Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5887

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
HD 200.126.539-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verjaring van een vordering uit onrechtmatige daad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.126.539/01

arrest van 3 december 2013

in de zaak van

1 [Onroerend Goed] O.G. Onroerend Goed B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [Beheer] Beheer B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

4. [appellant 4.],

wonend te [woonplaats]

appellanten,

advocaat: mr. J. van Weerden te Barneveld,

tegen

de gemeente Gemert-Bakel,

gevestigd te Gemert,

geïntimeerde,

advocaat: mr. U.T. Hoekstra te Middelburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector civiel recht gewezen vonnis van 12 december 2012 tussen appellanten – [appellanten] c.s. – als eisers en geïntimeerde – de Gemeente – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 240548/HA ZA 11-1730)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het exploot van anticipatie van de Gemeente van 23 april 2013;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij brief van 21 oktober 2013 door [appellanten] c.s. toegezonden producties, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellanten] c.s. stellen in de onderhavige procedure, kort samengevat, dat de gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door in het najaar van 1998 te weigeren een perceel grond (hierna ook aan te duiden als [kavel 1.] of perceel [perceel 1.]) aan hen te verkopen. Bij de beoordeling van dat verwijt kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a)   [appellanten] c.s. exploiteren een touringcarbedrijf en een reisbureau. [Beheer] Beheer, handelend onder de naam [Reizen] Reizen, fungeert als holding. [appellanten] OG en [B.V.] zijn werkmaatschappijen van de holding. [appellant 4.] is (direct of indirect) enig aandeelhouder van de vennootschappen.

b)   In 1997 had de gemeente de mogelijkheid om op het haar in eigendom toebehorende bedrijventerrein Wolfsveld een aantal percelen voor de vestiging van bedrijven uit te geven.

c)   Bij brief van 24 september 1997 heeft [appellant 4.] namens touringcarbedrijf [Reizen] Reizen een aanvraagformulier ingediend om in aanmerking te komen voor een van de uit te geven percelen. [appellanten] heeft in dat formulier aangegeven in aanmerking te willen komen voor een perceel van ongeveer 1.500 m2. Op dat moment waren er nog twee percelen op bedoeld bedrijfsterrein niet verkocht; perceel [perceel 1.] met een oppervlakte van 1.515 m2 en perceel [perceel 2.] met een oppervlakte van 2.400 m2.

d)   Nadat tussen partijen enige correspondentie was gewisseld heeft de gemeente bij brief van 2 maart 1998 onder meer het volgende aan [appellant 4.] meegedeeld:

“Wij moeten u meedelen dat u niet in aanmerking komt voor de aankoop van een bouwkavel op het bedrijventerrein “Wolfsveld” in [plaats]. Dit om de volgende reden.

In eerste instantie heeft u aangegeven dat u voor een goede bedrijfsvoering een kavel zocht van 1.500 m2. Nadat wij u over de mogelijkheden van een dergelijk kavel hadden geïnformeerd, gaf u echter te kennen dat u de voornoemde kavel (hof: [kavel 1.]) niet geschikt achtte. U gaf hierbij aan dat de kavel aan de Dommel, letter [perceel 2.], met een oppervlakte van circa 2.400 m2 voor uw bedrijfsvoering wel geschikt zou zijn. Voor deze laatste kavel had zich reeds een kandidaat gemeld (hof: transportbedrijf [Transportbedrijf]). Wij hebben het verzoek van deze kandidaat in behandeling. Vooralsnog staat wij positief tegenover dit verzoek (…)”.

e)   Bij brief van 4 maart 1998 heeft [appellant 4.] namens [Reizen] Reizen onder meer het volgende aan de gemeente geschreven:

“Hierbij werd ons te verstaan gegeven dat er een perceel vrij ligt naast [siergrind] Siergrind aan de Dommel. (bedoeld is [kavel 2.], die later aan [Transportbedrijf] is verkocht, hof)

(…) Komt er per fax een situatieschets en blijkt dat men ineens spreekt over een perceel gelegen aan de andere kant van de weg (hof: [kavel 1.])

