Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5911

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
20-001576-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:BW1504, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:906, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag en beroep op noodweer: de verdachte is veroordeeld ter zake van een poging tot doodslag tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Door met een mes in te steken op vitale delen van het lichaam is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin gericht geweest op de dood van het slachtoffer. Het hof heeft het beroep op noodweer dan wel noodweerexces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001576-12

Uitspraak : 4 december 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van

het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 10 april 2012 in de strafzaak met parketnummer 02-801023-11 tegen:

[VERDACHTE]

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [plaats], [adres],

thans verblijvende in PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 GEV te Vught.

A. Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken ter zake van de - impliciet primair - ten laste gelegde poging tot moord en ter zake van - kort gezegd - een poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft daarnaast beslist op de vordering van de benadeelde partij en ter zake de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd tot het bedrag van EUR 6.255,25, subsidiair 66 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte is beslist op de in beslag genomen goederen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

B. Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] integraal tot een bedrag van EUR 6.255,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, toegewezen. De voeging duurt van rechtswege voort in hoger beroep, terwijl de benadeelde partij de vordering ook gehandhaafd heeft.

De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 6.255,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

C. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal vrijspreken van de - impliciet primair - ten laste gelegde poging tot moord;

  • -

    de verdachte ter zake van het impliciet subsidiair - ten laste gelegde, poging tot doodslag zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht,

  • -

    aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal opleggen tot het bedrag van EUR 6.255,25 (subsidiair 66 dagen hechtenis), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde] zal toewijzen tot het bedrag van EUR 6.255,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    de teruggave aan verdachte zal gelasten van de in beslag genomen voorwerpen.

De verdediging heeft:

  • -

    primair vrijspraak bepleit van zowel de - impliciet primair - ten laste gelegde poging tot moord alsook de - impliciet subsidiair - ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • -

    subsidiair ten aanzien van het - impliciet subsidiair - ten laste gelegde, poging tot doodslag, ontslag van alle rechtsvervolging bepleit;

  • -

    meer subsidiair een strafmaatverweer gevoerd;

  • -

    ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geconcludeerd tot afwijzing en subsidiair tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering;

  • -

    zich ten aanzien van de beslissing van het hof op de in beslag genomen goederen gerefereerd aan het oordeel van het hof.

D. Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen, met name voor wat betreft de door de rechtbank gehanteerde bewijsconstructie en de op te leggen straf, niet met het beroepen vonnis verenigen. Gelet daarop zal het hof het gehele vonnis vernietigen.

E. Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 september 2011 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [naam aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buikstreek, althans in diens (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

F. Vrijspraak

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het wettig bewijs voor het - impliciet primair - ten laste gelegde, de poging tot moord, te kort schiet, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van voorbedachte raad dient vast komen te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of reeds genomen besluit, en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zulks niet is komen vast te staan.

G. Bewezenverklaring

Op grond van de hierna te vermelden redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd, alsmede zijn bijzondere overwegingen omtrent het bewijs acht het hof het - impliciet subsidiair - ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 

hij op 30 september 2011 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam aangever] van het leven te beroven, met dat opzet een mes in de buikstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

H. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen1

De beslissing dat het hiervoor bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd.

I. De aangifte van [naam aangever].

Op 1 oktober 2011 heeft [naam aangever] aangifte gedaan. Bij deze gelegenheid verklaarde hij - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - als volgt: 2

Op vrijdag 30 september 2011 in de middag had ik twee van mijn kinderen van school gehaald. Ik had ook nog twee andere kinderen bij me. We reden met de fiets over de singel in de richting van het Chasséveld. Mijn zoontje Boris reed op zijn eigen fiets vooruit. Ik zag toen een zilvergrijze Sharan. Die auto leek geen voorrang aan ons te geven. Dit bleek ook zo want die auto ging laat op de rem en mijn zoontje schoot opzij, die schrok. Toen ik voorbij reed ben ik tegen die kerel uitgevallen. Ik zei tegen hem dat hij moest opletten. En toen maakte ik een kapitale fout door te remmen en mijn bakfiets weg te zetten en terug te lopen naar die auto, die stil was komen te staan. Terwijl ik dus naar die auto liep zag ik hem wat pakken.

