Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5856

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
HV200.125.232_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:5915
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:144 lid 2 (sub a) BW. Het hof is van oordeel dat het inbrengen van het genot en gebruik van de landbouwgrond van de rechthebbende in een CV, een beschikkings¬handeling is, die niet tevens kan worden aangemerkt als een gewone daad van beheer.

Hoewel de inbreng van de landbouwgrond in een CV een beperking oplevert van de mogelijkheden voor de rechthebbende om vrijelijk over de landbouwgrond te beschikken, weegt dit naar het oordeel van het hof niet op tegen het belang van de rechthebbende bij de financiële voordelen die deze handeling met zich zou brengen. Het hof is dan ook in beginsel bereid toestemming te geven voor de door de bewindvoerder verzochte handeling.

Het hof ziet echter in de door de bewindvoerder overgelegde conceptakte nog enkele bezwaren dan wel risico’s en verzoekt de bewindvoerder om (a) een nieuwe conceptakte te overleggen waarin de door het hof voorgestelde wijzigingen zijn verwerkt, (b) aan het hof kenbaar te maken of zij bereid is haar ontslag als bewindvoerder te aanvaarden en, (c) indien voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, het hof te informeren of iemand uit de omgeving van de rechthebbende, niet zijnde een toekomstige vennoot van de CV dan wel een persoon werkzaam in of ten behoeve van de CV, bereid is als opvolgend bewindvoerder te worden benoemd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 144, geldigheid: 2013-12-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 10 oktober 2013

Zaaknummer: HV 200.125.232/01

Zaaknummer eerste aanleg: 242776 / 12-3589

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

advocaat: mr. G.W.J. van Dijke.

Als belanghebbende in de onderhavige zaak wordt aangemerkt:

[de man],

wonende te [woonplaats], in zorginstelling [zorginstelling],

hierna te noemen: de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, locatie Middelburg van 9 januari 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 april 2013, heeft de bewindvoerder, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, primair verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de bewindvoerder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, doch uitsluitend vanwege het feit dat de kantonrechter niet hoeft te of kan worden verzocht om de bewindvoerder voor de voorgestelde (beheers)handeling een machtiging te verlenen, dan wel subsidiair voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, toestemming te verlenen aan de bewindvoerder om samen met haar kinderen en de rechthebbende een Commanditaire Vennootschap (CV) te mogen vormen, waarin de rechthebbende zijn landbouwgronden in zal brengen en als stille vennoot zal plaatsnemen, waarbij telkens rekening zal worden gehouden met de (financiële) belangen van de rechthebbende.

2.2.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 september 2012.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 juni 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

de bewindvoerder, bijgestaan door mr. Van Dijke;

in zijn hoedanigheid van informant: de echtgenoot van de bewindvoerder, de heer [echtgenoot van appellante] (hierna: de heer [informant]).

Ter gelegenheid daarvan is afgesproken dat de bewindvoerder aan het hof een conceptoprichtingsakte van de CV zou overleggen, hetgeen het hof noodzakelijk achtte om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Het hof heeft de zaak pro forma aangehouden tot 22 augustus 2013. Van het verhandelde ter zitting is géén proces-verbaal opgemaakt.

2.4.

Nadien heeft het hof kennisgenomen van:

de conceptoprichtingsakte van de CV met de naam “Landbouwbedrijf [landbouwbedrijf] CV” (hierna: de conceptakte), overgelegd door mr. Van Dijke bij brief d.d. 21 augustus 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beslissing van 23 december 1986 is door de kantonrechter te Middelburg over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende bewind ingesteld en is mevrouw [appellante] (voornoemd) tot bewindvoerder benoemd.

3.2.

Uit de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], de moeder van de bewindvoerder en de rechthebbende, heeft de rechthebbende in 2001 in totaal 13.90.9 ha landbouwgrond verkregen. De landbouwgrond is met toestemming van de kantonrechter in 2001 voor de duur van 24 jaar verpacht aan de bewindvoerder. Als bijzondere voorwaarde is in het pachtcontract opgenomen dat de pachter mag onderverpachten. De landbouwgrond is onderverpacht aan drie neven. Voor de gepachte grond betaalt de bewindvoerder € 7.500,-- per jaar aan de rechthebbende.

Bij beschikking van 18 januari 2006 is door de kantonrechter aan de bewindvoerder toestemming verleend voor aankoop van een stuk bouwland, groot 0.99.20 ha. Voor deze landbouwgrond is namens de rechthebbende een bedrag van € 34.720,-- betaald.

3.4.