(…) Gezien de specifieke eisen voor touringcars, voertuigen die minimaal 12 mtr. star zijn, kon hierop geen garage faciliteit gebouwd worden, waar dan ook nog eens de voertuigen in kunnen rijden.”

f) In een eerdere brief van 2 maart 1998 aan Gedeputeerde Staten van de provinc Noord-Brabant hadden [appellanten] c.s. zich er reeds over beklaagd dat de Gemeente geen medewerking wilde verlenen aan verplaatsing van het bedrijf, waarbij c.s. tevens gewag hebben [appellanten] gemaakt van de omstandigheid dat “men zeer recentelijk een passend perceel in optie heeft gegeven aan een ander bedrijf”, waarbij kennelijk wordt gedoeld op perceel N

g) Bij brief van 9 juli 1998 heeft de gemeente desgevraagd aan de provincie Noor Brabant het volgende bericht: “De opmerking van de heer [appellanten] dat wij een voor hem passend perceel aan een ander bedrijf in optie hebben gegeven is niet juist. Over het perceel waar [appellanten] naar verwijst, zijn wij in gesprek met “transportonderneming [Transportbedrijf]”. Het verzoek van de heer [Transportbedrijf] om in aanmerking te komen voor een perceel op ons industrieterrein dateert echter van oktober 1996. Derhalve van voor het verzoek van de heer [appellanten] dat gedateerd is op 24 september 1997 (zie bijlage).

[directeur Transportbedrijf])   Bij brief van 5 augustus 1998 heeft de gemeente aan [Reizen] Reizen, t.a.v. [appellant 4.], onder meer het volgende meegedeeld:

“U heeft bij ons aangegeven in aanmerking te willen komen voor een perceel grond op het bedrijventerrein “Wolfsveld”. Wij hebben u geïnformeerd dat wij binnen het bedrijventerrein nog slechts één perceel beschikbaar hebben en dat wij zouden bekijken of u voor dit perceel in aanmerking zou kunnen komen. Van het voornoemde perceel met een oppervlakte van 1.500 m2 gelegen aan de “Dommel (letter [perceel 1.]), heeft u van ons ter informatie een situatieschets ontvangen plus (…).

Op basis van uw schetsplan van 1 mei 1998 en 12 mei 1998 kunnen wij niet beoordelen of uw bedrijf past op het voornoemde perceel (…). Het schetsplan is namelijk ontoereikend. Wij verzoeken u binnen 4 weken na de verzenddatum van deze brief ons een toereikend bebouwingsplan toe te zenden. Indien wij binnen deze termijn geen toereikend plan van u hebben ontvangen, gaan wij er vanuit dat u geen belangstelling heeft voor het voornoemde perceel en zien wij ons vrij om met andere belangstellenden in contact te treden.

Uw bebouwingsplan dient in ieder geval te bevatten: (…)”

i. i)   Bij brief van 28 augustus 1998 heeft [appellant 4.] namens [Reizen] Reizen aan de gemeente een voorlopige tekening van het te bouwen pand en van de beoogde indeling van het kavel toegezonden, alsmede nadere informatie verstrekt. Volgens de tekening wilde [appellanten] over de volle breedte van [kavel 1.] een bedrijfspand bouwen.

j) In een ambtelijk advies van 25 september 1998 wordt aan de gemeente geadviseerd h verzoek van [appellanten] c.s. om in aanmerking te komen voor een perceel op het bedrijventerrein Wolfsveld af te wijzen wegens, kort gezegd, bouwplannen, die de ruimtelijke mogelijkheden van perceel [perceel 1.] te boven gingen. Daarin is tevens het volgende opgemerkt

erkt:

“De heer [appellant 4.] uit [woonplaats] heeft in september 1997 een verzoek ingediend om in

aanmerking te komen voor een perceel grond op het bedrijventerrein “Wolfsveld”. De

heer [appellanten] is eigenaar van de firma “[Reizen] Reizen”uit [vestigingsplaats]. Reden dat de heer [appellanten]

uit [vestigingsplaats] naar “Wolfsveld” wil verplaatsen is het feit dat hem de huur is opgezegd.

Destijds is hij ([appellanten], hof) geïnformeerd over de twee percelen die nog vrij waren op het

bedrijventerrein. Hem is niets aangeboden! Het ging hier om twee percelen aan de Dommel. Één perceel besloeg 2.413 m2 en het andere besloeg 1.515 m2 . U hebt besloten het perceel van 2.413 m2 aan te bieden aan de heer [Transportbedrijf] voor het vestigen van een transportonderneming. De heer [Transportbedrijf] stond sinds oktober 1996 ingeschreven om in aanmerking te komen voor industriegrond. De heer [appellanten] is toegezegd dat wij zijn verzoek om in aanmerking te komen voor industriegrond zouden voorleggen aan uw college. De grond waarvoor hij eventueel in aanmerking zou komen zou dan een oppervlakte beslaan van 1.513 m2 . Zie bijgevoegde schets. De heer [appellanten] was hierover gepikeerd. Hij is van mening dat hij werd gepasseerd. Hierover en over de trage behandeling van zijn verzoek heeft de heer [appellanten] geklaagd bij weth. [wethouder] en de heer [heer]”.

