Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5853

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
20-000926-11 (OWV)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de productie en levering van mCPP-pillen. Het hof schat het verkregen voordeel op een bedrag van € 37.588,87 en legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 22.588,87.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000926-11 OWV

Uitspraak : 22 november 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van
23 februari 2011 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-984806-05 tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,

thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught,

waarbij het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat werd vastgesteld op het bedrag van € 41.759,76 en aan de veroordeelde de verplichting werd opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel tot datzelfde bedrag.

Hoger beroep

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de hoogte van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op het bedrag van € 178.845,00 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot datzelfde bedrag.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een negatief saldo uitkomt;

  • -

    subsidiair dat de overschrijding van de redelijke termijn en de draagkracht van veroordeelde dienen te leiden tot matiging van een eventueel ontnemingsbedrag.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot de vaststelling van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 311.004,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel tot datzelfde bedrag.

De beoordeling

Veroordeelde is bij onherroepelijk arrest van dit hof van 6 oktober 2009 in de strafzaak onder parketnummer 20-000903-08 tot straf veroordeeld ter zake van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid, van de
Wet op de geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd in de periode van 1 maart 2005 tot en met 30 september 2005.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel – waaronder begrepen besparing van kosten – heeft verkregen door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde dan wel soortgelijke feiten.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

A.1

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op een bedrag van

€ 178.845,00. Aan zijn vordering heeft de advocaat-generaal – zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat veroordeelde een bruto-opbrengst groot € 188.650,00 heeft behaald, op welk bedrag de kosten groot € 9.805,00 in mindering dienen te worden gebracht.

A.2

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat de opbrengst € 45.850,00 bedraagt, terwijl de kosten € 131.894,47 bedragen, zodat het saldo van het wederrechtelijk verkregen voordeel negatief € 86.044,47 bedraagt;

  • -

    subsidiair dat de opbrengst € 50.400,00 bedraagt, terwijl de kosten € 131.894,47 bedragen, zodat het saldo van het wederrechtelijk verkregen voordeel negatief

€ 81.494,47 bedraagt.

Het hof overweegt als volgt.

A.3

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat veroordeelde door middel van het begaan van het bewezen verklaarde feit een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en berekent dat voordeel op de navolgende wijze.

B. De opbrengst

B.1

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij de in de conclusie van repliek van de officier van justitie neergelegde berekening van de opbrengst volgt. Deze berekening houdt in dat, gelet op zich in het dossier bevindende administratieve bescheiden, de bruto-opbrengst over de maanden juni 2005 tot en met september 2005 € 107.800,00 bedraagt, zijnde gemiddeld € 26.950,00 per maand. Extrapolatie van dit gemiddelde over de maanden maart, april en mei 2005 levert een totaal bruto-opbrengst op van:

7

maanden x € 26.950,00 per maand = € 188.650,00.

B.2

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair betoogd dat de door veroordeelde genoten opbrengst € 45.850,00 bedraagt, zijnde het bedrag dat blijkens de administratie aan veroordeelde is betaald. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de door veroordeelde genoten opbrengst € 50.400 bedraagt, zijnde 420.000 pillen maal € 0,12.

Ten aanzien van de berekening in de conclusie van repliek heeft de verdediging aangevoerd dat daarin bedragen zijn betrokken met betrekking tot tabletten die in consignatie zijn gegeven, waarmee derhalve nog geen voordeel behaald was, terwijl niet zeker was dat dit in de toekomst wel behaald zou worden. Voorts is aangevoerd dat het openbaar ministerie ten onrechte de omzet in de maanden maart 2005 tot en mei 2005 heeft berekend aan de hand van de omzet in de maanden juni tot en met september 2005, aangezien in de maanden maart, april en mei 2005 geen succesvolle productie heeft plaatsgevonden.

B.3

Anders dan de verdediging en de advocaat-generaal zal het hof bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel niet uitgaan van de onder veroordeelde in beslag genomen documenten met daarop handgeschreven data, tekst en getallen. Naar het oordeel van het hof zijn uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat deze geschriften als een juiste weergave van de werkelijkheid te gelden hebben.

B.4

Uit voormelde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van veroordeelde van
9 februari 2011, blijkt dat veroordeelde 510.000 pillen die mCPP bevatten (hierna:
mCPP-pillen), heeft geleverd. Daarvan heeft veroordeelde 80.000 mCPP-pillen retour ontvangen, terwijl hij 10.000 mCPP-pillen gratis heeft geleverd. Aldus heeft veroordeelde uit de levering van 420.000 mCPP-pillen wederrechtelijk voordeel kunnen verkrijgen.

