Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2013:5657

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
HD 200.123.006-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“Voor toewijzing van de vordering ex artikel 843a Rv (exhibitievordering) is voldoende dat incidenteel eiser het stuk niet meer tot zijn beschikking heeft maar wel in de procedure in het geding wil brengen en dat het stuk van belang kan zijn voor de onderbouwing van zijn verweer in de hoofdzaak. Niet op voorhand kan worden gezegd dat het verweer in de hoofdzaak kansloos zal zijn en dat het overleggen van het stuk daarom geen enkel doel kan dienen. Incidenteel eiser heeft er daarom voldoende (rechtmatig) belang bij dat het stuk in het geding wordt gebracht.

De omstandigheid dat in de hoofdzaak de memories van grieven en antwoord reeds zijn genomen kan aan het voorgaande niet afdoen. Het gevraagde stuk dient, althans kan dienen ter onderbouwing van de door incidenteel eiser (appellant) in de hoofdzaak ingestelde grieven. Het standpunt van incidenteel verweerster dat het oordeel van het hof in de hoofdzaak moet worden afgewacht voor de beantwoording van de vraag of het stuk al dan niet relevant is voor de beoordeling van de grieven, wordt verworpen.

Incidenteel verweerster heeft geen gewichtige redenen aangevoerd waarom het overleggen van het stuk niet van haar kan worden gevergd. Ook zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou volgen dat incidenteel eiser zijn verweer op andere wijze kan - en ook zou moeten - onderbouwen en een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van het gevraagde stuk is gewaarborgd. De vordering in het incident wordt toegewezen.”

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.123.006/01

arrest van 26 november 2013

gewezen in het incident ex artikel 843a/843b Rv in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats], België,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,

tegen

de openbare maatschap

[Accountants & Fiscalisten] Accountants & Fiscalisten,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. R.J.M.C. Rosbeek te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2013 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 21 maart 2012 en 19 december 2012 tussen appellant – [appellant] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 166686/HA ZA 11-826)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de akte van [appellant], inhoudende een incidentele vordering ex artikel 843a subsidiair 843b Rv;

- de antwoordconclusie in de incidentele vordering ex art. 843a subsidiair 843b Rv van [geïntimeerde];

Partijen hebben arrest gevraagd in het incident.

3 De beoordeling

3.1.

[geïntimeerde], die een accountants- en fiscaal adviesbureau drijft, heeft in opdracht van [Beheer] Beheer BV, [Retail] Retail BV en Bakkerij [Bakkerij] BV, welke vennootschappen een brood- en banketbakkerij exploiteerden, diverse werkzaamheden verricht. [appellant] is oprichter en naamgever van de bakkerij en winkelketen maar heeft sinds enkele jaren geen zeggenschap meer binnen het concern.

3.1.1.

Op 4 april 2011 is tussen partijen een overeenkomst van borgtocht gesloten (productie 1 inleidende dagvaarding) waarbij [appellant] zich als borg jegens [geïntimeerde] heeft verbonden tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen genoemde vennootschappen per die datum aan [geïntimeerde] verschuldigd zijn, zulks tot een maximumbedrag van € 180.000,-. In de considerans van de overeenkomst is onder meer vermeld:

"dat de heer [appellant] op 01 november 2010 een borgtochtovereenkomst heeft getekend m.b.t. de schulden van [Holding] Holding BV, Alexander BV, [Beheer] Beheer BV, [Retail] Retail BV en Bakkerij [Bakkerij] BV aan schuldeiser [hof: [geïntimeerde]];

dat schuldeiser aanvullende werkzaamheden gaat verrichten voor [Holding] Holding BV c.s. en de schuld derhalve zal oplopen;

dat partijen derhalve het bedrag waarvoor de borg garant staat nader willen vaststellen zodat borg niet voor meer dan dat bedrag borg zal staan; (…)."

3.1.2.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de verweren van [appellant] verworpen, geoordeeld dat [geïntimeerde] [appellant] kan aanspreken tot betaling uit hoofde van de borgtochtovereenkomst en de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 180.000,-, vermeerderd met rente en kosten, toegewezen.

3.1.3.

Met zijn zevende grief in de hoofdzaak heeft [appellant] betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] de overeenkomst niet onder invloed van dwaling is aangegaan. Hij heeft daartoe in de memorie van grieven (punt 29) onder meer aangevoerd: "[geïntimeerde] stelt in eerste aanleg dat er reeds sprake was van een eerdere borgtochtovereenkomst en dat deze ruimer zou zijn geweest c.q. een borg inhield voor een bedrag hoger dan € 180.000,00, maar dit wordt uitdrukkelijk betwist door [appellant] sr.