k)   In zijn vergadering van 6 oktober 1998 heeft het college van B&W van de gemeente onder meer besloten om perceel [perceel 1.] niet aan [appellanten] c.s. te verkopen. In haar daarop volgende brief heeft de Gemeente daartoe, kort samengevat, medegedeeld dat de plannen van [appellanten] c.s. niet passen op voornoemd perceel. Hierop hebben [appellanten] c.s. bij brief van 20 oktober 1998 gereageerd en aangegeven dat de betreffende plannen wel passend waren.

l)   Bij brief van 19 november 1998 heeft de gemeente aan [Reizen] Reizen, t.a.v. [appellant 4.], onder meer het volgende meegedeeld:

“In onze vergadering van 3 november 1998 hebben wij uw brief van 20 oktober j.l., besproken. In deze vergadering hebben wij een definitief besluit genomen over uw verzoek om in aanmerking te komen voor een perceel grond op het bedrijventerrein “Wolfsveld”.

Wij zijn tot het besluit gekomen uw verzoek (…) af te wijzen. Dit om de volgende redenen.

(…)

Onze conclusie is (…) dat het enige, nog niet uitgegeven perceel, niet toereikend is. (…)

Wij zien ons derhalve vrij om over het perceel grond (…) met andere gegadigden in contact te treden.”

m) Bij koopovereenkomst van 10 december 1998 heeft de gemeente perceel [perceel 1.] verkocht aan [koper perceel 1.].

o)  [appellanten] heeft tegen de gemeente een procedure gevoerd met als inzet een vordering uit schadevergoeding uit onrechtmatige daad omdat de gemeente in strijd met het gelijkheidsbeginsel perceel [perceel 1.] niet aan [appellanten] had verkocht. Nadat de vordering door de rechtbank was toegewezen, is deze in hoger beroep door het gerechtshof bij arrest van 19 februari 2008 (rolnummer C0600339/HE) afgewezen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van [appellanten] verworpen. [appellanten] heeft daarna het gerechtshof verzocht het arrest te herroepen. Nadat het gerechtshof [appellanten] niet heeft toegestaan na repliek nog stukken in het geding te brengen, is [appellanten] een tweede herroepingsprocedure bij het gerechtshof begonnen met het verzoek deze gevoegd met de eerste herroepingsprocedure te behandelen. Voornoemd verzoek is toegestaan waarna dit hof bij arrest van 22 januari 2013 (zaaknummers HD 200.078.132/01 en HD 200.095.591/01) de beide vorderingen van [appellanten] gericht op herroeping heeft afgewezen. Het daartegen gerichte cassatieberoep is blijkens mededeling van partijen ter zitting door de Hoge Raad niet ontvankelijk verklaard.

p)   Bij koopovereenkomst van 15 oktober 1998 heeft de gemeente aan [Transport] Transport BV perceel [perceel 2.], gelegen in het bedrijvenpark Wolfsveld, verkocht.

q) Op 12 mei 2011 is een in opdracht van de gemeenteraad van de Gemeente op 3 mei 2011 uitgebracht rapport van het Bureau Integriteit Nederlandse gemeentes in de openbaarheid gebracht, waarin onder meer de uitgifte van percelen op het bedrijventerrein Wolfsveld (verder het BING-rapport) is onderzocht. In voornoemd rapport zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

A. ‘Blijkens een fax van transportbedrijf [directeur Transportbedrijf] ([Transportbedrijf], hof) d.d. 16 februari 1998 heeft de heer [directeur Transportbedrijf]. op diezelfde middag een telefonisch onderhoud gehad met de bedrijfscoördinator. In de betreffende fax zijn enkele punten genoemd die volgens de heer [directeur Transportbedrijf]. kunnen helpen om een mogelijke koop van [kavel 2.] te bespoedigen.(….) Uit het dossier blijkt niet dat de interesse van de heer [directeur Transportbedrijf] voor deze kavel dateert van oktober 1996, zoals door de gemeente in een brief aan de provincie – en nadien in een gerechtelijke procedure – is gesteld. De betreffende fax is, in de tijd geplaatst, het eerste document waaruit de interesse van de heer [directeur Transportbedrijf] voor [kavel 2.] blijkt. Wij hebben in het dossier ook geen aanvraagformulier aangetroffen, zoals door de heer X (lees [appellanten], hof) is ingevuld”.

