Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5945

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
HV200.113.894_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rekening en verantwoording bewindvoerder.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de bewindvoerder dat op grond van een uitspraak van de Raad van State d.d. 17 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:382 ) in een geschil tussen de bewindvoerder en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de bestreden beschik¬king dient te worden vernietigd en het hof dient te oordelen dat de in die uitspraak genoemde vennootschap (in plaats van de bewindvoerder) wordt veroor¬deeld tot terugbetaling van een bedrag aan de rechthebbenden. Het hof wijst het verzoek van de bewindvoerder af om op grond van voornoemde uitspraak van de Raad van State de bewindvoerder niet-ontvankelijk te verklaren in de 43 bij het hof aanhangige zaken, waaronder de onderhavige zaak.

Omvang en bevoegdheden, alsmede toezichthoudende taak van de rechter in het kader van onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen.

Het is de rechter die in individuele gevallen toezicht houdt op het bewind alsmede op het functioneren van de bewindvoerder. In dat kader kan de rechter correcties aanbrengen in de rekening en verantwoording en de verplichting opleggen het te veel in rekening gebrachte terug te betalen. In de uitoefening van zijn toezichthoudende taak kan de rechter goedkeuring (op onderdelen) onthouden aan de rekening en verantwoording die ingevolge artikel 1:445 lid 1 BW ten overstaan van hem wordt afgelegd.

Het hof ziet in de bijzondere aard van de onderhavige procedure geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken noch te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 445, geldigheid: 2013-12-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/42
NJF 2014/59

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 5 december 2013

Zaaknummer: HV 200.113.894/01

Zaaknummers eerste aanleg: 422589 11-2612

479791 12-2907

479793 12-2773

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.J.A.M. Tonnaer en mr. O.R. van Hardenbroek van Ammerstol.

Rechthebbende:

[rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht van 27 juni 2012.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 september 2012, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de bewindvoerdersbeloning zal worden vastgesteld conform de gebruikelijke berekeningsmethodiek;

- te verklaren voor recht dat op [appellant] geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de kosten voor de SmartFMS-applicatie;

- de rechthebbende te veroordelen in de proceskosten gerezen aan de zijde van [appellant], daaronder begrepen de griffierechten, salaris advocaat en overige verschotten.

2.2.

Het hof merkt op dat van de producties die zijn genoemd in het beroepschrift de producties 2, 4, 6 tot en met 16, 19, en 21 tot en met 24 niet zijn overgelegd. Productie 3 is bij productie 5 overgelegd. Bij brief van mr. Tonnaer d.d. 6 september 2013 is aangegeven dat punt 42 van het beroepschrift en de daarbij horende productie 21 vervalt, alsmede dat productie 12 en 24 vervallen. Bij deze brief zijn alle verder in het beroepschrift genoemde producties overgelegd en is productie 14A toegevoegd.

2.3.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de rechthebbende geen verweerschrift ingediend.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    namens [appellant]: mr. Tonnaer en mr. O.R. van Hardenbroek van Ammerstol;

  • -

    de rechthebbende, alsmede haar partner.

2.5.

[appellant] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van mr. Tonnaer d.d. 6 september 2013;

- het V-formulier d.d. 17 september 2013, waarbij mr. Van Hardenbroek van Ammerstol zich in onderhavige zaak heeft gesteld als advocaat van [appellant].

3 De beoordeling

3.1.

Het geschil

3.1.1.

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om de rekening en verantwoording over het door [appellant] gevoerde bewind over het vermogen van de rechthebbende in de periode van 24 juni 2009 tot en met 29 juli 2011 en de door [appellant] verzochte vaststelling van de bewindvoerdersbeloning.

3.1.2.

De rechtbank heeft de goedkeuring aan de rekening en verantwoording onthouden op de onderdelen beloning, gebruik derdengeldenrekening en kosten van de SmartFMS-applicatie, zoals verder in het lichaam van de bestreden beschikking is overwogen.

3.1.3.

