Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5693

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
20-002040-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2705, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee jaren gevangenisstraf voor openlijke geweldpleging en verboden wapenbezit. Verweer niet-ontvankelijkverklaring OM verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002040-11

Uitspraak : 27 november 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-849308-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven op het [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Grave, locatie Oosterhoek.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte – kort gezegd – vrijgesproken van het (mede)plegen van moord dan wel doodslag op [slachtoffer] (feit 1) en het (mede)plegen van poging tot moord dan wel doodslag op één of meer in de woning(en) en/of buiten in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige perso(o)n(en)/omstander(s) (feit 2 primair).

De verdachte is ter zake van openlijke geweldpleging (feit 2 subsidiair) en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis (onbeperkt) hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft tegen het vonnis eveneens hoger beroep ingesteld, doch de officier van justitie heeft dit hoger beroep voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep ingetrokken.

Omvang van het hoger beroep

Nu voor de verdachte geen hoger beroep openstaat tegen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, wordt het hoger beroep begrepen als uitdrukkelijk niet tegen die vrijspraak te zijn gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal bevestigen, met dien verstande dat aftrek van voorarrest wordt toegepast.

Door de raadsman van verdachte is primair niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging bepleit en subsidiair vrijspraak van de feiten 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair en 3.

Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, en nog meer subsidiair – in het geval van een veroordeling – heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – worden vernietigd, in het bijzonder omdat het hof tot een andere bewijsconstructie komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg ter zake van feit 2 primair – ten laste gelegd dat:

2.
hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade een of meer in de woning(en) en/of buiten in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige perso(o)n(en)/omstander(s) van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) een of meerdere kogel(s) al dan niet in de richting van een of meer omstander(s) heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Egbert Kortenaerstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en)/omstander(s), welk geweld bestond uit

- het zich in de Egbert Kortenaerstraat ophouden met (een) voor die perso(o)n(en)/omstander(s) zichtba(a)r(e) (vuur)wapen(s) en/of

- het met een of meer vuurwapen(s) een of meer kogel(s) afvuren al dan niet in de richting van die perso(o)n(en)/omstander(s);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer (buiten) in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige perso(o)n(en)/omstander(s) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde perso(o)n(en)/omstander(s) dreigend een of meer (vuur)wapen(s) voorgehouden en/of een of meerdere kogel(s) afgevuurd al dan niet in de richting van die perso(o)n(en)/omstander(s);

3.
hij op of omstreeks 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch een of meer wapen(s) van categorie II en/of categorie III als bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, en/of munitie van categorie II en/of III als bedoeld in de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging

Door de raadsman van verdachte is primair bepleit dat het openbaar ministerie in de strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, nu door een opeenstapeling van vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering de waarheidsvinding dermate schade is toegebracht dat sprake is van een eenzijdig en zodoende onbetrouwbaar dossier dat dusdanig ‘besmet’ bewijsmateriaal bevat dat weging van dit materiaal onmogelijk is.


Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de bedoelde vormverzuimen, met verwijzing naar het zogenaamde Karman-criterium, dermate ernstig zijn en het juridische systeem zo in de kern raken dat dit het zogenaamde Zwolsman-criterium overstijgt, alsook dat geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

De raadsman heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

I. De politie heeft potentieel ontlastend bewijsmateriaal niet uitgerechercheerd en alternatieve scenario’s niet onderzocht, aangezien:

a. de politie op 8 april 2009 pas om 23.35 uur, 31 minuten na de eerste melding van het schietincident, de plaats delict heeft afgezet en bewaakt, waardoor er tijd genoeg is geweest voor het wegmaken/verplaatsen van sporen, munitie-onderdelen en wapens, alsook voor het wegkomen van hoofdrolspelers en belangrijke ooggetuigen, terwijl de politie die avond al vanaf de vechtpartij bij het buurthuis De Mix omstreeks 21.35 uur op de hoogte was van oplopende spanningen;

b. de dagen na het incident slechts getuigen zijn gehoord uit de kring rondom het slachtoffer [slachtoffer], personen die later allemaal kunnen worden geschaard onder de groep Kruiskamp, en niemand van de groep Kruiskamp is aangehouden ter zake van openlijke geweldpleging of het voorhanden hebben van wapens: hierdoor is het geenszins ondenkbaar dat bij het opsporingsteam al in een vroeg stadium een scenario is ontstaan waarbij de leden van Kruiskamp worden gekwalificeerd als ‘slachtoffers’ en de personen die men schaart onder Oost als ‘verdachten’;

c. het onderzoeksteam slechts gelooft in en bevestiging zoekt van het scenario zoals dat uit het politieverhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 29 oktober 2009 naar voren komt, tijdens welk verhoor conclusies zijn voorgehouden die op basis van het technisch onderzoek niet (zondermeer) kunnen worden getrokken;

d. het scenario van een derde schutter, zoals blijkt uit de politieverklaring van [getuige 1] d.d. 28 mei 2009 en de verklaringen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] bij de rechter-commissaris respectievelijk d.d. 31 mei 2010, 14 oktober 2010 en 15 juni 2010, niet nader is onderzocht.

II. Door de handelwijze van het opsporingsteam heeft de groep Kruiskamp de gelegenheid c.q. de vrijheid gekregen om het dossier naar haar hand te zetten, aangezien:

a. het onderzoeksteam cruciale dossierkennis heeft gedeeld met leden van de groep Kruiskamp, hierin bestaande dat volgens de verklaring van getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris d.d. 8 juni 2010 een politieagent bij het ziekbed van [slachtoffer], voor meerdere oren hoorbaar, heeft gezegd dat [slachtoffer] een 6.35mm in zijn hoofd had;

b. het onderzoeksteam zich heeft laten leiden door ‘lijstjes’ van getuigen opgesteld door buurtvaders;

c. het onderzoeksteam aanwezig is geweest bij en heeft toegezien op samenscholing van de groep Kruiskamp diezelfde nacht bij het ziekenhuis, daags na het incident in het buurthuis De Mix en tijdens de daags daarna gehouden stille tocht, op welke momenten afspraken werden gemaakt hoe te verklaren en waarvan geen enkel proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt:

dát sprake is geweest van het afstemmen en afleggen van (valse) verklaringen door getuigen uit de groep Kruiskamp blijkt uit de verklaringen die door [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 4], [getuige 1], [getuige 10] en [getuige 11] zijn afgelegd bij de rechter-commissaris, alsook uit het schrijven van het hoofd van de CIE [Hoofd CIE] d.d. 21 juli 2010 waarin hij heeft opgemerkt dat meerdere getuigen hebben verklaard dat zij door middel van bedreigingen onder druk zijn gezet om hun verklaring aan te passen dan wel binnen een stramien af te leggen;

d. de verdediging niet dan wel onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zich in het vooronderzoek al te kunnen verdedigen en toegang te kunnen krijgen tot processtukken en informatie over de gang, inhoud en uitkomsten van het opsporingsonderzoek en de verdediging door het langdurige politieonderzoek en de trage samenstelling van het dossier pas begin 2010 in de gelegenheid is gesteld om getuigen te horen bij de rechter-commissaris, na welk tijdsverloop de verdediging bij die verhoren menigmaal is geconfronteerd met het lacunaire geheugen van getuigen (naar het hof begrijpt levert zulks in de ogen van de verdediging een schending op het van het beginsel van equality of arms).

III. Er is sprake van strijd met beginselen van een goede procesorde en van verdedigingsrechten, nu de politie, zonder dat hierover helderheid bestaat bij de andere procespartijen, mogelijk dezelfde bron c.q. getuige dubbel heeft gepresenteerd, in die zin dat het verhaal van getuigen eerst onder de mantel van ‘geheim’ in het dossier wordt gevoegd door hen als informanten te horen, terwijl zij later gewoon ‘op naam’ door opsporingsambtenaren worden gehoord, welke verklaring eveneens aan het dossier wordt toegevoegd (zogenaamde dubbeltellingen), alsook nu de politie actief getuigen heeft uitgenodigd om als CIE-informant te gaan verklaren.

IV. Er is sprake van strijd met beginselen van een goede procesorde en de verbaliseringsplicht van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering, nu een griffier van de rechtbank het raadkamergeheim heeft geschonden door het lekken van informatie naar belanghebbenden in deze omvangrijke en gevoelige zaak en het openbaar ministerie geen proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt van het onderzoek naar de betreffende griffier en niet eenduidig en transparant is geweest in de informatie die zij aangaande deze ‘griffierskwestie’ naar voren heeft gebracht.

Beoordeling van door de verdediging gestelde vormverzuimen

Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, de rechter daaraan bepaalde in dat artikel genoemde consequenties kan verbinden.

Vooropgesteld dient te worden dat de toepassing van art. 359a Sv beperkt is tot vorm-verzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376).

Ad I. De politie heeft potentieel ontlastend bewijsmateriaal niet uitgerechercheerd en alternatieve scenario’s niet onderzocht.

Ad I a.

Op 8 april 2009 omstreeks 21.35 uur begaven politie-eenheden zich naar het buurthuis De Mix, gelegen aan de Kooikersweg in de wijk Kruiskamp te ’s-Hertogenbosch. Van een Marokkaanse buurtvader was de melding ontvangen dat een grote groep Marokkanen zich aldaar ophield en dat er een grimmige sfeer heerste. Na de komst van de politie splitste de groep Marokkanen zich op en vertrok. Volgens de buurtvader was er kort daarvoor een kleine vechtpartij geweest bij het buurthuis tussen Marokkaanse jongeren onderling. Een groep van ongeveer vijftien Marokkanen zou op zoek zijn naar een persoon genaamd [getuige 12], die zich ophield in het buurthuis.

Hierop heeft een politie-eenheid een tijdje bij het buurthuis gepost, waarna zij zag dat enkele jongeren wegreden, de groep wat kleiner werd en alleen de voertuigen met jongeren erin in de omgeving bleven rondrijden. Later is de buurtvader teruggebeld, die meldde dat het nog steeds druk was met Marokkanen. Rond sluitingstijd van het buurthuis, omstreeks 22.30 uur, werd [getuige 12] door de politie vanuit het buurthuis naar huis gebracht om een eventuele confrontatie te voorkomen.
Tussen 23.04 uur en 23.10 uur kwamen diverse telefonische meldingen binnen bij de politie dat er door een grote groep Marokkaanse jongeren zou worden gevochten bij de Oranjemarkt en in de Egbert Kortenaerstraat te ’s-Hertogenbosch. Er zou ook bij zijn geschoten.