B. “Wij hebben de toenmalige bedrijfscoördinator RO (1997-2003) in een tweede gesprek gevraagd naar de interesse van transportbedrijf [directeur Transportbedrijf] voor [kavel 2.]. Hij heeft verklaard: U vraagt mij of ik een toelichting kan geven op de verkoop van perceel [perceel 2.] aan de heer [directeur Transportbedrijf]. Dat kan ik. Het bedrijf van de heer [directeur Transportbedrijf] had een vliegende start gemaakt en was op zoek naar een nieuwe locatie voor zijn bedrijfsactiviteiten. Hij had in eerste instantie interesse in verschillende percelen binnen de gemeente Gemert-Bakel. De gemene deler van deze locatie was dat het VAB-locaties betroffen (Vrijkomende Agrarische Bedrijven). Gezien de lage grondprijs was een dergelijke locatie interessanter voor hem dan een perceel op een bedrijfslocatie. Wij vonden vestiging van zijn bedrijf op een VAB-locatie echter een onwenselijke situatie. Op enig moment heeft de heer [directeur Transportbedrijf] besloten om toch de stap te maken naar een bedrijventerrein, waarna perceel [perceel 2.] een geschikte locatie was (…).

4.2.

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat de gemeente aansprakelijk is jegens [appellanten] en aldus gehouden is de schade te vergoeden die [appellanten] door toedoen dan wel nalaten van de Gemeente heeft geleden, welke schade is op te

maken bij staat, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding. Daaraan hebben [appellanten] c.s., kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door perceel [perceel 2.] aan [Transportbedrijf] te verkopen en niet aan [appellanten] c.s., met het argument dat [Transportbedrijf] eerder dan [appellanten] c.s. belangstelling heeft getoond. Dit terwijl [appellanten] c.s. eerder dan [Transportbedrijf] belangstelling hebben getoond, zodat het perceel aan hen gegund had moeten worden. Zelfs als [Transportbedrijf] eerder was geweest, heeft de Gemeente onrechtmatig jegens [appellanten] c.s. gehandeld door haar belangen niet af te wegen tegen de belangen van [Transportbedrijf], althans de belangen van [Transportbedrijf] ten onrechte op die van [appellanten] c.s. hebben laten voorgaan.

De Gemeente heeft de verwijten van [appellanten] c.s. weersproken en voorts een beroep gedaan op verjaring van de vorderingen van [appellanten] c.s.

4.3.

De rechtbank heeft allereerst het beroep op verjaring verworpen, kort gezegd omdat zij van oordeel was dat de aan de Gemeente verweten onrechtmatige gedragingen eerst met het bekend worden van het BING-rapport [appellanten] c.s. in staat hebben gesteld een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Niettemin heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] c.s. verworpen, waartoe zij het volgende heeft overwogen:

“4.5.  De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting door de gemeente - die met stukken is onderbouwd - [appellanten] zijn stelling dat hij eerder dan [Transportbedrijf] belangstelling had voor perceel [perceel 2.] onvoldoende heeft onderbouwd. De verwijzing naar het BING-rapport volstaat niet, omdat daar enkel wordt geconcludeerd dat er geen document van voor 16 februari 1998 in de stukken is aangetroffen waaruit de belangstelling van [Transportbedrijf] blijkt, maar BING heeft kennelijk niet onderzocht of aan [Transportbedrijf] mondeling toezeggingen waren gedaan. Dat die mondelinge toezeggingen niet zijn gedaan of pas nadat [appellanten] had laten weten belangstelling te hebben voor perceel [perceel 2.], is door [appellanten] niet onderbouwd.

4.6.

De stelling van [appellanten] dat de gemeente zijn belangen niet heeft meegewogen bij de beslissing om perceel [perceel 2.] aan [Transportbedrijf] te verkopen kan niet leiden tot de conclusie dat de gemeente onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld omdat [appellanten] niet, in elk niet geval niet onderbouwd, heeft gesteld dat een afweging van die belangen had moeten leiden tot verkoop van perceel [perceel 2.] aan [appellanten].”.

[appellanten] c.s. zijn in de proceskosten veroordeeld.

Tegen deze overwegingen en de daarop gebaseerde beslissingen van de rechtbank komen [appellanten] c.s. op.

