Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5910

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
20-003828-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Elk der echtgenoten kan zonder toestemming van de ander beschikken (d.w.z. ook vervreemden) over de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen, tenzij zich een uitzonderingsgeval voordoet als bedoeld in artikel 1:88 BW (bijvoorbeeld betreffende de echtelijke woning of borgstelling). Het hof stelt vast dat van zo'n uitzonderingsgeval hier geen sprake is. De toe-eigening van de camper door verdachte was wederrechtelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-003828-11

Uitspraak: 28 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 26 september 2011 in de strafzaak met parketnummer

04-042645-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1969,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.

Voorts heeft de politierechter de vordering van de [benadeelde partij] afgewezen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

Door de raadsman van verdachte is primair vrijspraak bepleit en subsidiair aangevoerd dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 mei 2010 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk: Volkswagen,[kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 mei 2010 in de gemeente Roermond met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (merk: Volkswagen, [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde diefstal moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening, aangezien de camper aan verdachte is blijven toebehoren na de levering door zijn toenmalige echtgenote aan [slachtoffer], zodat verdachte gerechtigd was om zijn eigendom terug te halen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte en [ex-vrouw verdachte] op 7 mei 2002 zijn gehuwd en dat op 21 januari 2009 de echtscheiding is uitgesproken. Het hof stelt op basis van het dossier, in het bijzonder de zich daarin bevindende echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Maastricht van 21 januari 2009, vast dat verdachte en [ex-vrouw verdachte] zijn gehuwd in huwelijksgemeenschap.

De Volkswagen-camper, waarvan het [kenteken] op 7 juli 2008 op naam van [ex-vrouw verdachte] is komen te staan, maakte deel uit van de huwelijksgoederengemeenschap van [ex-vrouw verdachte] en verdachte.

Elk der echtgenoten kan zonder toestemming van de ander beschikken (d.w.z. ook vervreemden) over de tot die gemeenschap behorende goederen, tenzij zich een uitzonderingsgeval voordoet als bedoeld in artikel 1:88 BW (bijvoorbeeld betreffende de echtelijke woning of borgstelling). Het hof stelt vast dat van zo'n uitzonderingsgeval hier geen sprake is.

[ex-vrouw verdachte] was dus bevoegd om de camper aan [slachtoffer] te verkopen. De eigendom is rechtsgeldig overgegaan op [slachtoffer], naar kan worden aangenomen per 21 augustus 2008 (zijnde de datum waarop het kenteken op naam van [slachtoffer] is gekomen zoals blijkt uit de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer betreffende het kenteken LV-03-BR).

Het verweer van de raadsman, dat er vanuit gaat dat verdachte op 19 mei 2010 slechts de hem nog steeds toebehorende camper heeft teruggehaald, faalt dus. Door de verkoop aan [slachtoffer] in 2008 heeft verdachte zijn eigendomsrecht verloren en dat heeft hij nadien niet teruggekregen. Daar doet niet aan af dat verdachte, toen hij kennis kreeg van de verkoop van de camper door zijn toenmalige echtgenote, op 9 oktober 2008 tegen haar aangifte heeft gedaan wegens verduistering van die camper.

De toe-eigening van de camper op 19 mei 2010 door verdachte was derhalve wederrechtelijk.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft, kennelijk uit grote frustratie, meer dan een jaar na ontbinding van zijn huwelijk door eigenrichting alsnog zijn gelijk proberen te halen door de reeds tijdens zijn huwelijk verkochte camper alsnog van de koper te stelen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin feiten als het bewezen verklaarde feit in het algemeen schade teweeg brengen aan de eigenaars van de weggenomen goederen, dan wel hun verzekeraars, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten wordt veroorzaakt aan de gedupeerden;

- de omstandigheid dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd, te weten ruim drie jaar, is verstreken.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
28 augustus 2013, waaruit blijkt dat hij reeds eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder dat de inmiddels verstreken tijd de emoties rondom de beëindiging van het huwelijk lijken te hebben getemperd en de huidige gezondheidstoestand van verdachte.

Alles overziende acht het hof evenals de rechtbank en de advocaat-generaal oplegging van een geheel voorwaardelijke straf een passende reactie.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Anders dan de raadsman ziet het hof - gelet op de ernst van het feit - geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 350,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de [benadeelde partij] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 28 oktober 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. Harmsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.