Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5694

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
HV200.132.633 _01D
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht op grond van artikel 20 Brussel II-bis; artikel 1:272 BW; schorsing in de uitoefening van het gezag; niet gebleken van recente feiten die kunnen leiden tot ontzetting van het gezag; vanaf het moment dat de moeder weer beschikbaar was, bestond er geen aanleiding meer voor voortzetting van de voorlopige voogdij.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 272
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/18 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
JPF 2014/40 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 november 2013

Zaaknummer: HV 200.132.633/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/266042 / JE RK 13-1219-2

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats], Groot-Brittannië,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A.J. van der Klaauw,

tegen

Stichting Nidos,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Deze beschikking bevat de motivering van de op 12 november 2013 uitgesproken mondelinge en in een verkorte beschikking neergelegde beslissing van het hof.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 augustus 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2013, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de bekrachtiging van de beschikking van 23 juli 2013 betreffende de voorlopige voogdij over na te noemen minderjarigen af te wijzen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Klaauw;

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer J. van den Tillaar en mevrouw D. Ettema;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw E. Neggers.

2.2.2.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarigen [kind 1.] en [kind 2.] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

[kind 2.] heeft hiervan gebruik gemaakt en hij is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

[kind 1.] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 augustus 2013;

- de brief met bijlage van de raad d.d. 4 september 2013;

- de brief met bijlagen van de stichting d.d. 11 september 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 30 oktober 2013;

- de brief met het procesdossier eerste aanleg van de advocaat van de moeder d.d. 5 november 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder zijn, voor zover thans van belang, geboren:

- [kind 1.] (ook te noemen: [kind 1.]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];

- [kind 2.] (ook te noemen: [kind 2.]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats];

- [kind 3.] (hierna: [kind 3.]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats];

- [kind 4.] (hierna: [kind 4.]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië);

- [kind 4.] (hierna: [kind 4.]), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië).

Er is geen vader met gezag bekend.

3.2.

Bij beschikking van 23 juli 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant de moeder geschorst in de uitoefening van het gezag over voornoemde minderjarigen, de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant belast met de voorlopige voogdij over voornoemde minderjarigen en bepaald dat deze maatregel vervalt na verloop van 12 weken na de dag van de beschikking tenzij voor het einde van deze termijn een verzoek tot ontzetting of ontheffing aanhangig is gemaakt.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank voormelde beschikking van 23 juli 2013 bekrachtigd, Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant vervangen en Stichting Nidos benoemd als instelling die de gezagsmaatregel uitvoert.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte gemeend bevoegd te zijn op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK), nu dit artikel alleen van toepassing is in zeer schrijnende gevallen en daar geen sprake van is. In het verleden waren er nimmer zorgen over de kinderen. Daar komt bij dat de moeder en de kinderen slechts voor vakantie in Nederland verbleven en dat derhalve de gewone verblijfplaats van de kinderen niet in Nederland, maar in [verblijfplaats] ligt.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de beschikking van 23 juli 2013 betreffende de voorlopige voogdij over de kinderen bekrachtigd en geen rekening gehouden met de samenlopende feiten en omstandigheden ten aanzien van de kinderen. Vanuit Nidos wordt de zorg voor de kinderen niet goed geregeld en de huidige situatie waarin de kinderen zich bevinden is niet in hun belang.

Verder heeft de rechtbank de beschikking gebrekkig en onvoldoende gemotiveerd, daar zij enkel is afgegaan op gegevens van de raad waarvan ter zitting is gebleken dat deze veelal onjuist en onvolledig waren. De door de raad aangevoerde feiten zijn veelal van toepassing op de zus van de moeder. De moeder heeft nooit iets te maken gehad met de raad, niet in Nederland en ook niet in Engeland. Ook waren de stellingen van de Stichting Bureau Jeugdzorg niet onderbouwd.

3.6.