4.4.

De grief valt, naar het hof begrijpt, uiteen in drie onderdelen. [appellanten] c.s. hebben die onderdelen als volgt geduid:

a. Procedureel.

Uit de toelichting leidt het hof af dat [appellanten] c.s. zich op het standpunt stellen dat zij hun stellingen (wel) in voldoende mate hebben onderbouwd, zodat, nu op de Gemeente een verzwaarde stelplicht rust en de Gemeente daaraan niet heeft voldaan, de vorderingen hadden dienen te worden toegewezen. Althans, nu op de Gemeente op grond van de in artikel 150 Rv opgenomen omkeringsregeling de bewijslast van haar stellingen rust, de Gemeente dientengevolge bewijs daarvan had dienen bij te brengen.

b. Inhoudelijk. Eerdere inschrijving van [appellanten] c.s. dan [Transportbedrijf].

Uit de toelichting hierop kan worden afgeleid dat [appellanten] c.s. haar stelling dat zij eerder dan [Transportbedrijf] kenbaar hebben gemaakt interesse te hebben in perceel [perceel 2.] op het bedrijventerrein Wolfsveld in hoger beroep handhaven. Zij trekken hieruit de conclusie dat zij reeds daarom voorrang had dienen te verkrijgen bij de mogelijke verwerving van perceel [perceel 2.] boven [Transportbedrijf].

b. Inhoudelijk. Belangenafweging.

[appellanten] c.s. stellen dat zij in voldoende mate hebben aangegeven dat en waarom een belangenafweging door de Gemeente, zelfs indien vast zou staan dat [Transportbedrijf] eerder interesse had getoond in een vestiging op het bedrijventerrein Wolfsveld, in haar voordeel had dienen uit te vallen.

De procedurele grief.

4.5.1.

Uit artikel 150 Rv volgt dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt. Dat brengt met zich dat in beginsel [appellanten] c.s. de bewijslast en het bewijsrisico van haar stellingen draagt. Dit onderdeel van de grief berust op de stelling dat, nu de Gemeente, aangesproken tot vergoeding van schade als gevolg van een of meer van door haar verrichte handelingen, betwist dat zij daarbij onrechtmatig heeft gehandeld, de bewijslast niet op [appellanten] c.s. maar op de Gemeente rust. Deze stelling kan in haar algemeenheid niet als juist worden aanvaard. Dat laat onverlet dat onder bepaalde omstandigheden van een gedaagde (die de betreffende stellingen omtrent het onrechtmatig handelen betwist) verwacht kan worden dat hij zijn betwisting gepaard laat gaan met het verstrekken van voldoende feitelijke gegevens ter motivering van die betwisting teneinde aldus aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering door degene, die op grond van artikel 150 Rv de bewijslast draagt. Dat geldt met name in die situatie waarin de aansprakelijk gestelde partij beschikt over de deskundigheid en de hier bedoelde gegevens. Het hof sluit daartoe voor dit geval aan bij de overweging van de rechtbank in haar vonnis van 20 april 2005, eveneens tussen partijen in een vergelijkbare zaak gewezen, waarin door de rechtbank, kort samengevat wordt geoordeeld dat op de Gemeente een verzwaarde stelplicht rust. Immers de Gemeente is meer dan [appellanten] c.s. bekend met alle feiten en omstandigheden, die destijds voor de Gemeente van belang waren in het kader van haar (door [appellanten] c.s. gewraakte besluitvorming), zodat zij ook in staat moet worden geacht haar handelwijze op voldoende inzichtelijke wijze te kunnen rechtvaardigen. Niettemin, zo moet het hof vaststellen, heeft de Gemeente aan die verzwaarde stelplicht voldaan. De Gemeente heeft aan de hand van een groot aantal stukken (zie onder meer de producties bij conclusie van antwoord) aangegeven dat en waarom zij zich in het kader van haar verweer op het standpunt stelde dat [Transportbedrijf] eerder dan [appellanten] c.s. belangstelling had getoond voor een vestiging op het te ontwikkelen bedrijventerrein “Wolfsveld”. Daaraan doet niet af dat de administratie van de Gemeente niet op alle onderdelen mogelijk niet zo nauwkeurig was als [appellanten] c.s. wensen, zodat ook (mondelinge) verklaringen, waarop de Gemeente zich beroept, die niet gestaafd worden door onderliggende schriftelijke stukken, in deze kwestie een belangrijke rol spelen. Dat maakt immers nog niet dat uit het ontbreken van die onderliggende stukken de conclusie getrokken zou kunnen worden dat de Gemeente kennelijk voor deze kwestie relevante stukken, die een ander licht op de zaak zouden kunnen werpen, in de procedure achterhoudt. Voor de stelling dat dergelijke stukken wel aanwezig zouden zijn, zijn in de stukken voorshands onvoldoende aanwijzingen te vinden, ook niet in het zogenaamde BING-rapport, dat mede naar aanleiding van deze kwestie is opgemaakt. Integendeel, uit de rapport blijkt veeleer van een niet altijd even adequate vastlegging van ontwikkelingen in een bepaald dossier. De conclusie dient te zijn dat gelet op het substantiële verweer van de Gemeente geen grond aanwezig is om de stellingen van [appellanten] c.s. dadelijk voor juist te houden en in het verlengde daarvan de daarop gerichte vorderingen aanstonds toe te wijzen. In de wijze waarop de Gemeente haar stelplicht is nagekomen ziet het hof ook geen aanleiding om de Gemeente met het bewijs van een of meer van haar stellingen te belasten.

