Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5820

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
20-000117-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en “wederspannigheid”. Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.350,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000117-13

Uitspraak : 18 november 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 4 januari 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-054933-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd -

feit 1 “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en

feit 2 “wederspannigheid”,

veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van EUR 500,--, subsidiair 10 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de eerste rechter zal worden vernietigd omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, in tegenstelling tot het hof

en de verdachte, opnieuw rechtdoende, zal worden veroordeeld tot oplegging van een geldboete van EUR 500,--, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Namens verdachte is – kort samengevat en zakelijk weergegeven - betoogd dat:

  • -

    de staandehouding rechtmatig was maar de voortduring daarvan niet;

  • -

    nu verbalisanten gelet op de onrechtmatige voortduring van de staandehouding niet handelden in of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, een belediging jegens hen slechts vervolgd kan worden na klacht en aangifte. Nu zowel de klacht alsook de aangifte ontbreken dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard, subsidiair wordt vrijspraak bepleit nu het strafverzwarende element als bedoeld in artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht niet te bewijzen is;

  • -

    het gebruik van de term “snotjong” door verdachte niet in een beledigende context is gebruikt, terwijl de term feitelijk volgens woordenboek Van Dale niet beledigend is;

  • -

    ontkent wordt dat de term “mafkees” is gebezigd;

  • -

    de uitingen van verdachte moeten worden gezien als te zijn gedaan in het kader van het in artikel 266 lid 2 Sr, bedoelde openbaar belang, te weten het aan de kaak stellen van de voortduring van de onrechtmatige voortduring van de staandehouding;

  • -

    er geen sprake was van een verdenking/redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, dus van geen rechtmatige aanhouding en dus ook niet van verzet daartegen sprake kan zijn geweest;

  • -

    verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld, aangezien niet vast staat dat hij überhaupt wel wist of hij was/werd aangehouden;

  • -

    verbalisanten disproportioneel geweld hebben gebruikt nu er eerst een nekcontrole werd uitgevoerd en vervolgens een bloedwegverwurging is ingezet, waardoor verdachte wellicht wils-ongestuurde bewegingen heeft gemaakt, lijkende op verzet en daardoor niet willens en wetens verzet heeft gepleegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 10 maart 2012 te Eindhoven opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [ambtenaar 1] (brigadier van politie regio Brabant Zuid-Oost), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Snotjong. Wat moet jij nou, snotjong. Mafkees", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2:
hij op of omstreeks 10 maart 2012 te Eindhoven, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) te weten, [ambtenaar 2] en/of [ambtenaar 3] en/of [ambtenaar 1] (allen ambtenaar van politie regio Brabant Zuid-Oost) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den), teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, heeft verzet door te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Namens de verdachte is met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde misdrijf ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Daartoe is aangevoerd dat de rechtmatig aangevangen staandehouding van de verdachte onrechtmatig is geworden doordat zij langer heeft geduurd dan voor het bereiken van het doel ervan noodzakelijk was. De verbalisant [ambtenaar 3] heeft namelijk -nadat verdachte hem desgevraagd zijn naam had opgegeven door hem een op zijn naam gesteld rijbewijs te overhandigen- tegen hem gezegd “dat hij nog even moest blijven staan” (te weten: in afwachting van nadere informatie betreffende het feit waarvan tegen de verdachte verdenking was gerezen).

Als gevolg van de onrechtmatige voortduring van de staandehouding was de politieambtenaar, die door verdachte vervolgens zou zijn beledigd, niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Gelet op het bepaalde bij artikel 269 van het wetboek van strafrecht is vervolging ter zake van de belediging van een zodanige ambtenaar slechts mogelijk op diens klacht. Die klacht ontbreekt evenwel.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het betoog van de verdediging ziet eraan voorbij dat verdachte staande is gehouden door de verbalisant [ambtenaar 3]. De brigadier van politie [ambtenaar 1], die door verdachte zou zijn beledigd, was bij die staandehouding en de voortduring daarvan in het geheel niet betrokken. Niet valt in te zien hoe de namens verdachte gestelde onrechtmatigheid van zijn staandehouding door [ambtenaar 3] afbreuk zou doen aan de rechtmatigheid van [ambtenaar 1]’s uitoefening van zijn bediening. De door de verdediging aangehaalde wetsbepaling mist bijgevolg toepassing, zodat van een beletsel voor de vervolging geen sprake is. Het hof verwerpt dan ook het verweer.