De kort na de eerste melding van 23.04 uur ter plaatse gearriveerde politie-eenheden werden in de Egbert Kortenaerstraat door diverse Marokkaanse jongeren gewezen op een gewonde manspersoon, zijnde [slachtoffer]. In afwachting van een ambulance werden de navolgende maatregelen getroffen: eerste hulpverlening aan het slachtoffer, inbeslagname en veiligstellen hulzen, afzetten zogenaamde kleine plaats delict (werd later uitgebreid), in gesprek gaan met omstanders om aan informatie te komen en letten op veiligheid.
De verbalisanten hebben zich bovendien bezig gehouden met het doen van waarnemingen en het noteren van kentekens van ter plekke aanwezige auto’s.

Omstreeks 23.21 uur kwam de ambulance ter plaatse en werd het slachtoffer overgebracht naar het ziekenhuis. Vanaf 23.30 uur werd er gepost op de kruising Egbert Kortenaerstraat en de Aert van Nesstraat.

Omstreeks 23.35 uur werd de plaats delict in de Egbert Kortenaerstraat – naar het hof begrijpt uitgebreider – afgezet en bewaakt, waarna de politie het opsporingsonderzoek heeft voortgezet (Algemeen dossier TGO Putter relaas proces-verbaal pagina 7, overzicht gesprekken schietincident ’s-Hertogenbosch 08-04-2009 dossierpagina’s 1034-1036, de processen-verbaal van bevindingen dossierpagina’s 1037-1043 en de processen-verbaal van bevindingen dossierpagina’s 2523-2546).

Uit het vorenstaande blijkt dat de politie omstreeks 21.35 uur bij het buurthuis De Mix door een buurtvader is geïnformeerd over het feit dat kort daarvoor aldaar een kleine vechtpartij zou hebben plaatsgevonden tussen Marokkaanse jongeren onderling en dat vervolgens een groep van ongeveer 15 Marokkanen bij De Mix op zoek zou zijn naar [getuige 12], die zich ophield in het buurthuis. Deze groep is min of meer opgelost. Toen later bleek dat het nog steeds druk was met Marokkanen heeft de politie besloten om deze [getuige 12] rond sluitingstijd van De Mix, omstreeks 22.30 uur, vanuit het buurthuis naar huis te brengen om verdere escalatie tussen Marokkaanse jongeren te voorkomen.

Het hof is van oordeel dat de politie aldus handelend de-escalerend heeft opgetreden en dat op grond van deze feiten en omstandigheden niet kon worden voorzien dat een en ander zou uitmonden in een veel grootschaliger vechtpartij tussen Marokkaanse jongeren bij de Oranjemarkt en in de Egbert Kortenaerstraat, laat staan dat daarbij zou (kunnen) worden geschoten.

Bij het ter plaatse komen in de Egbert Kortenaerstraat wordt de politie direct geconfronteerd met een gewonde manspersoon. Het hof acht het gerechtvaardigd dat de politie dan prioriteit geeft aan het verlenen van de benodigde eerste hulp aan dit slachtoffer en ervoor zorg te dragen dat hij met een ambulance naar het ziekenhuis wordt gebracht. De ambulance was omstreeks 23.21 uur (12 minuten na de 112-melding dat er geschoten is en dat er iemand op straat ligt) op de Oranjemarkt en in de Egbert Kortenaerstraat, ter plaatse.
De politie heeft reeds in afwachting van de komst van de ambulance opsporingsonderzoek verricht. Omstreeks 23.35 uur heeft de politie de plaats delict/Egbert Kortenaerstraat uitgebreider afgezet en is de politie verder gegaan met het opsporingsonderzoek. Het standpunt van de verdediging dat de politie pas om 23.35 uur de plaats delict heeft afgezet en bewaakt mist derhalve feitelijke grondslag.

Anders dan de verdediging, vermag het hof niet in te zien dat door de hiervoor geschetste handelwijze van de politie sprake is van enig vormverzuim.

Ad I b.

Met de rechtbank stelt het hof voorop dat het in casu gaat om een grootschalig onderzoek naar een drietal geweldsincidenten op 8 april 2009, waaronder het schietincident in de Egbert Kortenaerstraat in de wijk Kruiskamp waarbij een groot aantal personen ter plaatse of in de directe nabijheid is geweest.

Uit het proces-verbaal betreffende ‘onderzoeksbevindingen m.b.t. groepsvorming’ d.d. 9 december 2009 (dossierpagina 445 e.v. eindproces-verbaal) blijkt dat de politie ongeveer 47 Marokkaanse jongeren heeft geïdentificeerd van wie wordt vermoed dat zij zich ten tijde van het fatale schot ophielden in (de directe omgeving van) de Egbert Kortenaerstraat en van wie een groot deel die avond tijdens (een) eerder(e) incident(en) bij het buurthuis De Mix binnen een bepaald groepsverband aanwezig is geweest. Deze jongeren zijn afkomstig uit de wijken Kruiskamp en Zuid-Oost, maar ook uit andere wijken en/of plaatsen buiten ’s-Hertogenbosch. Uit dit proces-verbaal blijkt voorts dat geen indeling van de aanwezigen in twee groepen (Kruiskamp en Zuid-Oost) kan worden gemaakt op basis van geografische woongebieden, onderlinge contacten, eerdere aanwezigheid binnen groepsverband of aanwezigheid binnen groepsverband achteraf.

Blijkens de dossierstukken heeft de politie de voornoemde geïdentificeerde jongeren één of meermalen gehoord. Daarnaast heeft de politie ook andere personen als getuigen gehoord. Dit betreft met name een groot aantal als neutraal te omschrijven omwonenden / buurtbewoners. Naast het horen van getuigen heeft uitgebreid technisch en forensisch onderzoek plaatsgevonden. Als sluitingsdatum van het politieonderzoek is vermeld 30 december 2009 (Algemeen dossier TGO Putter, pagina 3).

Op 25 februari 2010 heeft de eerste regiezitting bij de rechtbank plaatsgevonden in de zaak tegen verdachte, op welke zitting getuigenverzoeken van de verdediging zijn toegewezen en ook overige onderzoekshandelingen zijn bevolen. In de maanden april tot en met oktober 2010 zijn de diverse getuigen door de rechter-commissaris (opnieuw) gehoord.

Uit het vorenstaande blijkt dat de politie diverse Marokkaanse jongeren als getuigen heeft gehoord, niet alleen afkomstig uit de wijken Kruiskamp, Zuid-Oost, maar ook uit andere wijken in ’s Hertogenbosch en plaatsen buiten ’s-Hertogenbosch, en dat deze jongeren, op basis van geografische woongebieden, onderlinge contacten, eerdere aanwezigheid binnen groepsverband of aanwezigheid binnen groepsverband achteraf, niet kunnen worden ingedeeld in een groep Kruiskamp en een groep Zuid-Oost.

Het hof volgt de verdediging dan ook niet in het standpunt dat de politie slechts getuigen heeft gehoord die kunnen worden geschaard onder ‘de groep Kruiskamp’.

Voorts blijkt naar het oordeel van het hof uit het vorenstaande dat de politie een breed opgezet onderzoek heeft verricht, dat gezien de omvang van de zaak (het eindproces-verbaal van de politie telt 6156 pagina’s) relatief snel is afgerond (sluitingsdatum 30 december 2009) en waaruit geenszins kan worden afgeleid dat bij het opsporingsteam al in een vroeg stadium een scenario is ontstaan waarbij de leden van Kruiskamp worden gekwalificeerd als ‘slachtoffers’ en de personen die men schaart onder Oost als ‘verdachten’, zoals de verdediging heeft gesteld.

Hoewel op basis van geografische woongebieden, onderlinge contacten, eerdere aanwezigheid binnen groepsverband of aanwezigheid binnen groepsverband achteraf, niet is komen vast te staan dat een indeling kan worden gemaakt in een groep Kruiskamp en een groep Zuid-Oost, vindt bovendien het standpunt van de verdediging dat de politie niemand van de ‘groep Kruiskamp’ heeft aangehouden ter zake van openlijke geweldpleging of het voorhanden hebben van wapens (ook) zijn weerlegging in het volgende.

[getuige 4] heeft op 23 juni 2009 aangifte gedaan van een strafbaar feit, gepleegd op 8 april 2009 in de Egbert Kortenaerstraat, waarbij hij gewond is geraakt. Op 30 juni 2009 heeft [getuige 4] aanvullend verklaard dat die aangifte zag op een incident waarbij [bijnaam verdachte steekincident]’, woonachtig ‘op de Kruiskamp’, hem heeft gestoken, welke persoon hij op een door de politie getoonde foto heeft herkend als [verdachte steekincident] (dossierpagina’s 3470-3479). Naar aanleiding hiervan is [verdachte steekincident] op 1 juli 2009 aangehouden door de politie en ter zake als verdachte gehoord (dossierpagina’s 346 en 3590-3598, alsook pagina 13 van het persoonsdossier van [verdachte steekincident]).

De verdachte in de onderhavige strafzaak, [verdachte], heeft bij de raadsheer-commissaris op 26 september 2012 verklaard dat hij op 8 april 2009 (naar het hof begrijpt: in de Egbert Kortenaerstraat) hoorde dat [getuige 4](het hof begrijpt: [getuige 4]) riep dat hij was gestoken en dat hij direct naar [getuige 4] toe is gelopen om te kijken of en waar [getuige 4] was gestoken. [getuige 13], een broer van het overleden slachtoffer [slachtoffer], heeft op 16 oktober 2009 bij de politie verklaard dat [verdachte steekincident] een vriend was van [slachtoffer] (dossierpagina 2861).