V:Wat zag u hem pakken:

A: Ik zag hem iets pakken vanuit de auto. Hij stapte uit en ik zag dat hij linksvoor, bij zijn koppelingsbeen iets pakte. Hij stapte dus uit en begon meteen tegen mij uit te vallen. Toen stonden we te dicht op elkaar en ik dacht dat hij mij aan wilde vliegen en toen gaf ik hem een klap. Ik ben degene geweest die als eerste een klap heeft gegeven. Ik had helemaal niet gezien dat hij kennelijk in zijn rechterhand een mes had. Later zag ik dat het een vrij lang mes was met een blauw heft, een lichtblauw heft, zo’n knipmes.

Ik zag toen dat hij mij aankeek en toen vlogen we naar elkaar toe. Ik had dus op dat moment het mes nog niet gezien dat zag ik pas later. Toen vlogen we weer uit elkaar. Ik zei nog tegen hem wat krijgen we nou, je hebt mij gestoken. Ik zag echt van alles uit mijn buik puilen. Ik rende toen weg. Ik zag toen dat hij achter mij aan kwam gerend. Ik stond te kijken naar mijn steekwond. Ik zag toen dat hij terug naar zijn auto liep en instapte en weg reed. Ik dacht toen ik ga dood, ik bloed leeg, ik ben out geweest ook.

Op 9 november verklaarde aangever [naam aangever] aanvullend nog het volgende: 3

V: Hoe reageerde de man toen hij van u een klap kreeg ?

A: (…) Volgens mij ontstond er toen een schermutseling, en stapten we vervolgens weer uit elkaar. Ik voelde toen gelijk een pijn links onder mijn ribbenkast. Het was in een fractie gebeurd. Toen wij dus weer uit elkaar stapten en ik die pijn had, toen riep ik nog: wat doe je nou, je steekt me“, wat ik volgens mij ook werkelijk heb geroepen.

V: Zag u toen ook dat u gestoken was?

A: Ja, want ik trok toen gelijk mijn shirt omhoog en zag dat ik een wond had en dat er iets van vet uit liep en ook wat bloed.

V: Wat deed de man vervolgens?

A: Toen ik tegen de man zei: “wat doe je nou, je steekt me”, zag ik dat de man me weer aanviel. Ik bedoel hiermee dat ik zag dat de man versneld op mij af kwam lopen en toen zag ik ook dat hij een mes in zijn rechterhand had.

Ik kan mij herinneren dat hij dat mes in een verticale richting met het lemmet naar boven toe vast had, dit ongeveer ter hoogte van zijn borst. Ik zag dat de man dit mes omklemd had met zijn vuist, waarvan de duim de bovenkant van het heft omvatte. Ik ben, toen ik zag dat hij mij aanviel, als reactie gelijk daarop gaan rennen. Na ongeveer een meter of 10 rennen hoorde ik dat de man niet meer achter mij aanrende. Ik keerde toen vervolgens om. Ik zag dat de man op ongeveer 4 of 5 meter voor mij stond. Ik zag ook dat bij dat mes toen nog steeds in zijn rechterhand had. Ik wilde hem tot rust manen. Ik zei toen letterlijk: “excuses voor de klap, laten we het hierbij laten”. Ik liep op dat moment terug naar hem en hij liep in mijn richting. Ik schatte de afstand nu tussen ons op ongeveer 1,5 meter. Toen zag ik dat de man wederom een dreigende beweging met het mes maakte naar mij. Dit deed hij door het mes in zijn rechterhand voor zich te houden en in versnelde richting op mij af te lopen. Hierbij zag ik dat de punt van liet mes naar boven gericht was en dat hij hiermee dus weer op mij afkwam lopen. Ik ben toen weer omgekeerd en hard weggelopen in de richting van het parkeerterrein. Ik keek toen weer om en ik vermoed dat hij een stuk van mij vandaan stond. Volgens mij besloot bij toen naar zijn auto te lopen.