De gemiddelde prijs die veroordeelde per mCPP-pil heeft ontvangen, stelt het hof op grond van het voorhanden bewijs op € 0,12. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat een deel van deze pillen niet is betaald, doch zulks is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Het hof stelt aldus vast dat de veroordeelde een opbrengst heeft behaald van:

420.000 mCPP-pillen x € 0,12 per mCPP-pil = € 50.400,00.

C. De kosten

Op het bruto verkregen voordeel zullen de door veroordeelde ten behoeve van de strafbare gedraging gemaakte kosten in mindering worden gebracht.

C.1 Kosten voor de aanschaf van mCPP

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde 100 kilogram mCPP heeft aangeschaft voor een bedrag van € 4.531,22 alsmede € 844,36 aan omzetbelasting, zijnde in totaal € 5375,58. De kosten per kilogram mCPP bedroegen derhalve:

€ 5.375,58 : 100 kilogram = (afgerond) € 53,76.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft veroordeelde 420.000 mCPP-pillen geleverd waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft kunnen verkrijgen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen trekt het hof de conclusie dat een mCPP-pil gemiddeld 30 milligram mCPP bevatte. De hoeveelheid mCPP benodigd voor de productie van 420.000 mCPP-pillen bedroeg derhalve (420.000 mCPP-pillen maal 30 milligram mCPP =) 12,6 kilogram mCPP.

De aanschafkosten voor de mCPP ten behoeve van de 420.000 mCPP-pillen zijn
(12,6 kilogram mCPP x € 53,76 = (afgerond)) € 677,38.

C.2 Invoerkosten

De kosten voor het invoeren van de mCPP bedroegen blijkens de betreffende factuur

€ 84,41.

C.3 Tablettose 80

Voor de verwerking van de 100 kilogram mCPP heeft veroordeelde 600 kilogram
Tablettose 80 aangeschaft voor een bedrag van € 1.799,28 inclusief BTW. De kosten per kilogram Tablettose 80 bedroegen derhalve (€ 1.799,28 : 600 = (afgerond)) € 3,00.

Voor de verwerking van 12,6 kilogram mCPP is benodigd (12,6 x 6 =) 75,6 kilogram Tablettose 80. De kosten van deze hoeveelheid Tablettose 80 bedragen:

75,6 kilogram x € 3,00 per kilogram = € 226,80.

C.4 Overige stoffen

Bij de Sligro zijn door veroordeelde voor de verwerking van 100 kilogram mCPP stoffen aangeschaft voor € 256,39. De kosten van de aanschaf van stoffen voor de verwerking van 12,6 kilogram mCPP bedroegen:

€ 256,39 : 100 kilogram x 12,6 kilogram = € 32,31.

Bij de Makro zijn door veroordeelde voor de verwerking van 100 kilogram mCPP stoffen aangeschaft voor € 175,64. De kosten van de aanschaf van stoffen voor de verwerking van 12,6 kilogram mCPP bedroegen:

€ 175,64 : 100 kilogram x 12,6 kilogram = € 22,13.

Bij de drogisterij zijn door veroordeelde voor de verwerking van 100 kilogram mCPP stoffen aangeschaft voor € 297,85. De kosten van de aanschaf van stoffen voor de verwerking van 12,6 kilogram mCPP bedroegen:

€ 297,85 : 100 kilogram x 12,6 kilogram = € 37,53.

Bij de Chinese winkel is door veroordeelde voor de verwerking van 100 kilogram mCPP cafeïne aangeschaft voor € 100,00. De kosten van de aanschaf van cafeïne voor de verwerking van 12,6 kilogram mCPP bedroegen:

€ 100,00 : 100 kilogram x 12,6 kilogram = € 12,60.

Ten slotte zijn bij [winkel] stoffen aangeschaft voor een bedrag van € 19,80. In het voordeel van veroordeelde zal het hof dit gehele bedrag als kosten aanmerken.