Bij verzoek, binnengekomen op 3 mei 2012, ondertekend door de bewindvoerder en de rechthebbende, is verzocht het bewind op te heffen. Bij beschikking van 28 juni 2012 is het verzoek, na de bewindvoerder en de rechthebbende te hebben gehoord, afgewezen.

3.5.

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 16 augustus 2012, heeft de bewindvoerder toestemming verzocht om samen met haar kinderen en de rechthebbende een CV te mogen vormen, waarin de rechthebbende als stille vennoot plaats zal nemen.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder afgewezen.

3.6.

De bewindvoerder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid

3.7.

De bewindvoerder voert in het beroepschrift primair, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De bewindvoerder stelt dat het inbrengen van de landbouwgrond van de rechthebbende in de CV geen daad van beschikking is, althans geen daad van beschikking die niet tevens een beheershandeling is, voor welke handeling de bewindvoerder toestemming van de (kanton)rechter dient te verkrijgen. Om die reden had de kantonrechter de bewindvoerder niet-ontvankelijk moeten verklaren. De bewindvoerder wijst op het bepaalde in artikel 1:441 lid 2 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK). Op grond van onderdeel B.6. dient onder beheershandelingen te worden verstaan: “het conserveren, normaal exploiteren en doelmatig beleggen of herbeleggen van vermogen”. Volgens de bewindvoerder bestaat weinig verschil tussen het doorgaans toegestane ‘gewone’ beleggen als hiervoor bedoeld en het beleggen van het vermogen van de rechthebbende door inbreng van het gebruik en genot van de landbouwgrond in de CV, waarbij de rechthebbende een belang krijgt in de CV.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

De CV heeft tot doel het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een landbouwbedrijf. De CV kent een gebonden vermogen. Dit betekent dat de commandite die juridisch eigenaar van de landbouwgrond in kwestie is en alleen het gebruik en het genot hiervan zal inbrengen, de eigendom nog alleen zal kunnen vervreemden met de last dat het gebruik en genot van de betreffende grond ter beschikking staat van de CV. In zoverre is de commandite dus beschikkingsgebonden. Anders dan mr. Van Dijke in voormelde brief d.d. 21 augustus 2013 aanvoert, blijkt dat ook uit de conceptakte. Immers: na het inbrengen van het gebruik en het genot van de landbouwgrond in de CV, zullen de mogelijkheden van de rechthebbende zeer beperkt zijn om de landbouwgrond aan de CV te onttrekken c.q. om zijn deelname op te zeggen of de CV op te heffen, dan wel te ontbinden. Zo hebben alleen de beherende vennoten het recht de CV door opzegging te beëindigen. Tijdens de looptijd van de CV kunnen de vennoten de grond dan wel het gebruik en het genot daarvan niet onttrekken aan de CV zonder toestemming van iedere vennoot. Voorts loopt de rechthebbende, ingeval van voortzetting van de CV zonder zijn deelname, het risico de landbouwgrond te moeten afstaan aan de voortzettende overnemende vennoot dan wel vennoten. Het hof verwijst in dit verband onder meer naar de inhoud van de artikelen 3, 5, 16, 17 sub 2 en 24 van de conceptakte.

3.8.2.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het inbrengen van het genot en gebruik van de landbouwgrond van de rechthebbende in de CV, een beschikkingshandeling is, die niet tevens kan worden aangemerkt als een gewone daad van beheer. De bewindvoerder dient daarvoor derhalve toestemming te verkrijgen van (in dit geval) het hof.

Inhoudelijke beoordeling

3.9.

De bewindvoerder voert in het beroepschrift subsidiair, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

3.9.1.

Volgens de bewindvoerder heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf gehanteerd en het verzoek van de bewindvoerder daardoor inhoudelijk op een onjuiste wijze beoordeeld. Het criterium is volgens de bewindvoerder dat de belegging doelmatig dient te zijn. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de bewindvoerder tot taak heeft zorg te dragen voor een veilige belegging van het vermogen van de rechthebbende. Het beleggen van vermogen is namelijk nimmer absoluut veilig. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat risico bij het beleggen van vermogen, vermeden dient te worden. Volgens de bewindvoerder is beleggen van vermogen per definitie een aangelegenheid die risico’s met zich brengt.

De rechter heeft ten onrechte geen vergelijking gemaakt met andere vormen van beleggen welke wel zijn toegestaan doch tevens enige risico’s met zich brengen.

3.9.2.

