldt en geeft voorts een verkeerd signaal af aan de samenleving.

Met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Strafvermindering

Op grond van de hiervoor weergegeven verweren heeft de raadsman van de verdachte meer subsidiair aangevoerd dat in aanzienlijke mate strafvermindering moet worden verleend.

Het hof verwijst ter bespreking van de verweren van de verdediging en de standpunten van de advocaat-generaal naar hetgeen hierover reeds is overwogen onder het kopje “Ontvankelijkheid openbaar ministerie”.

Met betrekking tot de vraag of de schending van artikel 8 EVRM, zoals hiervoor door het hof is vastgesteld en inhoudende dat door het openbaar ministerie het subsidiariteitsbeginsel niet in acht is genomen bij de beslissing tot het vertonen van de bewegende beelden, dient te leiden tot strafvermindering, overweegt het hof als volgt. Strafvermindering komt slechts in aanmerking indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.

Het hof is van oordeel dat de verdachte door voornoemde schending daadwerkelijk nadeel heeft geleden. Het nadeel dat is veroorzaakt door het vertonen van de beelden in de meest vergaande vorm bestaat uit de enorme media-aandacht voor en in de richting van de verdachte en zijn directe omgeving en de hetze die daardoor jegens hem in de diverse media, onder welke internet, is ontketend.

Het hof overweegt vervolgens dat in beginsel strafvermindering in de rede ligt maar dat het toepassen daarvan afhankelijk is van de ernst van de schending. Het standpunt van de verdediging dat sprake is van een zeer ernstige schending, met name omdat de verdachte minderjarig was ten tijde van het uitzenden van de beelden, wordt door het hof niet gedeeld. Immers, eerst achteraf, toen de identiteit van de verdachten bekend was, is vastgesteld kunnen worden dat de groep personen die te zien was op de camerabeelden grotendeels uit minderjarigen bestond. Anders dan de verdediging is het hof namelijk van oordeel dat bij het bekijken van de camerabeelden het niet aanstonds duidelijk is en voor het openbaar ministerie ook niet duidelijk kon zijn, dat het om minderjarigen gaat.

Wel is het hof van oordeel dat de verdachte op voor hem nadelige wijze is geconfronteerd met de gevolgen van zijn handelen. Vanwege de beelden is hij op straat herkend en is hij op bijzonder vervelende wijze benaderd. Hij heeft zich zeer bedreigd gevoeld door met name de weinig genuanceerde reacties via de sociale media. Het hof stelt vast dat hiermee sprake is van een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.

Door de advocaat-generaal is aangevoerd dat er geen sprake is van een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, aangezien het gaat om de vertoning van camerabeelden van gedragingen van de verdachte in een openbare ruimte, waarbij van belang is dat het een feit van algemene bekendheid is dat in uitgaansgebieden doorgaans wordt gesurveilleerd met cameratoezicht. De ernst van de schending wordt hierdoor gerelativeerd, aldus de advocaat-generaal.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Dat de geweldshandelingen plaatsvonden in de openbare ruimte maakt nog niet dat de verdachten daardoor minder recht zouden hebben op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Het laat onverlet dat een burger er op mag vertrouwen dat zorgvuldig met zijn belangen wordt omgegaan bij de beoordeling of, en zo ja, in welke vorm eventuele camerabeelden publiek worden gemaakt. Van het openbaar ministerie mag immers worden verwacht dat de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen. Het hof is van oordeel dat dat, gezien de bewoordingen in de appelschriftuur, in de onderhavige zaak in het geheel niet is geschied.

Door de advocaat-generaal is ten aanzien van de media-aandacht nog naar voren gebracht dat de verdachte zich zijns inziens gewoon meteen had moeten melden bij de politie; daaruit zou (ook) besef en inkeer zijn gebleken. Het kan niet zo zijn, dat de verdachte “voordeel trekt” uit de publiciteit, aldus de advocaat-generaal. Nu heeft de politie veel werk moeten verrichten om de verdachte te achterhalen.

Het hof volgt de advocaat-generaal in zijn stellingen niet. Verdachten hoeven niet mee te werken aan hun opsporing, terwijl verdachte zich bovendien na de uitzending van de beelden direct bij de politie heeft gemeld. Hij heeft daarnaast uitdrukkelijk getoond te beseffen wat hij heeft gedaan en het verwerpelijke daarvan in te zien. Door de media is deze zaak opgepikt en is daaraan – in vergelijking met soortgelijke zaken – buitengewoon grote aandacht besteed. Het is ook niet voor niets, dat de advocaat-generaal in zijn requisitoir heeft opgemerkt, dat “de media aan de haal gingen met de beelden”.

Verdachte heeft die aandacht niet gezocht, maar wel de nadelige gevolgen ondervonden.

Dat het openbaar ministerie via de persofficier van justitie nog publiekelijk aan de samenleving heeft gevraagd om de rust te bewaren en het recht niet in eigen hand te nemen, doet daaraan niet af.

Al met al is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het handelen van het openbaar ministerie dermate onzorgvuldig is geweest, dat hierdoor strafvermindering gerechtvaardigd is.

Het hof is van oordeel dat vanwege voornoemde schending en de nadelige gevolgen die de verdachte daardoor heeft ondervonden strafvermindering op zijn plaats is, te weten: een strafvermindering van 2 maanden jeugddetentie. Het hof zal om die reden in plaats van 10 maanden jeugddetentie 8 maanden jeugddetentie opleggen. Daarvan zijn 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Een verdergaande strafvermindering, zoals door de verdediging in hoger beroep is bepleit, acht het hof niet geboden. Dat de rechtsgang voor de verdachte lang heeft geduurd vanwege het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep, waardoor hij lang in onzekerheid heeft verkeerd en dat ter terechtzitting in eerste aanleg door de officier van justitie mondeling een andere eis is geformuleerd dan op schrift is gesteld, alsmede de omstandigheden dat de verdachte in het kader van de schorsingsvoorwaarden huisarrest is opgelegd en hij door zijn ouders op een internaat is geplaatst, zijn voor het hof geen doorslaggevende factoren die tot strafvermindering moeten leiden. Het hof maakt in dat verband een andere afweging. Met de persoonlijke belangen van de verdachte is reeds voldoende rekening gehouden bij de strafbepaling.

Het hof komt tot een hogere straf dan door de rechtbank is opgelegd, omdat het van oordeel is dat de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, in de opgelegde straf onvoldoende tot uitdrukking komt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 11 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal van bevindingen, p. 105

2 Proces-verbaal relaas, p.11

3 o.a. ECLI:NL:HR:2004:AM2533, ECLI:NL:HR:2012:BV1642, ECLI:NL:HR:2012:BW9199 en ECLI:GHSHE:2013:2965

4 Registratienummer 2009A0004, in werking getreden op 16 maart 2009

5 EHRM 11 januari 2005, nr. 50774/99, EHRC 2005, 25 en EHRM 28 januari 2003, nr. 44647/98

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 105-107

7 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1], p. 119