De totale kosten van de stoffen benodigd voor de 420.000 mCPP pillen bedroegen:

€ 32,31 + € 22,13 + € 37,53 + € 12,60 + € 19,80 = € 124,37

C.5 Kosten van de tabletteermachine

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat veroordeelde de tabletteermachine voor € 11.500,00 heeft aangeschaft.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de kosten van de aanschaf van de tabletteermachine in zijn geheel dienen te worden afgetrokken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat hier sprake is van een tabletteermachine die uitsluitend met het doel van de productie van de mCPP-pillen is aangeschaft en die bovendien nergens anders voor is gebruikt dan voor de tablettering waarvoor veroordeelde is veroordeeld, zodat de kosten volledig kunnen worden toegerekend aan het feit waarvoor wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen, temeer nu de machine sindsdien is verbeurd verklaard.

Het hof stelt voorop dat investeringskosten, zoals de kosten van aanschaf van apparatuur, voor aftrek in aanmerking komen in de vorm van afschrijvingskosten indien en voor zover deze kunnen worden toegerekend aan het feit waarvoor wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. In aanmerking genomen dat het bouwjaar van de onderhavige tabletteermachine 1972 was, is het hof van oordeel dat de (economische) levensduur van de tabletteermachine langer was dan de zeven maanden dat de machine gebruikt is. Het hof acht het door [verbalisant 2] in het ontnemingsrapport gekozen uitgangspunt, zijnde een minimale levensduur van drie jaar, redelijk.

Uitgaande van een minimale levensduur van drie jaar bedragen de afschrijvingskosten (afgerond) € 319,44 per maand. Het hof acht aannemelijk dat veroordeelde de 420.000 mCPP-pillen heeft geproduceerd in de periode van maart 2005 tot en met september 2005, zijnde een periode van 7 maanden. Gelet daarop komt voor aftrek als kosten in aanmerking:

7

maanden x € 319,44 per maand = € 2.236,08.

C.6 Huurkosten

Veroordeelde heeft voor de productie van de mCPP-pillen een pand gehuurd aan de [adres] te Heythuysen. Hiervoor heeft hij drie maanden huur à € 1.071,00 inclusief BTW alsmede één maand borg à € 900,00 betaald. De totale huurkosten bedragen derhalve (3 x € 1.071,00 + € 900,00 =) € 4.113,00.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de huur over de maanden juni, juli en augustus 2005 ook als kosten in aftrek dienen te worden gebracht. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het niet betalen van deze termijnen financiële compensatie vormde voor de schade die veroordeelde had geleden als gevolg van het vochtigheidsgehalte in het pand, zodat – nu een en ander in direct verband staat met de productie van de mCPP-pillen – deze kosten in aanmerking komen voor aftrek. Naar het oordeel van het hof is evenwel niet aannemelijk geworden dat veroordeelde deze kosten heeft betaald, hetgeen ook volgt uit hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de huur over de maanden juni, juli en augustus 2005 als kosten in mindering te brengen.

C.7 Koopakte

Voor het opmaken van de koopovereenkomst van het pand heeft veroordeelde € 342,72 inclusief BTW betaald.

C.8 Gas, water en licht

Veroordeelde heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen € 941,00 inclusief BTW betaald aan Essent voor de kosten van gas, water en licht.

C.9 Onroerendezaakbelasting

Veroordeelde heeft voor het pand aan de [adres] te Heythuysen € 66,67 betaald aan onroerendezaakbelasting.

C.10 Kosten van vrachtauto.

De veroordeelde heeft in het kader van de productie en/of levering van mCPP een vrachtauto gehuurd voor € 102,00.

C.11 Huur bij Bo-rent

Veroordeelde heeft ten behoeve van de productie van mCPP in de periode van 13 mei 2005 tot en met 29 juli 2005 bij Bo-rent kabelhaspels, aanhangwagens, aggregaten en een stroomverdeelkast gehuurd voor een totaalbedrag van € 3.276,83.

C.12 Opbouwkosten

Veroordeelde heeft ten behoeve van de bouw van de productieplaats goederen aangeschaft bij Gamma (dossierpagina 955), Praxis (dossierpagina’s 958-959), Boerenbond (dossierpagina’s 957 en 961) en Van Cranenbroek (dossierpagina’s 956 en 960) tot een totaalbedrag van € 619,87.

C.13

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de navolgende kosten in aftrek dienen te worden gebracht:

  • -

    de kosten opgenomen in het overzicht op dossierpagina 873 onder de nummers 2 tot en met 23, 38, 39 en 49 tot en met 53;

  • -

    de kosten opgenomen in de facturen op dossierpagina’s 949 tot en met 951, 953, 954, 963, 964 en 966.

Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat deze kosten direct in verband staan met het strafbare feit en anders niet gemaakt zouden zijn, aangezien het gaat om:

  • -

    kosten ter zake van de inkoop of huur van verschillende grondstoffen en voorwerpen gebruikt bij de (eerste) pogingen van veroordeelde om mCPP-pillen te produceren;

  • -

    kosten ter zake van de huur of het gebruik van de auto die werd gebruikt bij de eerste pogingen om mCPP-pillen te produceren;

  • -

    kantoorkosten gemaakt bij de productie en verkoop van mCPP.

Voorts is subsidiair aangevoerd dat de kosten ter zake van de inkoop of huur van verschillende grondstoffen en voorwerpen gebruikt bij de (eerste) pogingen van veroordeelde om mCPP-pillen te produceren en de kosten ter zake van de huur of het gebruik van de auto die werd gebruikt bij de eerste pogingen om mCPP-pillen te produceren onderzoeks- en ontwikkelingskosten zijn die uitsluitend in het kader van het gepleegde feit zijn gemaakt.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

Bij bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk voordeel kunnen slechts kosten die in directe relatie staan tot het delict voor aftrek in aanmerking komen. Naar het oordeel van het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de gestelde kosten als dergelijke aftrekbare kosten dienen te worden aangemerkt. Immers, het zijn wellicht kosten die volgens de veroordeelde gemaakt zijn in het kader van de productie en handel in mCPP-pillen maar het zijn daarmee nog geen kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

C.14.1

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat veroordeelde ten behoeve van de productie van mCPP-pillen invoer- en opslagkosten heeft gemaakt voor een bedrag van € 481,56, welk bedrag als kosten in aftrek dient te worden gebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.14.2

Blijkens de bij de betreffende factuur, opgenomen op dossierpagina 932, gevoegde stukken ziet deze factuur op de opslag en invoer van een hoeveelheid van de stof 1-(2-[bis(4-fluorophenyl)methoxy]ethyl)-4(3-phenylpropyl)piperazine dihydrochloride.

Het proces-verbaal van [verbalisant 1], opgenomen op dossierpagina 557, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Op 30 september 2005 werd door mij telefonisch contact opgenomen met [betrokkene], werkzaam bij de afdeling Verdovende Middelen van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage. Haar gevraagd wat zij mij kon vertellen over de stof

1-(2-[bis(fluorophenyl)methoxy]ethyl)-4(3-phenylpropyl)piperazine Dihydrochloride.

Zij verklaarde tegenover mij dat bovengenoemde stof bekend is onder de naam GBR 12909 Dihydrochloride en dat deze stof GBR 12909 wordt gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek van de hersenen. De genoemde stof zou hetzelfde gedragseffect vertonen als de stof cocaïne.”

C.14.3

Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel voor [veroordeelde] van [verbalisant 2] houdt op dossierpagina 2283 – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Uit het onderzoek Merry blijkt mij dat [veroordeelde] ook andere werkzame stoffen heeft ingekocht, zoals GBR 12909.

Bij de vervaardiging van en de handel in tabletten met de werkzame stof GBR kan ook sprake zijn van overtreding van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening.

Ik heb weinig aanwijzingen gevonden waaruit mij blijkt dat tabletten met GBR door
[veroordeelde] in grotere hoeveelheden zijn geproduceerd en verkocht. Deze stoffen zijn wel incidenteel aangetroffen in de door het NFI onderzochte (MCPP)tabletten.”

C.14.4

Gelet op het vorenstaande is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat veroordeelde de hoeveelheid van de werkzame stof
1-(2-[bis(4-fluorophenyl)methoxy]ethyl)-4(3-phenylpropyl)piperazine dihydrochloride heeft gebruikt bij de productie van de geleverde mCPP-tabletten, zodat de kosten van invoer en opslag van deze stof geen kosten zijn die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict dat ten grondslag ligt aan de becijfering van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

C.15

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat op het wederrechtelijk voordeel immateriële activa die een meerwaarde hebben opgeleverd voor de onderneming van veroordeelde in mindering dienen te worden gebracht. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    de vooraf verworven kennis van veroordeelde over de tablettenbranche/-productie, meer specifiek de productie van mCPP, alsmede het door hem opgebouwde netwerk investeringen zijn van veroordeelde in het strafbare feit, zonder welke investeringen het voltooide delict niet zou zijn gepleegd;

  • -

    deze investeringen niet zouden zijn verworven of geïnvesteerd als het voltooide feit niet was gepleegd.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

Het hof acht het niet redelijk deze kosten, die door veroordeelde niet daadwerkelijk zijn betaald, in mindering te brengen op de opbrengst uit de levering van mCPP-pillen. Aldus dienen deze kosten, voor zover deze al zouden kunnen worden begroot, voor rekening van veroordeelde te blijven.