V: Toen u sloeg en met hem in gevecht geraakte, wat viel er dat moment op de grond?

A: Niets.

V: Bent u mogelijk toen nog iets verloren wat u bij zich had ?

A: Nee.

V: Wat had u bij zich ?

A: Ik had niets in mijn handen en zoals al gezegd had ik mijn telefoon en mijn pasjes bij me. Er viel niets op de grond, want alles had ik nog bij me.

V: Had u een steekvoorwerp bij zich?

A: Nee.

V: Heeft u, op het moment dat u bij het voertuig van die man aankwam, tot het moment dat u wegrende (volgens uw verklaring is dit het moment nadat u zei dat u was gestoken) de man waarmee u een conflict had, nog zien bukken?

A: Nee.

V: Heeft u, op het moment dat u hij het voertuig van die man aankwam, tot het moment dat u wegrende (volgens uw verklaring is dit het moment nadat u zei dat u was gestoken) de man waarmee u een conflict had, iets van de grond op zien rapen ?

A: Nee.

II. Medisch rapport

Uit de geneeskundige verklaring d.d. 11 oktober 2011 blijkt onder meer dat de aangever een steekwond in zijn linker buikhelft heeft opgelopen: 4

Medische informatie betreffende

Achternaam: [naam]

Voornamen: [voornaam]

Geboren: [geboortedatum en geboorteplaats]

Omschrijving van het letsel.

A. Uitwendig waargenomen letsel: Steekverwonding in li buikhelft.

Is er sprake van: uitwendig bloedverlies ? Ja.

ernstig? Ja.

shock? Ja.

3.

Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja.

Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja. (…)

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 30-09-2011.

E. Overige van belang zijnde informatie (operaties, blijvend letsel e.d.)

Letsel van dunne en dikke darm. Tevens nierletsel li. zijde, waarvoor de nier verwijderd is.

F. Geschatte duur van genezing? Drie maanden.

Breda, datum: 11-10-11

Op 30 november 2011 heeft [naam arts], GGD arts forensische geneeskunde een ‘rapportage letselschade’ opgemaakt, welke - voor zover relevant - het navolgende inhoudt: 5

Rapportage letselschade

naam betrokkene: Dhr. [naam aangever]

geb. datum: [datum]

Beschouwing: Het inwendig letsel aan de organen (dunne dikke darm, linker nier) is ernstig en meneer werd in schoktoestand opgenomen en twee maal geopereerd.

Conclusie: Letselbeschrijving: scherp begrensd huiddefect links bovenbuik passend bij een

steekverwonding, met inwendig letsel aan dikke en dunne darm en linker nier. Het inwendig letsel is in het verlengde van het huiddefect gelokaliseerd en bevestigt het vermoeden dat met een scherp voorwerp tot in diepere lagen is gestoken. Tevens dermate nierschade aan linker nier dat deze operatief verwijderd moest worden. De rechter nierfunctie is intact. Op korte termijn zijn geen complicaties te verwachten. Echter in het algemeen heeft een ieder met één nier op latere leeftijd (over tientallen jaren) een groter risico op aandoeningen ten gevolge van verminderde filterfunctie van de nier, bijvoorbeeld hoge bloeddruk.