Daarnaast heeft de rechtbank [appellant] een bewindvoerdersbeloning toegekend voor de periode van 24 juni 2009 tot en met 31 december 2009 van € 1.008,40, voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 van € 1.111,46 en over de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 juli 2011 van € 694,89, alle voormelde bedragen inclusief BTW en ongespecificeerde kosten, alsmede een vergoeding voor het moeten opmaken van een eindafrekening en -verantwoording van € 189,21, inclusief BTW.

3.1.4.

Ten slotte heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot terugbetaling aan de rechthebbende van een bedrag van € 104,58.

3.2.

Ontvankelijkheid

3.2.1.

Bij voormelde brief d.d. 6 september 2013 is zijdens [appellant] een uitspraak van de Raad van State d.d. 17 juli 2013 in een geschil tussen [appellant] en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand overgelegd. [appellant] beroept zich op de volgende overweging van de Raad van State: “(…) De voorzieningenrechter heeft terecht mede in aanmerking genomen dat [appellant] in appèlrekesten heeft vermeld dat hij bewindvoerder was bij de vennootschap en uit dien hoofde onder de naam van de vennootschap handelde. (…) Dit geldt evenzeer voor de stelling van [appellant] dat de rechtbank placht geen rechtspersonen als bewindvoerder te benoemen.” Hieruit leidt [appellant] af dat Cirkel Bewindvoeringen B.V. (voorheen Budgetbeheer [vestigingsnaam] B.V.), onder welke naam [appellant] handelde als bewindvoerder, “de aansprakelijke partij” is en de Raad van State daarmee “het benoemingenbeleid van de rechtbank passeert”. De consequentie hiervan is volgens [appellant] dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en opnieuw rechtdoende door het hof dient te worden geoordeeld dat de bedoelde vennootschap (in plaats van mr. [appellant]) wordt veroordeeld – naar het hof begrijpt – tot terugbetaling van een bedrag van € 104,58 aan de rechthebbende.
Ter zitting van het hof heeft mr. Tonnaer het standpunt van [appellant] nader toegelicht. Volgens mr. Tonnaer dient op grond van het oordeel van de Raad van State, [appellant] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de 43 thans nog bij het hof aanhangige zaken, waaronder de onderhavige zaak.

3.2.2.

De mondelinge behandeling is vervolgens enige tijd geschorst voor beraad aan de zijde van het hof over de ontvankelijkheid. Na hervatting heeft het hof aangegeven dat het hof [appellant] ontvankelijk acht in het hoger beroep en dit zal neerleggen in de te dezen te geven beschikking.
Anders dan [appellant] stelt, volgt uit de overweging van de Raad van State waarop hij zich voor het onderhavige verzoek beroept niet dat de bedoelde vennootschap (naar het hof begrijpt: in dezen) “de aansprakelijke partij” is, noch dat de Raad van State “het benoemingenbeleid van de rechtbank passeert”. Integendeel, in rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak (waaruit ook het hiervoor weergegeven citaat waarop [appellant] zich beroept afkomstig is), herinnert de Raad van State er juist aan dat “De voorzieningenrechter (…) met juistheid [heeft] overwogen dat de kantonrechter steeds [appellant] in persoon als bewindvoerder heeft benoemd.” Het hof merkt daarbij overigens op dat de uitspraak van de Raad van State uitsluitend ziet op een geschil tussen mr. [appellant] en de Raad voor Rechtsbijstand over een afwijzing van aanvragen om een toevoeging. In het licht van het bovenstaande zal het hof het verzoek van mr. [appellant] tot niet-ontvankelijkverklaring dan ook afwijzen.
Voor zover het beroep op niet-ontvankelijkheid de kennelijke strekking heeft dat – kort gezegd – de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en door het hof dient te worden geoordeeld dat de bestreden beschikking jegens de bedoelde vennootschap (in plaats van [appellant]) had moeten worden gegeven, wijst het hof dit onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen eveneens af. Dat de bewindvoerdersvergoeding is betaald via een vennootschap maakt dit niet anders. De bewindvoerdersvergoeding komt [appellant] in privé toe nu hij (als privépersoon) tot bewindvoerder is benoemd en niet de vennootschap. Dat [appellant] er vervolgens voor kiest om die vergoeding via een vennootschap tot uitkering te laten komen, brengt niet mee dat hij zelf niet meer kan worden aangesproken voor hetgeen te veel is betaald.

