Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5907

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
20-000281-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Terugdraaien elektriciteitsmeter bij hennepkwekerij is geen diefstal van elektriciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/54

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000281-12

Uitspraak : 2 december 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg van 17 januari 2012 in de strafzaak met parketnummer 12-066775-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd –

(feit 1) hennepteelt,

(feit 2) het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en

(feit 3) diefstal van elektriciteit

veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van feit 1, feit 2 en feit 3 zal veroordelen tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, met gelijke beslissing omtrent het beslag en de vordering van de benadeelde partij als door de eerste rechter genomen.

Door de verdediging is primair vrijspraak en subsidiair oplegging van een taakstraf van maximaal 50 uren bepleit. Voorts is bepleit dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Met name overweegt het hof dat de politierechter ten onrechte in het midden heeft gelaten of verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten tezamen en in vereniging met een ander, dan wel alleen heeft gepleegd.

Voorts heeft de politierechter met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde ten onrechte volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, immers de raadsman heeft in eerste aanleg gepleit voor vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en 8 september 2010, te [woonplaats], gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 11250 gram hennep en/of ongeveer 90, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.
zij op of omstreeks 8 september 2010, te [woonplaats], gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 130 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 8 september 2010, te [woonplaats], gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof zal de verdachte vrijspreken van de onder 3 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Volgens de aangifte van [bedrijf] is de elektriciteit gestolen door het terugdraaien van het telwerk van de elektriciteitsmeter, waardoor elektriciteit is afgenomen welke niet meer door de meter is geregistreerd.

Door wie en wanneer het telwerk is teruggedraaid blijkt niet uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting. Uit het dossier blijkt ook niet met wie [bedrijf] een overeenkomst had tot levering van elektriciteit aan het pand [adres] te [woonplaats].

Reeds daarom kan het ten laste gelegde niet bewezen worden.

Daarnaast levert het enkele terugdraaien van de teller naar het oordeel van het hof geen diefstal op.

De juridische omschrijving van diefstal luidt: het wegnemen van enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen (art. 310 Wetboek van Strafrecht).

Onder ‘wegnemen’ wordt verstaan: het zich een feitelijke heerschappij over het goed verschaffen zodanig, dat het aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende is onttrokken. In het onderhavige geval bestaat dit uit het feitelijke afnemen/verbruiken van elektrische stroom.

Van wederrechtelijk toe-eigenen van elektrische stroom is sprake indien dit toe-eigenen geschiedt zonder daartoe gerechtigd te zijn, dit wil zeggen – indien de dader een overeenkomst heeft tot levering van elektriciteit – zonder voor de elektriciteit te (willen) betalen aan de leverancier.

Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening moet bestaan op het moment van het wegnemen.

Het afnemen/verbruiken van elektriciteit wordt ook na het terugdraaien van de teller via de meter geregistreerd, zodat voor de na het terugdraaien van de teller afgenomen elektriciteit zal moeten worden betaald. Met betrekking tot de na het terugdraaien van de teller afgenomen elektriciteit kan dus geen oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bewezen worden. Het terugdraaien van de teller zorgt er slechts voor dat een hoeveelheid reeds afgenomen elektriciteit wordt verhuld; niet de nadien afgenomen elektriciteit.

De vóór het terugdraaien van de teller afgenomen elektriciteit die wordt verhuld door het terugdraaien van de teller, is al weggenomen vóór het terugdraaien van de meter. Er is geen bewijs dat ten tijde van dat wegnemen reeds het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aanwezig was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
zij in de periode van 1 juni 2010 tot en 8 september 2010, te [woonplaats], gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van 90l hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.
zij op 8 september 2010, te [woonplaats], gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 130 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Door de raadsman is ten verwere betoogd dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van verdachte, alsmede die van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, met een beroep op de zogeheten ‘Salduz’-jurisprudentie. Daartoe is aangevoerd dat verdachte alsook de medeverdachte [medeverdachte 2] voorafgaand aan hun verhoor niet zijn gewezen op hun consultatierecht. Medeverdachte [medeverdachte 1] is weliswaar gewezen op zijn consultatierecht, maar hoewel hij consultatiebijstand verlangde, is daaraan geen gevolg gegeven omdat er niet binnen twee uur een advocaat op het politiebureau was verschenen.

Bewijsuitsluiting van genoemde verklaringen brengt volgens de raadsman met zich mede dat het bewijs ontbreekt dat de strafrechtelijk relevante betrokkenheid van verdachte bij de hennepteelt als medeplegen kan worden gekwalificeerd, zodat verdachte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

De ‘Salduz’-jurisprudentie brengt met zich mee dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen en voorts dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Indien deze vormen worden verzuimd, moet dit in de regel leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Voor zover de raadsman heeft bepleit dat de bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten, dient dit verweer naar het oordeel van het hof te worden verworpen reeds omdat beiden bij hun politieverhoor niet hadden te gelden als aangehouden verdachte. Beiden zijn kennelijk vrijwillig op het politiebureau verschenen en zijn niet aangehouden.

Met betrekking tot de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geldt voorts dat, zo al sprake zou zijn van een schending van het recht op rechtsbijstand als bedoeld in artikel 6 EVRM, de verdachte door die schending niet is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

Anders dan de raadsman acht het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig van medeplegen van hennepteelt, zoals bewezen verklaard. Het bewijs hiervoor komt uit de verklaring van de verdachte, van [medeverdachte 1] en van de medeverdachte [medeverdachte 2] als afgelegd bij de politie.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet).

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof sluit voor de bepaling van de straf aan bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, en bij straffen die door dit hof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Voor de onder 1 bewezen verklaarde hennepteelt met betrekking tot een hoeveelheid van 90 planten is het uitgangspunt een geldboete ter hoogte van € 1.000,--.

Gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot de financiële positie van verdachte naar voren is gekomen, acht het hof oplegging van een taakstraf passender dan een geldboete. Een geldboete van € 1.000,-- komt qua zwaarte overeen met een taakstraf van 40 uren. Het hof houdt bij de bepaling van de zwaarte van de straf echter ook rekening met het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Het vorenstaande brengt het hof ertoe om verdachte een taakstraf op te leggen van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.

Beslag

De in beslag genomen hoeveelheid hasjiesj, die nog niet is teruggegeven, behoort aan de verdachte en zijn mededader toe. Feit 2 is begaan met betrekking tot deze hasjiesj. Deze zal, mede gelet op artikel 13a van de Opiumwet, worden onttrokken aan het verkeer aangezien het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.196,75. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij [bedrijf] in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 33a, 33b, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 130 gram hasjiesj.

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. C.M. Hilverda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, griffier,

en op 2 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. N.J.M. Ruyters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.