De stichting voert ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder is onbetrouwbaar, nu zij steeds weer andere verhalen vertelt. Gelet op de zorgen die er zijn en het gedrag van de kinderen - met name na een bezoekmoment met de moeder - vraagt de stichting zich af of de moeder wel een geschikte moeder is. De kinderen hebben rotte tanden en waren ernstig ondervoed op het moment dat zij bij de tante werden aangetroffen. Verder zijn er op de lichamen van [kind 4.] en [kind 4.] meerdere littekens gevonden die mogelijk duiden op mishandeling.

3.7.

De raad voert ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

Het gezin is wel degelijk bekend bij de raad vanuit 2002. Ook in Engeland is het gezin bekend bij de social services. Voor zover bij de raad bekend is er in Engeland geen kinderbeschermingsmaatregel uitgesproken.

Nadat de moeder weer in beeld was, waren er nog voldoende gronden om de voorlopige voogdij in stand te laten, met name vanwege het gedrag van de moeder, de onverantwoorde manier waarop zij omgaat met de kinderen en de situatie waarin de moeder de kinderen heeft achtergelaten. De raad is van mening dat de moeder de kinderen geen veilige en stabiele opvoedingssituatie kan bieden. Hoofdzaak is dan ook dat het gezag niet bij de moeder terug komt. Als vervolg op de voorlopige voogdij is er door de raad een verzoek ingediend tot ontzetting van de moeder van het ouderlijk gezag. Er moet gekeken worden waar de kinderen op lange termijn op hun plek zijn, ofwel in Nederland, ofwel in Engeland. Hiervoor moet er eerst voldoende informatie beschikbaar zijn en moet duidelijk zijn waar de kinderen in Engeland naartoe zouden gaan.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht

3.8.1.

Het hof overweegt dat de onderhavige zaak een internationaal karakter heeft nu de verblijfplaats van de moeder en de kinderen in Engeland is gelegen. Dit brengt mee dat het hof dient te beoordelen of hem in de onderhavige zaak rechtsmacht toekomt.

3.8.2.

De bevoegdheid om kennis te nemen van de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis). Ingevolge artikel 8 Brussel II-bis zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak aanhangig werd gemaakt. Op grond van het bepaalde in artikel 20 Brussel II-bis vormt in spoedeisende gevallen de verordening geen beletsel voor de gerechten van een lidstaat om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die staat voorziet, zelfs indien krachtens deze verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over een zaak te beslissen.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat er door de situatie waarin de kinderen zijn aangetroffen en het feit dat de moeder niet bereikbaar was, ten tijde van het verzoek van de raad tot schorsing uit het ouderlijk gezag, sprake was van een spoedeisend geval als bedoeld in artikel 20 Brussel II-bis, zodat het hof rechtsmacht toekomt.

Toepasselijk recht

3.8.4.

Vanwege het internationale karakter van de zaak dient het hof voorts vast te stellen welk recht van toepassing is op het verzoek.

3.8.5.

Het hof overweegt dat het onderhavige geschil een kinderbeschermingsmaatregel betreft, waarmee het binnen de materiële werkingssfeer van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (hierna: Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996) valt. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in onderhavige zaak dat de Nederlandse rechter Nederlands recht toepast. Het onderhavige verzoek zal dan ook worden beoordeeld naar Nederlands recht.

Schorsing van het gezag

3.8.6.

Ingevolge artikel 1:272 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op grond van feiten die tot ontzetting als bedoeld in artikel 1:269 lid 1 BW, of tot ontheffing als bedoeld in artikel 1:268 lid 2 BW, kunnen leiden, en indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, de ouders geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een kind schorsen en een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg belasten met de voorlopige voogdij over een kind.

3.8.7.

De moeder heeft haar aanwezigheid in Nederland verklaard door te stellen dat zij voor drie weken vakantie met de kinderen naar Nederland is gekomen.