3.3.

Grief 1

3.3.1.

Grief 1 houdt in dat de kantonrechter ten onrechte (op onderdelen) goedkeuring heeft onthouden aan de rekeningen en verantwoordingen die betrekking hebben op de periode van 24 juni 2009 tot en met 29 juli 2011. In het kader van artikel 1:445 lid 1 BW, welk artikel hier van toepassing is, kan alleen de rechthebbende, en derhalve niet de kantonrechter, goedkeuring onthouden aan de rekening en verantwoording. De kantonrechter kan niet beslissen over de aanvaardbaarheid van de rekening en verantwoording, doch ten aanzien hiervan enkel adviseren aan de rechthebbende. Ook de artikelen 1:445 lid 4 jo. 1:374 lid 2 BW, en de artikelen 1:445 lid 4 jo. 1:360 lid 1 BW brengen niet de bedoelde bevoegdheid voor de kantonrechter mee goedkeuring te onthouden aan de rekening en verantwoording, aldus [appellant]. Die bevoegdheid komt de kantonrechter, volgens [appellant], alleen toe in het bijzondere geval omschreven in de eerste zin van artikel 1:445 lid 2 BW.

3.3.2.

Het hof stelt voorop dat het de kantonrechter is die in individuele gevallen toezicht houdt op het bewind alsmede op het functioneren van de bewindvoerder. De kantonrechter stelt immers het bewind in en hij benoemt en ontslaat de bewindvoerder; hij is bevoegd om de bewindvoerder ten verhore te doen oproepen en deze is verplicht de inlichtingen te verstrekken die de kantonrechter van hem wenst; de kantonrechter ontvangt ook jaarlijks de rekening en verantwoording van de bewindvoerder. In de uitoefening van zijn toezichthoudende taak kan de kantonrechter goedkeuring (op onderdelen) onthouden aan de rekening en verantwoording die ingevolge artikel 1:445 lid 1 BW ten overstaan van hem wordt afgelegd. Dit geldt ook indien de rechthebbende de rekening en verantwoording voor akkoord heeft ondertekend en in die zin geacht moet worden daaraan (volledige) goedkeuring te hebben verleend.
Artikel 1:445 lid 2 BW beperkt de bevoegdheid van de kantonrechter goedkeuring te onthouden aan de rekening en verantwoording, anders dan [appellant] betoogt, niet tot het in de eerste zin van dit artikellid voorziene geval. Artikel 1:445 lid 2 BW verbindt immers slechts een – nader omschreven – gevolg aan een reeds verleende goedkeuring.
Het hof merkt ten slotte nog op dat de beslissing van de kantonrechter de goedkeuring op onderdelen aan de rekening en verantwoording te onthouden, niet de aansprakelijkheid van de bewindvoerder jegens de rechthebbende impliceert. Hoe de bestreden beschikking de eventueel door de rechthebbende aan de bewindvoerder verleende decharge dan kan doorkruisen, zoals in de toelichting op de grief wordt betoogd, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen. Grief 1 faalt derhalve.

3.4.

Grief 2

3.4.1.

Grief 2 houdt in dat de kantonrechter blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het bepaalde in artikel 1:444 BW. De kantonrechter heeft zich in de bestreden beschikking uitgesproken over de aansprakelijkheid van de bewindvoerder jegens de rechthebbende als bedoeld in artikel 1:444 BW en over de schade die de rechthebbende in dat verband zou hebben geleden, zonder dat een geschil daarover aan de kantonrechter is voorgelegd, terwijl bovendien, door goedkeuring van de rekening en verantwoording door de rechthebbende, de bewindvoerder decharge is verleend.