III. Verklaring getuige [naam getuige 1]

Op 30 september 2011 heeft [naam getuige 1] als getuige een verklaring afgelegd. Het proces-verbaal van verhoor getuige houdt - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - het volgende in: 6

Op 30 september 2011 omstreeks 13.15 bevond ik me bij de bowling op het Chasséveld te Breda. Ik stond hier met onze promotiebus van Eneco. Ik bevond me hier samen met nog een collega en 2 vrouwelijke klanten. Ik zag dat daar een man fietste op een bakfiets met kinderen. Naast deze man fietste een kind op een eigen fiets met een helm op. Ook zag ik dat er een auto hun de weg versperde, ik zag dat deze auto niet voor de haaientanden stopte. Hierna zag ik dat het kind om de auto heen fietste en dat de man met de bakfiets bleef staan. Ik hoorde de man van die bakfiets het volgende zeggen: “zie je dat kind niet, ben je blind of zo” of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat die man van de bakfiets naar de chauffeur van die grijze auto liep. Op het punt waar ik samen met mijn collega stond kon ik zien dat die man van die bakfiets aan het praten was met de chauffeur van die grijze auto. Ik kon niets van het gesprek opvangen. Wel zag ik dat die man van de bakfiets die chauffeur van die grijze auto een duw gaf ter hoogte van zijn borst, ik zag dat hij een duw terug kreeg op borsthoogte. Hierna zag ik dat de man van de bakfiets uithaalde, ik bedoel dat hij een slaande beweging maakte richting de chauffeur, ik zag dat hij mis sloeg waardoor de chauffeur hierop reageerde door middel van een dolk, ik bedoel een Arabische dolk. Ik zag dat het om een zilveren dolk ging. Ik zag dat de chauffeur van die grijze auto een stekende beweging maakte in de richting van die man op de bakfiets. Ik denk dat deze stekende beweging raak was omdat de man van de bakfiets plotseling wegrende. Ook hoorde ik die man het volgende roepen “dit gaat fout jongens, ik ben neergestoken, dit gaat verkeerd, bel politie, nu, nu” Vervolgens kwam die chauffeur met die dolk aanlopen en liep weer op de man van die bakfiets af. Toen zij elkaar troffen maakte die chauffeur weer een stekende beweging richting de man van die bakfiets. Ik zag dat dit mis was. Ik heb nog geroepen dat die chauffeur op moest rotten. Ik draaide mezelf om en ik hoorde die man van de bakfiets zeggen dat hij gestoken was. Ik zag dat hij zijn shirt omhoog deed, ik zag zijn buik met daarop een bol waar bloed uitkwam. Ik zag echt een gat in die buik, dit was ongeveer 8 centimeter onder zijn linker tepel. Die man schreeuwde dat er politie en ambulance moest komen, hij liep nog een stukje mee richting de straatkant langs de Eneco bus. Ik heb tegen die man gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen waarop hij naast de Eneco bus liggen. Vervolgens is de politie gekomen.

Bij de rechter-commissaris heeft de getuige [naam getuige 1] op 6 maart 2012 - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - nog als volgt verklaard: 7

Ik had een goed zicht op de bewegingen van de lichamen van partijen. De auto stond schuin tussen mij en de partijen in en ik kon ook door de ruit heen kijken.

Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige [naam getuige 1] op 23 januari 2013 - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - nog het navolgende verklaard: 8

Op vragen of ik de bestuurder van de auto iets heb zien oprapen, of iets uit de auto heb zien pakken, of iets heb zien weggooien, antwoord ik telkens: nee.

IV. Verklaring getuige [naam getuige 2]

Op 30 september 2011 heeft [naam getuige 1] als getuige een verklaring afgelegd. Het proces-verbaal van verhoor houdt - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - het volgende in: 9

Ik en mijn collega genaamd [naam getuige 1] (het hof begrijpt: getuige 1) waren aan het werk op de parkeerplaats van het Chasséveld, bij de bowling baan. Ik zag een Opel Zafira aan komen rijden, hij reed redelijk hard. De auto moest eigenlijk stoppen voor de haaientanden, om de man met zijn kindjes voor te laten gaan. Omdat hij aardig hard reed, reed hij bijna het kindje, welke voor de man fietste, aan. Het kindje kon nog net uitwijken. De man op de fiets stopte en schreeuwde iets naar de bestuurder van de auto. Ik zag dat de man zijn fiets neerzette en richting de auto liep. Ik zag dat de bestuurder van de auto uitstapte. Ik zag dat beide personen samen in discussie gingen. Ik zag op een gegeven moment dat de fietser de bestuurder van de auto een duw gaf. Ik zag dat de bestuurder van de auto de fietser een duw terug gaf. Ik zag op een gegeven moment dat de fietser wegrende met zijn handen omhoog en dat hij riep: “stop, dit wil ik niet” of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de bestuurder van de auto achter de fietser aan liep. Ik zag dat de bestuurder een groot mes in zijn handen had. Ik zag dat de man het mes in zijn rechterhand had. Ik denk dat het mes ongeveer 20 centimeter groot was. Het betrof een zilverkleurig mes. Ik zag dat het mes aan het eind een punt had. Ik zag dat de bestuurder zijn armen langs zijn lichaam had, maar het mes wel naar voren had gericht.

Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige op 23 januari 2013 nog - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard: 10

Ik heb niet gezien dat iemand iets van de grond heeft opgeraapt.

V. Verklaring getuige [naam getuige 3]

Op 1 oktober 2011 heeft getuige [naam getuige 3] - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - als volgt verklaard: 11

Op vrijdag 30 september 2011 tussen 13.30 en 14.00 uur fietste ik over de Nassausingel te Breda. Ik fietste rechtsaf het Chasséveld op. Ik ben gestopt ter hoogte van het kantoor van zorgverzekeringsmaatschappij CZ. Ik hoorde dat de man tegen de automobilist zei: “Je mag hier helemaal niet rijden, er staan haaientanden op de weg, je hebt bijna mijn kind aangereden”, of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de automobilist uit zijn auto stapte. Ik zag en hoorde dat er een conflict was tussen de bestuurder van die auto en het slachtoffer. Nadat hij uit zijn auto was gestapt heb ik de automobilist niet zien bukken of iets van de grond zien pakken.

Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige [naam getuige 1] op 29 januari 2013 - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - nog het volgende verklaard: 12

In mijn herinnering heb ik wel gezien dat die man uit de auto iets pakte. U vraagt mij of die man voor dat pakken is teruggegaan naar zijn auto, maar dat herinner ik mij nu niet.

VI. Verklaring getuige [naam getuige 4]

Op 7 oktober 2011 heeft de getuige [naam getuige 4] - voor zover relevant en zakelijk weergegeven - als volgt verklaard: 13

Ik zag dat een kindje moest uitwijken voor een auto. Ik kwam toen aanrijden en ben naast die auto gaan staan. V: Wat heeft u gezien wat de man in de auto gedaan heeft?

A: Die was achter zijn stuur aan het rommelen. Met zijn linkerhand langs het portier en met zijn rechterhand bij de sleutel.

V: Hoe heeft u kunnen zien dat de man met zijn linkerhand langs het portier ging?

A: Ik stond op dat moment naast de man. Ik zag de man rechtop in zijn auto zitten.

V: Kon u vanuit uw raam in zijn auto kijken dan?

A: Ja, zijn raam stond ook open, net als dat van mij.

I. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging gesteld dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor het steken dan wel zwaaien door verdachte met het mes en het mede daardoor veroorzaken van de verwonding bij aangever. Hiertoe heeft de raadsman ten eerste - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat de verdachte stekende dan wel zwaaiende bewegingen met enig mes of ander scherp voorwerp heeft gemaakt in de richting van de aangever. In dit verband heeft de raadsman in het bijzonder aangevoerd dat alle verklaringen van getuige [naam getuige 1], in het bijzonder zijn verklaringen met betrekking tot de stekende beweging die verdachte zou hebben gemaakt, onbetrouwbaar zijn en derhalve moeten worden uitgesloten van het bewijs. Zo het hof tot de vaststelling komt dat verdachte met een mes heeft gezwaaid dan wel met een mes heeft gestoken, als gevolg waarvan de aangever is geraakt, kan volgens de raadsman hoogstens sprake zijn van mishandeling dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aangezien niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het voorwaardelijke opzet heeft gehad op het van het leven beroven van de aangever.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen getuige [naam 1]

De raadsman heeft ter onderbouwing van de gestelde onbetrouwbaarheid van de getuige [naam getuige 1] gewezen op de verklaring van de getuige [naam getuige 2] , inhoudende dat vanaf zijn kant de bestuurderszijde van de auto niet te zien was.

