Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5669

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
HV200.130.752_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellabele tussenbeschikking;

Begeleide omgangscontacten bepaald ten einde te bezien of en zo ja hoe omgang tussen de vader en de dochter plaats kan vinden. Eindbeslissing aangehouden.

Rechtbank heeft op juiste gronden tijdelijke begeleide omgang gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 november 2013

Zaaknummer: HV 200.130.752/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/260898 / FA RK 13-1562

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.A.J.C. Koopman-van Lieshout.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juli 2013, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de vader alsnog af te wijzen, althans te bepalen dat de vader geen recht heeft op begeleide omgang en/of te bepalen dat het recht op omgang van de vader gedurende een door het hof te bepalen periode zal worden geschorst.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder het verzoek tot schorsing danwel ontzegging van het omgangsrecht ingetrokken.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 september 2013, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Weehuizen;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Koopman-van Lieshout;

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 oktober 2013.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen partijen is geboren:

- [dochter 1.] (hierna: [dochter 1.]), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].

De vader heeft [dochter 1.] erkend. De moeder heeft het gezag over [dochter 1.].

[dochter 1.] woont bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank op het verzoek van de vader tot vaststelling van een contactregeling tussen hem en [dochter 1.] bepaald dat de vader gerechtigd is tot begeleide omgang met [dochter 1.] in het omgangshuis te 's-Hertogenbosch van de Stichting Maashorst, waarbij de verdere invulling zal geschieden in nader overleg tussen partijen en de Stichting Maashorst. Voorts heeft de rechtbank partijen bevolen gehoor te geven aan de oproep van de Stichting Maashorst om in overleg te treden over de concrete uitwerking van de begeleide omgangsregeling en partijen tevens bevolen mee te werken aan de uitvoering van die regeling. De verdere behandeling van de zaak is Pro Forma aangehouden tot 14 februari 2014in afwachting van een rapport van de Stichting Maashorst over het verloop van de begeleide omgangsregeling.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert, kort samengevat het volgende aan. De moeder is van mening dat de vader ontuchtige handelingen met haar dochter [dochter 2.] heeft gepleegd, welke verdenking aan het licht is gekomen naar aanleiding van probleemgedrag en uitlatingen van [dochter 2.]. Verder heeft de vader zich niet alleen tijdens de relatie maar ook na de beëindiging daarvan op agressieve en intimiderende wijze jegens de moeder uitgelaten, waardoor thans bij de moeder en de kinderen een ernstige vrees voor de vader bestaat. Daarom is de moeder van mening dat thans geen contact kan plaatsvinden tussen de vader en [dochter 1.], ook niet in het kader van een begeleide omgangsregeling. De moeder is van mening dat de bepaling dat de vader gerechtigd is tot begeleide omgang met [dochter 1.] als een eindbeslissing kan worden beschouwd, tengevolge waarvan die beslissing appelabel is.

Ter zitting heeft de moeder verklaard dat er thans nog sprake is van een contactverbod zijdens de vader ten aanzien van haar. Het contactverbod ziet niet op contact tussen de vader en [dochter 1.], maar geeft wel problemen als er omgang tussen hen dient plaats te vinden en de ouders dan met elkaar worden geconfronteerd. Desgevraagd heeft de moeder verklaard nog niet gedacht te hebben aan een derde als tussenpersoon die de overdracht van [dochter 1.] bij het omgangshuis kan realiseren. Er loopt thans nog een strafzaak tegen de vader, doch die betreft niet langer de verdenking van seksueel misbruik van [dochter 2.].

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. De moeder heeft in eerste aanleg zelf verklaard, zoals blijkt uit haar verweerschrift in eerste aanleg, zich te kunnen vinden in een omgangsregeling die door professionals begeleid tot stand komt. Tevens is ter zitting in eerste aanleg overeengekomen dat de begeleide omgang alvast zal worden opgestart met behulp van BOR Humanitas, dit in verband met de lange wachttijd bij het omgangshuis.

De huidige stelling van de moeder ten aanzien van vermeende ontuchtige handelingen is nergens op gebaseerd en evenmin met aanvullende stukken onderbouwd. Dit kan er naar de mening van de vader dan ook niet toe leiden dat hem elke vorm van omgang met [dochter 1.], zelfs begeleide omgang, door de moeder kan worden onthouden. De moeder gaat er stelselmatig aan voorbij dat omgang voor [dochter 1.] noodzakelijk is voor een gezonde emotionele ontwikkeling. De moeder toont geen enkele vorm van inzet of bereidheid, handelt niet in het belang van [dochter 1.] en is teveel met haar eigen situatie bezig.

3.6.

De raad heeft ter zitting verklaard nog niet op de hoogte te zijn van het onderzoek dat de raad naar aanleiding van het tussen partijen gewezen kort-geding vonnis zal gaan uitvoeren. Het gaat om een jong kind en het is naar de mening van de raad van belang dat zorgvuldig onderzoek gedaan wordt. In dit onderzoek kan dan tevens meegenomen worden of (begeleide) omgang tussen de vader en [dochter 1.] mogelijk is.

Ontvankelijkheid

3.7.

Het hof is van oordeel dat sprake is van een appelabele tussenbeschikking en zal de moeder derhalve ontvangen in haar verzoek in hoger beroep.

Omgangsregeling

3.8.

In geschil is of de rechtbank op goede gronden tijdelijke begeleide omgang tussen de vader en [dochter 1.] heeft gelast bij het omgangshuis gedurende de duur van de door de rechtbank Pro Forma bepaalde termijn van 8 maanden.

3.9.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden besloten heeft tot het gelasten van tijdelijke begeleide omgang tussen de vader en [dochter 1.]. Alvorens definitief te beslissen op het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wordt aldus onder professionele begeleiding bezien of en zo ja, hoe contact tussen de vader en [dochter 1.] op verantwoorde wijze kan plaatsvinden. In het door de moeder gestelde, ziet het hof geen aanleiding om de bestreden beschikking te vernietigen, nu niet gebleken is dat een tijdelijke begeleide omgangsregeling nadeel zou opleveren voor [dochter 1.]. Voorts heeft de moeder in eerste aanleg zowel mondeling als schriftelijk ingestemd met begeleide omgangscontacten tussen [dochter 1.] en de vader, terwijl op dat moment ook de verdenking van het seksueel misbruik van [dochter 2.] reeds speelde. Thans is gebleken dat justitie voornoemde verdenking niet verder zal onderzoeken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in hoger beroep niet gebleken is van gronden, die tot de conclusie kunnen leiden, dat de moeder thans terecht een ander standpunt inneemt dan in de procedure in eerste aanleg.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Proceskosten

3.11.

De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep. Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in zaken met een familierechtelijk karakter gecompenseerd worden. De proceskosten worden door het hof dan ook gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2013;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, M.C. Bijleveld en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2013.