C.16

In totaal dient derhalve in mindering op de opbrengst te worden gebracht een bedrag van
€ 677,38 + € 84,41 + € 226,80 + € 124,37 + € 2.236,08 + € 4.113,00 + € 342,72 + € 941,00 + € 66,67 + € 102,00 + € 3.276,83 + € 619,87 = € 12.811,13.

D.

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op grond van het vorenstaande geschat op € 50.400,00 minus € 12.811,13 = € 37.588,87.

De strekking van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is, blijkens de wetsgeschiedenis, te bewerkstelligen dat datgene dat een veroordeelde aan door een strafbaar feit verkregen profijt heeft verworven, weer aan hem wordt ontnomen.

Op te leggen betalingsverplichting

E.1

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het in

artikel 6 EVRM bedoelde recht van veroordeelde op een openbare behandeling van de ontnemingszaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke veroordeelde recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een veroordeelde langer dan redelijk is onder de dreiging van een ontnemingsvordering zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de veroordeelde een handeling is verricht waaruit de veroordeelde heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat tegen hem een vordering tot ontneming aanhangig zal worden gemaakt. In het onderhavige geval stelt het hof vast dat deze termijn moet worden gerekend vanaf 12 februari 2008, de dag waarop de officier van justitie bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 23 februari 2011. Er is derhalve sprake van een tijdsverloop van meer dan 3 jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

De veroordeelde heeft op 4 maart 2011 hoger beroep ingesteld, terwijl de officier van justitie op 2 maart 2011 hoger beroep heeft ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 2 jaar en 8 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een dergelijke overschrijding rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot vermindering van het ontnemingsbedrag.

Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn is het hof van oordeel dat een vermindering van de betalingsverplichting met een bedrag van € 5.000,00 in het onderhavige geval voldoende compensatie biedt.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de veroordeelde en zijn raadsvrouwe op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, alsmede de specifiek voor ontnemingszaken geldende omstandigheden dat de afdoening van de zaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid, en dat de ontnemingszaak zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt.

E.2

Door en namens de veroordeelde is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een eventueel ontnemingsbedrag op basis van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht te matigen, aangezien thans reeds is vast te stellen dat de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde niet toereikend zal zijn. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    het faillissement van verdachte op 8 oktober 2013 is opgeheven wegens een gebrek aan baten;

  • -

    geen overeenkomst met de schuldeisers van veroordeelde is bereikt, waardoor er nog steeds een groot aantal schulden openstaat, terwijl de kosten van de curator daar nu nog bij zijn gekomen;

  • -

    veroordeelde thans de in de strafzaak opgelegde gevangenisstraf uitzit;

  • -

    veroordeelde inmiddels 56 jaar oud is, een slechte gezondheid heeft, zijn gehele leven als eigen baas heeft gewerkt en gezien zijn strafblad hoogstwaarschijnlijk geen baan meer zal kunnen vinden als hij vrijkomt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Veroordeelde is blijkens een zich in het dossier bevindend afschrift van een vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 19 april 2011 in staat van faillissement verklaard. Blijkens de lijst van crediteuren in het faillissement d.d. 13 januari 2012 bedroeg het totaal van de vorderingen, na aftrek van de door de rechtbank opgelegde ontnemingsmaatregel die tweemaal op de lijst voorkomt, € 289.198,96. Het faillissement van verdachte is op
8 oktober 2013 opgeheven wegens een gebrek aan baten. Gelet op de hoge schuldenlast en de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde ziet het hof aanleiding de betalingsverplichting met een bedrag van € 10.000,00 verminderen.

E.3

Het hof is voor het overige, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het openbaar ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.

E.4

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de veroordeelde tot het beloop van

€ 22.588,87 de verplichting opleggen tot betaling aan de staat.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 37.588,87 (zevenendertigduizend vijfhonderdachtentachtig euro en zevenentachtig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 22.588,87 (tweeëntwintigduizend vijfhonderdachtentachtig euro en zevenentachtig cent).

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. G.TH.C. van der Bilt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 22 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.Th.C. van der Bilt en mr. M.F.S. ter Heide zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.