Aangezien collega [naam getuige 1] volgens [naam getuige 2] tijdens het hele gebeuren - volgens diens verklaring bij de rechter-commissaris - naast hem stond, gaat de raadsman er vanuit dat aldus ook de getuige [naam getuige 1] geen zicht kan hebben gehad op de bestuurderszijde van de auto.

Naar het oordeel van het hof gaat de raadsman eraan voorbij dat de getuige [naam getuige 2] ten over staan van de raadsheer-commissaris op 23 januari 2013 heeft verklaard dat zijn collega [naam getuige 1] tijdens het hele gebeuren “bij mij in de buurt was”. Voorts brengt het enkele feit dat [naam getuige 2] , vanaf zijn positie geen of onvoldoende zicht had op de bestuurderszijde, nog niet met zich dat daarmee gezegd is dat ook [naam getuige 1] geen dan wel onvoldoende zicht kan hebben gehad op de confrontatie tussen de aangever en verdachte. In zoverre mist de onderbouwing feitelijke grondslag. Het hof heeft in dit verband in het bijzonder acht geslagen op de verklaring van [naam getuige 1] , inhoudende:

“(…) Wel zag ik dat die man van de bakfiets die chauffeur van die grijze auto een duw gaf ter hoogte van zijn borst, ik zag dat hij een duw terug kreeg op borsthoogte. (…)”;

welke gang van zaken bevestiging vindt in de verklaring van de getuige [naam getuige 2], inhoudende:

“(…) Ik zag op een gegeven moment dat de fietser de bestuurder van de auto een duw gaf. Ik zag dat de bestuurder van de auto de fietser een duw terug gaf. (…)”

Bij de rechter-commissaris heeft de getuige [naam getuige 1] over het zicht dat hij had op de aangever en de verdachte ten tijde van de confrontatie nog het navolgende verklaard:

“(…) Ik had een goed zicht op de bewegingen van de lichamen van partijen. De auto stond schuin tussen mij en de partijen in en ik kon ook door de ruit heen kijken. (…)”

Gelet op het vorenstaande heeft het hof, anders dan de verdediging geen reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de door [naam getuige 1] afgelegde verklaringen. Het enkele feit dat hij daarnaast als enige van de getuigen heeft verklaard een dolk, in plaats van een mes dat je kunt inklappen, te hebben gezien, doet naar het oordeel van het hof aan die betrouwbaarheid niet af.

Nu het hof de verklaringen van de getuige [naam getuige 1] betrouwbaar acht, wordt het beroep op bewijsuitsluiting verworpen.

Het door verdachte geschetste scenario

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep herhaald dat het mes, dat hij op enig moment in handen had, opgepakt heeft van de grond, nadat de aangever dat heeft laten vallen. Voorts heeft de verdachte met klem ontkend een stekende beweging te hebben gemaakt met dat mes. Hij heeft volgens eigen zeggen enkel zwaaiende bewegingen gemaakt, teneinde de aangever op afstand te houden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof vindt het door verdachte geschetste scenario reeds zijn weerlegging in de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof acht de verklaring van de verdachte dat niet hij, maar de aangever een mes in handen had, gelet op de verklaringen van de aangever en de getuigen [naam getuige 3] en [naam getuige 4] , inhoudende dat zij hebben gezien dat de verdachte ‘iets uit zijn auto pakte’ respectievelijk ‘aan het rommelen was in zijn auto’, niet aannemelijk geworden.

Het hof overweegt voorts dat zowel de getuige [naam getuige 1] , alsook de getuige [naam getuige 3] expliciet hebben verklaard niet te hebben gezien dat de verdachte op enig moment heeft gebukt om iets op te pakken van de grond.