Gezien het vorenstaande kan [getuige 4] naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een vriend/bekende van verdachte en kan [getuige 4] daarmee in zekere zin worden geschaard onder de ‘groep Zuid-Oost’. [verdachte steekincident] kan worden aangemerkt als een vriend/bekende van het dodelijke slachtoffer [slachtoffer] en daarmee kan [verdachte steekincident] in zekere zin worden gerekend tot de ‘groep Kruiskamp’. De politie heeft dus wel degelijk ook, kort nadat [getuige 4] aangifte heeft gedaan, iemand aangehouden van ‘de groep Kruiskamp’ ter zake van geweldpleging in de avond van 8 april 2009 en in zoverre mist het verweer derhalve feitelijke grondslag.

Ad I c.

[medeverdachte 1] is op 22 april 2009 door de politie aangehouden (pagina 16 van zijn persoonsdossier) en toen voor de eerste maal als verdachte gehoord ter zake van de verdenking van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] (pagina’s 62-68 van zijn persoonsdossier). Vervolgens is hij nogmaals op 22 april 2009 gehoord, alsook tweemaal op 23 april 2009, tweemaal op 28 april 2009, op 29 april 2009, op 13 mei 2009, op 12 juni 2009, tweemaal op 29 oktober 2009 en op 25 november 2009 (pagina’s 71-185 van zijn persoonsdossier). [medeverdachte 1] is derhalve twaalf keren als verdachte door de politie gehoord.

Tijdens zijn eerste verhoor, op 22 april 2009, heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij zich wilde gaan melden, maar dat de politie hem voor is geweest (pagina 63 van zijn persoonsdossier). Tijdens zijn tweede verhoor, eveneens op 22 april 2009, heeft hij aan de politie gevraagd door welke kogel [slachtoffer] dood is gegaan en heeft hij opgemerkt dat iedereen zegt dat hij hem heeft vermoord (pagina 75 van zijn persoonsdossier). Bij aanvang van het elfde verhoor van verdachte, het tweede verhoor op 29 oktober 2009, zegt de politie tegen [medeverdachte 1] dat dit een afsluitend verhoor betreft waarbij het incident van 8 april 2009 nog een keer met hem zal worden doorlopen en de politie steeds kort zal aanhalen wat hij eerder heeft verklaard, alsook dat de politie een aantal zaken aan hem zal voorhouden en dat hij de gelegenheid zal krijgen daarop te reageren (pagina 145 van zijn persoonsdossier). Tijdens dit verhoor houdt de politie verschillende onderzoeksbevindingen aan [medeverdachte 1] voor, waaronder de resultaten van het technisch onderzoek naar de op de plaats delict aangetroffen munitieonderdelen.

Dit betreft een langdurig verhoor van 13.00 uur tot 16.30 uur. Ieder onderdeel van de onderzoeksbevindingen tot dan toe wordt zorgvuldig met verdachte doorgenomen.

Uit de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt voor het hof geenszins dat – zoals de raadsman heeft betoogd – het onderzoeksteam slechts heeft geloofd in en bevestiging heeft gezocht van een (begin)scenario zoals dat uit het politieverhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 29 oktober 2009 naar voren zou komen, doch juist dat [medeverdachte 1] bij de politie direct heeft aangegeven te willen weten wie het dodelijke schot heeft gelost en dat hij pas tijdens het elfde verhoor op 29 oktober 2009, zijnde een langdurig verhoor, op zorgvuldige wijze antwoord krijgt op deze kennelijk voor hem prangende vraag doordat hij dan door de politie wordt geconfronteerd met bepaalde onderzoeksresultaten die lijken te wijzen op een scenario waarbij hij als de schutter van het dodelijke schot is aan te merken. Hetgeen aan het einde van dit verhoor aan [medeverdachte 1] wordt voorgehouden (pagina’s 174 en 175 van zijn persoonsdossier) behelst slechts conclusies van eerder tijdens datzelfde verhoor uitgebreider, en voorzien van de benodigde nuances, voorgehouden onderzoeksbevindingen.

Naar het oordeel van het hof is ook overigens niet gebleken van vooringenomenheid van het onderzoeksteam in die zin dat de politie slechts zou geloven in en bevestiging zou zoeken van een (begin)scenario waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] als schutter van het dodelijke schot naar voren zou komen. Anders dan de verdediging, vermag het hof dan ook niet in te zien dat door de hiervoor geschetste handelwijze van de politie sprake is van eenzijdig of onzorgvuldig politieonderzoek, danwel enig ander vormverzuim.

Ad I d.

Uit het politieonderzoek zou kunnen blijken dat er (in ieder geval) twee schutters zijn geweest, die zich bevonden in de Egbert Kortenaerstraat ter hoogte van de garageboxen gelegen tegenover de woningen met huisnummers 1-3, nabij de t-splitsing met de Pieter Florisstraat.

Op grond van de navolgende, door de verdediging aangehaalde verklaringen, zou er elders in de Egbert Kortenaerstraat sprake zijn geweest van een derde schutter. Het hof overweegt aangaande die verklaringen het volgende.

[getuige 1] heeft op 28 mei 2009 bij de politie verklaard dat hij – staande in de Egbert Kortenaerstraat ter hoogte van huisnummer 14 – een Marokkaanse jongen heeft zien staan ter hoogte van nummer 18 (het hof begrijpt: ook in de Egbert Kortenaerstraat en wel ongeveer halverwege die straat) die een vuurwapen omhoog de lucht in richtte, waarna [getuige 1] meteen is weggelopen (dossierpagina 3121). Deze getuige heeft niet verklaard dat de betreffende persoon daar staande toen ook daadwerkelijk met het wapen heeft geschoten.

[getuige 2], bewoner van het pand Egbert Kortenaerstraat [huisnummer A], is op 31 mei 2010 bij de rechter-commissaris geconfronteerd met zijn verklaring bij de politie d.d. 9 april 2009 dat hij zag dat rechts in de Egbert Kortenaerstraat, op de stoep bij de brandgang, ook een klein groepje stond (dossierpagina 4006). Bij de rechter-commissaris heeft hij op dit punt slechts aanvullend verklaard dat dit een groepje betrof van 3 à 4 personen. Het hof gaat ervan uit dat [getuige 2] met ‘de brandgang rechts in de Egbert Kortenaerstraat’ doelt op de brandgang die is gelegen in het midden van de Egbert Kortenaerstraat, aangezien hij heeft verklaard dat hij vanuit een slaapkamer in zijn woning naar rechts keek. [getuige 2] heeft niet verklaard dat hij iemand in dat groepje met een wapen heeft gezien.

[getuige 3] heeft op 14 oktober 2010 bij de rechter-commissaris zijn verklaring bij de politie op 23 april 2009 (dossierpagina 2958) bevestigd dat hij meerdere knallen uit verschillende richtingen heeft gehoord en hij heeft toen verklaard dat hij niet weet of iemand anders dan ‘[bijnaam medeverdachte 1]’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) [slachtoffer] van voor, achter of van opzij heeft geraakt. Deze getuige heeft niet verklaard dat hij een ander dan ‘[bijnaam medeverdachte 1]’ heeft zien schieten en het hof houdt het niet voor onmogelijk dat hij een weerkaatsing van schietgeluiden heeft gehoord in de Egbert Kortenaerstraat, waardoor het op hem overkwam als schoten komende uit verschillende richtingen.

[getuige 4] heeft op 15 juni 2010 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij twee jongens met een pistool heeft gezien in de Egbert Kortenaerstraat, niet zijnde verdachte of [medeverdachte 1]. Deze getuige heeft niet verklaard dat hij een ander dan verdachte of [medeverdachte 1] heeft zien schieten.

Uit de voornoemde verklaringen blijkt naar het oordeel van het hof, bij nauwkeurige lezing, weliswaar van de mogelijke aanwezigheid van méér wapens dan het tweetal wapens die zijn gehanteerd ter hoogte van de garageboxen en die qua kaliber te koppelen zijn aan de aangetroffen munitieonderdelen, doch niet van één of meer geloste schoten op een andere plaats dan waar die munitie-onderdelen zijn aangetroffen. Het verweer van de raadsman van verdachte dat sprake is van een scenario van een derde schutter, welk scenario niet nader is onderzocht, berust in zoverre op een onjuiste lezing van de aangehaalde verklaringen.

Het hof acht bovendien van belang dat meerdere buurtbewoners hebben verklaard dat sprake is geweest van in totaal drie schoten, welke zijn gelost in de nabijheid van de garageboxen in de Egbert Kortenaerstraat. Daarnaast stelt het hof vast dat er geen enkele getuige is geweest die heeft verklaard iemand te hebben zien schieten die zich bevond in de groep aan de zijde van de Aert van Nesstraat. Ook de personen die in de visie van de verdediging zijn te rekenen tot de groep ‘Oost’ hebben verklaard dat de knallen kwamen vanuit de richting van de Pieter Florisstraat.

Daarbij is voorts van belang dat slechts op die plek in de Egbert Kortenaerstraat munitie-onderdelen zijn aangetroffen. Ook overigens bevat het dossier geen aanknopingspunten voor het door de verdediging geschetste scenario van een derde schutter.

Dat brengt het hof tot het oordeel dat er voor de politie geen aanleiding bestond om nader onderzoek te doen naar een scenario van een mogelijk derde schutter.

Anders dan de verdediging, vermag het hof dan ook niet in te zien dat op dit punt sprake is van eenzijdig en zodoende onzorgvuldig politieonderzoek dan wel van enig ander vormverzuim.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de door de verdediging onder I. weergegeven stelling dat de politie potentieel ontlastend bewijsmateriaal niet heeft uitgerechercheerd en alternatieve scenario’s niet heeft onderzocht, geen steun vindt in het onderzoek ter terechtzitting en derhalve niet slaagt.

Ad II. Door de handelwijze van het opsporingsteam heeft de groep Kruiskamp de gelegenheid c.q. de vrijheid gekregen om het dossier naar haar hand te zetten.

Ad II a.

Het slachtoffer [slachtoffer] is op 9 april 2009 te 18.33 uur in het ziekenhuis overleden (dossierpagina 481). Op 10 april 2009 te 13.00 uur heeft arts-patholoog F.R.W. van de Goot, werkzaam bij het NFI, sectie verricht aan het lichaam van [slachtoffer], waarbij onder meer een schotkanaal door de hersenen werd vastgesteld. Tijdens deze sectie is de kogel teruggevonden in de schedelholte, waarna deze is uitgenomen en veiliggesteld (dossierpagina’s 4317-4319). Deze kogel(punt) is vervolgens door het NFI onderzocht, waarbij blijkens het munitieonderzoeksrapport van 15 juni 2009 is vastgesteld dat deze kogel past bij het kaliber 6.35mm Browning (dossierpagina’s 4356-4358 en 4365-4370).