4.5.2.

Voorts hebben [appellanten] c.s. nog een beroep gedaan op de zogenaamde bewijsrechtelijke “omkeringsregel”. Deze regel zou, aldus [appellanten] c.s., in ieder geval toegepast moeten worden op de stellingen van de Gemeente omtrent de vermeende eerdere belangstelling van [Transportbedrijf], het aan [Transportbedrijf] toegekende optierecht en de wijze waarop de Gemeente de belangen van [appellanten] c.s. heeft afgewogen tegen die van [Transportbedrijf].

Voor zover [appellanten] c.s. met deze stelling wensen te betogen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de Gemeente van voornoemde stellingen bewijs bij dient te brengen, merkt het hof het volgende op. Toepassing van deze uitzondering op de hoofdregel van artikel 150 Rv kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden. Voor deze bijzondere omstandigheden verwijzen [appellanten] c.s. uitsluitend naar het bestaan van een verzwaarde stelplicht van de Gemeente als hiervoor onder rov. 4.5.1. besproken. Voor zover daarin de stelling te lezen valt dat de verzwaarde stelplicht reeds met zich brengt dat de Gemeente tevens gehouden is om het bewijs van haar in het kader van die stelplicht bijgebrachte stellingen te leveren miskennen [appellanten] c.s. dat deze opvatting geen steun vindt in het recht. Daartoe dienen immers nadere bijzonder omstandigheden aangevoerd te worden en dat hebben [appellanten] c.s. nagelaten.

Voor zover [appellanten] c.s. zich wensen te beroepen op de omkeringsregel in aansprakelijkheidszaken merkt het hof het volgende op. Daarbij stelt het hof het volgende voorop. Met betrekking tot deze regel geldt dat deze van toepassing kan zijn in situaties dat het causale verband tussen de onrechtmatige gedraging en de gestelde schade wordt betwist. In dat geval geldt dat, indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven is en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Deze regel vloeit uit de redelijkheid en billijkheid voort, waarbij voor het aldus maken van een uitzondering op de hoofdregel van artikel 150 Rv echter alleen plaats is als het gaat om schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot. In dat geval is het immers, gelet op de bescherming die een dergelijke norm beoogt te beiden, redelijk, behoudens tegenbewijs, ervan uit te gaan dat, als het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen, zich heeft verwezenlijkt, zulks een gevolg moet zijn van deze normschending. Voor de toepassing van voormelde regel is dus blijkens het vorenstaande vereist dat is komen vast dat er sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van de schade, en dat degene die zich op de schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (zie Hoge Raad 29 november 2002, NJ 2004, 305).

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen kan het onderdeel van de grief niet slagen. Immers eventuele toepassing van deze regel stuit reeds af op de enkele omstandigheid dat het onrechtmatig handelen van de Gemeente, nu dat wordt betwist, niet vaststaat, terwijl bovendien [appellanten] c.s. zich in hun stellingen niet of nauwelijks hebben uitgelaten over de vraag welke norm is geschonden en het daarmee in het leven geroepen specifieke gevaar, waartegen deze norm bescherming zou dienen te bieden

De slotsom dient te zijn dat [appellanten] c.s. gehouden zijn om ingevolge artikel 150 Rv bewijs bij te brengen van hun stellingen, terwijl voor enige uitzondering op die regel geen plaats is. De grief faalt daarom in de beide hiervoor behandelde onderdelen.