Het (voorwaardelijke) opzet van verdachte

Uitgaande van de lezing van de aangever in onderling verband en onderlinge samenhang beschouwd met de verklaringen van de getuige [naam getuige 1], alsmede met het letsel dat bij de aangever is vastgesteld, moet het ervoor worden gehouden dat de verdachte een stekende beweging heeft gemaakt met een mes in de richting van de buikstreek van de aangever, als gevolg waarvan deze laatste zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van het hof levert de hier omschreven gedraging - het met een mes steken op vitale delen van het lichaam - naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer op. Bij de vaststelling van deze aanmerkelijk kans heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat als gevolg van het steken met het mes de dunne en dikke darm zijn geperforeerd alsmede één van de nieren van het slachtoffer is beschadigd. Voorts heeft het hof bij de vaststelling van deze aanmerkelijke kans in aanmerking genomen dat een mes van een omvang als die de getuigen noemen zonder meer geëigend is om dodelijk letsel te veroorzaken. Verdachte heeft dit ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend.

De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van degene op wie hij heeft ingestoken dat het - behoudens contra-indicaties die in het onderhavige geval niet aannemelijk zijn geworden - niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de kans op die gevolgen heeft aanvaard. De conclusie is dan ook, dat de verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever als gevolg van het steken met het mes zou komen te overlijden. Het opzet van de verdachte is derhalve in voorwaardelijke zin gericht geweest op het van het leven beroven van de aangever. Hetgeen de raadsman voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op de hiervoor onder het kopje H. weergegeven feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen is het hof met de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt een de poging tot doodslag.

Het verweer wordt mitsdien - in al zijn onderdelen - verworpen.

J. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

K. Strafbaarheid van de verdachte

Van de zijde van de verdediging is ten verweer betoogd dat de verdachte met betrekking tot het bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen. Daartoe is primair aangevoerd dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf zodat hem een beroep op noodweer toekomt. De raadsman is hierbij uitgegaan van de volgende toedracht van het gebeuren. Nadat verdachte uit zijn auto is gestapt, kwam de aangever agressief op hem af en heeft hem als eerste een forse klap gegeven. Gelet op de kennelijke kracht en het onverwachte karakter van de klap, is een noodweersituatie ontstaan waarbij de verdachte zich in alle redelijkheid mocht verdedigen. Het steken van verdachte kan in de visie van de raadsman daarnaast als gerechtvaardigd worden beschouwd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat nadat de verdachte is uitgestapt, er een woordenwisseling is ontstaan waarbij de aangever als eerste is overgegaan tot het geven van een klap tegen de rechterzijde van het gezicht van verdachte. Zowel de aangever alsook de verdachte hebben in die zin verklaard, hetgeen wordt bevestigd door de diverse getuigen. Verdachte heeft daarbij ook letsel opgelopen in de zin van een tand door de lip.

Naar het oordeel van het hof was onder die omstandigheden sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf.

Vervolgens ligt ter beantwoording de vraag voor of verdachtes bewezen verklaarde handelen geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen die aanranding.

Naar het oordeel van het hof - in navolging van de rechtbank - is zulks niet het geval. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte nagenoeg direct na te zijn geslagen een stekende beweging heeft gemaakt met een mes in de richting van de buikstreek van de aangever. Evenals de rechtbank acht het hof het steken met een mes door de verdachte een buitenproportionele reactie op de wederrechtelijke aanranding. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk is geworden dat hem in de gegeven omstandigheden niet de mogelijkheid openstond om zich bijvoorbeeld met zijn vuisten tegen de aangever teweer te stellen dan wel te dreigen met het mes.