Nu de kogel pas tijdens de sectie op 10 april 2009 is uitgenomen uit de schedelholte van het overleden slachtoffer en het NFI pas op 15 juni 2009 heeft vastgesteld dat sprake is van een kogel van het kaliber 6.35 mm, acht het hof de verklaring van [getuige 5] bij de rechter-commissaris d.d. 8 juni 2010 ongeloofwaardig voor zover inhoudende dat een politieagent bij het ziekbed van [slachtoffer], en aldus reeds op een moment dat [slachtoffer] in het ziekenhuis op 8 of 9 april 2009 nog in leven was, voor meerdere oren hoorbaar heeft gezegd dat [slachtoffer] een 6.35mm in zijn hoofd had. Het kaliber van de kogel in het hoofd van [slachtoffer] was op dat moment simpelweg nog niet bekend, ook niet bij de leden van het opsporingsteam. Er waren op de plaats delict immers twee hulzen van 6.35mm en een huls van 9mm gevonden. Het hof houdt het er dan ook voor dat geen sprake kan zijn geweest van een opsporingsambtenaar die toen een dergelijke opmerking heeft gemaakt.

Voor het hof is mitsdien niet aannemelijk geworden dat op een dergelijke wijze cruciale dossierkennis is gedeeld met leden van de groep Kruiskamp. Anders dan de verdediging, vermag het hof dan ook niet in te zien dat op dit punt sprake is van enig vormverzuim.

Ad II b.

Met de rechtbank, is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat identificatie van de jongeren, die in de Egbert Kortenaerstraat zijn geweest vóór of ten tijde van het schietincident, deels heeft plaatsgevonden aan de hand van een door buurtvader [getuige 14] op 9 april 2009 aan de politie overhandigde lijst van bij het ziekenhuis waar het slachtoffer [slachtoffer] verbleef alstoen aanwezige jongeren (zie het afzonderlijke proces-verbaal van bevindingen ‘Fotomap en getuigenlijsten’ van 19 april 2010, waarin ook de reden van de tussenkomst van [getuige 14] wordt toegelicht), niet maakt dat sprake is geweest van sturing.

Dit duidt eerder op voortvarend politieonderzoek. Daarnaast heeft de politie niet enkel personen gehoord die op het betreffende ‘getuigenlijstje’ staan. Het betreft een veel breder opgezet onderzoek, waarbij de politie zelf ook lijstjes heeft gemaakt van door hen op 8 april 2009 op de plaats delict waargenomen, ambtshalve bekende personen en kentekens van aldaar gesignaleerde auto’s (processen-verbaal van bevindingen dossierpagina’s 2523-2528 en 2536-2542). Daarnaast zijn, zoals gezegd, ook omwonenden uitgebreid bevraagd en heeft tevens uitgebreid (forensisch-)technisch onderzoek plaatsgevonden.

Het is het hof derhalve niet gebleken dat de politie op dit punt op onaanvaardbare wijze heeft gehandeld. Anders dan de verdediging, vermag het hof dan ook niet in te zien dat op dit punt sprake is van enig vormverzuim.

Ad II c.

Dat mogelijk sprake zou zijn geweest van het afstemmen en daarmee van afleggen van (valse) verklaringen dan wel van wederzijdse beïnvloeding in ‘de groep Kruiskamp’, raakt naar het oordeel van het hof in geen geval de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, doch speelt enkel een rol bij de selectie en waardering van de zich in het dossier bevindende verklaringen. Het verweer behoeft op dit punt naar het oordeel van het hof dan ook in dit verband geen nadere bespreking. In dit licht acht het hof het ontbreken van een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot samenscholingsmomenten evenmin van belang.

Ad II d.

Als sluitingsdatum van het politieonderzoek is opgenomen 30 december 2009 (Algemeen dossier TGO Putter, pagina 3). Na die datum was het eindproces-verbaal beschikbaar.

Aan de hand van het dossier stelt het hof vast dat mr. I.N. Weski, de raadsvrouwe van de verdachte in eerste aanleg, zich op 1 februari 2010 formeel als gekozen raadsvrouwe heeft gesteld (faxbericht van mr. Weski d.d. 1 februari 2010 aan de rechter-commissaris). In dit schrijven deelt zij mede dat zij het proces-verbaal (het hof begrijpt: het eindproces-verbaal van politie) inmiddels heeft ontvangen van de officier van justitie. In dit schrijven heeft de verdediging de rechter-commissaris voorts verzocht om afschriften van de eventueel reeds in de zaken van de medeverdachten bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen. Zij heeft dit verzoek op 13 februari 2010 eveneens gedaan aan de officier van justitie. Op 22 februari 2010 heeft de officier van justitie de verzochte getuigenverhoren aan de verdediging verstrekt.

Op 25 februari 2010 heeft de eerste regiezitting bij de rechtbank plaatsgevonden in de zaak tegen verdachte, op welke zitting getuigenverzoeken van de verdediging zijn toegewezen en ook overige onderzoekshandelingen zijn bevolen. In de maanden april tot en met oktober 2010 zijn de diverse getuigen door de rechter-commissaris (opnieuw) gehoord.

Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat – zoals reeds eerder is overwogen – de politie voortvarend heeft gehandeld door het breed opgezette vooronderzoek in een omvangrijke zaak als de onderhavige binnen 9 maanden (startdatum politieonderzoek 8 april 2009 en einddatum politieonderzoek 30 december 2009) af te ronden. In de zaak tegen verdachte heeft vervolgens op 25 februari 2010 de eerste regiezitting plaatsgevonden, waarna in de daaropvolgende maanden op verzoek van de verdediging diverse getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris. Het hof acht ook dit een voortvarende gang van zaken.

Het is niet aannemelijk geworden dat de verdediging overigens niet dan wel onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zich reeds in het vooronderzoek te kunnen verdedigen en toegang te kunnen krijgen tot processtukken en informatie over de gang, inhoud en uitkomsten van het opsporingsonderzoek, nu de verdediging dit standpunt voorts niet nader heeft onderbouwd en dit ook overigens niet is gebleken.

Anders dan de verdediging, vermag het hof dan ook niet in te zien dat op dit punt sprake is van enig vormverzuim.

Op grond van het vorenstaande is het hof derhalve van oordeel dat niet is gebleken dat door de handelwijze van het opsporingsteam de groep Kruiskamp de gelegenheid c.q. de vrijheid heeft gekregen om het dossier naar haar hand te zetten.

Ad III. Er is sprake van strijd met beginselen van een goede procesorde en van verdedigingsrechten, nu de politie mogelijk dezelfde bron c.q. getuige dubbel heeft gepresenteerd.

Het hof sluit zich in dit kader grotendeels aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent in het vonnis heeft overwogen. In het dossier bevinden zich meerdere processen-verbaal die door een verbalisant van de Criminele Inlichtingeneenheid (CIE) of een verbalisant van de Regionale Inlichtingendienst (RID) op ambtseed zijn opgemaakt. In een aantal van deze processen-verbaal wordt melding gemaakt van informanten die verklaren over de mogelijke dader(s) van het schietincident in de Egbert Kortenaerstraat op 8 april 2009 waarbij [slachtoffer] is overleden (dossierpagina’s 2669-2683 en 2699-2704). In elk van deze processen-verbaal wordt gemeld dat het niet als bewijsmiddel in de strafzaak dient. Voorts blijkt dat in de betreffende processen-verbaal vermelde informatie niet is gebruikt als startinformatie van het onderzoek, maar dat deze informatie in de loop van het onderzoek is binnengekomen en vervolgens aan het dossier is toegevoegd.

Op vragen van de rechtbank heeft [Hoofd CIE], hoofd CIE Regiopolitie Brabant-Noord, bij brief van 21 juli 2010 medegedeeld dat de CIE nimmer zal bevestigen of ontkennen of in een concrete zaak sprake is van dubbeltellingen en dat hij daartoe ook de noodzaak niet aanwezig acht, omdat de processen-verbaal van de CIE niet bestemd zijn om als bewijsmiddel te dienen, zodat ook geen dubbeltelling kan plaatsvinden.

Ook het hof zal de CIE-informatie niet bezigen voor het bewijs, zodat geen sprake kan zijn van dubbeltelling van bewijsmateriaal. Anders dan de verdediging, vermag het hof dan ook niet in te zien dat op dit punt sprake is van enig vormverzuim.

Uit de door de raadsman aangehaalde verklaringen kan volgen dat de CIE actief personen uit de kring van de direct betrokkenen heeft benaderd met het verzoek om als informant op te treden. Zulks levert evenwel geen vormverzuim op.

Het is uit het onderzoek ter terechtzitting overigens niet aannemelijk geworden, zoals de raadsman beweert, dat een anoniem gebleven CIE-informant tevens als getuige door de politie of de rechter-commissaris dan wel de raadsheer-commissaris is gehoord.

Ad IV. Er is sprake van strijd met beginselen van een goede procesorde en de verbaliseringsplicht van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering aangaande de griffierskwestie.

Ook in dit kader schaart het hof zich achter het standpunt van de rechtbank. Naar aanleiding van een zich in het dossier bevindend tapverslag van een telefoongesprek op 6 juli 2009 tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en een NN-vrouw (dossierpagina 4960 e.v.) is de raadkamergriffier/administratief medewerker van de rechtbank over wie het in dit gesprek zou gaan op 28 januari 2011 in het kader van de onderhavige zogenaamde TGO Putterzaak door een rechter-commissaris gehoord. Uit de stukken blijkt dat deze griffier alleen betrokken is geweest bij de behandeling van een bezwaarschrift van medeverdachte [medeverdachte 1] tegen zijn beperkingen op 13 mei 2009 en een bezwaarschrift beperkingen van medeverdachte [medeverdachte 2] op 22 juni 2009.