4.6.1.

Gezien het bovenstaande dienen [appellanten] c.s. in beginsel bewijs bij te brengen van hun stellingen met betrekking tot het gestelde onrechtmatig handelen van de Gemeente als hiervoor verwoord onder rov. 4.2.. [appellanten] c.s. hebben ook enige bewijsaanbiedingen gedaan. Het hof zal daartoe [appellanten] c.s. echter niet in de gelegenheid stellen en omwille van doelmatige rechtspleging zal het hof daaraan voorafgaand ook geen oordeel geven over de vraag of [appellanten] c.s. in het licht van het verweer van de Gemeente wel voldoende hebben gesteld om hen toe te laten tot enige bewijslevering. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.6.2.

De Gemeente heeft in eerste aanleg een verjaringsverweer gevoerd met betrekking tot de vorderingen van [appellanten] c.s. op de beide daartoe door [appellanten] c.s. aangevoerde gronden (het ten onrechte passeren van een melding van belangstelling van [appellanten] c.s. voor perceel [perceel 2.], welke melding in de tijd eerder was gelegen dan die van [Transportbedrijf] en (subsidiair) een onjuiste belangenafweging tussen [appellanten] c.s. en [Transportbedrijf] bij de toewijzing van dat perceel).

Als hiervoor onder rov. 4.1. onder p vastgesteld heeft de Gemeente op 15 oktober 1998 het perceel [perceel 2.] op het bedrijventerrein Wolfsveld (voor welk perceel [appellanten] c.s. belangstelling hadden getoond) verkocht aan [Transportbedrijf]. Dat verjaringsverweer, dat in eerste aanleg door de rechtbank was verworpen en in hoger beroep door de Gemeente is herhaald en aangevuld, houdt kort gezegd het volgende in. [appellanten] c.s. wisten reeds in 1998 dat het perceel [perceel 2.] op Wolfsveld aan [Transportbedrijf] was verkocht en kenden de daarvoor door de Gemeente aangevoerde redenen. Hierdoor stond de daarmee samenhangende schade en de daarvoor door [appellanten] c.s. aansprakelijk geachte partij vast, zodat [appellanten] c.s. op dat moment reeds in staat waren een vordering in te stellen jegens de Gemeente. De het geding inleidende dagvaarding dateert van 27 november 2011 en is derhalve uitgebracht ruim 13 jaar na de beweerdelijk schade toebrengende gebeurtenis. Gezien het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW, waarin een verjaringstermijn is opgenomen van vijf jaar zijn de vorderingen van [appellanten] c.s. daarmee verjaard.

4.6.3.

[appellanten] c.s. hebben met betrekking tot dit verweer van de Gemeente het volgende betoogd. Allereerst beroepen [appellanten] c.s. zich erop dat het verjaringsverweer van de Gemeente in eerste aanleg door de rechtbank is verworpen, zodat de Gemeente niet zonder incidenteel beroep in te stellen in hoger beroep dit verweer opnieuw kan voeren.

4.6.4.

Het betoog van [appellanten] c.s. faalt. De noodzaak tot het zelfstandig instellen van een incidenteel appel doet zich voor een in het gelijk gestelde partij slechts voor indien hij ook zijnerzijds een verandering van het dictum van het door het principaal beroep getroffen vonnis wenst te bewerkstelligen. Ingevolge de devolutieve werking van het appel brengt immers een gegrondbevinding van een of meer grieven met zich dat de rechter in beroep ambtshalve de in eerste aanleg niet behandelde of verworpen stellingen van geïntimeerde opnieuw dient te onderzoeken. In dit geval zijn de vorderingen van [appellanten] c.s. door de rechtbank afgewezen, zodat voor de Gemeente de noodzaak ontbrak om harerzijds (incidenteel) beroep in te stellen.

4.6.5.

Daarnaast stellen [appellanten] c.s. dat een eventuele verjaring eerst is gaan lopen toen zij kennis kregen van het BING-rapport, waarin de bevinding was opgenomen dat zich in de documentatie van de Gemeente geen stuk bevond eerder dan 16 februari 1998, waaruit kon worden afgeleid dat [Transportbedrijf] eerder belangstelling had getoond voor een kavel of [kavel 2.] op het bedrijventerrein “Wolfsveld “ (voor de tekst van deze opmerking in voornoemd rapport zie rov. 4.1. onder q, A). Dat rapport is gepubliceerd op 12 mei 2011, zodat [appellanten] c.s. eerst op dat moment op de hoogte konden zijn van het onrechtmatig handelen van de Gemeente.