3.4.2.

Deze grief faalt. De kantonrechter heeft op het verzoek van de bewindvoerder tot vaststelling van de bewindvoerdersbeloning, aan welk verzoek [appellant] zelf refereert in grief 2, en – voorts – in het kader van zijn toezichthoudende taak bij het afleggen van de rekening en verantwoording correcties aangebracht, beslist over de hoogte van de bedoelde beloning en de ten laste van de rechthebbende gebrachte kosten en vervolgens in dit verband aan [appellant] de verplichting opgelegd hetgeen te veel bij de rechthebbende in rekening is gebracht, terug te betalen. De kantonrechter is naar het oordeel van het hof daarmee binnen de kaders van de hem toegemeten bevoegdheden en met name zijn toezichthoudende taak gebleven.

3.5.

Grief 3

3.5.1.

In zijn derde grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte overweegt dat de kosten van de SmartFMS-applicatie niet ten laste van de rechthebbende mogen komen.

3.5.2.

Bij de beoordeling van deze grief zij voorop gesteld dat de bewindvoerder de kosten van de bewindvoering dient te beperken.

3.5.3.

Voorts overweegt het hof het navolgende. [appellant] voert aan dat het sluiten van de overeenkomst met betrekking tot de SmartFMS-applicatie tot de gewone beheersdaden te rekenen valt waartoe de bewindvoerder bevoegd is op grond van artikel 1:441 lid 2 BW, dan wel dat hij als bewindvoerder de overeenkomst mocht aangaan, nu hij tot een bedrag van € 1.500,- gerechtigd was tot het doen van niet-beheersmatige uitgaven zonder toestemming van de kantonrechter.
Voor het geval het hof van mening zou zijn dat de toestemming van de rechthebbende vereist zou zijn voor het gebruik van deze applicatie, heeft mr. [appellant] gesteld dat deze toestemming door de rechthebbende is gegeven.
Het hof verstaat de stellingen van [appellant] in dezen aldus dat hij van mening is dat de instemming is verkregen door ondertekening van de “Overeenkomst beschermingsbewind”, waarin de rechthebbende zich verplicht heeft deze applicatie te gebruiken en de hieraan verbonden kosten voor haar rekening te nemen en/of door middel van ondertekening van de verklaring van 28 maart 2011, dan wel dat de instemming van de rechthebbende met de rekening en verantwoording impliciet een goedkeuring inhoudt om de kosten van de applicatie te haren laste te brengen, alsmede dat het gebruik van de applicatie mede te beschouwen is als een impliciete toestemming hiertoe.

3.5.4.

Anders dan [appellant], is het hof van oordeel dat het sluiten van de overeenkomst met betrekking tot de bedoelde softwareapplicatie buiten de grenzen van een normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen en daarmee buiten het in artikel 1:438 lid 1 BW bedoelde bewind valt (zie in die zin ook Hoge Raad 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7462). Het hof overweegt in dit verband dat van de zijde van [appellant] is aangevoerd dat de SmartFMS-applicatie niet noodzakelijk is om het bewind over de goederen en financiën te voeren. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet worden gesproken van een "gewone beheersdaad" die de bewindvoerder ingevolge artikel 1:441 lid 2 BW, zonder toestemming van de rechthebbende mag verrichten. Aangaande de stelling van mr. [appellant] omtrent de niet-beheersmatige uitgaven overweegt het hof dat mr. [appellant] miskent dat het daarbij moet gaan om incidentele niet-beheersmatige uitgaven. Dat het hier niet gaat om een incidentele maar structurele uitgave, gezien de maandelijkse betalingsverplichting, is evident. Het beroep dat [appellant] doet op de “€ 1.500,- regel” faalt derhalve.

3.5.5.