Vastgesteld moet worden dat – naar overigens door de verdediging niet is weersproken – het gesprek tussen de griffier en de vrouw op het schoolplein ([betrokkene 1]), waaraan wordt gerefereerd in het voornoemde tapgesprek, moet hebben plaatsgevonden na de behandeling van het bezwaar beperkingen van medeverdachte [medeverdachte 2] op 22 juni 2009, wiens beperkingen op 23 juni 2009 zijn opgeheven. De beperkingen van medeverdachte [medeverdachte 1] waren reeds eerder opgeheven, terwijl de laatste beperkingen in de TGO Putterzaak betreffende medeverdachte [medeverdachte 3] op 24 juni 2009 zijn geëindigd. Feitelijk gaat het derhalve om een zeer korte periode waarin van een eventuele beïnvloeding van het onderzoek door een raadkamergriffier – die overigens in het geheel van de behandeling van de strafzaak een beperkte rol heeft – sprake zou kunnen zijn geweest.

Voorts moet worden vastgesteld dat noch uit de taps, noch uit de verhoren bij de rechter-commissaris van 28 januari 2011, is gebleken dat door deze of een andere griffier inhoudelijke informatie over de strafzaak is gedeeld en/of naar buiten is gebracht die van concrete invloed is geweest op de inhoud dan wel het verloop van het onderzoek in de zaak van verdachte en/of zijn medeverdachten of die overigens van belang is geweest voor enige door de rechtbank te nemen beslissing in de zaak TGO Putter. De verdediging heeft daarvan ook geen voorbeeld gegeven. Ook blijkt uit niets dat het feit dat zich onder de vele gehoorde getuigen familieleden van deze griffier (achterneven: de broer van de griffier is slechts gehoord in het kader van het buurtonderzoek) zouden bevinden, van enige invloed is geweest op het omvangrijk te noemen onderzoek in de onderhavige zaak.

Het hof is tenslotte met de rechtbank van oordeel dat hetgeen, blijkens de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de griffier, op het schoolplein is besproken niet van zodanige aard is dat de officier van justitie, door het niet dan wel niet in een eerder stadium (doen) opmaken van een proces-verbaal tegen de griffier, op voor het onderzoek in de onderhavige strafzaak relevante wijze heeft gehandeld in strijd met de verbaliseringsplicht van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering en/of dat (mede) daardoor sprake is van een zodanige inbreuk op beginselen van een behoorlijke strafvervolging dat het openbaar ministerie vanwege schending van het belang dat de gemeenschap heeft bij normhandhaving door berechting, niet-ontvankelijk zou dienen te worden verklaard in de strafvervolging.

Conclusie

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is niet gebleken van enig vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek, zodat het hieraan verbinden van enige consequentie conform het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet aan de orde is.

Ook anderszins is het hof niet gebleken dat de waarheidsvinding dermate schade is toegebracht dat sprake is van een eenzijdig en zodoende onbetrouwbaar dossier dat dusdanig ‘besmet’ bewijsmateriaal bevat dat weging van dit materiaal onmogelijk is.

Evenmin is het hof gebleken van enig handelen van het openbaar ministerie dat een dermate ernstige inbreuk maakt op beginselen van een behoorlijke strafvervolging dat het juridische systeem in de kern is geraakt. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die zouden dienen te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, kan het openbaar ministerie in de strafvervolging worden ontvangen.

Vrijspraak feit 2 primair

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2

subsidiair.
hij op 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch met een ander op of aan de openbare weg, Egbert Kortenaerstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen aldaar aanwezige personen/omstanders, welk geweld bestond uit

- het zich in de Egbert Kortenaerstraat ophouden met voor die personen/omstanders zichtbare vuurwapens en

- het met vuurwapens kogels afvuren al dan niet in de richting van die personen/omstanders;

3.
hij op 08 april 2009 te 's-Hertogenbosch een wapen van categorie III als bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, en munitie van categorie II of III als bedoeld in de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

Algemene bewijsoverweging

Het hof heeft bij de bespreking van het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging reeds uitvoerig overwogen dat de door de verdediging aangevoerde gronden niet leiden tot de vaststelling van enig vormverzuim dan wel van enig handelen van het openbaar ministerie dat een dermate ernstige inbreuk maakt op beginselen van een behoorlijke strafvervolging dat het juridisch systeem in de kern is geraakt, ten gevolge waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou dienen te worden verklaard in de strafvervolging.

Het hof stelt, met de rechtbank, in zijn algemeenheid wel vast dat op grond van de inhoud van de later in het onderzoek afgelegde verklaringen van met name bij het schietincident in de Egbert Kortenaerstraat aanwezige personen, die zich buiten bevonden, niet zonder meer kan worden vastgesteld of zij op dat moment uit eigen wetenschap hebben kunnen verklaren over wat zij hebben waargenomen of ondervonden dan wel dat het kennis betreft die zij van derden hebben gekregen of dat zij onder invloed van anderen een bepaalde verklaring hebben afgelegd.

Het hof neemt aan dat er – al dan niet bewust – beïnvloeding van getuigen heeft plaatsgevonden, alleen al doordat een dergelijk ernstig incident het gesprek van de dag is geweest.

Dit reikt echter niet zo ver dat alle verklaringen als onbetrouwbaar terzijde zouden moeten worden gesteld. Het hof heeft een en ander in ogenschouw genomen bij de selectie en waardering van de tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen en hierbij uiterste zorgvuldigheid betracht.

Bewijsmiddelen met betrekking tot feit 2 subsidiair en feit 3

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit of die bewezen verklaarde feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – verklaard2:

Op 8 april 2009 ben ik omstreeks 23.00 uur te ’s-Hertogenbosch vanuit de Jacob van Wassenaerstraat/Oranjemarkt door een brandgang naar de Egbert Kortenaerstraat gelopen. Ik liep door die brandgang omdat ik hoorde dat er ruzie was. Ik vroeg mij af wat er aan de hand was en wat er ging gebeuren. Ik zag mensen rennen en ik hoorde geschreeuw. Ik heb veel mensen gezien in de brandgang. Mensen uit de wijk Kruiskamp en mensen uit mijn eigen wijk (het hof begrijpt: wijk Zuid-Oost). Er werd ook geschreeuwd in de brandgang. Toen wij de brandgang uitkwamen verspreidde men zich, ook naar de overkant van de straat. Op enig moment is [getuige 4] gestoken. Ik stond toen bij hem in de buurt.

Verdachte heeft bij de raadsheer-commissaris – zakelijk weergegeven – verklaard3:

Ik hoorde op 8 april 2009 (naar het hof begrijpt: in de Egbert Kortenaerstraat) dat iemand riep dat hij was gestoken. Ik herkende die jongen als [getuige 4](het hof begrijpt: [getuige 4]). Ik ben direct naar [getuige 4] toegelopen om te kijken of en waar hij was gestoken.

Getuige [getuige 15] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard4:

Ik woon aan de Egbert Kortenaerstraat [huisnummer B] te ’s-Hertogenbosch. Op 8 april 2009 omstreeks 23.00 uur lag ik in bed en hoorde ik geluid buiten in de brandgang, gelegen aan de zijde van de Jacob van Wassenaerstraat. Ik hoorde steeds meer mensen praten en gillen. Ik hoorde dat het geluid zich verplaatste van de brandgang naar de voorzijde van mijn woning. Ik ben toen uit bed gegaan. Uit het raam aan de voorzijde van mijn woning (het hof begrijpt: op de eerste verdieping) zag ik een hele groep mensen. Ik dacht dat het een groep was van zo’n honderd man. Ik had het gevoel dat het allemaal jongens waren van Marokkaanse komaf.

Ik hoorde dat [de jongens in] de groep agressief naar elkaar waren. Toen zag ik dat er twee groepen ontstonden. Ik bleef uit het raam kijken en hoorde ineens knallen. Ik keek en zag een jongen met iets in zijn handen omhoog staan.

Ik hoorde vrij snel drie knallen achter elkaar.

Getuige [getuige 16] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard5:

Op 8 april 2009 was ik thuis in de woonkamer en hoorde ik kabaal. Ik keek uit het raam. Ik woon aan de Egbert Kortenaerstraat [huisnummer C]. Ik hoorde herrie. Het waren personen in de straat. Ik zag dat er twee groepen met elkaar in conflict waren. Ik liep naar de voordeur en keek naar rechts in de richting van perceel 5 en 7 (het hof begrijpt: in de richting van de Aert van Nesstraat). Ik zag daar een groep staan. Ik zag een andere groep een eind verderop staan. Zij stonden vanaf mij gezien links voor bij de garageboxen (het hof begrijpt: aan de kant van de Pieter Florisstraat).

Ik schat de voor mij rechter groep op een man of twintig. Voor wat betreft de linker groep denk ik in totaal aan veertig. Toen ben ik naar boven gegaan. Ik zag en hoorde dat er nog meer mensen bij kwamen. Ik vond dat er een gespannen sfeer hing. Ik heb via het raam van de slaapkamer gekeken. Ik zag dat men voor de deur bij nummer 7 stond. Ik hoorde mensen naar elkaar schreeuwen en zag ze naar elkaar wijzen. Ik zag dat de groep die voor de garages stond (het hof begrijpt: de linker groep) richting de andere groep was gelopen. Eerder liep de andere groep (het hof begrijpt: de rechter groep) richting de linker groep. De andere groep liep weer terug (het hof begrijpt: achteruit) doordat toen die linker groep kwam. Ik zag duwen en trekken. Ik zag dat het heftiger werd. Ik hoorde dat het volume steeds harder ging.

Dan komt het moment dat er werd geschoten. Het geluid van de schoten kwam vanaf de garagekant. Dat is voor mij vanaf links (het hof begrijpt: uit de richting van de Pieter Florisstraat). Ik hoorde drie schoten. Er werd drie keer achter elkaar geschoten. Het was binnen 40 seconden.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard6:

Ik ga met [bijnaam verdachte] om. Ik ken [bijnaam verdachte] heel goed. [bijnaam verdachte] heet eigenlijk [verdachte].
In Den Bosch noemt iedereen mij ‘[bijnaam medeverdachte 1]’. Ze noemen mij zo omdat ik uit

[plaatsnaam] kom.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard7:

Ik ben in de Egbert Kortenaerstraat gekomen via een paadje tussen die straat en de Jacob van Wassenaerstraat. Ik kwam uit dat paadje ter hoogte van de woning aan de Egbert Kortenaerstraat 24. Ik zag de hele straat vol staan met ik schat 60-80 personen. Heel de Kruiskamp stond er.