Ook die stelling dient te falen.

Met betrekking tot de vordering uit onrechtmatige daad gebaseerd op de grondslag dat ook al zou [Transportbedrijf] eerder van zijn belangstelling hebben blijk gegeven dan [appellanten] c.s., niettemin in het kader van een juiste belangenafweging het betreffende perceel [perceel 2.] aan [appellanten] c.s. had moeten worden aangeboden, speelt het BING-rapport geen enkele rol. Immers [appellanten] c.s. zijn in ieder geval in oktober 1998 geconfronteerd met de beslissing van de Gemeente om het betreffende perceel aan [Transportbedrijf] te gunnen. Daarmee stond hoe dan ook vast dat een belangenafweging in hun nadeel was uitgevallen en hadden [appellanten] c.s. reeds op die grond een vordering kunnen instellen, nu zij immers op dat moment reeds werden geconfronteerd met de beweerdelijk daaruit voor hen voortvloeiende schade.

Voor zover de vordering van [appellanten] c.s. uit onrechtmatige daad is gebaseerd op onjuiste mededelingen van de Gemeente met betrekking tot het moment waarop [Transportbedrijf] zijn belangstelling voor perceel [perceel 2.] op Wolfsveld heeft getoond geldt het volgende. Ingevolge artikel 3:310 BW vangt een verjaringstermijn aan op de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar het oordeel van het hof is dit de dag nadat [appellanten] c.s. bekend zijn geworden met de afwijzing door de Gemeente van hun verzoek om het perceel [perceel 2.] toegewezen te krijgen. De stelling van [appellanten] c.s. dat de verjaring eerst begint te lopen nadat zij bekend zijn geworden met het bestaan van de - door hen gestelde, maar door de Gemeente betwiste – onjuiste mededeling van de wethouder/behandelend ambtenaar in het BING-rapport, wordt verworpen. De schade voor [appellanten] c.s. is immers niet ontstaan doordat zij ermee bekend raakten dat de afwijzende mededeling was gegrond op onjuiste feiten, maar door het besluit als zodanig. Schade als gevolg van onjuiste mededelingen heeft naar haar aard niet een verborgen karakter, zodat er – in het bijzonder gelet op de eis van rechtszekerheid – onvoldoende grond bestaat om een uitzondering te maken op de regel dat voor aanvang van het tijdstip van de verjaring beslissend is het tijdstip waarop de bevoegdheid is ontstaan om onmiddellijk nakoming van de verbintenis te eisen, ongeacht of de schuldeiser op dat tijdstip reeds met het bestaan van de verbintenis bekend was. Zelfs indien moet worden aangenomen dat de mededelingen van de Gemeente omtrent het tijdstip waarop [Transportbedrijf] voor het eerst van zijn belangstelling voor het betreffende perceel blijk heeft gegeven niet alleen onjuist waren doch berusten op bedrog of benadeling van [appellanten] c.s. ten gunste van [Transportbedrijf] (zoals [appellanten] c.s. kennelijk wensen te bewijzen), vormt die omstandigheid onvoldoende grond om een uitzondering op genoemde regel te aanvaarden (zie hiertoe onder meer Hoge Raad 15 oktober 1999, NJ 2000, 138). Daarbij is van belang en heeft als feitelijk uitgangspunt te gelden dat [appellanten] c.s. in 1998 zijn geconfronteerd met de beslissing van de Gemeente om hen het betreffende perceel [perceel 2.] niet aan te bieden. Daarmee stond immers de (beweerdelijke) benadeling vast. Een (eventueel) beroep op artikel 6:248 lid 2 BW van de zijde van [appellanten] c.s. heeft het hof in de stukken niet aangetroffen.

4.6.6.

De slotsom is dat zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld de daarop gerichte vorderingen tot het vergoeden van de (eventueel) daaruit voortvloeiende schade dienen te stranden op het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW.

4.7.

De grieven falen, het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd zij het met verbetering van gronden en [appellanten] c.s. zullen in de proceskosten van het beroep gevallen aan de zijde van de Gemeente worden veroordeeld.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, met verbetering van gronden;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het beroep gevallen aan de zijde van de Gemeente en tot op heden vastgesteld op € 683,-- aan griffierechten en € 2.682,-- aan salaris advocaat

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, W.H.B. den Hartog Jager en Th. J. A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 december 2013.