De bewindvoerder stelt dat het inbrengen van de grond in een CV evenwel niet risicovol is. De CV heeft als doel vermogen te exploiteren en is reeds om die reden zeer solvabel. Het risico op verlies is zo goed als uitgesloten, aldus de bewindvoerder. Er zal geen financiering door derden nodig zijn: de CV zal vrijwel alleen uit eigen vermogen bestaan. Een minimum rendement voor de rechthebbende ad € 7.500,- per jaar wordt vooraf vastgesteld en gegarandeerd door de beherende vennoot. Het vermogen dat door de bewindvoerder zal worden ingebracht in de CV is driemaal zo groot als het vermogen dat door de rechthebbende zal worden ingebracht. De waarde van het aandeel in de onderneming van de rechthebbende (de grond) is niet afhankelijk van de prestaties van de onderneming. De rechthebbende blijft juridisch eigenaar.

Voorts kan nog worden overeengekomen dat de bewindvoerder en/of haar familieleden in privé zekerheid stellen voor eventuele verliezen van de rechthebbende en dat de gronden van de rechthebbende aan de hoogste bieder kunnen worden verkocht. Dergelijke bepalingen zijn overigens niet opgenomen in de conceptakte.

3.9.3.

De bewindvoerder stelt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met het zwaarwegende belang van de rechthebbende bij toewijzing van het verzoek. De eigen bijdrage in het kader van de AWBZ bedraagt sinds 1 januari 2013 € 2.000,- per maand, als gevolg van de bijtelling van inkomen uit vermogen. Per 1 januari 2013 is het recht van de rechthebbende op zorgtoeslag komen te vervallen, welke in 2012 € 838,- bedroeg. De rechthebbende is thans voorts over de gronden vermogensrendementheffing verschuldigd in Box 3. Wanneer niets wordt gedaan met het vermogen van de rechthebbende, zal de rechthebbende moeten interen op zijn liquide vermogen van € 101.512,- (in 2014 met € 3.000,-), aldus de bewindvoerder.

Volgens de bewindvoerder heeft de rechtbank onvoldoende bij de doelmatigheid van de voorgenomen belegging stilgestaan. Door inbreng van de landbouwgrond zal deze namelijk niet langer in Box 3, maar in Box 1 worden belast. De rechthebbende zal geen vermogensrendementheffing meer verschuldigd zijn over de grond. Het inkomen waarmee rekening wordt gehouden voor de vaststelling van de eigen bijdrage en de zorgtoeslag, zal tevens aanzienlijk dalen. Een en ander zal in 2014 leiden tot een stijging van het vermogen van de rechthebbende met € 3.500,-, aldus de bewindvoerder. De rechthebbende zal echter nog altijd een jaarlijkse vergoeding van € 7.500,- krijgen. Eventueel kan winst uit de CV worden uitgekeerd, indien dit aantrekkelijk is voor de rechthebbende. Het vermogen van de rechthebbende kan volgens de bewindvoerder maar moeilijk op een ‘normale’ manier worden belegd.

3.9.4.

Tot slot heeft de bewindvoerder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft getwijfeld aan de integriteit van de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft geen persoonlijk belang bij de inbreng van de grond in de CV: de bewindvoerder kan gewoon haar eigen grond verpachten. Zij is voorts al bijna 27 jaar de bewindvoerder van de rechthebbende. De bewindvoerder heeft nimmer aanspraak gemaakt op ‘loon’, nu zij haar taak als een dringende verplichting van moraal en fatsoen beschouwt. Financieel heeft de bewindvoerder haar eigen zaken goed op orde. De bewindvoerder wijst voorts op het feit dat zij jaarlijks rekening en verantwoording dient af te leggen.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Anders dan de rechtbank overweegt het hof dat het feit dat de landbouwgrond thans verpacht is, ook reeds een zekere beperking oplevert voor de rechthebbende om vrijelijk over de landbouwgrond te beschikken. Hoewel, zoals hiervoor reeds overwogen, de inbreng van de landbouwgrond in een CV een verdergaande beperking oplevert van deze mogelijkheden, weegt dit naar het oordeel van het hof niet op tegen het belang van de rechthebbende bij de financiële voordelen die deze handeling met zich zou brengen. De bewindvoerder heeft namelijk voldoende aangetoond dat ‘niets doen’ ertoe zou leiden dat de rechthebbende aanzienlijk zou moeten interen op zijn vermogen om de noodzakelijke kosten van zijn levensonderhoud, waaronder de eigen bijdrage, te kunnen blijven voldoen en dat het inbrengen van de landbouwgrond van de rechthebbende in de CV een doelmatige investering oplevert. Het hof is dan ook in beginsel bereid toestemming te geven voor de door de bewindvoerder verzochte handeling.

3.10.2.