Ik heb gezien dat [getuige 4] (het hof begrijpt: [getuige 4]) aan de overkant stond te praten met jongens van de Kruiskamp. Ik ben de straat overgestoken en ben op de stoep gaan staan. Het was een chaos. Ik zag opeens [getuige 4] en hoorde dat hij riep: ‘Ik ben gestoken’. Ik zag toen dat het vest van [getuige 4] was gescheurd en ik zag een beetje bloed net onder zijn linkerschouder. Ik zei toen: ‘Hij is gestoken’.

Ik liep met een wapen in mijn handen.

(…)

Ik hield het wapen met beide handen vast. Ik hield mijn wijsvinger aan de trekker. Het wapen ging af.

Opmerkingen verbalisanten:

Verdachte doet voor hoe hij het wapen vasthield.

Wij zien dat hij zijn armen gestrekt, schuin omhoog voor zich houdt.

Ik hoorde een knal. Op dat moment was de afstand tussen mij en de groep ongeveer 2 meter. Daarna deed ik mijn armen recht vooruit. Ik hield mijn armen horizontaal, gestrekt vooruit. Ik had het wapen met twee handen vast en hield het wapen gericht op de groep. Mijn wijsvinger hield ik aan de trekker. Ik dreigde met het wapen en hield het gericht op de groep die op ongeveer 2 tot 3 meter afstand van mij stond. Toen ging het ding af. Toen het wapen was afgegaan, hoorde ik hetzelfde geluid als de eerste keer.

Ik heb twee keer geschoten. Tussen het eerste en het tweede schot zat maar 10 tot 15 seconden.

Het was een miniwapen, een soort lady gun. Het was ongeveer net zo groot als mijn hand.

Hierna rende iedereen uit de groep, die bestond uit 15 tot 20 personen, voor mij weg. Bij het eerste schot waren er al een paar weggegaan.

Na het tweede schot ben ik weggerend in de richting van de Pieter Florisstraat.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard8:

U vraagt mij precies te vertellen wat er is gebeurd op 8 april (het hof begrijpt: 2009).

De Kruiskampers waren aan het uitdagen.

Ik hoorde [getuige 4] roepen: ‘Ik ben gestoken, ik ben gestoken’. Ik zag dat hij een scheur in de jas en bloed had onder zijn arm.

Ik zag dat [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) achteruit liep richting Pieter Florisstraat. De groep van Oost liep met [getuige 4] terug en weg richting Pieter Florisstraat. Er werd gelopen en stil gestaan door de jongens van Oost. [getuige 4] liet aan anderen zien dat hij was gestoken. Toen [getuige 4] was gestoken, stond [bijnaam verdachte] bij [getuige 4].

Ik kende een kale jongen. [getuige 17] ken ik ook en ik zag dat hij, gezien vanuit mijn richting, aan de linkerzijde van de groep liep.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard9:

[getuige 18], de kale, liep aan de buitenkant van die groep (het hof begrijpt: met de jongens van de Kruiskamp).

Ik draaide mij om en liep weg. Ik hield het wapen met twee handen vast. Mijn vinger zat om de trekker. Op dat moment was iedereen de vijand, ik bedoel van die groep. Ik schat dat die groep uit 15 man bestond.

Ik hield het wapen schuin omhoog, mijn armen gestrekt en mijn vinger aan de trekker. Ik had mijn vinger aan de trekker en deed mijn vinger naar achteren. Ik zag toen een flits, rook en een vlam. Ik voelde de trekker naar achteren gaan toen ik mijn vinger bewoog. Ik loste dat schot.

Ik hield het wapen met gestrekte armen voor mij en dreigde daarmee op de groep. Er zat tussen mij en de groep ongeveer 2 meter.

Toen het wapen afging was het wapen echt op de groep gericht. Na het schot zag ik een vlam en zag ik mensen wegrennen. Ik rende richting de Pieter Florisstraat na het tweede schot.

Ik heb drie schoten gehoord.

Getuige [getuige 18] heeft bij politie – zakelijk weergegeven – verklaard10:

[verdachte] heeft als bijnaam [bijnaam verdachte].[medeverdachte 1] heeft als bijnaam [bijnaam medeverdachte 1] omdat hij uit[plaatsnaam] komt.

Ik ben samen met de groep de Jacob van Wassenaerstraat in gerend. In deze straat ben ik rechtsaf een brandgang in gerend en kwam vervolgens uit in de Egbert Kortenaerstraat. Toen ik in deze straat uitkwam, ben ik rechtsaf in de richting van de Pieter Florisstraat gerend. Ik zag dat er vanuit de Pieter Florisstraat ook een groep aangerend kwam. Ik heb mij vervolgens omgedraaid en zag dat wij waren ingesloten. Ik zag vervolgens dat er een vechtpartij ontstond. Ik ben van de vechtende groep weggelopen in de richting van de Pieter Florisstraat. Ik zag dat hier ook nog een aantal mensen stond en dat ik niet weg kon. Ik zag dat hier [verdachte] en [medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 1], stonden. Ik heb mij vervolgens opgehouden tussen de groep vechtende mensen en degenen die de weg afsloten.

Vervolgens zag ik dat [getuige 6] (het hof begrijpt: [getuige 6]) vanuit de vechtende groep in de richting van [verdachte] en [medeverdachte 1] rende. Ik hoorde dat hij in de richting van de vechtende groep riep: “Ik ga pistool halen, ik ga pistool halen”. Vervolgens keek ik terug in de richting van[verdachte] en [medeverdachte 1]. Ik zag vervolgens het broertje van[verdachte], [medeverdachte 2], uit de eerste brandgang gezien vanuit de Pieter Florisstraat komen. Deze heeft verbinding met de Jacob van Wassenaerstraat. Ik zag dat [medeverdachte 2] een pistool in zijn hand had en deze vervolgens gaf aan[verdachte].

Ik zag dat [verdachte] het pistool in zijn beide handen nam. Ik zag dat hij het pistool doorlaadde. Ik stond toen tussen de 7 en 10 meter van [verdachte] vandaan. Ik keek vervolgens naar [medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 1]. Ik zag dat hij direct naast [verdachte] stond. Ik zag dat [medeverdachte 1] ook een pistool in zijn handen had en hiermee gericht in mijn richting stond. Ik keek vervolgens weer naar[verdachte] en ik zag dat hij ook gericht met zijn pistool stond in mijn richting. Vervolgens hoorde ik dat er geschoten werd. Ik zag dat [verdachte] als eerste schoot. Ik zag dat er een soort vuur of lichtflits van het pistool van [verdachte] afkwam. Toen [verdachte] schoot heeft[medeverdachte 1] vrijwel tegelijkertijd geschoten.

Getuige [getuige 17] heeft bij politie – zakelijk weergegeven – verklaard11:

Gisterenavond 8 april 2009 was ik in ‘s-Hertogenbosch.

Ik reed naar de Oranjemarkt. Toen ik uitstapte hoorde ik dat er hard werd geschreeuwd en ik zag veel jongens rennen. Ik zag dat de tegenpartij achter de groep Kruiskamp aanrende. Er werd gerend door brandgangen en ik rende achteraan. Uiteindelijk kwamen we in de Egbert Kortenaerstraat uit.

Wat ik mij meen te herinneren is dat mijn neefje [getuige 18] (het hof begrijpt: [getuige 18]) een stukje achter mij liep. Twee jonge mannen liepen vlak bij ons. Ik herkende één van deze mannen als [medeverdachte 1], die als bijnaam [bijnaam medeverdachte 1] heeft. Ik herkende de andere jongen als [verdachte], bijgenaamd [bijnaam verdachte]. [verdachte] ken ik al heel lang, dus ik weet zeker dat hij het was.

Terwijl ik in de richting van [medeverdachte 1] en [verdachte] liep, hoorde ik achter mij iemand iets roepen in de trant van: ‘Er is gestoken of hij is gestoken’. Ik hoorde ook een stem roepen: ‘Ga de pistolen pakken’ of iets wat daar op lijkt.

Ik zag dat [medeverdachte 1] en[verdachte] allebei een vuurwapen in hun handen hadden. Ik zag dat [medeverdachte 1] het wapen schuin voor zich hield. Ik zag dat hij in mijn richting en achter mij richtte. Ik hoorde dat hij schoot. Ik hoorde knallen. Ik zag vonken boven de handen van[medeverdachte 1]. Ik denk dat ik op dat moment een meter of 4 van hem vandaan stond.

[verdachte] had ook een vuurwapen bij zich. Ik zag dat [verdachte] in de lucht schoot.

Het wapen van[verdachte] leek groter dan het wapen van [medeverdachte 1]

De jongens draaiden zich om en liepen weg.

Getuige [getuige 19] heeft bij politie – zakelijk weergegeven – verklaard12:

Ik was op 8 april 2009 in Den Bosch. Ik had gehoord dat er wat problemen waren tussen de jongens van de groep Zuid en de jongens uit de Kruiskamp.

De groepen renden de Jacob van Wassenaerstraat in. In die straat zitten drie brandgangen. Het grootste deel van de groepen rent de middelste brandgang in. Ik liep de Jacob van Wassenaerstraat verder af in de richting van de Pieter Florisstraat. Ik liep linksaf de Pieter Florisstraat in en kwam zo bij de Egbert Kortenaerstraat uit. De brandgang waar de jongens ingelopen waren, komt uit in dezelfde straat.