Met betrekking tot het subsidiair aangevoerde beroep op noodweerexces, overweegt het hof als volgt. In geen van de door de verdachte afgelegde verklaringen, noch overigens uit het onderzoek ter terechtzitting, kan steun worden gevonden voor de stelling dat zich bij verdachte een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt, heeft voorgedaan als onmiddellijk gevolg waarvan hij de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Dat, zoals door de raadsman nog heeft gesteld, de paniek en de angst waarin verdachte zou zijn overgegaan tot het bewezen verklaarde handelen mede werd ingegeven door zijn onervarenheid met vechtpartijen in relatie met zijn belevingswereld als relatieve vreemdeling, acht het hof in dit verband onvoldoende, teneinde aan te nemen dat sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als vereist voor een geslaagd beroep noodweerexces. Om deze redenen faalt ook het beroep op noodweerexces.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

L. Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof gelet hierop kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadige karakter van het bewezen verklaarde en bijkomend de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is.

Het hof overweegt in het bijzonder het navolgende.

De verdachte heeft zich op klaarlichte dag en midden op straat schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een andere verkeersdeelnemer en wel in het kader van nota bene een verkeersruzie. Naast enkele toevallige passanten waren ook twee kinderen van de aangever getuige van het handgemeen tussen de verdachte en de aangever, waarbij deze laatste zwaar lichamelijk, bijna dodelijk, letsel heeft opgelopen. De impact van het voorval is groot te noemen niet alleen voor de aangever zelf, maar ook voor zijn gezin, de overige aanwezige kinderen en de toevallige passanten. Het is voorts aan omstandigheden buiten de wil van verdachte om te danken dat de aangever niet het leven heeft verloren.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de straf voor een duur als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd, omdat daarin naar het oordeel van het hof de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.

Wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf is door het hof aansluiting gezocht bij de straffen die worden opgelegd in gevallen die - grosso modo - vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. In de door de raadsman ter terechtzitting aangevoerde persoonlijke omstandigheden ziet het hof geen reden om tot strafverlaging over te gaan.

Alles overziende acht het hof veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden.

M. Beslag

Van de na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

N. Vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 6.255,25. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [naam benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof acht geen termen aanwezig om op de gronden zoals de raadsman subsidiair heeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid te verklaren.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

O. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde feit.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte impliciet subsidiair meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- de voorwerpen die worden vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 6.255,25 (zesduizend tweehonderdvijfenvijftig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit EUR 755,25 (zevenhonderdvijfenvijftig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en EUR 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 6.255,25 (zesduizend tweehonderdvijfenvijftig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit EUR 755,25 (zevenhonderdvijfenvijftig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en EUR 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 66 (zesenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. R.R. Everaars-Katerberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Sampat, griffier,

en op 4 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover hierna niet anders vermeld, zijn de bewijsmiddelen afkomstig uit het dossier van de Regiopolitie Midden en West Brabant, District Breda, Team opsporing Breda, registratienummer PL202M 2011196839, dossierpagina’s 1-391 met daarbij aanvullend proces-verbaal betreffende de camerabeelden.

2 Het proces-verbaal aangifte d.d. 2 oktober 2011, doorgenummerde pagina’s 231 tot en met 235.

3 Het proces-verbaal verhoor aangever d.d. 9 november 2011, doorgenummerde pagina’s 236 tot en met 244.

4 Een schriftelijk bescheid te weten een geneeskundige verklaring d.d. 11 oktober 2011, doorgenummerde pagina 248.

5 Een schriftelijk bescheid te weten een rapportage letselschade d.d. 30 november 2011, doorgenummerde pagina 249 tot en met 251.

6 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 september 2011, doorgenummerde pagina’s 149 tot en met 152.

7 Het proces-verbaal getuigenverhoor d.d. 6 maart 2012.

8 Het proces-verbaal getuigenverhoor d.d. 29 januari 2013.

9 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 september 2011, doorgenummerde pagina’s 157 tot en met 159.

10 Het proces-verbaal getuigenverhoor d.d. 29 januari 2013.

11 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 1 oktober 2011, doorgenummerde pagina’s 187 tot en met 189.

12 Het proces-verbaal getuigenverhoor d.d. 29 januari 2013.

13 Het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 7 oktober 2011, doorgenummerde pagina 208 tot en met 215.