Het hof ziet echter in de door de bewindvoerder overgelegde conceptakte nog enkele bezwaren dan wel risico’s, namelijk:

  • -

    de naam van de commanditaire vennoot (de rechthebbende) mag niet worden gebezigd in de naam van de CV op grond van artikel 20 lid 1 van het Wetboek van Koophandel (WvK). Op grond van artikel 1 van de conceptakte, zal de op te richten CV de naam “Landbouwbedrijf [landbouwbedrijf]” dragen, hetgeen op grond van voormeld artikel niet is toegestaan. De CV dient naar het oordeel van het hof derhalve een andere naam te krijgen;

  • -

    mr. Van Dijke stelt in voormelde brief d.d. 21 augustus 2013 dat de rechthebbende niet deelt in (eventuele) verliezen. Thans is onder artikel 10 sub 3, laatste zin, bepaald dat de rechthebbende (slechts) aansprakelijk is tot het bedrag van zijn inbreng. Het hof wijst erop dat het ook geoorloofd is een contractuele regeling te treffen waardoor de commanditaire vennoot (de rechthebbende) in het geheel niet in de verliezen draagt. De conceptakte dient naar het oordeel van het hof aldus te worden aangepast;

  • -

    op grond van artikel 12 sub 3 van de conceptakte, zal de rechthebbende een ‘aandeel in het bedrijfsresultaat’ ontvangen, als vergoeding voor de inbreng van het gebruik en genot van de landbouwgrond in de CV. Dit artikel dient naar het oordeel van het hof gewijzigd te worden, aldus dat daaruit volgt dat de rechthebbende een gegarandeerde jaarlijkse uitkering van € 7.501,30 ontvangt, ongeacht het bedrijfsresultaat.

3.10.3.

Voorts overweegt het hof het volgende. In artikel 20 lid 2 WvK is bepaald dat een commanditaire vennoot geen daden van beheer mag verrichten of in zaken van de vennootschap werkzaam mag zijn, zelfs niet uit kracht van een volmacht. Op grond van artikel 21 WvK is de commanditaire vennoot die het verbod van artikel 20, lid 2, WvK overtreedt van rechtswege hoofdelijk verbonden wegens alle schulden en verbintenissen van de vennootschap. Gedragingen hebben als ‘werkzaamheden in zaken van de vennootschap’ te gelden, als sprake is van vertegenwoordigingshandelingen die bij derden het vertrouwen kunnen opwekken dat de rechthebbende als commanditaire vennoot aan de bewindvoerder als beherend vennoot gelijk te stellen is.

Het hof stelt voorop dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de integriteit van de bewindvoerder en haar intentie om uitsluitend in het belang van de rechthebbende te handelen. Aangezien de bewindverder evenwel zowel beherend vennoot als bewindvoerder zou zijn, kan het voor derden onduidelijk zijn of zij bepaalde handelingen als beschermingsbewindvoerder, dan wel als beherend vennoot verricht. Dit kan ertoe leiden dat bij derden het vertrouwen wordt opgewekt dat de bewindvoerder (mede) namens de rechthebbende daden van beheer verricht, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de rechthebbende door deze derden hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap. Het hof is van oordeel dat dit risico niet aanvaardbaar is en kan derhalve niet toestaan dat de rechthebbende commanditaire vennoot wordt in een CV waarvan zijn bewindvoerder de beherend vennoot is.

3.11.

Op grond van het vorenstaande verzoekt het hof de bewindvoerder om, binnen drie weken vanaf heden, doch uiterlijk op 31 oktober 2013:

  1. (indien en voor zover zij daartoe bereid is) een nieuwe conceptakte te overleggen, waarin de door het hof voorgestelde wijzigingen als hiervoor genoemd onder 3.10.2, zijn verwerkt;

  2. aan het hof kenbaar te maken of zij bereid is haar ontslag als bewindvoerder te aanvaarden;

  3. indien voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord: het hof te informeren of iemand uit de omgeving van de rechthebbende, niet zijnde een toekomstige vennoot van de CV dan wel een persoon werkzaam in of ten behoeve van de CV, bereid is als opvolgend bewindvoerder te worden benoemd;

Voorts verzoekt het hof aan de bewindvoerder of zij aan het hof kenbaar wil maken of zij, alvorens aan bovenstaande verzoeken te voldoen, hierover met het hof van gedachten wenst te wisselen ter gelegenheid van een mondelinge behandeling op een nader door het hof te bepalen datum en tijdstip, dan wel of het hof de zaak verder – na ontvangst van de aangepaste conceptakte en een reactie op de onder 2 en 3 gestelde vragen – op de stukken kan afdoen.

3.12.

Gelet op het voorgaande zal het hof iedere verdere beslissing pro forma aanhouden tot 31 oktober 2013.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de bewindvoerder te voldoen aan hetgeen hiervoor onder 3.11. is verzocht;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 31 oktober 2013.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, M.C. Bijleveld-van der Slikke en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2013.