Het hof is verder van oordeel dat aan de ondertekening door de rechthebbende van de “Overeenkomst beschermingsbewind meerderjarigen” d.d. 7 april 2009 en de daarin sub 3 opgenomen “Algemene Richtlijnen” (prod. 18), niet het door [appellant] beoogde gevolg kan worden verbonden. Hieraan staat in de weg punt 6 van deze “Algemene Richtlijnen”, dat als volgt luidt: “U stemt in met het openen van een bewindrekening, dan wel het koppelen van een bestaande privé-rekening die vervolgens als bewindrekening zal worden gebruikt, aan ons software systeem Smart FMS. De kosten voor het beheer van deze rekening via Smart FMS komen geheel voor uw rekening.” Ter zitting in hoger beroep is zijdens [appellant] overigens verklaard dat de betiteling “ons software systeem Smart FMS” op een vergissing berust, nu dit softwaresysteem niet aan [appellant] in eigendom toebehoort. Wat hier verder ook van zij, het hof overweegt dat met het zojuist geciteerde punt 6 van de “Algemene Richtlijnen” ten onrechte de indruk wordt gewekt dat de SmartFMS-applicatie onderdeel uitmaakt van de bewindvoering en dat de rechthebbende derhalve met het gebruik van deze applicatie dient in te stemmen als voorwaarde van de bewindvoering. Nu naar het oordeel van het hof vaststaat dat het gebruik van dit softwaresysteem geen verplichting is die uit de bewindvoering voortvloeit en die de rechthebbende derhalve niet noodzakelijkerwijs dient te aanvaarden, heeft mr. [appellant] de rechthebbende aldus niet juist voorgelicht.

3.5.6.

Het hof oordeelt voorts dat de door de rechthebbende ondertekende verklaring d.d. 28 maart 2011 niet kan worden beschouwd als een blijk van instemming van de rechthebbende met de SmartFMS-applicatie en de daaraan verbonden kosten. Nu

[appellant] de rechthebbende ter zake onjuist dan wel onvolledig heeft voorgelicht kan niet worden gesproken van een zogenoemd “informed consent”. Dat de rechthebbende onjuist dan wel onvolledig is geïnformeerd, volgt alleen al uit hetgeen de rechthebbende is medegedeeld, te weten dat indien de rechthebbende een tussentijds totaaloverzicht wenste overeenkomstig dezelfde richtlijnen als de jaarlijkse rekening en verantwoording, zij daarvoor een bedrag van € 186,83 aan extra kosten diende te betalen, terwijl niet is aangegeven dat het in de praktijk zelden of nooit voorkomt dat tussentijds een dergelijke rekening en verantwoording nodig is en/of wordt gevraagd, terwijl daarbij ook niet duidelijk is gemaakt welke informatie wél kosteloos wordt gegeven of kan worden verkregen (zie ook in deze zin de beschikking van dit hof van 13 december 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6112).

3.5.7.

Het hof is verder van oordeel dat ook niet van een impliciete toestemming kan worden gesproken nu de rechthebbende de rekening en verantwoording heeft goedgekeurd en dat zulks evenmin het geval is nu de rechthebbende de SmartFMS-applicatie heeft gebruikt. Aan het veronderstellen van een impliciete toestemming staat reeds in de weg het feit dat [appellant] de rechthebbende bij de aanvang van het bewind onjuist of onvolledig heeft voorgelicht over de noodzaak in te stemmen met het gebruik van de SmartFMS-applicatie, zoals hiervóór overwogen. Daaraan doet niet af dat, zoals [appellant] stelt en ook de rechthebbende zelf aangeeft, de rechthebbende in staat was in dezen haar eigen wil te bepalen en zelf de keuze te maken voor de SmartFMS-applicatie. Immers voor een weloverwogen beslissing is een juiste en volledige voorlichting, ook over mogelijke alternatieven een eerste vereiste, waarbij hoort dat gelegenheid wordt geboden om kennis te nemen van de inhoud van de overeenkomst waaraan men wordt gebonden en met name van de daaruit voorvloeiende rechten en verplichtingen. Hiervan is het hof niet gebleken.

3.5.8.