Hij heeft toentertijd een borgtochtovereenkomst getekend voor € 50.000,- en [geïntimeerde] heeft nagelaten deze in het geding te brengen, ondanks een specifiek verzoek hiertoe."

3.2.

[appellant] vordert in het incident op de voet van artikel 843a Rv (primair) dan wel 843b Rv (subsidiair) veroordeling van [geïntimeerde] om aan hem een afschrift te verstrekken van de in de memorie van grieven bedoelde eerdere overeenkomst van borgtocht van 1 november 2010. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat de eerdere borgtochtovereenkomst, waarover hij thans niet meer de beschikking heeft, een lager bedrag vermeldde, namelijk € 50.000,-, althans dat kan hij zich herinneren. Uit de borgtochtovereenkomst van 1 november 2010 zal derhalve blijken dat de stelling van [geïntimeerde] dat de borgtochtovereenkomst van 4 april 2011 ertoe strekte de aansprakelijkheid van [appellant] te beperken, zoals vermeld in de considerans van de overeenkomst van 3 april 2011, onjuist is. Derhalve is de inhoud van de overeenkomst van 1 november 2010 van belang voor de vraag of sprake is van dwaling (grief VII), misbruik van omstandigheden (grief VIII) dan wel strijd met goede zeden of openbare orde (grief VI), aldus [appellant].

3.3.

[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer tegen toewijzing van de vordering in het incident. Op dat verweer zal in het hiernavolgende worden ingegaan.

3.4.

Artikel 843a lid 1 Rv maakt onder voorwaarden een uitzondering op het beginsel dat iemand onder hem berustende bescheiden in beginsel niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven. Degene die daarbij rechtmatig belang heeft kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van het vierde lid van genoemd artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.

In het algemeen kan van een rechtmatig belang in de zin van laatstgenoemd artikellid reeds sprake zijn indien degene die afschrift verlangt dat stuk niet meer tot zijn beschikking heeft maar wel bekend is met de inhoud ervan en dat stuk in de procedure zou willen overleggen. Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer.

3.5.

Gelet op deze maatstaf is het standpunt van [geïntimeerde], dat voor toewijzing van de vordering in het incident noodzakelijk is dat de hoogte van de in de overeenkomst van 1 november 2010 vermelde borgtocht van beslissende betekenis is voor de beoordeling van de hoofdzaak (1) en dat ook moet worden vastgesteld wie van partijen in de hoofdzaak de bewijslast draagt (2), onjuist. Voldoende is dat [appellant] de overeenkomst van 1 november 2010 niet meer tot zijn beschikking heeft maar wel in deze procedure in het geding wil brengen en dat het stuk van belang kan zijn voor de onderbouwing van zijn verweer tegen de vordering van [geïntimeerde] in de hoofdzaak. In dit incident kan niet op voorhand - zonder diepgaand op de inhoud van de zaak in te gaan - worden gezegd dat het verweer van [appellant] in de hoofdzaak kansloos zal zijn en dat het overleggen van de overeenkomst van 1 november 2010 daarom geen enkel doel kan dienen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] er daarom voldoende (rechtmatig) belang bij dat het stuk in het geding wordt gebracht.

De omstandigheid dat in de hoofdzaak de memories van grieven en antwoord reeds zijn genomen kan, anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, aan het voorgaande niet afdoen. Het gevraagde stuk dient, althans kan dienen ter onderbouwing van de door [appellant] ingestelde grieven, gericht tegen de verwerping van het verweer van [appellant] tegen de vordering van [geïntimeerde] in de hoofdzaak. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] de hoofdzaak moet afwachten voor de beantwoording van de vraag of het stuk al dan niet relevant is voor de beoordeling van de grieven in de hoofdzaak, wordt, gezien de in rechtsoverweging 3.4 geformuleerde maatstaf, verworpen.

3.6.

[geïntimeerde] heeft geen gewichtige redenen aangevoerd waarom het overleggen van de overeenkomst van 1 november 2010 niet van haar kan worden gevergd. Ook zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou volgen dat [appellant] zijn verweer op andere wijze kan - en ook zou moeten - onderbouwen en een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van het gevraagde stuk is gewaarborgd. De vordering in het incident is derhalve toewijsbaar op de primair aangevoerde grond.

3.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van het incident worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

3.8.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor beraad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen twee weken na betekening van dit arrest aan [appellant] een afschrift te verstrekken van de overeenkomst van borgtocht tussen partijen van 1 november 2010;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [appellant] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 7 januari 2014 voor beraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 november 2013.