Terwijl ik in de Pieter Florisstraat liep, zag ik een jongen uit de Egbert Kortenaerstraat komen. Dat was voordat de schoten vielen. Ik herkende de jongen als [getuige 6]. Ik liep door en kreeg zicht in de Egbert Kortenaerstraat. Ik bleef stilstaan op de hoek van de Pieter Florisstraat en de Egbert van Kortenaerstraat. Ik zag twee jongens aan het eind van de Egbert Kortenaerstraat lopen. Ik zag dat één van die mannen een vuurwapen overhaalde. Ik zag dat hij het wapen met zijn rechterhand vanaf zijn schouder met gestrekte arm naar boven bracht, schuin naar boven. Ik hoorde één knal. Ik zag een vonk of vlammetje uit zijn wapen komen. Dat was [bijnaam verdachte]. Dat is een bijnaam van die jongen. Hij heet [voornaam verdachte]. Zijn familienaam is volgens mij[achternaam verdachte]. Meteen na het schot van [bijnaam verdachte] hoorde ik nog twee knallen. Ik zag dat de andere van de twee eerder genoemde jongens ook een vuurwapen in zijn hand had. Hij richtte met dat wapen de Egbert Kortenaerstraat in, lager dan [bijnaam verdachte]. Ik hoorde twee knallen, dus die jongen heeft twee keer geschoten volgens mij. Die jongen ken ik als [medeverdachte 1]. Hij komt uit [plaatsnaam]. Hij wordt [bijnaam medeverdachte 1] genoemd. Die jongens draaiden zich om, om de straat uit te lopen. Ik zag toen ook hun gezicht. [bijnaam verdachte] en [medeverdachte 1] liepen de straat uit.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende bevonden13:

Op 9 april 2009 te 00.15 uur werd door ons een forensisch onderzoek ingesteld naar sporen in verband met een feit waarbij geschoten zou zijn in de Egbert Kortenaerstraat te ’s-Hertogenbosch op 8 april 2009 omstreeks 23.05 uur.

De Egbert Kortenaerstraat is gelegen in de woonwijk ‘De Kruiskamp’ tussen de Pieter Florisstraat en de Aert van Nesstraat. Gezien vanuit de Pieter Florisstraat zijn aan de rechterzijde van de Egbert Kortenaerstraat eerst een zevental parkeerplaatsen gelegen. Gezien vanuit de Pieter Florisstraat zijn aan de linkerzijde van de Egbert Kortenaerstraat een vijftal garageboxen gelegen.

Bij aanvang van het onderzoek werd ons medegedeeld dat door collegae op de rijbaan van de Egbert Kortenaerstraat munitieonderdelen werden aangetroffen.

Op de rijbaan aan het begin van de Egbert Kortenaerstraat aan de zijde van de Pieter Florisstraat tussen de garageboxen aan de linkerzijde en de parkeerplaatsen aan de rechterzijde stonden pylonen. Bij iedere pylon lag een munitieonderdeel. De pylonen werden door ons vervangen door een nummerbordje.

Bij bordje nummer 1 lag een huls van het kaliber 6.35mm. Deze huls werd veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AABJ2964NL. Bij bordje nummer 2 lag een huls van het kaliber 9mm. Deze huls werd veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AABJ2965NL. Bij bordje nummer 3 lag een huls van het kaliber 6.35mm. Deze huls werd veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AABJ2966NL.

Deskundige ing. R. Hermsen, werkzaam bij het NFI, heeft – zakelijk weergegeven – bevonden14:

Conclusie

De ontvangen munitieonderdelen zijn afkomstig uit (minstens) twee verschillende vuurwapens. De twee hulzen AABJ2964NL en AABJ2966NL zijn waarschijnlijk verschoten met één en hetzelfde vuurwapen, kaliber 6.35mm Browning. De huls AABJ2965NL is verschoten met een vuurwapen in het kaliber 9mm Parabellum.

De twee hulzen AABJ2964NL en AABJ2966NL zijn verschoten met een semi-automatisch pistool. De huls AABJ2965NL is verschoten met een semi-automatisch pistool.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De verdachte heeft ontkend dat hij het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan. Het hof is van oordeel dat verdachtes ontkenning zijn weerlegging vindt in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaringen van de getuigen [getuige 18], [getuige 17] en [getuige 19]. Op grond van de inhoud van hun verklaringen – voor zover tot het bewijs gebezigd – is het hof van oordeel dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is, nu het tegendeel uit de bewijsmiddelen blijkt.

Het hof heeft bij het oordeel dat de ontkenning van verdachte niet betrouwbaar is tevens betrokken zijn onaannemelijke verklaring bij de raadsheer-commissaris d.d. 26 september 2012 voor zover inhoudende dat het tegen de avond was/dat het donker begon te worden toen hij bij de Oranjemarkt aankwam en dat hij eerder die dag niet had gehoord dat er problemen waren of waren geweest, nu deze onderdelen van zijn verklaring eveneens zijn weerlegging vinden in andere zich in het dossier bevindende verklaringen, in het bijzonder in zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep dat hij pas omstreeks 23.00 uur bij de Oranjemarkt was – op welk tijdstip het toen reeds donker was – en de verklaring van zijn broer [medeverdachte 2] bij de politie dat hij verdachte eerder die avond, nadat [medeverdachte 3] was geslagen, bij het buurthuis de Mix heeft gezien (dossierpagina 1522).

De raadsman van verdachte heeft subsidiair vrijspraak bepleit van het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft hiertoe – kort en zakelijk weergeven – aangevoerd dat:

  • -

    de rechtbank ten onrechte bij de beslissing om te komen tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft betrokken dat het schietincident in de Egbert Kortenaerstraat in directe relatie heeft gestaan tot de daaraan voorafgegane incidenten bij het buurthuis De Mix en/of de Oranjemarkt en de aanwezigheid aldaar van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1];

  • -

    de rechtbank discutabele/ongeloofwaardige getuigenverklaringen tot het bewijs heeft gebezigd, te weten de verklaring van [getuige 20] bij de rechter-commissaris d.d. 11 februari 2010 en zijn verklaring bij de politie d.d. 10 april 2009, alsmede de verklaring van [getuige 19] (“[bijnaam getuige 19]”) bij de politie d.d. 10 april 2009 en de verklaring van [getuige 5] bij de politie d.d. 13 april 2009.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld zij dat het hof – anders dan de rechtbank – bij zijn beslissing om te komen tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging niet heeft betrokken dat het schietincident in de Egbert Kortenaerstraat in directe relatie zou hebben gestaan tot de daaraan voorafgegane incidenten bij het buurthuis De Mix en/of de Oranjemarkt en de aanwezigheid aldaar van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. Het verweer van de raadsman behoeft in zoverre dan ook geen bespreking.

Nu het hof – anders dan de rechtbank – de voornoemde verklaringen van [getuige 20] en [getuige 5] niet voor het bewijs heeft gebruikt, behoeft het verweer van de raadsman van verdachte in zoverre evenmin bespreking.

[getuige 6] heeft bij de rechter-commissaris op 3 mei 2010 verklaard dat hij [getuige 19] is tegen gekomen op het moment dat hij bij de Pieter Florisstraat de hoek om was gelopen (het hof begrijpt: vanuit de Egbert Kortenaerstraat), dat zij enkele woorden hebben uitgewisseld en dat hij vervolgens achter elkaar 2 à 3 knallen heeft gehoord. Volgens [getuige 6] zat tussen dit gesprekje van hem met [getuige 19] en de knallen ongeveer 5 seconden.

Zoals hiervoor in de bewijsmiddelen is opgenomen, heeft [getuige 19] bij de politie verklaard dat hij – terwijl hij in de Pieter Florisstraat liep en voordat hij de schoten hoorde – [getuige 6] uit de Egbert Kortenaerstraat zag komen. In zoverre komen de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 19] derhalve overeen. [getuige 19] heeft verklaard dat hij vervolgens is doorgelopen tot de hoek van de Pieter Florisstraat en de Egbert van Kortenaerstraat en dat hij zicht kreeg in de Egbert Kortenaerstraat, waarna hij in totaal drie knallen hoorde. Naar het oordeel van het hof zijn deze beide verklaringen verenigbaar met elkaar en is de conclusie van [getuige 6] dat [getuige 19] niet gezien kan hebben wat er is gebeurd in de Egbert Kortenaerstraat onjuist. In de ongeveer 5 seconden tussen het moment dat [getuige 6] en [getuige 19] elkaar tegenkwamen en een gesprekje hadden, en het moment dat de schoten vielen, kan [getuige 19] de hoek van de straat bereikt hebben en hebben waargenomen wat hij heeft verklaard.

De verklaring van [getuige 6] bij de politie d.d. 29 juni 2009 (dossierpagina 2836) dat [getuige 19] de schoten nooit gezien kan hebben omdat hij bij hem om de hoek stond (het hof begrijpt: in de Pieter Florisstraat) doet hieraan niet af, nu het hof zijn verklaring bij de rechter-commissaris van 3 mei 2010 ziet als een aanvulling op en nuancering van zijn politieverklaring.

In hetgeen door de raadsman is aangevoerd ziet het hof derhalve geen reden om te twijfelen aan de juistheid dan wel betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaring van [getuige 19] (“[bijnaam getuige 19]”) bij de politie d.d. 10 april 2009.

Het hof overweegt voorts dat ook de verklaring van [getuige 7] bij de rechter-commissaris d.d. 6 mei 2010, voor zover inhoudende dat [getuige 19] niet in de Egbert Kortenaerstraat is geweest en dat [getuige 19] tegen hem heeft gezegd dat hij niets heeft meegekregen van wat er in die straat is gebeurd, hieraan niet afdoet. Het hof gaat ervan uit dat [getuige 19] inderdaad niet in de Egbert Kortenaerstraat is geweest en dat [getuige 19] met zijn opmerking tegen [getuige 7], dat hij niets heeft meegekregen van wat er in die straat is gebeurd, betrekking moet hebben gehad op hetgeen voorafgaand aan het schietincident, waarover [getuige 19] juist heel gedetailleerd heeft verklaard, heeft plaatsgevonden.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat, zoals [getuige 7] heeft verklaard, [getuige 19] niet alleen een goede vriend was van het slachtoffer [slachtoffer], maar ook een goede vriend was van [getuige 21], een neef van verdachte. Daarmee kan [getuige 19] niet zonder meer in één van de door de verdediging aangeduide kampen worden ingedeeld, hetgeen zijn betrouwbaarheid vergroot.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen.

Daarnaast overweegt het hof dat het hof in de inhoud van de overige zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid dan wel de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 18], [getuige 17] en [getuige 19], nu deze drie getuigen gedetailleerd hebben verklaard omtrent hetgeen zij hebben waargenomen en hun verklaringen – voor zover voor het bewijs gebruikt – met elkaar, alsook met de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, overeenkomen en bevestiging in elkaar vinden.