Naar aanleiding van een verontruste melding omtrent de verblijfsituatie van de kinderen hier ten lande en het feit dat de moeder bij plaatsopneming niet aanwezig was, ontstond de noodzaak om voorlopig in het gezag over de kinderen te voorzien ten einde noodzakelijke maatregelen te treffen. Tot de mondelinge behandeling op 2 augustus 2013, was er naar het oordeel van het hof dan ook voldoende grond om de moeder te schorsen in de uitoefening van het gezag, hetgeen ook niet in geschil is.

Ten tijde van de mondelinge behandeling op 2 augustus 2013, was de moeder teruggekeerd en derhalve weer beschikbaar. Ter beoordeling staat derhalve of er na 2 augustus 2013 - en ook thans nog - aanleiding bestaat de moeder te schorsen in de uitoefening van het gezag over de kinderen en de stichting te belasten met de voorlopige voogdij. Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Op grond van de voorhanden gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het hof niet gebleken van - recente - onbetwiste feiten die kunnen leiden tot ontzetting van het gezag van de moeder over de kinderen op grond van misbruik van het gezag, grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de kinderen of slecht levensgedrag. De door de raad en de stichting aangevoerde gronden om de maatregel ook na 2 augustus 2013 in stand te laten,

zijn deels gebaseerd op vermoedens en deels gebaseerd op feiten die door de moeder met bewijsstukken zijn weerlegd. Tot op heden, ruim drie maanden na de schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag, heeft de raad noch de stichting de geuite vermoedens of de gestelde feiten kunnen concretiseren. Ter zitting is gebleken dat er in Engeland geen kinderbeschermingsmaatregel van kracht is. Niet is gebleken dat er in Engeland sprake was van mishandeling, verwaarlozing of van (andere) problemen. Zo blijkt uit de overgelegde verklaring van huisarts dr. [huisarts] d.d. 19 augustus 2013 dat de kinderen de huisarts regelmatig hebben bezocht voor reguliere controles en dat er geen sprake is van zorgen omtrent de kinderen. Van het vermoeden van de raad en de stichting dat de kinderen al langere tijd in Nederland verbleven, is het hof niet gebleken. Uit de onweersproken verklaring van de Al Raya Islamic School blijkt dat [kind 2.] en [kind 3.] op 20 juni 2013 op school aanwezig waren. Verder blijkt uit deze verklaring dat er bij de school geen zorgen bestaan over deze kinderen in de zin van mishandeling of verwaarlozing en dat het op school goed gaat. Uit de door de moeder overgelegde aanwezigheidsregistratie van de Crest Girls’ Academy blijkt dat ook [kind 1.] in juni 2013 nog op school aanwezig was.

Gelet op het voorgaande is er vanaf 2 augustus 2013 naar het oordeel van het hof geen, althans onvoldoende grond om de moeder nog langer te schorsen in de uitoefening van het gezag, nu het hof niet is gebleken van - recente - feiten die kunnen leiden tot ontzetting van het gezag van de moeder over de kinderen. Hierdoor komt het hof niet toe aan de vraag of ontzetting naar Nederlands recht een voorlopige en bewarende maatregel is als bedoeld in artikel 20 Brussel II-bis.

3.8.8.

Het hof overweegt dat het voorgaande ertoe leidt dat de schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag is opgeheven en dat - nu de moeder thans niet vrijwillig instemt met een al dan niet gesloten uithuisplaatsing - de gronden voor de machtigingen uithuisplaatsing zijn komen te vervallen.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 augustus 2013;

wijst met ingang van 2 augustus 2013 alsnog af het inleidend verzoek van de raad;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is op 12 november 2013 gegeven, en toen ook in het openbaar door de voorzitter uitgesproken, door mrs. P.C.G. Brants, M.C. van Dijkhuizen en A.J.F. Manders in tegenwoordigheid van mr. C. Rooijakkers als griffier en na op schrift te zijn gesteld, eveneens op 12 november 2013, nader ter kennis gebracht van mr. Van der Klaauw, de stichting en de raad