Aangezien ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is dat ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 10 maart 2012 te Eindhoven opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [ambtenaar 1] (brigadier van politie regio Brabant Zuid-Oost), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Snotjong. Wat moet jij nou, snotjong. Mafkees";

2:
hij op 10 maart 2012 te Eindhoven, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren te weten, [ambtenaar 2] en [ambtenaar 3] (allen ambtenaar van politie regio Brabant Zuid-Oost) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekte strafbare feiten, hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast hadden, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot de bewezenverklaring sub 1 is namens de verdachte ten verweer betoogd dat deze het woord “mafkees” niet heeft gebruikt en dat het woord “snotjong” niet in een beledigende context is gebruikt, terwijl de term feitelijk volgens woordenboek Van Dale niet beledigend is.

Het hof stelt op grond van de bovenbedoelde bewijsmiddelen vast, dat verdachte ook het woord “mafkees” heeft gebezigd en overweegt dat de bewezenverklaarde uitlatingen in de omstandigheden van het geval, die zich daardoor kenmerkten dat verdachte -die naar eigen zeggen “behoorlijk dronken” was- boos was omdat hij werd staande gehouden, ontegenzeggelijk de strekking hadden om [ambtenaar 1] in zijn eer en goede naam aan te randen.

Het verwerpt daarom het verweer.

Namens de verdachte is voorts vrijspraak bepleit, omdat het strafverzwarende element, bedoeld in artikel 267, aanhef en onder 2e, van het Wetboek van Strafrecht niet te bewijzen is en omdat de uitingen zijn gedaan om het onrechtmatige handelen van verbalisant [ambtenaar 3] aan de kaak te stellen.

Dienaangaande overweegt het hof, onder verwijzing naar hetgeen het hierboven onder “Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie” heeft overwogen, dat het betoog, reeds omdat de bewezenverklaarde belediging is aangedaan aan een ander dan degene die de gegispte staandehouding had verricht, geen doel kan treffen.

Met betrekking tot de bewezenverklaring sub 2 is namens de verdachte ten verweer betoogd dat niet bewezen kan worden dat de betreffende verbalisanten in de rechtmatige uitoefening hunner bediening waren, omdat er geen er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, dus niet van een rechtmatige aanhouding en er dus ook niet van verzet daartegen sprake kan zijn geweest.

Het hof is van oordeel, dat de raadsman, zoals reeds opgemerkt, er aan voorbij gaat dat indien er al sprake was van een onrechtmatige voortduring van een op zich rechtmatige staandehouding, slechts verbalisant [ambtenaar 3] dit dwangmiddel heeft toegepast en niet de overige verbalisanten. In het proces verbaal van bevindingen door verbalisanten opgemaakt is gerelateerd dat verdachte de brigadier [ambtenaar 1] een snotjong en een mafkees heeft genoemd. Verbalisanten hebben hun waarnemingen duidelijk omschreven en uit die waarnemingen vloeien de feiten en omstandigheden voort die bij verbalisanten hebben geleid en ook hebben kunnen leiden tot een verdenking van overtreding van artikel 266-267 Sr. De daarop volgende aanhouding is dan ook als rechtmatig geweest. Dat ook [ambtenaar 3] daaraan heeft deelgenomen maakt dat niet anders nu naar aanleiding van de uitlatingen van verdachte een geheel nieuwe situatie was ontstaan waarin het de politie vrij stond dwangmiddelen toe te passen.

Het betoog, dat verdachte niet begrepen zou hebben dat hij aangehouden was faalt, omdat politieambtenaar die de nekverwurging heeft toegepast tegelijkertijd verdachte de mededeling heeft gedaan dat hij aangehouden was. Nu die de mededeling dat verdachte was aangehouden wel erg dicht in de buurt van zijn gehoororganen moet zijn gedaan, gelet op de nekverwurging, kan het redelijkerwijze niet anders zijn dan dat hij die heeft gehoord. Verdachte is voortgegaan met zijn verzet. Dat te dien aanzien sprake zou zijn geweest van spastische stuiptrekkingen, althans ongecontroleerde bewegingen van verdachte ten gevolge van een bloedwegverwurging, zoals door de raadsman nog suggererenderwijs en niet nader onderbouwd is opgeworpen, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In het bijzonder heeft het hof daarbij gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten tegen overheidsdienaren in functie zijn gepleegd, een omstandigheid die in een geordende samenleving niet kan worden getolereerd, en heeft het in aanmerking genomen, dat verdachte enkele jaren voordien was veroordeeld wegens het bedreigen van een overheidsdienaar.

Om deze redenen kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57, 63, 180, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.350,00 (duizend driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. H.D. Bergkotte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. P.N.M. de Bruijn, griffier,

en op 18 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.