Vuurwapens feit 2 subsidiair en vuurwapen en munitie feit 3

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat er in totaal drie schoten zijn gelost, waarvan het eerste schot door verdachte en het tweede en derde schot door medeverdachte [medeverdachte 1]. Op de plaats delict is één huls aangetroffen van het kaliber 9mm en zijn twee hulzen aangetroffen van het kaliber 6.35mm, welke hulzen allen zijn verschoten met een semi-automatisch pistool. Het hof houdt het er voor dat de verdachte mitsdien diegene is geweest die met een vuurwapen één kogel heeft afgevuurd van het kaliber 9mm. Dit stemt ook overeen met de verklaring van [getuige 17] dat het wapen van [verdachte] groter leek dan het wapen van [medeverdachte 1] en de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij heeft geschoten met een klein wapen, ongeveer zo groot als zijn hand.

Voor het hof is hiermee komen vast te staan dat sprake is geweest van een tweetal vuurwapens als bedoeld in artikel 2, eerste lid aanhef en onder categorie III sub 1°, van de Wet wapens en munitie, zijnde pistolen die niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6° van de Wet wapens en munitie, nu de beide vuurwapens niet geschikt waren om (geheel) automatisch te vuren (categorie II sub 2°), niet zodanig waren vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was dan wel dat de aanvalskracht werd verhoogd (categorie II sub 3°) en – gelet op de hulzen die zijn aangetroffen op de plaats delict – evenmin bestemd waren voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof (categorie II sub 6°). Gelet op de bezigde bewijsmiddelen stelt het hof voorts vast dat sprake is van munitie van categorie II of III in de zin van de Wet wapens en munitie.

Derhalve is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van het door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zichtbaar ophouden van vuurwapens en het afvuren van kogels met die vuurwapens, zoals is bewezen verklaard onder 2 subsidiair, en het door verdachte voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie II of III als bedoeld in de Wet wapens en munitie, zoals is bewezen verklaard onder 3.

Openlijke geweldpleging (feit 2 subsidiair)

Ten aanzien van het bewezen verklaarde onder 2 subsidiair overweegt het hof in het bijzonder nog het volgende. Dat de verdachte en [medeverdachte 1] zich in de Egbert Kortenaerstraat hebben opgehouden met voor personen/omstanders zichtbare vuurwapens (1e gedachtestreepje bewezenverklaring), ziet naar het oordeel van het hof op de situatie kort voordat zij daadwerkelijk met deze vuurwapens kogels hebben afgevuurd, al dan niet in de richting van die personen/omstanders (2e gedachtestreepje bewezenverklaring).

Nu het zich ophouden met voor personen/omstanders zichtbare vuurwapens gepaard ging met het nagenoeg ogenblikkelijk daarna daadwerkelijk schieten met deze vuurwapens, is het hof van oordeel dat ook het zich ophouden met voor personen/omstanders zichtbare vuurwapens kan worden aangemerkt als het plegen van geweld is in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, zijnde het plegen van geweld een handeling waarin ‘opzet’ besloten ligt en van dien aard dat de openbare orde erdoor wordt verstoord.

Het hof is voorts van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte opzet heeft gehad op het in vereniging met [medeverdachte 1] plegen van het bewezen verklaarde geweld en dat hij daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het hof stelt deze betrokkenheid op elkaar en verdachtes voldoende significante en wezenlijke bijdrage vast aan de hand van de volgende omstandigheden:

  • -

    verdachte en [medeverdachte 1] hebben allebei acht geslagen op het gestoken zijn van [getuige 4] in de Egbert Kortenaerstraat, waarna zowel [getuige 4] als [medeverdachte 1] heeft geroepen dat [getuige 4] was gestoken;

  • -

    [getuige 17] heeft gehoord dat toen is geroepen: ‘Ga de pistolen pakken’ of iets wat daar op lijkt en [getuige 6]heeft, nadat [getuige 4] was gestoken, geroepen: “Ik ga pistool halen”.

Verdachte en [medeverdachte 1] stonden, aldus de verklaring van [getuige 18], vervolgens direct naast elkaar. Beiden hebben – zo direct naast elkaar – met ieder een pistool in de handen gericht naar voren dan wel naar boven gestaan. Daarna heeft eerst verdachte één kogel afgevuurd en direct daarna heeft [medeverdachte 1] twee kogels afgevuurd. Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en verdachte zich omgedraaid en zijn zij gezamenlijk weggelopen.

Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat beiden – zo naast elkaar staand met gerichte pistolen – van elkaars aanwezigheid en handelen bewust zijn geweest en dat zij vervolgens in vereniging met elkaar hebben gehandeld door nagenoeg gelijktijdig de wapens te hanteren en kogels af te vuren in de richting en in de nabijheid van de groep personen.

Zij waren derhalve van elkaars gezamenlijke geweldpleging op de hoogte en hebben dus beseft dat zij hun krachten gebundeld hadden. Het hof is mitsdien van oordeel dat zij samen zijn opgetrokken in het plegen van geweld. Het een en ander levert openlijke geweldpleging tegen die personen op.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman van verdachte is meer subsidiair – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat bij verdachte sprake is geweest van noodweer door het lossen van een waarschuwingsschot omdat hij – zo verstaat het hof het verweer – zich bedreigd voelde door de agressie van de andere groep en nadat zijn goede vriend [getuige 4] onverhoeds was gestoken, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Voor de beantwoording van de vraag of van de zijde van verdachte sprake is geweest van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, moet het volgende in aanmerking worden genomen.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het door verdachte afvuren van een kogel met een vuurwapen geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Die avond waren er twee groepen in de Egbert Kortenaerstraat aanwezig die dreigend tegenover elkaar stonden. Op enig moment liep de ene groep richting de andere groep waarin zich verdachte bevond. Er werd naar elkaar geschreeuwd. Uit de verklaring van de ooggetuige [getuige 16], een bewoner van de Egbert Kortenaerstraat die niet tot één van beide groepen behoort, volgt echter dat voorafgaand aan het schieten de groep waartoe verdachte behoorde juist richting de andere groep liep, die weer terug liep toen de groep van verdachte op hen afkwam.

Naar het oordeel van het hof duidt zulks er op dat verdachte niet uit noodweer heeft gehandeld doch dat veeleer sprake is geweest van een door verdachte en zijn groep ingezette tegenaanval.

Bovendien heeft verdachte pas enige tijd na het steken van [getuige 4] een schot gelost. Er is namelijk eerst om wapens geroepen, hetgeen eveneens duidt op een tegenaanval en niet op een noodzakelijke verdedigingshandeling.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder gelet op de volgende omstandigheden:

  • -

    verdachte heeft zich in een woonwijk tijdens de voor de nachtrust bestemde uren schuldig gemaakt aan een ernstig gewelddadige openlijke geweldpleging door tezamen en in vereniging met een ander zichtbaar voor personen/omstanders vuurwapens op te houden en daarmee vervolgens kogels af te vuren, waardoor de openbare orde ernstig is verstoord;

  • -

    het bewezen verklaarde heeft enorme maatschappelijke onrust tot gevolg gehad en kennelijk – gehoord de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep – heeft het gebeurde nog steeds een enorme impact op de bewoners van met name de Bossche wijk Kruiskamp.

  • -

    de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende, acht het hof – met de rechtbank en de advocaat-generaal – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die in voorarrest en in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering of om overlevering is doorgebracht.

Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is door het hof ter terechtzitting van 20 december 2012 voor onbepaalde tijd geschorst. Gelet op de hiervoor genoemde veroordeling tot een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, zal het verzoek van de verdediging tot opheffing van de (geschorste) voorlopige hechtenis worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst het verzoek tot opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis af.

Aldus gewezen door

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en R.R. Everaars-Katerberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 27 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. K. van der Meijde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voor zover hierna niet anders vermeld, zijn de bewijsmiddelen afkomstig uit het dossier van de politie Brabant-Noord, onderzoek TGO Putter, OPS-dossiernummer 29-014737, dossierpagina’s 1-6156.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 30 oktober 2013.

3 Proces-verbaal van het verhoor van verdachte bij de raadsheer-commissaris d.d. 26 september 2012.

4 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 15] d.d. 9 april 2009, op ambtseed/belofte opgemaakt en ondertekend door hoofdagent [verbalisant 3] en brigadier [verbalisant 4], dossierpagina’s 4036-4039.

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 16] d.d. 5 augustus 2009, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door hoofdagent [verbalisant 5] en brigadier [verbalisant 6], dossierpagina’s 3673-3679.

6 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 22 april 2009 te 11.49 uur, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door brigadier [verbalisant 7] en hoofdagent [verbalisant 8], opgenomen in zijn persoonsdossier, opgemaakt door de politie Brabant-Noord, TGO Putter, pagina’s 62-68.

7 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 23 april 2009 te 12.29 uur, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door brigadier [verbalisant 7] en hoofdagent [verbalisant 8], dossierpagina’s 3488-3493.

8 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 28 april 2009 te 10.13 uur, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door brigadier [verbalisant 7] en hoofdagent [verbalisant 8], dossierpagina’s 3500-3506.

9 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 28 april 2009 te 16.30 uur, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door brigadier [verbalisant 7] en hoofdagent [verbalisant 8], dossierpagina’s 3510-3515.

10 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 18] d.d. 9 april 2009, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door hoofdagenten [verbalisant 9] en [verbalisant 10], dossierpagina’s 3047-3055.

11 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 17] d.d. 9 april 2009, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door hoofdagent [verbalisant 11] en brigadier [verbalisant 12], dossierpagina’s 3093-3100.

12 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 19] d.d. 10 april 2009, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door hoofdagent [verbalisant 11] en brigadier [verbalisant 12], dossierpagina’s 2864-2870.

13 Proces-verbaal van sporenonderzoek plaats delict d.d. 25 september 2009, op ambtsbelofte resp. ambtseed opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 1], brigadier, en [verbalisant 2], inspecteur, dossierpagina’s 4283-4288.

14 Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in ’s-Hertogenbosch op 8 april 2009 d.d. 15 juni 2009, opgemaakt en ondertekend door ing. R. Hermsen, dossierpagina’s 4365-4370.