Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5819

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
K12/0148
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

art. 12 Sv. Bevel tot vervolging van een beveiligingsmedewerker wegens dood door schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Klachtnummer: K12/0148

Beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 juni 2013 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[klaagster],

wonende te Goirle,

hierna te noemen: klaagster,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. W.J.M. van der Putten, advocaat te Goirle,

over de beslissing van de officier van justitie te Breda tot het niet vervolgen van:

[beklaagde],

wonende te Sint Willebrord,

hierna te noemen: beklaagde,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg,

wegens dood door schuld.

De feitelijke gang van zaken.

Op 12 januari 2012 is mondeling door de officier van justitie aan klaagster bericht dat beklaagde niet zal worden vervolgd in verband met dood door schuld, op 2 maart 2011 beweerdelijk jegens haar zoon [zoon] gepleegd.

Hierop is namens klaagster bij schrijven van 23 maart 2012 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 26 maart 2012, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 16 juli 2012 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 11 september 2012 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar advocaat. De behandeling van de zaak is toen aangehouden.

Op 8 januari 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klaagster en haar advocaat. Daarbij zijn in raadkamer beelden van een beveiligingscamera bekeken.

De advocaat-generaal heeft op 8 januari 2013 in raadkamer in afwijking van het schriftelijk verslag geconcludeerd dat de zaak aan de strafrechter zou moeten worden voorgelegd en dat mitsdien beklaagde dient te worden opgeroepen.

Bij tussenbeschikking van 5 februari 2013 heeft het hof het wenselijk geacht beklaagde op te roepen, ingevolge artikel 12e van het Wetboek van Strafvordering, ten einde hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het in het beklag gedane verzoek en de gronden waarop dit berust.

Op 7 mei 2013 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van beklaagde en zijn advocaat.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer geadviseerd het beklag gegrond te verklaren.

De beoordeling.

De zoon van klaagster, [zoon], had op 2 maart 2011 twee blikken bier gestolen op het station van Tilburg. Daarop is hij achtervolgd door een tweetal beveiligers waaronder beklaagde. Beklaagde was op dat moment werkzaam voor [bedrijf]. Beklaagde heeft [zoon] weten aan te houden door zijn arm om diens nek te slaan en hem zodoende naar de grond te bewegen. Beklaagde hield, terwijl beiden op de grond lagen,zijn arm om de nek van [zoon], in afwachting van de komst van de gewaarschuwde politie.

Tijdens de behandeling in raadkamer verklaarde beklaagde dat hij denkt dat hij [zoon] een minuut of vijf op deze wijze heeft vastgehouden, wat wordt ondersteund door getuige [getuige1]. Getuige [getuige1] liep op 2 maart 2011 in de buurt van het station en heeft tegen beklaagde gezegd dat hij even moest controleren of het wel goed ging met degene die hij in een greep had, aangezien diens arm blauw was en hij niet bewoog. De getuige heeft vervolgens gezien dat [zoon] niet reageerde en dat zijn gezicht blauw was en onder het braaksel zat.

Getuige [getuige2], collega van beklaagde, verklaart net als beklaagde dat hij en beklaagde direct hulp hebben ingeschakeld toen zij braaksel en snot op het gezicht van [zoon] zagen. Hij en beklaagde zouden geprobeerd hebben [zoon] te reanimeren.

Verschillende andere getuigen verklaren tevens dat beklaagde [zoon] in een houdgreep tegen de grond gedrukt hield.

Geen van de getuigen verklaart overigens dat [zoon] zich tegen zijn aanhouding verzette.

In het sectierapport van het NFI van 23 mei 2011 is vermeld dat [zoon] is overleden door verstikking, ontstaan ten gevolge van massale aspiratie (maaginhoud in de luchtwegen).

Uit het rapport van het NFI van 28 november 2011 blijkt dat onder normale omstandigheden iemand als gevolg van verslikking of verstikking reageert in de zin van hoesten, sneller ademen en dieper ademen. Wanneer iemand gefixeerd wordt, bijvoorbeeld door een nekklem, kunnen dergelijke reacties worden onderdrukt. Het is volgens dit rapport goed mogelijk dat door de gefixeerde houding de massale verslikking is ontstaan of verergerd, hetgeen uiteindelijk de dood tot gevolg heeft gehad.

Het hof overweegt als volgt:

Allereerst merkt het hof op dat het hier gaat om een uiterst triest voorval met zeer ernstige en emotionele gevolgen. De gevolgen van dit voorval hebben uiteraard een grote impact op het leven van de nabestaanden van [zoon].

Hoewel niet onvermeld mag blijven dat ook beklaagde emotioneel diep is geraakt door het gebeuren en aannemelijk is geworden dat ook hij nog dagelijks last heeft van de gevolgen, acht het hof, gelet op de ernst van het beweerdelijk gepleegde strafbare feit en de zich in het dossier bevindende aanwijzingen, echter termen aanwezig om het beklag gegrond te verklaren en de zaak door het openbaar ministerie aan de strafrechter voor te laten leggen en aldus de vervolging van beklaagde te bevelen ter zake van dood door schuld.

Het hof komt hiertoe mede gelet op het rapport van het NFI waaruit blijkt dat de handelwijze van beklaagde mogelijk oorzaak geweest is van de massale verslikking welke uiteindelijk de dood tot gevolg heeft gehad.

Op grond van het bovenstaande verklaart het hof het beklag gegrond.

De beslissing.

Het hof verklaart het beklag gegrond en beveelt de vervolging van beklaagde terzake van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

Aldus gegeven door

mr. J.W. de Ruijter, voorzitter,

mrs. J.P.F. Rijken en H.D. Bergkotte, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. E. Caspers, griffier,

op 4 juni 2013.

Mr. H.D. Bergkotte is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.