Het hof gaat overigens ook voorbij aan de stelling van [appellant] dat de rechthebbende niet behoort tot de categorie kwetsbare personen. Het hof is van oordeel dat uit het enkele gegeven dat sprake is van een onderbewindstelling de kwetsbaarheid reeds voortvloeit. Indien en voor zover [appellant] heeft willen betogen dat de rechthebbende niet voldeed aan de in de wet gestelde criteria geldende voor een onderbewindstelling, gaat het hof hieraan voorbij aangezien in een zodanig geval de bewindvoerder het bewind voor opheffing had dienen voor te dragen hetgeen [appellant] niet heeft gedaan.

3.5.9.

Op deze grond wijst het hof ook het verzoek van [appellant] af om nader onderzoek te laten doen naar de (psychische) gesteldheid van de rechthebbende, welk onderzoek mr. [appellant] noodzakelijk acht om te beoordelen of de rechthebbende tot de, in zijn visie, kwetsbare groep rechthebbenden behoort.

3.5.10.

Dat, zoals zijdens [appellant] is gesteld, de rechthebbenden op elk moment de overeenkomst konden opzeggen, is het hof niet gebleken. Het hof merkt in dit verband op dat [appellant] ter zitting heeft verklaard dat – in de bewinden waarin hij als bewindvoerder is benoemd – geen van de rechthebbenden de door [appellant] met de softwareleverancier (Idieka B.V.) gesloten overeenkomst onder ogen heeft gehad. Het hof overweegt te dien aanzien dat [appellant] het hof ook niet in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van de met Idieka B.V. gesloten overeenkomst ten aanzien van het gebruik van de SmartFMS-applicatie. Het hof is ook niet gebleken dat de rechthebbenden door [appellant] op een andere wijze zijn gewezen op de mogelijkheid van opzegging, alsmede op welke manier en onder welke voorwaarden dat zou kunnen worden gedaan.

3.5.11.

[appellant] heeft nog gesteld dat de SmartFMS-applicatie uitsluitend in het belang van de rechthebbende is en dat het derhalve gerechtvaardigd is dat de met de applicatie verband houdende kosten voor rekening van de rechthebbende dienen te komen. Het hof gaat hieraan voorbij. Om als professioneel bewindvoerder op de juiste wijze het beheer over de gelden en het vermogen van rechthebbenden te kunnen voeren, dient de bewindvoerder de beschikking te hebben over een boekhoudsysteem, in het geval van [appellant] is dit de SmartFMS-applicatie, zoals uit het verhandelde ter zitting is gebleken. Reeds daarom is de SmartFMS-applicatie niet uitsluitend in het belang van de rechthebbende.
Het hof heeft ter zitting nog de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 25 april 2013 gegeven onder nummer 200.112.573, en met name de overweging van het hof onder 2.17, voorgehouden, welke overweging luidt:
“Ter mondelinge behandeling na verwijzing heeft verzoeker evenwel als volgt verklaard. Indien alle gegevens van de rechthebbende in het systeem zijn ingevoerd kan aan het eind van een jaar met een druk op de knop de rekening en verantwoording worden uitgedraaid. Het kost veel tijd om alle gegevens van de rechthebbende in het systeem in te voeren. Hier staat tegenover dat wanneer het systeem is gevuld, het de bewindvoerder ook veel tijd bespaart, omdat de rechthebbende niet meer voor elke besteding (telefonisch) in overleg treedt met (de administratie van) de bewindvoerder. Het systeem levert dus ook voordelen op voor de bewindvoerder, aldus verzoeker.”

Op de vraag hoe dit te rijmen is met het ook thans nog ter zitting van het hof ingenomen standpunt van [appellant] dat de SmartFMS-applicatie uitsluitend in het belang van de rechthebbende is, heeft het hof geen concreet antwoord gekregen. Daarbij komt dat de SmartFMS-applicatie, ongeacht de behoefte en mogelijkheden van de individuele rechthebbende, op alle rechthebbenden is toegepast, zodat, nu kennelijk een individuele afweging heeft ontbroken, niet gezegd kan worden dat het systeem in het belang van de individuele rechthebbende is aangeschaft en gebruikt.
Het hof sluit daarbij niet uit dat het gebruik van de SmartFMS-applicatie ook nuttig en leerzaam voor de rechthebbende kan zijn.

3.5.12.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beziend, brengt mee dat nu mr. [appellant] in 2009, 2010 en 2011 ten laste van de rechthebbende een bedrag van in totaal € 160,- heeft uitbetaald aan Idieka B.V. ten behoeve van de SmartFMS-applicatie, mr. [appellant] gehouden is dit bedrag aan de rechthebbende terug te betalen.
Al hetgeen mr. [appellant] verder nog heeft aangevoerd, zoals het gestelde ten aanzien van de rechtsongelijkheid, maakt dit oordeel niet anders. Het hof passeert dan ook het aanbod van [appellant] ter zitting gedaan om de heer B. Kuis, directeur van Idieka B.V., met betrekking tot de gestelde rechtsongelijkheid te horen als getuige.

3.6.

Grief 4

3.6.1.

In zijn vierde grief stelt [appellant] dat de kantonrechter onder 2.10 van de bestreden beschikking ten onrechte overweegt dat [appellant] een bedrag van € 104,58 aan de rechthebbende dient terug te betalen.

3.6.2.

De bezwaren van [appellant] richten zich daarbij op de overwegingen van de kantonrechter ten aanzien van de derdengeldenrekening, het inkomensbeheer, de ingangsdatum van het tarief van professionele bewindvoerders aangesloten bij de Branchevereniging van Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders (BPBI) en de door hem overgelegde betaalopdracht/transactie.
Mr. [appellant] stelt verder recht te hebben vergoeding van extra uren in verband met problematische schulden, het beheer van het PGB en/of begeleiding tijdens de schuldsaneringsregeling.

3.6.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft mr. [appellant] zijn grieven tegen de overwegingen van de kantonrechter inzake de ingangsdatum van het tarief van professionele bewindvoerders aangesloten bij de Branchevereniging van Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders (BPBI) ingetrokken en zijn stelling ten aanzien van de vergoeding van extra uren in verband met problematische schulden, het beheer van het PGB en/of begeleiding tijdens de schuldsaneringsregeling niet langer gehandhaafd. Derhalve behoeven deze kwesties geen nadere bespreking meer en zal het hof zich in zijn beoordeling beperken tot de bezwaren van mr. [appellant] omtrent de betaalopdracht/transactie en zijn bezwaren met betrekking tot de overwegingen van de kantonrechter omtrent de derdengeldenrekening.

Betaalopdracht/transactie

3.6.4.

[appellant] stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de door hem overgelegde print van een elektronische betaalopdracht niet als rechtsgeldig bewijs kan dienen van betaling.

3.6.5.

Door [appellant] is de betreffende betaalopdracht (productie 24) in hoger beroep niet overgelegd, zodat het hof de juistheid van de stelling van [appellant] niet kan nagaan en daarom aan die stelling voorbij gaat.

Derdengeldenrekening

3.6.6.

De kantonrechter heeft op goede gronden de goedkeuring onthouden aan de rekening en verantwoording op het onderdeel gebruik derdengeldenrekening, nu het in het kader van de toezichthoudende taak van de kantonrechter niet doenlijk is om het beheer via de derdengeldenrekening in voldoende mate te controleren op juistheid en volledigheid.

3.6.7.

In het midden kan blijven of zijdens [appellant] voldoende in het werk is gesteld om zo snel mogelijk een einde te maken aan het gebruik van de derdengeldenrekening nu zulks het oordeel van het hof in dezen niet anders maakt.

3.6.8.

Ter zitting van het hof is zijdens [appellant] nog aangevoerd dat de kantonrechter heeft miskend dat er verschil bestaat tussen in rekening gebrachte kosten en betaalde kosten en dat door een veroordeling tot terugbetaling uit te spreken impliciet wordt aangenomen dat alle gefactureerde kosten zijn voldaan. Deze stelling mist feitelijke grondslag nu de kantonrechter bij de vaststelling van het terug te betalen bedrag is uitgegaan van hetgeen feitelijk is betaald en niet van de gefactureerde bedragen.

3.7.

Proceskosten

3.7.1.

Ten slotte heeft [appellant], met een beroep op artikel 1:442 BW, het hof verzocht om veroordeling van de rechthebbende in de proceskosten. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] het verzoek om de rechthebbende te veroordelen in de proceskosten niet langer gehandhaafd en verzocht de proceskosten te compenseren.

3.7.2.

Van de zijde van de rechthebbende is geen proceskostenveroordeling verzocht.

3.7.3.

Het hof ziet in de bijzondere aard van de onderhavige procedure, waarin geen griffierecht wordt geheven en waarbij het hof nog verwijst naar hetgeen hiervoor onder 3.3 en 3.4 is overwogen aanleiding om geen proceskostenveroordeling uit te spreken en evenmin te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd.

3.8.

Bewijs

3.8.1.

[appellant] biedt aan van al zijn stellingen en weren bewijs te leveren. Voorts biedt hij aan als getuigen te doen horen de heer [getuige 1.] en mevrouw [getuige 2.], uitvoerend bewindvoerders van de rechthebbende, die beiden “kunnen verklaren over het gevoerde bewind en de daarvoor in rekening gebrachte kosten”. Ten slotte biedt [appellant] aan de rechthebbende als getuige te doen horen. De rechthebbende kan verklaren te hebben ingestemd met de uitgaven, goedkeuring te hebben verleend aan de rekening en verantwoording en decharge te hebben verleend aan [appellant]. Ter zitting heeft [appellant] zijn bewijsaanbod uitgebreid en aangeboden mevrouw [getuige 3.] als getuige te doen horen over de toestemming die de rechthebbende heeft verleend om een licentie te nemen op SmartFMS en haar vermogen om zelfstandig beslissingen te nemen,

3.8.2.

Het hof oordeelt als volgt. Het aanbod van [appellant] van al zijn stellingen en weren bewijs te leveren, passeert het hof als onvoldoende gespecificeerd, nu [appellant] slechts in de hierboven weergegeven algemene bewoordingen bewijs van deze stellingen en weren heeft aangeboden. Ook het aanbod de heer [getuige 1.], mevrouw [getuige 2.] en de rechthebbende als getuigen te doen horen (wat de rechthebbende betreft ter zake haar instemming met “de uitgaven”) verwerpt het hof als onvoldoende gespecificeerd, nu [appellant] bij het doen van dit aanbod niet, althans niet voldoende concreet heeft aangegeven op welke van zijn stellingen dit aanbod betrekking heeft. Het aanbod, ten slotte, om de rechthebbende als getuige te doen horen ter zake de door haar verleende goedkeuring aan de rekening en verantwoording en de door haar verleende decharge, passeert het hof als niet ter zake dienend. De beslissing van het hof zal immers, in het bijzonder gelet ook op hetgeen hiervoor onder 3.3.2 werd overwogen, niet anders zijn wanneer de rechthebbende op die punten zal verklaren zoals door [appellant] is aangegeven. Het bewijsaanbod met betrekking tot mevrouw [getuige 3.] wordt door het hof gepasseerd omdat geen feiten te bewijzen zijn aangeboden die, mits bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het hof verwijst daarbij in het bijzonder naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van grief drie en de eigenstandige bevoegdheid van de kantonrechter.

3.8.3.

Voor zover [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in deze zaak bewijs, middels het horen van mevrouw [getuige 3.], heeft aangeboden in andere zaken waarin het hof gelijktijdig uitspraak zal doen, gaat het hof daaraan voorbij nu dit bewijsaanbod in die zaken zelf dient te worden gedaan.

3.9.

Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] ontvankelijk in het hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, van 27 juni 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, M.C. Bijleveld-van der Slikke en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2013.